-A +A

Bewijs van een handgift door bezit als titel van eigendom

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 25/04/1995
A.R.: 
C.08.0602.N

Een handgift is geldig wanneer de schenker de onherroepelijke bedoeling heeft om te schenken en er een materiële eigendomsoverdracht plaatsvindt van het geschonken goed van de schenker (die schenkt) aan de begiftigde (die ontvangt).

Daaruit volgt dat eigenlijk vijf voorwaarden samen moeten bestaan opdat de schenking van hand tot hand geldig zij:

a) de handgift onderstelt dat een fysieke overdracht van goederen tussen de schenker en de begunstigde = de traditio — de inbezitstelling van de geschonken zaak;

b) de handgift onderstelt dat het gaat om een roerend, materieel en verplaatsbaar goed (bv. juwelen, meubilair, bankbriefjes, waardepapieren — kasbons aan toonder, aandelen aan toonder); vastgoed, aandelen op naam, cheques op naam zijn dus uitgesloten;

c) de handgift onderstelt, aan de zijde van de schenker de bedoeling om weg te schenken (= de animus donandi) (dus zonder dat in ruil daarvoor een tegenprestatie van materiële of economische aard wordt geëist), en aan de zijde van de begunstigde de aanvaarding van de geschonken zaak (= de acceptatio);

d) de handgift onderstelt dat de begunstigde onmiddellijk eigenaar wordt van het geschonken goed; de overdracht moet dus meteen (en niet op termijn) gebeuren;

e) uit de combinatie van punten c en d volgt dat de handgift definitief is m.a.w. de schenker kan zijn beslissing niet meer herroepen.

Wat de bewijsrechtelijke positie van de partijen betreft wil het Hof beklemtonen dat vermoed wordt dat het bezit deugdelijk is (het cassatiearrest van 4 december 1986 — R.W. 1986-87, 2147 — spreekt van het bij de wet in het voordeel van de bezitter ingestelde weerlegbaar vermoeden van deugdelijk bezit), zodat wie beweert dat het bezit gebrekkig is (= geïntimeerde L.) dit moet bewijzen; het bewijs van de ondeugdelijkheid — vooral de dubbelzinnigheid en de heimelijkheid van het bezit worden in casu ingeroepen om het vermoeden van eigendom te weerleggen — kan als materieel feit met alle middelen van rechtens gebeuren.

Het bezit is dubbelzinnig ingeval het, gelet op de omstandigheden, vatbaar is voor verschillende interpretaties, en met name ingeval er, in concreto beoordeeld, twijfel bestaat of de bezitter het goed onder zich heeft als eigenaar dan wel als houder.

Het bezit is heimelijk wanneer de bezitter niet onmiddellijk en spontaan, maar eerder achteraf en onder invloed van de kracht van het onderzoek moet toegeven dat hij de goederen bezat.

Is eenmaal bewezen dat zijn bezit dubbelzinnig of heimelijk is, dan kan de vermeende begiftigde de bescherming van artt. 2279 B.W. niet langer inroepen; hij dient dan het bestaan van de handgift te bewijzen overeenkomstig de regels van gemeen recht.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
569
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

B. t/ L.

Een handgift is geldig wanneer de schenker de onherroepelijke bedoeling heeft om te schenken en er een materiële eigendomsoverdracht plaatsvindt van het geschonken goed van de schenker (die schenkt) aan de begiftigde (die ontvangt).

Daaruit volgt dat eigenlijk vijf voorwaarden samen moeten bestaan opdat de schenking van hand tot hand geldig zij:

a) de handgift onderstelt dat een fysieke overdracht van goederen tussen de schenker en de begunstigde = de traditio — de inbezitstelling van de geschonken zaak;

b) de handgift onderstelt dat het gaat om een roerend, materieel en verplaatsbaar goed (bv. juwelen, meubilair, bankbriefjes, waardepapieren — kasbons aan toonder, aandelen aan toonder); vastgoed, aandelen op naam, cheques op naam zijn dus uitgesloten;

c) de handgift onderstelt, aan de zijde van de schenker de bedoeling om weg te schenken (= de animus donandi) (dus zonder dat in ruil daarvoor een tegenprestatie van materiële of economische aard wordt geëist), en aan de zijde van de begunstigde de aanvaarding van de geschonken zaak (= de acceptatio);

d) de handgift onderstelt dat de begunstigde onmiddellijk eigenaar wordt van het geschonken goed; de overdracht moet dus meteen (en niet op termijn) gebeuren;

e) uit de combinatie van punten c en d volgt dat de handgift definitief is m.a.w. de schenker kan zijn beslissing niet meer herroepen.

