-A +A

Bewarend beslag vereiste urgentie voldaan bij risico insolvibiliteit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 18/02/2016
A.R.: 
C.15.0168.N

De eerste voorwaarde voor een schuldeiser om te mogen overgaan tot bewarend beslag is het beschikken over een zekere, eisbare en vaststaande vordering. De tweede voorwaarde is het voorhanden zijn van urgentie; bewarend beslag kan slechts gelegd worden wanneer er sprake is van hoogdringendheid.

Vereist wordt dat de solvabiliteit van de debiteur in het gedrang komt zodat een latere uitwinning gevaar loopt. Het bewarend beslag is gewettigd telkens wanneer naar objectieve maatstaven de financiële positie van de debiteur in het gedrang komt.

Krachtens artikel 1413 Gerechtelijk Wetboek kan een bewarend beslag slechts worden gelegd wanneer er sprake is van hoogdringendheid; aan dit vereiste is voldaan wanneer de solvabiliteit van de schuldenaar in het gedrang komt, zodat de latere uitwinning gevaar loopt

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Cassatie 18/02/2016, AR C.15.0168.N, juridat

Samenvatting

Krachtens artikel 1413 Gerechtelijk Wetboek kan een bewarend beslag slechts worden gelegd wanneer er sprake is van hoogdringendheid; aan dit vereiste is voldaan wanneer de solvabiliteit van de schuldenaar in het gedrang komt, zodat de latere uitwinning gevaar loopt. Uit de bepalingen van artikel 1415, eerste lid, en 1423 Gerechtelijk Wetboek volgt dat slechts machtiging tot bewarend beslag kan worden verleend voor een schuldvordering die zeker en opeisbaar is tot beloop van een bepaald bedrag of vatbaar is voor een voorlopige raming; wanneer de rechter vaststelt dat de schuldvordering voor een gedeelte niet opeisbaar is, kan hij voor dat deel geen toelating verlenen tot beslag .

Tekst arrest

Nr. C.15.0168.N
A V,
eiser,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Hasselt 1, de ontvanger der directe belastingen te Hasselt 2, en de ontvanger der btw te Hasselt 1, allen met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,
verweerders,

in tegenwoordigheid van
HOOFDGRIFFIER BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LIM-BURG, AFDELING HASSELT, met kantoor te 3500 Hasselt, Parklaan 25,
in gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen arrest opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 29 oktober 2014.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens artikel 109bis, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier van toepassing, wordt het in het eerste lid genoemde hoger beroep, namelijk onder meer het hoger beroep tegen beslissingen in burgerlijke zaken gewezen door een kamer van de rechtbank van eerste aanleg met één rechter, in elk geval toegewezen aan de kamers met drie raadsheren in het hof van beroep, indien zulks wordt aangevraagd door de eiser in zijn hoofdakte van hoger beroep.

In zoverre deze bepaling in het kader van een procedure op eenzijdig verzoek-schrift de keuze laat aan de appelant om een zaak te laten behandelen door één dan wel door drie raadsheren en zij bijgevolg de samenstelling van de zetel afhan-kelijk maakt van een wilsverklaring van die partij, is zij geen regel van rechterlijke organisatie die de openbare orde aanbelangt. Hieruit volgt dat wanneer een zaak wordt behandeld door een raadsheer terwijl de appellant om een behandeling van de zaak door drie raadsheren had verzocht, alleen de appellant de vernietiging van het aldus gewezen arrest kan vorderen.

2. Deze in de plaats gestelde redenen verantwoorden de beslissing van de ap-pelrechter tot verwerping van het door de eiser opgeworpen middel geput uit de nietigheid van het op derdenverzet bestreden arrest op grond dat dit arrest, spijts het verzoek van de verweerder om de zaak toe te wijzen aan een kamer met drie rechters, door een raadsheer werd gewezen.

Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Tweede middel

3. Krachtens artikel 1413 Gerechtelijk Wetboek kan een bewarend beslag slechts worden gelegd wanneer er sprake is van hoogdringendheid.

Aan dit vereiste is voldaan wanneer de solvabiliteit van de schuldenaar in het ge-drang komt, zodat de latere uitwinning gevaar loopt.

4. De appelrechter stelt vast dat:
- uit de voorliggende stukken kan worden afgeleid dat er geen enkel onroerend goed op naam van de eiser bekend is en dat evenmin enig voor beslag vatbaar inkomen in zijn hoofde bekend is;
- de eiser het tegendeel niet aantoont;
- de goederen waarvoor machtiging tot bewarend beslag werd verleend bij het thans bestreden arrest momenteel het enige uitvoeringsmiddel vormen van de verweerder sinds de vestiging van de aanslagen.

Door op die gronden te oordelen dat de voor het leggen van bewarend beslag ver-eiste urgentie voorhanden is, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Eerste onderdeel

5. Artikel 1415, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat verlof om bewa-rend beslag te leggen niet mag worden verleend dan wegens een schuldvordering die zeker en opeisbaar is of vatbaar voor een voorlopige raming.

