-A +A

Bewering dat aankoop voor privédoeleinden werd gekocht volstaat niet om vermoeden te ontkrachten dat een verbintenis tussen kooplieden daad van koophandel is

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 02/06/2017
A.R.: 
C.16.0450.N

Krachtens art. 2 in fine W.Kh. zijn daden van koophandel alle verbintenissen van kooplieden betreffende zowel roerende als onroerende goederen, tenzij bewezen is dat ze een oorzaak hebben die vreemd is aan de koophandel. De loutere bewering van de koper bij de aankoop zelf dat het goed zuiver voor privédoeleinden werd gekocht, volstaat niet om dit tegenbewijs te leveren.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
735
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.16.0450.N

Van H./H.G. NV

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 6 juni 2016.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 2 in fine W.Kh. verstaat de wet onder daden van koophandel alle verbintenissen van kooplieden betreffende zowel onroerende als roerende goederen, tenzij bewezen is dat ze een oorzaak hebben die vreemd is aan de koophandel.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in de koopovereenkomst verklaard heeft dat hij het gekochte voertuig uitsluitend voor privégebruik aanschaft en zal gebruiken.

3. De appelrechters oordelen dat de loutere bewering van de eiser bij de aankoop zelf dat hij de wagen zuiver voor privédoeleinden heeft gekocht, niet volstaat om het bewijs te leveren dat de aankoop van de wagen vreemd is aan enige handelsactiviteit van zijnentwege.

4. Door aldus te oordelen, miskennen de appelrechters de verbindende kracht van de overeenkomst niet en verantwoorden zij hun beslissing dat bij gebrek aan tegenbewijs de aankoop van de wagen geacht dient te worden te zijn verricht binnen de handelsactiviteiten van de eiser, naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

5. Krachtens art. 2, in fine W.Kh. verstaat de wet onder daden van koophandel alle verbintenissen van kooplieden betreffende zowel onroerende als roerende goederen, tenzij bewezen is dat ze een oorzaak hebben die vreemd is aan de koophandel.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in zijn syntheseconclusie het verweer heeft gevoerd dat «de luxe-personenwagen [...] niet voor handelsdoeleinden [is]».

7. Door te oordelen dat de loutere bewering van de eiser in het kader van deze procedure dat hij het desbetreffende voertuig zuiver voor privédoeleinden heeft gekocht, niet volstaat als tegenbewijs, beantwoorden en verwerpen de appelrechters voormeld verweer van de eiser en verantwoorden zij hun beslissing dat bij gebrek aan tegenbewijs de aankoop van de wagen geacht dient te worden te zijn verricht binnen de handelsactiviteiten van de eiser, naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

...

Noot: 

• Arrondissementsrechtbank West-Vlaanderen, 11 december 2015, RW 2016-2017, 633

BVBA A.B.&L. t/ V.G.

...

2. Feiten en gegevens van de vorderingen

Eiseres heeft verweerder op 7 september 2015 gedagvaard voor de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk, in betaling van onkosten en erelonen ten bedrage van 1 418,77 euro, vermeerderd met de interesten.

Verweerder liet verstek gaan en in het vonnis van 15 oktober 2015 twijfelt de verwijzende rechter ambtshalve aan de materiële bevoegdheid van de rechtbank van koophandel, enerzijds omdat uit de gegevens, gevoegd bij de dagvaarding, blijkt dat verweerder al jaren geen commerciële activiteiten meer kent (hij is bijvoorbeeld geschrapt bij de BTW-administratie sedert april 2007) en anderzijds omdat de erelonen betrekking hebben op een echtscheidingsprocedure.

Met toepassing van art. 640 Ger.W. werd de zaak naar de arrondissementsrechtbank verwezen.

3. Beoordeling

Krachtens art. 573 Ger.W. neemt de rechtbank van koophandel kennis van geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking hebben op een handeling die is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen.

Zelfs al mocht verweerder als een ondernemer te beschouwen zijn, kan de rechtbank van koophandel enkel bevoegd zijn voor zover het geschil betrekking heeft op een handeling die is verricht in het kader van de verwezenlijking van het economisch doel van partijen.

