-A +A

Bewijs in strafzaken door gebrek aan plausibele verklaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 31/05/2016
A.R.: 
P.15.1507.N

Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren waarbij de rechter rekening mag houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven; zodoende kan de rechter de schuld van een zaakvoerder aan misbruik van vertrouwen ten nadele van de vennootschap afleiden uit het feit dat die zaakvoerder niet kan verantwoorden dat hij de gelden die hij volgens de boekhoudkundige stukken heeft afgenomen van de vennootschapsrekening, heeft besteed in het belang van de vennootschap waardoor aldus de rechter het vermoeden van onschuld of de regels betreffende de bewijslast in strafzaken niet miskent en hij evenmin artikel 491 Strafwetboek schendt.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.1507.N
I-II
S L D C,
beklaagde,
eiser,
tegen
1. Francis VOLCKAERT, met kantoor te 8400 Oostende, Elisabethlaan 25/1, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement FLANDERS BIO FUELS bvba,
burgerlijke partij,

2. Jan WYLLEMAN, met kantoor te 8400 Oostende, Nijverheidsstraat 82, en Ronny LARIDON, met kantoor te 8400 Oostende, Leopold II laan 3, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement DECONINCK-DEPOORTER bvba,
burgerlijke partij,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 oktober 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II

1. Krachtens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet.

2. Op 12 november 2015 stelde de eiser ter griffie van het hof van beroep te Gent het cassatieberoep I in bij akte nr. 2392/2015 en het cassatieberoep II bij akte nr. 2394/2015.

Het cassatieberoep II is niet ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cas-satieberoep I aan de verweerders is betekend.

In zoverre gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen, is het cassatieberoep I niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 491 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel volgens het-welk de vervolgende partij of de burgerlijke partij het bewijs van het misdrijf moet leveren: het arrest veroordeelt de eiser wegens misbruik van vertrouwen voor een bedrag van 110.861,85 euro ten nadele van Flanders Bio Fuels bvba (hierna FBF), waarvan hij de zaakvoerder was; dat bedrag is het verschil tussen, eensdeels, het aanvankelijk in de telastlegging B.2 vermelde bedrag van 551.748,68 euro, bestaande uit 63 debiteringen van de bedrijfsrekening van FBF die zijn besteed aan cheques, geldopnemingen en overschrijvingen ten voordele van de eiser zelf, De Coninck bvba en G S, en, anderdeels, het bedrag van 440.886,83 euro, bestaande uit 21 debiteringen waarvoor de eiser volgens het arrest een aanvaardbare verantwoording heeft gegeven; zodoende veroordeelt het arrest de eiser voor het bedrag van 42 debiteringen wegens een gebrek aan verantwoording, te weten 5 debiteringen waarvoor eisers uitleg niet aanvaardbaar wordt bevonden en 37 debiteringen waarvoor hij geen uitleg heeft verstrekt; het staat evenwel aan de vervolgende partij of de burgerlijke partij het bewijs te leveren van het bestaan van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf, dit wil zeggen van elke van de aan de eiser ten laste gelegde debitering.

5. Krachtens artikel 257, eerste lid, Wetboek van Vennootschappen kan iedere zaakvoerder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid alle handelingen verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van de vennootschap, behoudens deze waarvoor alleen de algemene vergadering bevoegd is. Krachtens artikel 258 van dat wetboek is de vennootschap in de regel verbonden door de handelingen van de zaakvoerders. Artikel 1993 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere lasthebber ertoe gehouden is rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht. Die bepalingen vereisen dat een zaakvoerder verantwoordt dat hij de aan zijn beheer toevertrouwde gelden van de vennootschap in haar belang heeft besteed.

6. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig over-gelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daar-bij mag de rechter rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven. Zodoende kan de rechter de schuld van een zaakvoerder aan misbruik van vertrouwen ten nadele van de vennootschap afleiden uit het feit dat die zaakvoerder niet kan ver-antwoorden dat hij de gelden die hij volgens de boekhoudkundige stukken heeft afgenomen van de vennootschapsrekening, heeft besteed in het belang van de vennootschap. Aldus miskent de rechter niet het vermoeden van onschuld of de regels betreffende de bewijslast in strafzaken en schendt hij evenmin artikel 491 Strafwetboek.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