Krachtens artikel 1423 Gerechtelijk Wetboek vermeldt de beschikking waarbij het beslag wordt toegestaan, op straffe van nietigheid, het bedrag in hoofdsom, inte-rest en kosten waarvoor het beslag is toegestaan.

Uit deze bepalingen volgt dat slechts machtiging tot bewarend beslag kan worden verleend voor een schuldvordering die zeker en opeisbaar is tot beloop van een bepaald bedrag of vatbaar is voor een voorlopige raming. Wanneer de rechter vaststelt dat de schuldvordering voor een gedeelte niet opeisbaar is, kan hij voor dat deel geen toelating verlenen tot beslag.

6. De appelrechter oordeelt dat wat het kohierartikel 8723898 betreft, de stui-ting bij dwangbevel van 20 oktober 2006 slechts betrekking heeft op een bedrag van 149.486,79 euro en niet op het totale bedrag van 1.390.486,79 euro, zodat prima facie niet wordt aangetoond dat de betrokken schuld ten bedrage van 1.341.000,00 euro op heden nog opeisbaar is.

Door vervolgens het op derdenverzet bestreden arrest te bevestigen, waarbij aan de verweerder toelating werd verleend tot het leggen van bewarend beslag buiten de woonst en bij een derde tot zekerheid van een bedrag in hoofdsom van 7.323.985,43 euro, waarin voormeld bedrag van 1.341.000,00 euro begrepen was, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.
Tweede onderdeel

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:
- de eiser zich beriep op de verjaring van de btw-schuld en hij de verweerder uit-nodigde om stukken voor te leggen waaruit blijkt dat de verjaring van deze schuld rechtsgeldig werd gestuit en deze schuld bijgevolg nog opeisbaar is;
- de verweerder stukken in verband met de stuiting van de verjaring heeft bijge-bracht;
- de eiser nadien geen verder verweer heeft gevoerd in verband met de verjaring.

8. In die omstandigheden kon het bestreden arrest, om te besluiten tot het niet verjaard zijn van de btw-schuld, volstaan met de overweging dat de verjaring na de betekening van het dwangbevel op 8 september 1987 werd gestuit door de ver-zetsprocedure ingeleid op 16 september 1987.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het bewarend beslag heeft toegestaan met betrekking tot kohierartikel 8723898 en het oordeelt over de kosten.
Verklaart het arrest in zoverre bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer in openbare rechtszitting van 18 februari 2016.

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR : De heer A. V.,

Eiser tot cassatie,

TEGEN : 1. De Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

2. De Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger der directe belastingen te Hasselt 1, met kantoren gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 11,

3. De Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger der directe belastingen te Hasselt 2, met kantoren gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 11,

4. De Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger der BTW te Hasselt 1, met kantoren gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 46,

Verweerders in cassatie,

IN TEGENWOORDIGHEID VAN:

De Hoofdgriffier bij de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, thans de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, met kan¬toren te 3500 Hasselt, Parklaan 25,

In gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen arrest op¬geroepen partij,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en He-ren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser tot cassatie heeft de eer het arrest, gewezen op 29 oktober 2014 door de achtste bis kamer, burgerlijke zaken, van het Hof van be-roep te Antwerpen (2014/AR/786), aan het toezicht van Uw Hof te on-derwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Eiser stelde bij exploot van 17 maart 2014 derdenverzet in tegen een arrest, gewezen op 5 februari 2014 door het Hof van beroep te Ant-werpen.

Bij dat arrest deed het Hof van beroep te Antwerpen uitspraak over het hoger beroep van verweerders, ingesteld tegen de beschikking van de beslag-rechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 6 december 2013, waarbij de beslagrechter hun verzoekschrift om ver-lof tot het leggen van bewarend beslag op roerend goed buiten woonst en bij een derde ongegrond verklaarde.

Bij voormeld arrest van 5 februari 2014 verklaarde het Hof van beroep te Antwerpen het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, her-vormde de bestreden beschikking d.d. 6 december 2013 van de beslag-rechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt en, opnieuw wij-zende, machtigde eerste tot vierde verweerders tot het leggen van een bewarend beslag buiten woonst en bij een derde op de plaats van be-waargeving door de hoofdgriffier van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, Parklaan 25 te 3500 Hasselt, evenals op alle andere plaatsen in het gerechtelijk arrondissement Hasselt waar de goederen kunnen worden aangetroffen in bewaring van de hoofdgriffier, tot zekerheid van hun schuldvorderingen op grond van de in het verzoekschrift tot hoger beroep vermelde uitvoerbaar verklaarde kohieren directe belas-tingen en dwangbevelen btw ten bedrage van 7.323.985,43 euro in hoofdsom, benevens 4.661.579,78 euro aan boeten, 15.917.371,26 euro aan fiscale intresten, 8.859.827,70 euro aan moratoire intresten en 1.738,94 euro aan kosten en toebehoren, en dit ongeacht het uitstel van betaling dat mocht zijn of worden verleend.

