-A +A

bewijs jachtrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 24/06/2010
A.R.: 
C.08.0621.N

Het neerleggen van een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein ontslaat de indiener ervan niet om in geval van betwisting van zijn jachtrechten voor de rechtbank, dit jachtrecht te bewijzen overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.08.0621.N

V.L.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. V.L., 

2. V.W.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 mei 2008 gewezen door het hof van beroep te Antwerpen.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling 

Eerste onderdeel

1. In zoverre het onderdeel die schending aanvoert van artikel 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek, gaat het ervan uit dat de verweerders eisers jachtrechten alleen betwisten in zoverre zij betrekking hebben op de gronden van de familie S.

2. Uit de conclusie door de verweerders neergelegd op de griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 24 oktober 2007, blijkt dat zij hebben aangevoerd: "Los daarvan dient vastgesteld te worden dat (de eiser) tot op heden in gebreke blijft aan te tonen op welke gronden (de eiser) meent over een jachtrecht te beschikken" en "(De eiser) beweert omvangrijke jachtrechten te bezitten doch weigert evenwel te bewijzen op welke gronden hij een jachtrecht zou hebben".

3. Hieruit blijkt dat de verweerders betwisting hebben gevoerd, niet alleen over de gronden van de familie S., maar over alle gronden waarvan de eiser het jachtrecht opeiste. Hieruit volgt dat de appelrechters die oordelen dat de eiser niet aantoont dat hij titularis is van het subjectief recht dat hij aanvoert, in casu het recht om op bepaalde niet nader vermelde percelen te jagen, geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

4. De maatregelen die de eiser vorderde hebben betrekking op het geheel van zijn jachtgebied. De oplossing van de vraag of de eiser al dan niet jachtrechten bezit op de gronden van de familie S. , is niet relevant voor de oplossing van de vraag of de gevorderde maatregelen kunnen worden toegekend.

De appelrechters die oordelen dat de eiser niet aantoont op welke percelen hij een jachtrecht bezit, dienden niet te antwoorden op het doelloos geworden verweer van de eiser omtrent zijn jachtrecht op de eigendom van de familie S. , dat slechts betrekking heeft op een deel van zijn beweerd jachtgebied.

5. De vaststelling dat de eiser zijn jachtrecht op bepaalde percelen niet aantoont, laat het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet kan het niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek, gaat het uit van de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde stelling dat de verweerders het jachtrecht van de eiser alleen betwisten in zoverre het betrekking heeft op de gronden eigendom van de familie S. 

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

7. Artikel 7 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 legt elke houder van het jachtrecht die op welke wijze ook van zijn recht gebruik maakt de verplichting op een door hem opgemaakt plan van zijn jachtterrein met aanduiding van de percelen waarbinnen hij geen jachtrecht heeft in te dienen bij de arrondissementscommissaris of de door de Vlaamse Executieve aan te wijzen ambtenaar, in wiens ambtsgebied het jachtterrein of het grootste gedeelte ervan is gelegen.

Het neerleggen van een dergelijk plan ontslaat de indiener ervan niet om in geval van betwisting van zijn jachtrechten voor de rechtbank, dit jachtrecht te bewijzen overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht. 

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op de som van 530,36 jegens de eisende partij.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns en Alain Smetryns, en in openbare terechtzitting van 24 juni 2010 uitgesproken door raadsheer Eric Dirix, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

 

Noot: 

Hof van Cassatie

3e Kamer – 14 september 2009, RW 2011-2012, 1555

VZW R.N. t/ V.L. en V.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 27 oktober 2006 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Luik.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens art. 1, eerste lid van de wet van 14 juli 1961 tot regeling van het herstel der door grof wild aangerichte schade staan de houders van het jachtrecht in voor de schade welke aan de velden, vruchten en oogsten wordt toegebracht door herten, reeën, damherten, wildschapen en everzwijnen welke tevoorschijn komen uit de bospercelen waarop zij het jachtrecht hebben; zij kunnen noch toeval noch heirkracht aanvoeren.

De eigenaar van een perceel waarop volgens de wet of een verordening niet gejaagd mag worden, is, door het enkele feit van zijn eigendomsrecht, geen houder van een jachtrecht op dat perceel en wordt, bijgevolg, krachtens de voormelde bepaling evenmin vermoed aansprakelijk te zijn voor de schade die berokkend wordt door het in die bepaling bedoelde wild.

De eiseres betoogde voor de appelrechters dat zij geen enkel jachtrecht had op haar goed, dat als natuurreservaat was erkend, aangezien art. 11, eerste lid van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud de jacht in een dergelijk reservaat verbiedt.

Het bestreden vonnis verwerpt dat verweer, op grond dat het jachtrecht een attribuut van het eigendomsrecht is en dat, hoewel de uitoefening ervan wordt “beperkt door de wetten en de verordeningen, (zoals) de wet van 12 juli 1973, (de eigenaar) niettemin erover moet waken dat het wild, dat op zijn eigendom aanwezig of op doortocht is, aan de naburige teelten geen schade berokkent, (daar) de wet wat dat betreft een onweerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid (invoert) ten aanzien van de houder van het jachtrecht, ongeacht of het al dan niet door de eigenaar wordt uitgeoefend dan wel aan een derde wordt overgedragen”, zodat de eiseres, als houder van het jachtrecht, moet worden vermoed aansprakelijk te zijn voor de schade die veroorzaakt werd door het wild dat afkomstig was van de percelen die haar toebehoren.

Het bestreden vonnis verantwoordt, met die overwegingen, de veroordeling van de eiseres tot herstel van de door de verweerders aangevoerde schade niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 14/04/2011 - 20:10
Laatst aangepast op: ma, 12/02/2018 - 13:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.