-A +A

Bewijs van een reiscontract

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 24/06/2009
Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Referentie: 
222 negende jaargang 12 mei 2010
Jaargang: 
2010
Pagina: 
367
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

nv Thomas Cook Retail Belgium, afgekort TCRB,
appellante, [...]
tegen
C.N., [...]
Geintimeerde, 1...]
I. Antecedenten
1. feitelifte voorgaanden.
Appellante houdt voor dat er tussen haar en geïntimeerde op 3/2/2004 in haar kantoor te Beveren een reiscontract werd afgesloten met betrekking tot een reis naar de Provence voor de periode vanaf 31/7/2004 tot 14/8/2004 met verblijf in een villa (voor 6 personen) op het Dornaine Le Clos des Oh-viers te Vidauban en dit voor haarzelf, haar partner en twee kinderen. De totale boekingsprijs beliep 2.284,05 euro, indusief Neckerman Assistance Plus Familie en een annulatieverzekering NVB.. Dit contract was, volgens appellante, tot stand gekomen na een telefonische vraag op 23/2/2004 van geïntimeerde om inlichtingen en informa¬tie, waarop zij de reis telefonisch boekte, na overmaking van alle noodzakelijke gege¬vens m.b.t. de naam en leeftijd van haarzelf en de (mede)reizigers, woonplaats ed. aan het boekingskantoor. De dag nadien op 24/2/2004 werd haar een reisdocument ter bevestiging van de booking overgemaakt. Hieruit blijkt dat onmiddellijk een voor-schot van 3o% of 685,22 euro moest be¬taald warden en het saldo of 1.598,83 euro uiterlijk vijf weken voor vertrek. Het document vermeldt als boekingsnummer "Ar548166 ANV".
Dit voorschot werd niet betaald. Wel schreef geïntimeerde van de gemeenshappelijke rekening "WILLEM S-CLAESSENS" op 30/4/2004 een bedrag van… euro over op de rekening van appellante met als mededeling "Ho/1548/16664", zijnde de re¬ferte van appellante, waarin het boekingnumrner opgenomen is
Op 20/8/2004 richtte appellante een schrijven aan geïntimeerde waarin zij verwees naar een vorige brief (zonder vermeldling van datum) waarin zou zijn aangedrongen op de betaling van het openstaande- saldo - van 2.184,05 euro en waarin nogmaals werd aangedrongen op betaling van dit saldo. Toen hierop geen reactie kwam stelde appellante geïntimeerde in gebreke met een aangetekend schrijven van 30/8/2004 en drong zij nogmaals aan op betaling van het openstaande saldo van 2.'84,05 euro. Dit aangetekend schrijven werd niet afge-haald. Hierop kwam: een derde ingebreke-stelling bij: aangetekend schrijven dd. 368  8/11/2004 uitgaande van de raadsman van appellante waarin werd aangemaand over te gaan tot betaling van het totaal bedrag van 2.556,36 euro (ditmaal inclusief intresten en schadevergoeding), gevolgd door een "laatste waarschuwing" door de raadsman van appellante 1)4 schrijven dd. 2/12/2004. Hierop volgde evenmin enige reactie, laat staan een protest.