Bij het arrest van 29 oktober 2014 verklaarde het Hof van beroep te Antwerpen het derdenverzet en de vorderingen van eiser ongegrond, bevestigde het bestreden arrest van 5 februari 2014 in al zijn geledingen en verwees hem in de kosten van het derdenverzet, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, begroot op 1.320 euro in hoofde van de Belgische Staat.

Tegen dit arrest meent eiser volgende middelen tot cassatie te kunnen aanvoeren.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

-artikelen 17, 18, 20, 21, 109bis, § 2, tweede lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 25 april 2014, 860, 861, 1033, 1034, 1122, eerste lid, 1125 en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 29 oktober 2014 verklaart het Hof van beroep te Antwerpen het derdenverzet en de vorderingen van eiser ongegrond, bevestigt het bestreden arrest van 5 februari 2014, waarbij eerste tot vierde verweerders worden gemachtigd tot het leggen van een bewarend beslag buiten woonst en bij een derde op de plaats van bewaargeving door de hoofdgriffier van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, Parklaan 25 te 3500 Hasselt, evenals op alle andere plaatsen in het gerechtelijk arrondissement Hasselt waar de goederen kunnen worden aangetroffen in bewaring van de hoofdgriffier, tot zekerheid van hun schuldvorderingen op grond van de in het verzoekschrift tot hoger beroep vermelde uitvoerbaar verklaarde kohieren directe belastingen en dwangbevelen btw ten bedrage van 7.323.985,43 euro in hoofdsom, benevens 4.661.579,78 euro aan boeten, 15.917.371,26 euro aan fiscale intresten, 8.859.827,70 euro aan moratoire intresten en 1.738,94 euro aan kosten en toebehoren, en dit ongeacht het uitstel van betaling dat mocht zijn of worden verleend, in al zijn geledingen en ver¬wijst eiser in de kosten van het derdenverzet, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, begroot op 1.320 euro in hoofde van de Belgische Staat. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld:

"Het arrest waartegen derdenverzet werd gewezen door een alleen zete-lend raadsheer, terwijl verweerders op derdenverzet hadden geopteerd voor de toewijzing aan een kamer met drie raadsheren.

(Eiser) meent dat dit de nietigheid van het arrest tot gevolg heeft.

Overeenkomstig artikel 861 gerechtelijk wetboek kan de rechter een proceshandeling alleen dan nietig verklaren indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.

Belangenschade veronderstelt dat de partij die de exceptie opwerpt door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelij-kerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang.

Te dezen laat artikel 109 bis § 2 gerechtelijk wetboek de keuze aan de appellant om al dan niet te opteren voor een kamer met drie raadshe-ren.

Het zijn dan ook enkel verweerders op derdenverzet, en niet (eiser) die ter zake belangenschade zouden kunnen lijden.

(...)

Het derdenverzet tegen het arrest van dit Hof van 5 februari 2014 is on-gegrond".

Grief

Eerste onderdeel

Naar luid van artikel 109bis, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 25 april 2014, wordt het in het eerste lid genoemde hoger beroep, zijnde onder meer het hoger beroep tegen beslissingen in burgerlijke zaken gewezen door een kamer van de rechtbank van eerste aanleg met één rechter, in elk geval toegewezen aan de kamers met drie raadsheren in het hof van beroep, indien zulks wordt aangevraagd door de eiser in zijn hoofdakte van hoger beroep.

Deze bepaling, opgenomen in het tweede deel van het Gerechte-lijk Wetboek, is een bepaling die de rechterlijke organisatie aanbelangt.

Haar schending wordt bijgevolg gesanctioneerd door een orga-nieke nietigheid, waarop de artikelen 860 en volgende van het Gerech-telijk Wetboek niet van toepassing zijn.

Artikel 860, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt in-derdaad dat wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling nietig kan worden verklaard, indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen.

Naar luid van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belan-gen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.

Ten slotte bepaalt artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek dat middelen van nietigheid niet kunnen worden aangewend tegen vonnis-sen. Deze kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald, hetzij blijkens artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek onder meer het derdenverzet, zoals bedoeld in de artikelen 1033, 1122, eerste lid, en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek.

Uit deze bepalingen volgt dat de nietigheidsregeling, waarvan sprake in de artikelen 860 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, enkel van toepassing is op proceshandelingen, met uitsluiting van rechtsprekende handelingen.

Besluit

Waar het hof van beroep in het bestreden arrest stelt dat eiser zich niet op de in artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde be-langenschade kan beroepen, terwijl de kritiek gericht was tegen een ar-rest, dat volgens eiser in miskenning van artikel 109bis, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, die een regel van rechterlijke organisa-tie is, werd gewezen en gericht was tegen een rechtsprekende hande-ling, waarop voornoemde bepaling niet van toepassing is, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van artikelen 20, 21, 109bis, § 2, tweede lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 25 april 2014, 860, 861, 1033, 1122, eerste lid, en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Overeenkomstig artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen middelen van nietigheid niet worden aangewend tegen vonnissen. Deze kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald.