Dat laatste is het geval voor eiseres, maar niet voor verweerder. Eiseres vordert immers erelonen en onkosten voor prestaties, geleverd naar aanleiding van de echtscheidingsprocedure van verweerder en die dus niet te maken hebben met het economisch doel dat eventueel door verweerder wordt nagestreefd.

Krachtens artikel 590 Ger.W. is de vrederechter bevoegd voor alle vorderingen waarvan het bedrag 2 500 euro niet te boven gaat, behalve die welke de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt. Dat laatste is niet het geval voor het opvorderen van advocaatkosten.

Aangezien verweerder te Hooglede woont, is het vredegerecht van het kanton Roeselare territoriaal bevoegd.

• Arrondissementsrechtbank Oost-Vlaanderen, 21 maart 2016, RW 2016-2017, 669

samenvatting:

En inschrijving in het KBO-register op het adres waarop de factuur betrekking heeft geldt als een vermoeden van handelaar.

Tekst vonnis

NV E.G. & P. t/ B.P.

Bij dagvaardingsexploot van 14 januari 2015 vordert de eisende partij de veroordeling van de verwerende partij tot betaling op grond van de onbetaald gebleven factuur nr. 141220310985 van 9 juni 2015, vermeerderd met de intresten tot 5 augustus 2015, de som van 160,91 euro, vermeerderd met de moratoire rente aan wettelijke rentevoet op 160,90 euro vanaf 6 augustus 2015, de gerechtelijke rente en de kosten van het geding.

Bij verstekvonnis van 14 januari 2016 oordeelde de vrederechter van het kanton Oudenaarde-Kruishoutem, zetel Oudenaarde, dat er twijfel bestaat over de materiële bevoegdheid, gelet op het gewijzigde art. 573, 1°, eerste lid Ger.W. sinds 1 juli 2014.

Art. 2 van de wet van 26 maart 2014 wijzigde art. 573 Ger.W. en bepaalt dat sedert 1 juli 2014 de rechtbank van koophandel in eerste aanleg kennisneemt “1) van de geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking hebben op een handeling welke is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen”.

De verwerende partij heeft een inschrijving in het KBO-register op het adres waarop de factuur betrekking heeft. Dit geldt als een vermoeden van handelaar. Hij voldoet aldus aan het begrip “onderneming”, als zijnde een fysieke persoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft.

Aldus dient de Rechtbank van Koophandel Gent, afdeling Oudenaarde, als bevoegde rechter te worden aangewezen, zijnde rechtbank van de woonplaats (zetel) van de verwerende partij.

• Arrondissementsrechtbank te Antwerpen, 13/01/2015, RW 2016-2017, 1230

NV B.P.-B. t/ NV C.

Gelet op het vonnis van verwijzing van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, afdeling Turnhout, van 19 november 2014, waarin de rechter zich vragen stelt bij de materiële bevoegdheid van de rechtbank van koophandel.

De eerste rechter oordeelde:

“Dat de wet van 26 maart 2014 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties met het oog op de toekenning van bevoegdheid aan de natuurlijke rechter in diverse materies, krachtens art. 17 van die wet, in werking trad op 1 juli 2014, zodat deze nieuwe wetsbepalingen dienen te worden toegepast;

“Dat in het kader van deze nieuwe wetsbepalingen de rechtbank van koophandel kennisneemt van “de geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking hebben op een handeling welke verricht is in het kader van de verwezenlijking van dat doel en die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen”;

“Dat de rechtbank de mening is toegedaan dat het criterium van het economisch doel moet worden beoordeeld in de persoon van beide partijen, één en ander in overeenstemming met J. Laenens, Art. 573, in Comm.Ger., p. 6, nr. 7; J. Laenens, D. Scheers, K. Broeckx en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2008, p. 290, nr. 561; G. Closset-Marchal, La compétence en droit judiciaire privé, Brussel, Larcier, 2009, p. 210, nr. 306; G. Ballon, vo “Artikelen 2 en 3 W.Kh.: Inleiding”, in Comm.Handel., p. 7-8, nr. 15; Kh. Hasselt 18 maart 1997, RW 1997-98, 751; Arrondrb. Antwerpen 11 januari 2011, AR E/10, geen publicatie gekend”.