2. procedurele voorgaanden
Appellante zag zich genoodzaakt bij exploot dd. 22/12/2004 over te gaan tot dagvaar¬ding van geïntimeerde in betaling van het totaal bedrag van 2.567,74 euro, volgens haar samengesteld als volgt:
hoofdsom 2.242,05 euro
conventionele schadevergoeding (ro%) 214,20 CUM
- conventionele rente (12%) 211,49 euro
te vermeerderen met de verwijlintresten aan de conventionele intrestvoet vanaf 10/12/2004 tot aan de datum van de dagvaarding (22/12/2004) op "2.191,30 euro" en aan de wettelijke intrestvoet op 214,20 euro en de gerechtelijke intresten tot de dag der volledige betaling. alsook de verwijlin-tresten aan de conventionele intrestvoet vanaf to/12/2004 tot aan de datum van de dagvaarding (22/12/2004) op 2191,30 euro en aan de wettelijke intrestvoet. op 224,20 euro, dit alles meer de gedingkosten.
In haar "derde en geglobaliseerde conclu¬sie" neergelegd op 3/7/2006 herleidde appellante vrijwillig de contractuele schade¬vergoeding tot 150 euro en de rentevoet van de verwijllintresten op de hoofdsom tot 7% vanaf de eerste aangetekende ingebrekestel¬ling.
Aldus vorderde zij een totaal bedrag in hoofdsom van 2.333,84 euro te vermeerderen met de verwijlintresten aan 7% op 2.142,05 euro vanaf '0/12/2004 tot 22/12/2004, en de gerechtelijke intresten aan 7% op 2.292,05 euro vanaf 22/12/2004 tot de dag der volledige betaling, meer de gedingkosten.
Appellante baseerde haar vordering op het op 24/2/2004 aan geïntimeerden overgemaakte reisdocument dat zowel als bestl¬bon als reisbevestiging gold en op de 1)4 het document gevoegde Algemene Reis-voorwaarden Geschillencommissie Reizen vzw, de bijzondere reisvoorwaarden van Neckermann en de verzekeringsvoorwaarden van de reisverzekeringsrnaatschappijj Elvia. In de loop van de procedure baseerde zij zich eveneens op artikel 9 van de wet van 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemidde¬ling om aan te tonen dat de reisbevestiging de overeenkomst inhield en er geen verdere bewijsvoering noodzakelijk was. De betaling van … euro aanzag zij als een begin van uitvoering dat samen met de stilzwijgende aanvaarding het bewijs van het reiscontract leverde.

Geïntimeerde besloot tot de ongegrondheid van de vordering: zij ontkende een reis bij appellante te hebben geboekt en betwistt eeen contract of bestelbon in dit verband te hebben ondertekend. Het haar door appellante op 24/212004 overgemaakte document (reisbevestiging) houdt volgens haar geen bewijs van een wilsovereenstemming in doch is hooguit een aanbod dat nooit werd aanvaard. De betaling van de … euro was volgens haar een vergissing van haar partner en had geen betrekking op de reis, te meer dit bedrag niet eens beantwoordde aan het gevraagde voorschot. Zij benadrukte nadien geen enkel reisdocument te hebben ontvangen waaruit zij afleidt dat ook appellante ervan uitging dat er geen reis geboekt was.
De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk doch ongegrond en verwees appellante in de gedingkosten. Zijn overwegingen kunnen als volgt worden samengevat samengevat.

- appellante leidde ten onrechte uit artikel 9 van de wet van 16/2/1994 of dat, in weerwil van alle civielrechtelijke principes inzake het ontstaan . van een overeenkomst, het bewijs van de reisovereenkomst geleverd reisbevestiging. Aan dit toesturen dient een bestelling vooraf te gaan; waaruit de wil om te contracteren in hoofde van de reiziger ondubbelzinnig blijkt appellante voldoet niet  aan de op haar rustende bewijslast door voorlegging van een schriftelijk bewijs en de toepassings-voorwaarden van de -uitzonderingsbepalin¬gen van artikel 1347 B.W. (begin van bewijs door geschrift) en artikel 1348 B.W. (onmo¬gelijkheid om zich een schriftelijk bewijs te verschaffen) zijn evenmin voorhanden.
Met haar hoger beroep beoogt appellante de vernietiging van het bestreden vonnis, de toekenning van haar vordering zoals in haar "derde en geglobaliseerde condusie" neergelegd op 3/7/2006, geforrnuleerd en de veroordeling van geintimeerde tot de gedingkosten van de beide aanleggen. Geïntimeerde van haar kant besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de verwijzing van appellante in de gedingkosten van beide aanlleggen. 