Blijkens artikel 21 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de gewone rechtsmiddelen verzet en hoger beroep. Bovendien zijn er, naar gelang van het geval, buitengewone rechtsmiddelen: voorziening in cassatie, derdenverzet, verzoek tot herroeping van gewijsde en verhaal op de rechter.

Een derdenverzet, zoals bedoeld in artikelen 1122, eerste lid, en 1033 van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 1419 van datzelfde Wetboek verwijst, is een buitengewoon rechtsmiddel dat de belangheb-bende derde, die geen partij was in de procedure, toelaat om de beslis-sing die zijn rechten benadeelt, aan te vechten.

Ingevolge het derdenverzet wordt het geschil in zijn geheel, binnen de perken van dat derdenverzet, opnieuw voorgelegd aan de rechter voor wie het derdenverzet wordt ingesteld.

Noch artikel 1034 van het Gerechtelijk Wetboek, dat artikel 1125 van het Gerechtelijk Wetboek mede van toepassing verklaart op het verzet, dat krachtens artikel 1033 wordt gedaan, noch artikel 1125 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat enige beperking wat betreft de midde-len die middels de akte van verzet en de latere conclusies aan de rechter kunnen worden voorgelegd.

De derde kan derhalve overeenkomstig de artikelen 17, 18, 1033, 1122, eerste lid, en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek tegen de bestre-den beslissing alle middelen en excepties aanvoeren, waarbij hij een persoonlijk belang heeft.

Te dezen voerde eiser in zijn akte van derdenverzet aan dat de be-roepsakte van verweerders een verzoek tot toewijzing van de zaak aan een kamer met drie raadsheren bevatte overeenkomstig artikel 109bis, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, maar dat de zaak niettegenstaande dit verzoek door een alleen zetelend raadsheer werd behandeld, waaruit hij afleidde dat de beslissing op onregelmatige wijze was tot stand gekomen en wegens de schending van voonoemd artikel diende te worden vernietigd.

Artikel 109bis, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 25 april 2014, dat bepaalt dat het in het eerste lid genoemde hoger beroep, zijnde onder meer het hoger beroep tegen beslissingen in burgerlijke zaken gewezen door een kamer van de rechtbank van eerste aanleg met één rechter, in elk geval wordt toegewezen aan de kamers met drie raadsheren in het hof van beroep, indien zulks wordt aangevraagd door de eiser in zijn hoofdakte van hoger beroep, opgenomen in het tweede deel van het Gerechtelijk Wetboek, is een bepaling die de rechterlijke organisatie aanbelangt.

Zodra een geldig verzoek in die zin voorhanden is, moet de zaak worden toegewezen aan een kamer met drie raadsheren in het hof van beroep.

De beslissing die werd gewezen door een alleen zetelend raads-heer in weerwil van een rechtsgeldig verzoek tot toewijzing van de zaak aan een kamer met drie raadsheren, en derhalve in miskenning van een bepaling die de rechterlijke organisatie aanbelangt, zal aangetast zijn door een onregelmatigheid die door iedere procespartij, en bijgevolg ook door de partij die derdenverzet instelt, kan worden aangevoerd.

Besluit

Waar het hof van beroep in het bestreden arrest oordeelt dat eiser zich niet kon beroepen op de onregelmatige samenstelling van de kamer die het arrest van 5 februari 2014 had gewezen omdat artikel 109bis, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek de keuze om al dan niet te opteren voor een kamer met drie raadsheren overlaat aan de ap-pellant en zodoende eiser het recht ontzegt om zich te beroepen op de miskenning van een regel die de rechterlijke organisatie aanbelangt, verantwoordt het zijn beslissing niet naar recht (schending van artike-len 17, 18, 20, 21, 109bis, § 2, tweede lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 25 april 2014, 1033, 1034, 1122, eerste lid, 1125 en 1419 van het Gerechte-lijk Wetboek).

TOELICHTING

1. Het bestreden arrest verwijst naar artikel 861 van het Gerech-telijk Wetboek om het door eiser opgeworpen middel, gestoeld op de schending van artikel 109bis, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wet-boek, te verwerpen.

Daarbij verliest het uit het oog dat de kritiek een rechtsprekende handeling betrof, waarop de artikelen 860 en volgende van het Gerech-telijk Wetboek niet van toepassing zijn (Cass. 6 februari 1984, Arr.Cass. 1983-84, 682; Cass. 23 december 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 525 en P&B 1998, 11).

2. Bovendien was hier sprake van de schending van een regel die de rechterlijke organisatie aanbelangt, waarvan de schending door iede-re procespartij en derhalve ook door de derdenverzet doende partij kan worden ingeroepen.