In vermeld vonnis werd beklemtoond dat er geen betwisting kon bestaan over het feit dat het geschil gevoerd werd tussen twee ondernemingen, maar dat niet werd voldaan aan de vereiste van verwezenlijking van een economisch doel.

Eisende partij bleek zich te beroepen op rechtsregels van openbaar recht en rechtshandhaving, die behoren tot het publieke domein (Vlaams Decreet van 9 juli 2010, retributiereglementering van de stad Geel, blauwe zone, concessieovereenkomst van openbare dienst, ...).

Aansluitend hierbij werd door het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie reeds bij herhaling geoordeeld dat de parkeerretributie een vergoeding is voor betalend parkeren, zijnde een door de overheid verstrekte dienst.

In de oude rechtspraak en rechtsleer werd geoordeeld dat de rechtbank van koophandel niet bevoegd is om kennis te nemen van geschillen van publiekrecht of van publieke vordering en enkel in het kader van de bijzondere bevoegdheden (faillissementen, vennootschapsrecht, ...) moet kennisnemen van geschillen van openbaar bestuur of van publieke vorderingen.

In casu gaat het om een publieke vordering, die behoort aan de publieke overheid (gemeente), maar in publieke concessie werd gegeven aan een onderneming.

Dat dit echter geenszins het publieke karakter van de vordering tenietdoet; dat het echter wel zeer duidelijk is dat indien de gemeente zelf tot invordering zou overgaan, de rechtbank van koophandel niet bevoegd zou worden geacht, aangezien het dan geen geschil meer is tussen twee ondernemingen.

De rechtbank van koophandel kwam dan ook tot het besluit dat niet werd voldaan aan het criterium van het economisch doel in de persoon van eisende partij.

Voorts moet er ook een economisch doel bestaan in de persoon van verwerende partij. Die werd echter niet gedagvaard op grond van haar hoedanigheid van ondernemer, noch op grond van haar economisch doel, maar enkel omdat een parkeerretributie niet betaald zou zijn voor haar wagen. Verwerende partij werd dus niet als ondernemer, maar als eigenaar (bezitter of gebruiker) van een wagen aangesproken.

Er werd niet aangetoond dat het economisch doel van verwerende partij iets te maken had met parkeren. Een pecuniair doel mag niet worden gelijkgesteld met een economisch doel, aangezien dan ook de invordering van onderhoudsgeld tot de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel zou behoren indien man en vrouw toevallig ondernemers zouden zijn. De rechtbank van koophandel kwam dan ook tot het tweede besluit dat niet werd voldaan aan het criterium van het economisch doel in de persoon van verwerende partij.

Uiteindelijk kwam de rechtbank van koophandel tot het derde en laatste besluit dat de rechtbanken van koophandel geenszins de “natuurlijke” rechter zijn om kennis te nemen van de vorderingen m.b.t. parkeerretributies, omdat parkeren het in gebruik nemen is van een plaats op het onroerend openbaar domein en dit privaatrechtelijk gekwalificeerd kan worden als huur of bezetting van een onroerend goed. Omdat zulke geschillen behoren tot de exclusieve bevoegdheid van de vrederechter met toepassing van art. 591, 1° Ger.W., besloot de rechtbank van koophandel dan ook tot de vraagstelling van haar materiële bevoegdheid.

De arrondissementsrechtbank werd op toelaatbare en ontvankelijke wijze geadieerd.

Opdat de rechtbank ambtshalve een middel van materiële onbevoegdheid zou kunnen opwerpen, dient aan de volgende voorwaarden cumulatief voldaan te zijn: 1) het middel mag niet door één van de procespartijen opgeworpen zijn; 2) het middel van onbevoegdheid raakt de openbare orde of moet in een bijzondere wettekst vermeld staan; 3) het middel van onbevoegdheid wordt opgeworpen in het eerste vonnis dat in de zaak werd bewezen (J. Laenens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Intersentia, 2012, p. 316, nr. 743).