Beoordeling:

3. Onderhavig geschil houdt verband met de vraag of er tussen de partijen een reis-contract is tot stand gekomen voor een ver¬blijf van 14 dagen (31/7/2004 — 14/8/2004) voor vier personen in het Domaine le Clos des Oliviers te Vidauban in de Provence (Frankrijk). Deze, vraag is cruciaal aangezien de vorde¬ring van appellante strekt tot de uitvoering van deze overeenkomst, bestaande in de betaling van de overeengekomen reissom door geïntimeerde, onder aftrek van het reeds betaalde bedrag van 100 euro.
3.r: Overeenkomstig artikel 1315, eerste lid, B.W. rust op degene, die de uitvoering van een verbintenis vordert, de last het bestaan ervan te bewijzen. Bijgevolg is het aan appellante om het bewijs te leveren van de betalingsverbintenis van geïntimeerde, die voortvloeit uit het reiscontract.
Aangezien geïntimeerde geen handelaar-ster is en het reiscontract in haren hoofde geen handelsverbintenis uitmaakt, dient het bewijs geleverd te warden overeenkom¬stig de regels van het burgerlijk recht, meer bepaald de artikelen 1341 e.v. B.W. Dit bete¬kent dat het louter stilzwijgen van geïntimeerde na ontvangst van de reisbevestiging en van de diverse ingebrekestellingen in principe geen aanvaarding van het reiscon¬tract in haren hoofde impliceert.
3.2. Appellante aanziet het document "reis-document/bevestiging" dat zij daags na de telefonische bestelling van de reis — op 24/2/2004 — overmaakte aan geïntimeerde, als het bewijs van het bestaan van de reis-overeenkomst tussen partijen en dienvol¬gens als het bewijs van de betalingsverbin¬tenis van geïntimeerde
Ter staving van haar stelling verwijst zij naar artikel. 9, eerste lid, van de wet van 16 februari '994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling dat preciseert dat het contract tot reisorganisa¬tie ontstaat op het ogenblik dat de reiziger al dan niet via de namens de reisorganisa¬tor optredende reisbemiddelaar, van de reisorganisator de schriftelijke bevestiging van de geboekte reis ontvangt. Dit werd ook opgenomen ander artikel 5 S 2 van de Alge¬mene Reisvoorwaarden Geschillencommis¬sie Reizen vzw.
Weliswaar bepalen artikel 9, eerste lid, van de wet van 16/2/1994 en artikel 5 S i van de Algemene Reisvoorwaarden Geschillen-commissie Reizen vzw, dat bij het boeken van een reis de reisbemiddelaar of de reis¬organisator gehouden is tot het opmaken van een bestelbon aan de reiziger te over¬handigen conform de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, doch vol¬gens appellante wordt de afwezigheid van de (voorafgaande) materiële afgifte van de bestelbon ondervangen door de (inhoud van de reisbevestiging dd. 24/2/2004 zelf, waarin op pagina 2 onder punt "oi" wordt gestipuleerd: "Huidig document geldt als bestelbon en als reisbevestiging in de zin van de Wet van 16 februari 1994 tot rege¬ling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling."
Artikel 9, eerste lid, van voormelde wet van 16/2/1994 is evenwel geen regel van bewijsrecht maar een regel van materieel recht dat het ogenblik waarop de reisover¬eenkomst ontstaat, vastlegt en regelt.
Artikel 9, eerste lid, van de wet van 16/2/1994 en — a fortiori — artikel 5 5 2 van de Algemene. Reisvoorwaaiden Geschillen-commissie Reizen vzw, sluiten de bewijsregeling vervat in de artikelen 1341 e.v. B.W. niet uit De plaats die de artikelen 9 en 5 en 2 in respectievelijk de wet van 16/2/1994 en de Algemene. Reisvoorwaarden Geschillencomrnissie Reizen vzw innemen bevestigt zulks, i.c. onder de hoofding "Totstandkomen van het contract" en meer specifiek wat de wet van 16/2/1994.