Immers, indien een verzoek tot toewijzing van de zaak aan een kamer met drie raadsheren is vervat in de beroepsakte, ‘moet' de zaak aan een dergelijke kamer worden toebedeeld en kan het beroep niet worden behandeld door een alleen zetelend raadsheer.

De onregelmatigheid waardoor het arrest, dat niettemin door een alleen zetelend raadsheer werd gewezen, is aangetast, zal derhalve door de derde kunnen worden ingeroepen, net zoals die derde zou kunnen aanvoeren dat een beslissing niet in het openbaar werd uitgesproken of niet is ondertekend.

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen

-artikelen 1033, 1413 en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 29 oktober 2014 verklaart het Hof van beroep te Antwerpen het derdenverzet en de vorderingen van eiser ongegrond, bevestigt het bestreden arrest van 5 februari 2014, waarbij eerste tot vierde verweerders worden gemachtigd tot het leggen van een bewarend beslag buiten woonst en bij een derde op de plaats van bewaargeving door de hoofdgriffier van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, Parklaan 25 te 3500 Hasselt, evenals op alle andere plaatsen in het gerechtelijk arrondissement Hasselt waar de goederen kunnen worden aangetroffen in bewaring van de hoofdgriffier, tot zekerheid van hun schuldvorderingen op grond van de in het verzoekschrift tot hoger beroep vermelde uitvoerbaar verklaarde kohieren directe belastingen en dwangbevelen btw ten bedrage van 7.323.985,43 euro in hoofdsom, benevens 4.661.579,78 euro aan boeten, 15.917.371,26 euro aan fiscale intresten, 8.859.827,70 euro aan moratoire intresten en 1.738,94 euro aan kosten en toebehoren, en dit ongeacht het uit¬stel van betaling dat mocht zijn of worden verleend, in al zijn geledingen en ver¬wijst eiser in de kosten van het derdenverzet, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, begroot op 1.320 euro in hoofde van de Belgische Staat. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld:

"Naar aanleiding van de beschikking van de beslagrechter te Tongeren van 12 november 2013 en de daarin bepaalde dwangsom gingen ver-weerders op derden-verzet na de betekening van deze beschikking op 22 november 2013 over tot hand¬lichting.

Uit de voorliggende stukken leidt het Hof af dat er geen enkel onroe-rend goed op naam van (eiser) bekend is, en dat evenmin enig voor be-slag vatbaar inkomen in zijn hoofde gekend is.
(Eiser) toont het tegendeel niet aan.

Blijkbaar vormen de goederen waarvoor machtiging tot bewarend be-slag werd verleend bij het thans bestreden arrest momenteel het enige uitvoeringsmiddel van verweerders op derdenverzet sinds de vestiging van de aanslagen.

De vereiste urgentie is voorhanden.

Volledigheidshalve merkt het Hof nog op dat (eiser) zelf betwist dat thans nog een voorafgaand rechtsgeldig bewarend derdenbeslag op de betreffende goederen bestaat.

8.
Verweerders op derdenverzet vroegen machtiging tot het leggen van bewarend beslag in afwachting van een uitspraak in een procedure ho-ger beroep tegen de beslissing van de beslagrechter dat geen uitvoerend beslag kon gelegd worden op basis van hun uitvoerbare titels.

Teneinde te vermijden dat de enige goederen waarop kan worden uit-gevoerd on-beschikbaar worden, dienden verweerders op derdenverzet in afwachting van de mogelijkheid om tot uitvoering over te gaan deze machtiging tot bewarend beslag aan te vragen.

(...)

Het derdenverzet tegen het arrest van dit Hof van 5 februari 2014 is on-gegrond".

Grief

Artikel 1419 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tegen de beschikking waarbij toelating tot bewarend beslag wordt verleend of geweigerd, en tegen de beschikking waarbij de intrekking van die toela-ting wordt verleend of geweigerd, voorziening openstaat, zoals bepaald in de artikelen 1031 tot 1034 van dit wetboek.

Eiser stelde bij toepassing van artikel 1033 van het Gerechtelijk Wetboek derdenverzet in tegen de aan verweerders verleende machti-ging tot het leggen van bewarend beslag buiten woonst en bij een der-de.

Naar luid van artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek kan ie-dere schuldeiser in spoedeisende gevallen aan de rechter toelating vra-gen om op de voor beslag vatbare goederen van zijn schuldenaar bewa-rend beslag te leggen.

Deze vereiste wordt gesteld opdat vermeden zou worden dat het bewarend beslag door de schuldeiser gebruikt wordt als een louter drukkingsmiddel om de schuldenaar onder druk te zetten te betalen.

Van spoedeisendheid zal er sprake zijn wanneer de schuldenaar zijn insolvabiliteit organiseert of wanneer er objectieve elementen be-staan dat deze insolvabiliteit nakend is.

Het enkele feit dat de schuldenaar over geen andere goederen beschikt dan deze die het voorwerp van het voorgenomen bewarend be-slag uitmaken volstaat niet.