7. Het arrest leidt het bestaan van de constitutieve bestanddelen van het mis-bruik van vertrouwen in hoofde van de eiser niet enkel af uit de hier bekritiseerde reden, maar ook uit redenen die het onderdeel niet in de kritiek betrekt.
In zoverre het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 491 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel volgens het-welk de vervolgende partij of de burgerlijke partij het bewijs van het misdrijf moet leveren: het arrest steunt eisers veroordeling voor 37 debiteringen waarvoor hij geen verantwoording verstrekt op de reden "Indien bij een faillissement blijkt dat de in de boekhouding vermelde gelden of inventarisgoederen niet voorhanden zijn in de onderneming en de bestuurder hiervoor geen verantwoording kan geven, dan mag de rechter hieruit het bewijs door vermoedens afleiden dat de bestuurder schuldig is aan ontdraging van die gelden en/of goederen uit het faillissement (vgl.: Cass. 13 maart 1973, Arr. Cass. 1973, 693). Dit is geen omkering van de bewijslast.

Telkens wanneer de wet een verplichting tot verantwoording oplegt, kan er een bijzonder bewijs door middel van vermoedens geleverd worden, meer bepaald een bewijs op grond van de niet verstrekte verantwoording ((zie L. HUYBRECHTS, De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van bestuurders en zaakvoerders van vennootschappen, referaat dd. 24 mei 1993, UIA-CBR, 37)"; de eiser wordt onder de telastlegging B.2 vervolgd voor misbruik van vertrouwen en niet voor een faillissementsmisdrijf; het arrest stelt trouwens vast dat de periode waarin de debiteringen plaatsvonden, dateert van vóór de datum van staking van betaling van FBF die het bepaalt; de rechtspraak en de rechtsleer waarnaar het ar-rest verwijst, zijn hier dan ook niet van toepassing; het arrest stelt niet vast welke wet aan de eiser in de periode van de debiteringen een verplichting tot verant-woording zou opleggen, noch welke verplichting deze niet nader bepaalde wet aan de eiser zou opleggen; het openbaar ministerie en de burgerlijke partij dienen per vervolgd feit en dus per debitering te bewijzen dat er sprake is van verduistering of verspilling met een bedrieglijk opzet en een mogelijke benadeling.

9. Met de in het onderdeel aangehaalde reden en de verwijzingen die zij bevat, steunen de appelrechters eisers veroordeling wegens misbruik van vertrouwen niet op de uitlegging van wetsbepalingen die louter faillissementsmisdrijven betreffen, maar illustreren zij enkel hun standpunt dat zij uit het feit dat de eiser als zaak-voerder van FBF in gebreke blijft om zijn besteding van gelden van die vennoot-schap te verantwoorden, gevolgen kunnen afleiden met betrekking tot zijn schuld aan misbruik van vertrouwen ten nadele van die vennootschap.
In zoverre het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het fei-telijke grondslag.

10. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste on-derdeel en is het om dezelfde redenen te verwerpen.

Derde onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser wegens misbruik van vertrouwen voor de in de telastlegging  B.2 vermelde debiteringen waarvoor hij geen verantwoording verstrekt, zonder het bestaan vast te stellen van de door de eiser betwiste constitutieve bestanddelen dat er sprake moet zijn van een materiële daad van verduistering of verspilling, gepleegd met bedrieglijk opzet en met mogelijke benadeling tot gevolg.

12. Na de constitutieve bestanddelen van het misdrijf misbruik van vertrouwen te hebben opgesomd, preciseert het arrest (ro 2.4.1) dat verduistering bestaat in het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de toevertrouwde zaak en dat het bedrieglijk opzet erin bestaat zich die zaak toe te eigenen en aan de eigenaar te ontnemen, waarbij het misdrijf voltooid is vanaf het ogenblik dat deze constitutieve bestanddelen zijn vervuld. Vervolgens oordeelt het arrest (ro 2.4.3) in antwoord op eisers verweer betreffende de telastlegging B.2 dat:

- uit de historiek van de KBC-bedrijfsrekening van FBF blijkt dat er in de perio-de van 5 december 2006 tot 20 november 2007 63 debiteringen plaatsvonden ten belope van in totaal 551.748,68 euro ingevolge cheques, geldopnemingen en overschrijvingen gedaan ten voordele van de eiser zelf, zijn echtgenote G S en De Coninck bvba, zoals op die historiek in het groen aangeduid;

- de rechter ten laste van een bestuurder van een vennootschap een vermoeden van verduistering kan afleiden uit het feit dat die bestuurder zijn verplichting tot verantwoording niet vervult met betrekking tot gelden of goederen die niet meer in de onderneming voorhanden zijn, maar waarvan de aanwezigheid uit de boekhouding blijkt;

- alle verrichtingen dateren van na de brand op 13 oktober 2006, zodat de eiser zich niet kan verschuilen achter het argument dat de boekhouding verloren is gegaan ingevolge de brand;

- de eiser een uitleg geeft voor 26 van de 63 in het groen gemarkeerde bedragen, die aanvaardbaar is voor 21 bedragen omdat het openbaar ministerie en de verweerder 1 niet weerleggen dat die bedragen dienden voor het heropstarten van de productie na de brand;

- de eiser de 5 bedragen waarvoor zijn uitleg niet aanvaardbaar werd bevonden, precair in bezit had als zaakvoerder van FBF en hij die bedragen heeft ver-duisterd door ze zich toe te eigenen tegen de belangen van de vennootschap in, die hierdoor werd benadeeld.