3.3. Krachtens artikel 1341 B.W. moet een akte voor een notaris of een onderhandse akte warden opgemaakt van alle zaken, die de som of de waarde van 375,0o euro te boven gaan. Onderhandse akten, die weder¬kerige overeenkomsten bevatten zijn slechts gedlig voor zover zij opgemaakt zijn in zo¬veel exemplaren als er partijen zijn die een onderscheiden belang hebben (artikel 1325 B .W.) .
Hoewel een reiscontract wederkerige over-eenkomsten bevat, kan het document dat "reisbevestiging" wordt genoemd niet als een onderhandse akte in de zin van de artikelen 1322 e.v. B.W. warden aangezien, al was het maar omdat het document door de partijen niet ondertekend werd. Het is zelfs niet als een begin van bewijs door geschrift te aanzien in de zin zoals bedoeld in artikel 1347 B.W. aangezien dit document uitgaat van degene die de vordering instelt (appel¬lante) en niet, zoals artikel 1347 B.W. voor¬schrijft, van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld (geïntimeerde). Appellante voert dit trouwens ook niet aan.
3.4. De regels inzake bewijsrecht beletten evenwel niet dat het bewijs eveneens kan geleverd warden door een bekentenis, hetzij een gerechtelijke, hetzij een buitengerechtelijke bekentenis. Een bekentenis mag immers worden ingeroepen buiten alle wettelijke regeling van de bewijsmiddelen, dus ook daar waar de wet een geschreven bewijs vereist (zie DEKKERS, R., VERBEKE, A., CARETTE, N., VANHOVE, K., Handboek Burgerlijk Recht, deel III, Verbintenissen, Bewijsleer, Gebruikelijke contracten, Intersentia 2007, .nr. 778, p. 443).
Appellante beroept zich op de buitengerechtelijke bekentenis van geïntimeerde verwijzende naar haar voorbehoudsloze ge¬deeltelijke betaling, dat als een begin van uitvoering te beschouwen is.

Een bekentenis is de erkenning door een partij van de juistheid van een feit dat tegen haar wordt aangevoerd, of de instemming met het bestaan van een rechtshandeling en van de eruit voortvloeiende verbintenissen, ofschoon men er belang N.] heeft te ontkennen. Zij is buitengerechtelijk wanneer zij plaatsvindt buiten aanwezigheid van de rechter of in een ander geding, of zelfs buiten elk geding. Het bestaan van een reeds ontstane en actuele betwisting tussen partijen is niet vereist De bekente¬nis kan ook een toekomstige betwisting betreffen (zie DEKKERS, R., VERBEKE, A. e.a., op. cit., III. 781, p. 445).De bekentenis kan uitdrukkelijk maar ook impliciet zijn en blijken uit verklaringen of uit een handelwijze van een partij, waaronder daden van uitvoering van een overeenkomst Terzake kan het bestaan van een buitenge¬rechtelijke bekentenis in hoofde van geïntimeerde wel degelijk uit haar handelwijze afgeleid warden: het kan immers bezwaar¬lijk ernstig betwist worden dat de gedeelte¬lijke betaling van …euro door geïntimeerde op de rekening van appellante, zonder enig voorbehoud en op een ogenblik dat er tussen de partijen nog geen betwisting bestond, als een begin van uitvoering te bestempelen is, die als een buitengerech-telijke bekentenis in de zin van artikel 1354 B.W. op te vatten is.