Aan deze voorwaarden is in casu voldaan:

– geen van de gedingvoerende partijen wierp een exceptie van materiële onbevoegdheid op;

– de verwijzende rechter oordeelt dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van art. 573 Ger.W., omdat een parkeerretributie geen daad is die kadert in de uitoefening van een economische activiteit, zodat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van art. 573 Ger.W. De regels inzake de materiële bevoegdheid raken de openbare orde; bijgevolg is ook aan de tweede toepassingsvoorwaarde van art. 640 Ger.W. voldaan;

– het verwijzend vonnis van 19 november 2014 is het eerste vonnis dat in deze zaak werd gewezen.

Het door de rechtbank van koophandel opgeworpen middel van materiële onbevoegdheid is gegrond.

De vordering strekt ertoe verwerende partij te veroordelen tot betaling van de som van 30,70 euro, vermeerderd met de kosten en de interesten. Oorzaak van de vordering is een onbetaald gebleven parkeerretributie, vermeerderd met de invorderingskosten.

Art. 573 Ger.W. bepaalt:

“De rechtbank van koophandel neemt in eerste aanleg kennis:

1° van de geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven, die betrekking hebben op een handeling welke is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en die niet onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen;

2o van geschillen betreffende wisselbrieven en orderbriefjes.

“De vordering gericht tegen een onderneming kan onder de in het eerste lid, 1°, bepaalde voorwaarden eveneens voor de rechtbank van koophandel worden gebracht, zelfs indien de eiser geen onderneming is. Elk geding tot aanwijzing van een bevoegde rechter dat is gemaakt vóór het ontstaan van het geschil is, in dat opzicht, nietig”.

Opdat de rechtbank van koophandel thans bevoegd zou zijn, is vereist dat 1) het geschil wordt gevoerd tussen ondernemingen, d.w.z. namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven; 2) het geschil betrekking heeft op een handeling die is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en 3) het geschil niet tot de bijzondere bevoegdheid van een ander rechtscollege behoort.

Het is duidelijk dat de inning van een parkeerretributie voor de concessiegever zelf (de gemeentelijke overheid) geen commercieel doel heeft en louter gericht is op de vrijwaring van een coherent parkeerbeleid en de realisatie van een optimale parkeerrotatie op het grondgebied van de gemeente.

Vraag is of dat niet-commerciële oogmerk ook geldt voor de concessiehouder die de retributie in opdracht van de concessiegever daadwerkelijk invordert.

Eisende partij is zonder twijfel een onderneming in de zin van art. 573, 1° Ger.W., zijnde volgens art. 1.1 van het Wetboek van Economisch Recht “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft” (deze definitie werd door de wetgever ook toepasselijk verklaard op art. 573, 1° Ger.W.: zie Parl.St. Kamer, DOC 53 3076/004, p. 14).

Eisende partij streeft met het invorderen van de retributies ten aanzien van de concessiegever kennelijk een persoonlijk economisch doel na, namelijk het verwerven van inkomsten, bestaande uit een afgesproken vergoeding waarop zij ten laste van de concessiegever aanspraak kan maken bij de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel.

Uit art. 4 van haar statuten van 29 december 2004 blijkt dat tot het maatschappelijk doel van eisende partij, destijds nog NV P. geheten, behoort: “de concessie van de openbare weg (inning parkeergelden en retributies, controle op betalend parkeren)”.

Door tegen betaling van een door de concessiegever verschuldigde vergoeding parkeergelden bij foutparkeerders in te vorderen in opdracht van een gemeentelijke overheid, verwezenlijkt eisende partij in haar relatie tot de concessiegever met andere woorden ongetwijfeld een persoonlijk economisch doel.

Aangenomen moet worden dat, behalve in geval van bewijs van het tegendeel, het gebruik van een wagen die ingeschreven is op naam van een onderneming, en dus ook de betaling van parkeergelden voor dat voertuig, kaderen in de verwezenlijking van het economisch doel van deze onderneming.