Wat de bewijsrechtelijke positie van de partijen betreft wil het Hof beklemtonen dat vermoed wordt dat het bezit deugdelijk is (het cassatiearrest van 4 december 1986 — R.W. 1986-87, 2147 — spreekt van het bij de wet in het voordeel van de bezitter ingestelde weerlegbaar vermoeden van deugdelijk bezit), zodat wie beweert dat het bezit gebrekkig is (= geïntimeerde L.) dit moet bewijzen; het bewijs van de ondeugdelijkheid — vooral de dubbelzinnigheid en de heimelijkheid van het bezit worden in casu ingeroepen om het vermoeden van eigendom te weerleggen — kan als materieel feit met alle middelen van rechtens gebeuren.

Het bezit is dubbelzinnig ingeval het, gelet op de omstandigheden, vatbaar is voor verschillende interpretaties, en met name ingeval er, in concreto beoordeeld, twijfel bestaat of de bezitter het goed onder zich heeft als eigenaar dan wel als houder.

Het bezit is heimelijk wanneer de bezitter niet onmiddellijk en spontaan, maar eerder achteraf en onder invloed van de kracht van het onderzoek moet toegeven dat hij de goederen bezat.

Is eenmaal bewezen dat zijn bezit dubbelzinnig of heimelijk is, dan kan de vermeende begiftigde de bescherming van artt. 2279 B.W. niet langer inroepen; hij dient dan het bestaan van de handgift te bewijzen overeenkomstig de regels van gemeen recht.

...

Post nr. 10 = Spaarboekje ASLK op naam van L. met een bedrag van 500 frank.

Aangezien een spaarboekje op naam niet bij handgift kan worden overgedragen kan er op dit punt geen discussie bestaan, hetgeen door de appellante op hoofdberoep erkend wordt.

Ook op dit punt heeft de eerste rechter correct gevonnist.

...

Posten 7, 8 en 8

Dit zijn de kasbons van wat de onderzoekers noemen «het B.verhaaltje» (strafdossier, stuk 41/a).

Mevrouw B., die bij haar ondervraging op 18 mei 1984 verklaarde niets af te weten van het bestaan van deze kasbons en ze in geen geval te hebben aangekocht, moest, toen de onderzoekers hadden uitgevist dat deze kasbons vervangers waren van de vroegere kasbons (op naam van D.), deze vervanging erkennen en toegeven dat haar verhaal van 18 mei 1984 gelogen was — met de bedoeling haar bijzit V; (aan wie de effecten werden afgegeven) buiten de zaak te houden. H. V. verklaarde op 22 mei 1984 dat hij «om verdere ruzie te voorkomen» bezit nam van die kasbons en ze, buiten weten van B., op de zolder had verborgen onder het balatum.

Het Hof acht het evident dat het vermoeden van deugdelijkheid hier uitermate sterk wordt aangetast, en omdat V. nooit eigenaar is geweest van die kasbons, maar enkel houder (met het oog op geheime bewaring), en omdat uit geen enkel concreet en decisief element blijkt dat zij op 14 oktober 1983 (zie stukken 41/p en volg.) als eigenaar gerechtigd was vroegere spaarbons (waarvan de borderellen ht klantnummer 040023 droegen) te verkopen in het makelaarskantoor van R. D. en ze onmiddellijk te vervangen door waarden met het borderelnummer 222228.

Een dergelijke handelwijze — afgezien van het bedrieglijk element ten opzichte van de onderzoekers — wijst uiteraard naar heimelijkheid en dubbelzinnigheid.

Op dit punt moet derhalve het aangevochten vonnis worden gewijzigd.

Noot: 

D. Van Grunderbeeck, Gift van hand tot hand en de bewijsfunctie van art. 2279, eerste lid, B.W.

De auteur benadrukt en verwijst naar de rechtsleer en rechtspraak die nagenoeg unaniem aanvaardt dat de bewijsproblematiek n.a.v. de beweerde handgift beheerst wordt door artikel 2279, eerste lid, B.W.,

Weliswaar wijst de auteur op het afwijkend standpunt van R. Dekkers: «En fait de meubles, la possession vaut titre, mais non: juste titre», Rev. Prat. Not.B., 1973, 323 e.v.; «Inzake roerend goed geldt bezit als titel, doch niet als wettige titel», R.W., 1972-73, 1937-1940; Handboek van burgerlijk recht, Antwerpen, Bruylant, 1958, III, p. 600, nr. 1004).

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 15/10/2017 - 14:18
Laatst aangepast op: zo, 15/10/2017 - 14:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.