Dat feit houdt immers nog niet in dat de betrokken schuldenaar insolvabel dreigt te worden dan wel zijn insolvabiliteit zou organiseren.

Eiser voerde in zijn besluiten op pagina 13 aan dat hij geen enke-le reden zag waarom een bewarend beslag plots "hoogdringend" zou zijn geworden, nu enerzijds blijkt dat verweerders reeds geruime tijd over de beweerde uitvoerbare titels beschikken en nu anderzijds blijkt dat zijn financiële situatie reeds geruime tijd ongewijzigd is gebleven.

Hij stelde voorts dat op geen enkele wijze door verweerders werd aangetoond dat zijn (in)solvabiliteit op enigerlei wijze zou veranderd zijn gedurende de laatste jaren, laat staan dat deze verandering op een wijze zou zijn gebeurd die bewarende maatregelen zou verantwoorden.

Zo het hof van beroep in het bestreden arrest vaststelt dat er geen enkel onroerend goed op naam van eiser bekend is, er evenmin enig voor beslag vatbaar inkomen in zijn hoofde gekend is en de goederen waarvoor machtiging tot bewarend beslag werd verleend momenteel het enige uitvoeringsmiddel is, stelt het niet vast dat er enige aanwijzing bestaat dat eiser zijn insolvabiliteit zou organiseren dan wel in de nabije toekomst insolvabel dreigt te worden, waardoor de rechten van verweerders in het gedrang zouden komen, of meer in het algemeen dat er een wijziging in zijn solvabiliteit, die het bewarend beslag verantwoordt, is ingetreden.

Besluit

Op grond van de hierboven aangehaalde vaststellingen, welke verband houden met de voor beslag vatbare goederen die eiser bezit, doch waaruit niet blijkt dat er enige aanwijzing bestaat dat eiser zijn in-solvabiliteit zou organiseren dan wel in de nabije toekomst insolvabel dreigt te worden, vermocht het hof van beroep niet wettig te besluiten, zonder aldus het rechtsbegrip urgentie te miskennen, dat "de vereiste urgentie voorhanden (is)" (schending van artikel 1413 van het Gerech-telijk Wetboek) en vermocht het derhalve eisers derdenverzet niet wet-tig ongegrond te verklaren (schending van artikelen 1033 en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek).

TOELICHTING

Uit artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat bewa-rend beslag enkel mogelijk is in geval van hoogdringendheid.

Die vereiste moet voorkomen dat beslag zou worden gelegd als een louter drukkingsmiddel om de schuldenaar onder druk te zetten aan de eis van zijn schuldeiser te voldoen (D. Scheers, "Bewarend beslag in vogelvlucht", in Vlaamse Conferentie bij de balie te Antwerpen (ed.), Meester van het proces. To¬pics gerechtelijk recht, Brussel, Larcier, 2010, 120).

Er wordt aangenomen dat er sprake is van urgentie wanneer de solvabiliteit van de schuldenaar in het gedrang komt, zodat de latere uitwinning gevaar loopt (Cass. 22 juni 2000, RW 2000-01, 1166; J. Lae-nens, K. Broeckx, D. Scheers en P. Thiriar, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2012, 714, nr. 1706; E. Dirix en K. Broeckx, Beslag, APR, Mechelen, Kluwer, 2010, 312, nr. 449; D. Scheers, "Bewarend beslag in vogelvlucht", in Vlaamse Conferentie bij de balie te Antwerpen (ed.), Meester van het proces. Topics gerechtelijk recht, Brussel, Larcier, 2010, 120; V. Van Herreweghe, Beslagzakboekje 2015, Mechelen, Kluwer, 2015, 158, nr. 308).

Er moeten bijgevolg omstandigheden voorhanden zijn, waaruit de rechter kan opmaken dat die insolvabiliteit in het gedrang dreigt te komen.

Zo het hof van beroep te dezen aandacht besteedt aan de aan- of afwezigheid van andere goederen dan deze die het voorwerp van het verzoek tot machtiging tot het leggen van bewarend beslag uitmaken, moet worden vastgesteld dat uit geen enkele overweging blijkt dat er enige aanwijzing bestaat dat eiser zijn insolvabiliteit zou organiseren dan wel in de nabije toekomst insolvabel dreigt te worden of nog dat er een wijziging in zijn solvabiliteit is ingetreden.

Het hof van beroep stelt alleen vast dat hij geen andere voor be-slag vatbare goederen bezit.

Op grond van die vaststelling alleen kon het hof van beroep dan ook niet wettig beslissen dat er aan de vereiste van urgentie was vol-daan.

DERDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen

-artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994,
-artikelen 1033, 1413, 1415, eerste lid, 1417, 1418, 1419, 1423 en 1503 van het Ge¬rechtelijk Wetboek,
-artikelen 2244, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 25 ju-li 2008, en 2244, § 1 van het Burgerlijk Wetboek,
-artikelen 81, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 15 maart 1999, 81bis, § 1, eerste en tweede lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 29 december 2008, 81bis, § 1, eerste en tweede lid, zoals van toepassing sinds de wijziging bij wet van 29 december 2008, 83, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 15 maart 1999, en 83, zoals gewijzigd bij wet van 15 maart 1999, van het btw-wetboek.