Voor de toepassing van art. 573, 1° Ger.W. is evenwel méér vereist dan alleen maar de vaststelling dat de beide partijen ondernemingen zijn die een economisch doel nastreven bij het invorderen, respectievelijk betalen van een parkeerretributie.

In de parlementaire voorbereidingsstukken van de wet van 26 maart 2014 wordt meermaals beklemtoond dat de wetswijziging enkel tot doel heeft van de rechtbank van koophandel de natuurlijke rechter te maken voor alle “geschillen van commerciële aard die betrekking hebben op de ondernemingen”, ongeacht het bedrag (Parl.St. Kamer 2013-14, DOC 53 3076/004, p. 4, 14, 19). Geschillen van commerciële aard worden er gedefinieerd als “alle geschillen betreffende het interne en externe leven van de onderneming”. Deze onderscheiden zich van zuiver burgerrechtelijke geschillen tussen twee ondernemingen, die ook na deze wetswijziging nog altijd niet tot de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel behoren (memorie van toelichting, Parl.St. Kamer 2013-14, DOC. 53 3076/001, p. 9).

Met de invoering in art. 573, 1° Ger.W. van het ondernemingsbegrip als doorslaggevend criterium heeft de wetgever dus veel meer de nadruk willen leggen op een bevoegdheidsverdeling op basis van de aard van het geschil (namelijk: een commercieel geschil), en niet zozeer op basis van de hoedanigheid van de partijen.

Een geschil tussen niet-verwante ondernemingen heeft slechts dan een commercieel karakter wanneer het betrekking heeft op prestaties die door de ene onderneming geleverd worden tegen betaling door de andere. Bedoeld worden met andere woorden uitsluitend de geschillen tussen ondernemingen met betrekking tot een overeenkomst tussen beide, en meer bepaald de geschillen die optreden bij een handelstransactie tussen twee ondernemingen.

Is een rechtsvordering tussen twee niet-verwante ondernemingen niet gebaseerd op een directe commerciële relatie tussen beide, dan is het geschil niet commercieel van aard en geldt de bevoegdheidsregel van art. 573, 1° Ger.W. niet.

De rechtsverhouding tussen de onderneming die in opdracht van een gemeentelijke overheid parkeerretributies invordert en die welke de retributie verschuldigd is, is niet van contractuele, maar van reglementaire aard (Cass. 3 juni 2010, RW 2012-13, 698). In haar rechtstreekse verhouding tot de foutparkeerder van wie zij de retributie invordert, treedt eisende partij niet op ter verwezenlijking van haar economisch doel, maar verzekert zij een openbare dienst in opdracht van de gemeentelijke overheid (Cass. 29 mei 2009, rolnummers C.08.129.N, C.08.130.N en C.08.131.N, Arr.Cass. 2009, 1507 respectievelijk 1518, telkens met conclusie advocaat-generaal D. Thijs).

Aangezien tussen eisende partij en verwerende partij, ook al zijn zij allebei ondernemingen, geen onderlinge commerciële relatie bestaat, is de invordering van een parkeerretributie geen geschil van commerciële aard, zoals de wetgever dat voor de toepassing van art. 573, 1° Ger.W. voor ogen heeft.

Ook al zou de inning, respectievelijk betaling van parkeerretributies voor één of beide partijen dus kaderen in de verwezenlijking van een eigen economisch doel, dan nog blijft, bij gebrek aan onderlinge commerciële relatie tussen de procespartijen, de gewone bevoegdheidsregel van art. 590 Ger.W. van toepassing.

Het gevorderde bedrag overschrijdt geenszins 2.500 euro.

Aangezien schulden haalbaar zijn (art. 1247 BW) en het feit dat verwerende partij haar maatschappelijke zetel heeft in Berchem, behorende tot het 8° kanton Antwerpen, is de vrederechter van het achtste kanton Antwerpen territoriaal bevoegd om ervan kennis te nemen (art. 624, 1° en 2o Ger.W.).

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 01/01/2018 - 13:06
Laatst aangepast op: ma, 01/01/2018 - 13:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.