Geïntimeerde probeert deze betaling of te doen als een "vergissing" van haar vriend, maar zegt niet waarop deze betaling dan wel betrekking had. Bovendien, als de betaling effectief een vergissing was, mag ervan warden uitgegaan dat geïntimeerde heeft aangedrongen op de terugbetaling ervan. Welnu, enig bewijs hiervan, ligt niet voor. Wel stelt zij diverse malen telefonisch op terugbetaling te hebben aangedrongen, doch dit wordt door appellante te¬gengesproken. Haar versie is trouwens wei¬nig geloofwaardig: indien zij de betaling effectief als onverschuldigd aanzag en als een vergissing bestempeld; En indien haar telefonisch aandringen niets opIeverde, dan is het zeer merkwaardig dat zij .haar aan¬spraken nooit schriftelijk formuleerde. In leder geval blijkt uit niets dat zij appellante schriftelijk in gebreke stelde om haar de bewuste 100 euro terug te betalen. Zij vor-dert dit trouwens in de procedure evenmin terug.
Geïntimeerde bewijst niet dat de gedeelte¬lijke betaling een vergissing was. Deze betaling was trouwens geen vergissing: niet al¬leen protesteerde geïntimeerde op geen enkel ogenblik tegen de reisbevestiging, die zij reeds sedert 24/2/2004 had ontvangen, bovendien wijst alles er op dat zij de reis ook daadwerkelijk heeft gewild en zelfs heeft gemaakt. Het stuk na van appellante toont immers aan dat geïntimeerde voor :haar verblijf in het Domain' Le Cos des Oliviers in Vidauban vana f31/7/2004 tot 1418/2004 de som van 1.784 euro heeft betaald aan de hotelier ter plaatse. Zij heeft zodoende de reis wel degelijk gemaakt, maar aan een goedkoper tarief door rechtstreekse betaling aan de hotelier. Benevens het feit dat geïntimeerde de overeengekomen reissom, op een bedrag van … euro na, niet heeft betaald, zou dit mogelijks mede kunnen verklaren waarom geïnterneerde nadien geen reisdocumenten meer ontving. Weliswaar trekt geïntimeerde de bewijswaarde van het stuk ro van appellante in twijfel, maar dit is ten onrechte: dit stuk bevat vooreerst een faxbericht dd. 29/6/2006 van de uitbater van het Domaine be Clos des Oliviers, zijnde de ven¬nootschap "rami soleil sari", aan appellante waarin deze appellante meedeelde dat de client "Claessens-Willems" een huurprijs van 1.784 euro heeft betaald voor de periode 31/7/2004 tot 14/8/2004 en vermeldt hier in uitdrukkelijk het boekingsnummer "A 1548166" .van appellante; dat deze fax niet ondertekend is (reden waarom geïntimeerde deze fax in vraag stelt) is geenszins onge¬bruikelijk. Aan deze fax is de lijst van de aankomsten van de klanten over de periode 25/7/2004 tot 31/7/2004 gevoegd en hierin komt geïntimeerde voor met als datum van aankomst 31/7/2004 en datum van vertrek 14/8/2004 (zoals ook onder reisbevestiging 369 was vastgelegd) en andermaal met vermelding van het boekingsnummer. Daaraan is een lijst van betalingen gehecht, waaronder de betaling an 1.784 euro gekoppeld aan voormeld boekingsnummer.
Geïntimeerde heeft in haar besluiten trou¬wens deze betaling ook nooit ernstig tegen-gesproken. Wei koppelt zij hieraan geen gevolgen met betrekking tot (de omvang van) haar betalingsverbintenis.
De gedeeltelijke betaling van …euro, weliswaar niet gelijk aan het gevraagde voor¬schot, -is in de gegeven specifieke omstan¬digheden dan ook te aanzien als een begin van uitvoering en als een buitengerechtelijke bekentenis.
Geïntimeerde poogt dit tevergeefs te weer¬leggen door voor te houden dat zij met deze betaling nooit de bedoeling heeft gehad aan de wederpartij een bewijs te verschaffen. Deze intentionaliteitvereiste werd door het Hof van Cassatie verlaten. In een recent ar¬rest oordeelde het Hof dat de buitengerech¬telijke bekentenis bedoeld in de artikelen 1354 en 1355 B.W een eenzijdige daad is waaruit bewijs kan worden gehaald, die moet uitgaan van de partij tegen wie ze wordt aangevoerd, maar die niet bestemd moet zijn om voor de tegenpartij als bewijs te dienen. (vgl. CASS. 20 december 2007, T.B.B.R. 2008; p. 452 met noot van VAN VALCKENBORCH, L, "De doorbraak van de "ongewilde bekentenis" als geldige bui¬tengerechtelijke bekentenis", p. 454 ex, 459-461).
3.5. Met deze buitengerechtelijke bekente¬nis staat het bestaan van het reiscontract tussen partijen .aan de voorwaarden en de modaliteiten zoals opgenomen in de reisbe¬vestiging, genoegzaam vast, en bijgevolg ook de hieruit voortvloeiende betalingsver¬bintenis in hoofde van geïntimeerde. Geïntimeerde brengt hiertegen in dat zij, in strijd met artikel 9 van de wet van 16/2/1994 en met artikel 5 S r van de Algemene Reis¬voorwaarden Geschillencommissie Reizen vzw, voorafgaand aan de reisbevestiging geen bestelbon heeft ontvangen, zodat appellante handelde in strijd ,met de wet en hieruit geen voordeel kan halen. De voorwaarde van het overmaken van een bestelbon conform de wet: van 14/7/1992 betreffende de han-delspraktijken en de voorlichting en bescher-ming van de consument, is een van de vorrmvereisten die strekken tot -de bescher-ming v-an de belangen van de consument. De niet-naleving ervan leidt evenwel niet tot het niet-bestaan van de reisovereenkomst maar kan wel leiden tot een betrekkelijke nietigheid die de rechter beoordeelt met in¬achtneming van de zwaarwichtigheid van de aantasting van die belangen (vgl. CASS. 26 mei 2006, T.B.B.R. 2007, 476). De wet van 16/2/1994 is weliswaar dwingend, maar niet van openbare orde. De nietigheid kan derhalve enkel gevorderd worden door de be¬schermde partij, met name de reiziger (vgl. CASS. 15 november 2002, A.R. nr. Co oo39oN, HR; Sancties en Nie-tigheden, ORDE VAN DE. ADVOCATEN. KORTRIJK, Larcier 2003, p. 295).