Aangevochten beslissing

Bij het bestreden arrest van 29 oktober 2014 verklaart het Hof van beroep te Antwerpen het derdenverzet en de vorderingen van eiser ongegrond, bevestigt het bestreden arrest van 5 februari 2014, waarbij eerste tot vierde verweerders worden gemachtigd tot het leggen van een bewarend beslag buiten woonst en bij een derde op de plaats van bewaargeving door de hoofdgriffier van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, Parklaan 25 te 3500 Hasselt, evenals op alle andere plaatsen in het gerechtelijk arrondissement Hasselt waar de goederen kunnen worden aangetroffen in bewaring van de hoofdgriffier, tot zekerheid van hun schuldvorderingen op grond van de in het verzoekschrift tot hoger beroep vermelde uitvoerbaar verklaarde kohieren directe belastingen en dwangbevelen btw ten bedrage van 7.323.985,43 euro in hoofdsom, benevens 4.661.579,78 euro aan boeten, 15.917.371,26 euro aan fiscale intresten, 8.859.827,70 euro aan moratoire intresten en 1.738,94 euro aan kosten en toebehoren, en dit ongeacht het uitstel van betaling dat mocht zijn of worden verleend, in al zijn geledingen en ver-wijst eiser in de kosten van het derdenverzet, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, begroot op 1.320 euro in hoofde van de Belgische Staat. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gestoeld:

"Verweerders op derdenverzet brengen, aan de hand van dwangbevelen, verjaring-stuitende akten en de looptijd van procedures overeenkomstig de betreffende geldende wetsartikelen, voor elk van de betrokken kohierartikelen het bewijs bij dat de betreffende uitvoerbare titels actueel en opeisbaar zijn en niet verjaard.

Enkel voor wat betreft kohierartikel 8723898 heeft de stuiting bij dwangbevel van 20 oktober 2006 slechts betrekking op een bedrag van euro 149.486,79 en niet op het totale bedrag van euro 1.390.486,79, zodat prima facie niet wordt aangetoond dat de betrokken schuld ten bedrage van euro 1.341.000 op heden nog opeisbaar is.
De overige bedragen waarop dit kohierartikel betrekking heeft zijn wel opeisbaar.

De verjaring van de BTW-schuld werd na de betekening van een dwangbevel op 8 september 1987 conform de wettelijke bepalingen ter zake gestuit door de verzets-procedure ingeleid op 16 september 1987.

(...)

Het derdenverzet tegen het arrest van dit Hof van 5 februari 2014 is on-gegrond".

Grief

Eerste onderdeel

Overeenkomstig artikelen 1033 en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek stelde eiser derdenverzet in tegen de aan verweerders verleen-de machtiging tot het leggen van bewarend beslag buiten woonst en bij een derde.

Naar luid van artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek kan ie-dere schuldeiser in spoedeisende gevallen aan de rechter toelating vra-gen om op de voor beslag vatbare goederen van zijn schuldenaar bewa-rend beslag te leggen.

Dat bewarend beslag kan desnoods bij een derde worden gelegd, zoals kan worden opgemaakt uit artikel 1503 van het Gerechtelijk Wet-boek.

Artikel 1415, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat verlof om bewarend beslag te leggen niet mag worden verleend dan wegens een schuldvordering die zeker en opeisbaar is, en die vaststaan-de is of vatbaar voor een voorlopige raming.

Naar luid van artikel 1417 van het Gerechtelijk Wetboek wordt de toelating die in artikel 1413 bepaald is, gevraagd bij een verzoek-schrift dat aan de rechter wordt gericht. Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd of gezonden, op zijn datum voor gezien getekend door de griffier en ingeschreven in het register der verzoekschriften.

Naar luid van artikel 1418 van het Gerechtelijk Wetboek wordt op het verzoekschrift uiterlijk binnen acht dagen na de nederlegging beschikt. De rechter bepaalt tot welk bedrag bewarend beslag wordt toegestaan.

Artikel 1423 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt inzake het be-slag op roerend goed dat de beschikking, waarbij het beslag wordt toe-gestaan op straffe van nietigheid het bedrag in hoofdsom, intrest en kosten, waarvoor het beslag is toegestaan, vermeldt.

Te dezen stelt het hof van beroep in het bestreden arrest vast dat enkel voor wat betreft kohierartikel 8723898 de stuiting bij dwangbevel van 20 oktober 2006 slechts betrekking heeft op een bedrag van 149.486,79 euro en niet op het totaal bedrag van 1.390.486,79 euro, zodat prima facie niet wordt aangetoond dat de betrokken schuld ten bedrage van 1.341.000 euro op heden nog opeisbaar is.