13. Uit het geheel van die redenen blijkt dat het arrest oordeelt dat de eiser alle bedragen die hij van de bedrijfsrekening van FBF heeft afgenomen en waarvoor hij geen aanvaardbare verantwoording heeft verstrekt, materieel heeft verduisterd ten nadele van die vennootschap met het bedrieglijk opzet zich de gelden toe te eigenen. Aldus stelt het arrest het bestaan vast van de door de eiser betwiste con-stitutieve bestanddelen van misbruik van vertrouwen en verantwoordt het de be-slissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel "[De eiser] geeft in zijn appelbesluiten onder de letters a tot en met z een uitleg voor 26 (van de 63 groen gemarkeerde) bedra-gen" en de navolgende veroordeling van de eiser voor de debiteringen die niet zijn opgenomen in de lijst op de pagina's 48 en 49 van eisers beroepsconclusie omdat de eiser voor deze debiteringen geen verantwoording zou hebben gegeven, miskent het arrest de bewijskracht van die conclusie, waarin op pagina 50 onder randnummer 86 uitleg wordt gegeven voor in het groen aangeduide geldopnemingen, uitgiften van cheques en overschrijvingen.

15. In zijn beroepsconclusie (ro 85, p. 48-49) heeft de eiser onder de letters a tot z een verantwoording verstrekt voor 26 individuele bedragen die hij van de reke-ning van FBF heeft afgenomen. Vervolgens heeft de eiser in die conclusie (ro 86, p. 50) vermeld dat hij de telastlegging B.2 met klem betwist, onder meer op grond dat: "De geldopnemingen en uitgifte van cheques vonden allen plaats eind 2006 en begin 2007, zijnde een periode waarin FBF volop trachtte de brand te boven te komen en opnieuw te kunnen starten met de productie. Deze uitgaven dienen dan ook volledig daarin te worden gekaderd." en "De overschrijvingen naar de BVBA DE CONINCK betreffen vergoedingen voor gepresteerde arbeid."

16. Met de bekritiseerde reden stelt het arrest niet vast dat de eiser geen uitleg voor zijn bestedingen heeft verstrekt, maar wel dat hij, met uitzondering van 26 bestedingen, daarvoor geen verantwoording geeft. Aldus geeft het arrest aan eisers conclusie een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

17. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiser onder de telastlegging B.2 wegens twee feiten van misbruik van vertrouwen op 11 december 2006, elk voor een be-drag van 2.500 euro aan reiskosten; daarbij gaat het ervan uit dat het telkens een overschrijving aan de eiser betreft; aldus miskent het arrest de bewijskracht van stuk 130, kaft 49, karton II, dit is stuk 130 uit de KBC banklijst van de bedrijfsrekening van FBF, aangezien op dat stuk maar één overschrijving van 2.500 euro aan de eiser voorkomt, terwijl de tweede overschrijving van 2.500 euro op 11 de-ember 2006 een overschrijving aan De Coninck bvba betreft.

18. De door het arrest uitgesproken straf is naar recht verantwoord wegens de schuldigverklaring van de eiser aan de overige telastleggingen in zoverre die be-wezen werden verklaard.

Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten in het geheel op 251,41 euro, waarvan op het cassatieberoep I 125,70 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 251,71 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 31 mei 2016 uitgesproken

Noot: 

Rechtsleer:

• Pim Van Walleghem, Cassatie beperkt gevolgen schending vermoeden van onschuld, De Juristenkrant, 280, 18 december 2013, 3

• Revue de jurisrudence de Liège, Mons et Bruxelles [JLMB] KONING, François; Observations 'La présomption d'innocence et le devoir d'impartialité simples sujets de colloque?' 2014, n° 9, p. 394-404.

• Verdrag of internationale overeenkomst / 1950-11-04 / Artt. 6.1 en 6.2 / /

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 18/09/2017 - 15:22
Laatst aangepast op: ma, 18/09/2017 - 15:22

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.