Geïntimeerde heeft evenwel op geen enkel ogenblik in de procedure, zij het ondergeschikt, de nietigverklaring van de reisover¬eenkomst gevorderd. Zij ging er, immers steeds van uit dat het bewijs van het bestaan van de reisovereenkomst niet geleverd was. Dat de reisbevestiging niet voorafgegaan werd door een bestelbon in de zin van arti¬kel 9 van de wet van 16/2/1994 en artikel 5 §1 van de Algernene Reisvoorwaarden Ge-schillencommissie Reizen vzw, tact het rechtsgeldig bestaan van het reiscontract niet aan.
4. Geïntimeerde bijgevolg gehouden tot betaling van het saldo van de reissom tot beloop van 2.142,05 euro. Enig bewijs van schade is, in tegendeel tot hetgeen zij voor¬houdt, niet vereist. Deze betalingsverplich¬ting maakt immers deel uit van de door appellante gevorderde uitvoering van de overeenkomst en is geen schadevergoeding. Appellante maakt eveneens aanspraak op het conventioneel schadebeding (10%) en de conventionele intresten (12%), die zij reeds voor de eerste rechter vrijwillig her¬leidde tot respectievelijk...euro en 7% vanaf de eerste ingebrekestelling (met dit laatste de wettelijke intrestvoet bedoelen¬de). In dit verband dient opgemerkt dat deze contractvoorwaarden geen deel uitmaken van de Algemene Reisvoorwaarden Geschillencornmissie Reizen vzw noch van de bij zondere reisvoorwaarden, doch opgenomen zijn in de reisovereenkomst zelf, waarvan de reisbevestiging de veruitwendiging is (zie p. 2 van de reisbevestiging onder punt "o8"). Deze contractvoorwaarden zijn geintirmeerde derhalve tegenstelbaar. Het gevor¬derde schadebeding en de conventioneIe intresten, zoals door appellante vrijwillig herleid, kunnen bijgevolg toegekend worden.
Geïntimeerde is bijgevolg, bij gebrek aan cijfermnatige betwisting, aan appellante het bedrag van …verschuldigd, te verrneerderen met de verwijlintresten zoals in het dictum van het arrest bepaald.
[...l
OM DEZE REDENEN, HET HOF,
[...]
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;
Doet het bestreden vonnis teniet en op-nieuw wijzende:
Verklaart de oorspronkelijke vordering, zoals gedeeltelijk vrijwillig herleid, ontvankelijk en gegrond.
Veroordeelt geïntimeerde om te betalen aan appellante het bedrag van [2.292,05 euro te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet op 2.142,05 euro vanaf 10 december 2004 tot 22 december 2004 en de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet op 2.292,05 euro vanaf 22 december 2004 tot de dag der vollledige betaling.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 15/05/2010 - 22:08
Laatst aangepast op: za, 29/07/2017 - 11:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.