Het hof van beroep stelt zodoende duidelijk vast dat wat betreft voornoemd kohierartikel er enkel een bedrag van 149.486,79 euro kon worden weerhouden ten titel van eisbare schuldvordering.

Derhalve vermocht het wat betreft de aangevoerde schuld uit hoofde van het meerdere geen toelating tot het leggen van bewarend beslag te verlenen.

Niettemin verklaart het hof van beroep het derdenverzet van ei-ser volledig ongegrond en bevestigt het bij het bestreden arrest het ar-rest van 5 februari 2014, waarbij toelating werd verleend tot het leggen van bewarend beslag buiten woonst en bij een derde tot zekerheid van de schuldvorderingen van verweerders ten bedrage van 7.323.985,43 euro in hoofdsom, benevens 4.661.579,78 euro aan boeten, 15.917.371,26 euro aan fiscale intresten, 8.859.827,70 euro aan moratoire intresten en 1.738,94 euro aan kosten en toebehoren, waarin ook voornoemd bedrag van 1.341.000 euro begrepen was.

Besluit

Het hof van beroep, dat bij het bestreden arrest verklaart het ar-rest van 5 februari 2014, waarbij machtiging werd verleend tot het leg-gen van bewarend beslag buiten woonst en bij een derde tot zekerheid van de schuldvorderingen van verweerders ten bedrage van 7.323.985,43 euro in hoofdsom, benevens 4.661.579,78 euro aan boeten, 15.917.371,26 euro aan fiscale intresten, 8.859.827,70 euro aan moratoire intresten en 1.738,94 euro aan kosten en toebehoren, te bevestigen, na eerder te hebben vastgesteld dat kohierartikel 8723898 ten bedrage van 1.341.000 euro prima facie niet meer opeisbaar was en er derhalve volgens de vaststellingen van het bestreden arrest minstens wat betreft dat bedrag niet was voldaan aan de voorwaarden tot het leggen van bewarend beslag, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht (schending van artikelen 1413, 1415, eerste lid, 1417, 1418, 1423 en 1503 van het Gerechtelijk Wetboek) en kon het derhalve eisers derdenverzet niet wettig volledig ongegrond verklaren (schending van artikelen 1033 en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Overeenkomstig artikelen 1033 en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek stelde eiser derdenverzet in tegen de aan verweerders verleen-de machtiging tot het leggen van bewarend beslag buiten woonst en bij een derde.

Naar luid van artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek kan ie-dere schuldeiser in spoedeisende gevallen aan de rechter toelating vra-gen om op de voor beslag vatbare goederen van zijn schuldenaar bewa-rend beslag te leggen.

Dat bewarend beslag kan desnoods bij een derde worden gelegd, zoals kan worden opgemaakt uit artikel 1503 van het Gerechtelijk Wet-boek.

Artikel 1415, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat verlof om bewarend beslag te leggen niet mag worden verleend dan wegens een schuldvordering die zeker en opeisbaar is, en die vaststaan-de is of vatbaar voor een voorlopige raming.

Te dezen betwistte eiser dat verweerders nog over een eisbare en zekere schuld uit hoofde van de btw beschikte, nu deze dagtekende van 8 september 1987 en er geen bewijzen van stuiting werden voorgelegd.

Het hof van beroep verwijst ter zake naar een dwangbevel bete-kend op 8 september 1987, evenals naar een verzetsprocedure ingeleid op 16 september 1987.

Naar luid van artikel 81 van het btw-wetboek, zoals van toepas-sing vóór de wijziging bij wet van 15 maart 1999, verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administra-tieve geldboeten door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waar-op zij is ontstaan.

Naar luid van artikel 81bis, § 1, eerste lid van het btw-wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 29 december 2008, en artikel 81bis, § 1, eerste lid, zoals van toepassing sinds de wijziging bij wet van 29 december 2008, is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. In het tweede lid van voornoemde bepaling werd voorzien in een afwijkende termijn van vijf jaar.

Artikel 83 van het btw-wetboek bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de in-tresten en de administratieve geldboeten, de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en vol-gende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelf-de wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding han-gend is.

Artikel 83 van het btw-wetboek, zoals gewijzigd bij wet van 15 maart 1999, bepaalt voorts dat elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder ander persoon die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van dit Wetboek, van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht, de verjaring schorst. De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Zo overeenkomstig artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zo-wel in zijn vroegere als in zijn actuele versie, en artikel 83 van het btw-wetboek de betekening van een bevel stuitende werking heeft en er aangenomen wordt dat deze stuitende werking doorwerkt wanneer er een verzetsprocedure wordt ingesteld, neemt de verjaring evenwel op-nieuw een aanvang met de definitieve afhandeling van het verzet.

Zo het hof van beroep in het bestreden arrest vaststelt dat de ver-jaring werd gestuit door de verzetsprocedure ingeleid op 16 september 1987, blijkt uit de gedane vaststellingen niet dat deze procedure, die 27 jaar geleden werd ingeleid, nog steeds hangende was dan wel dat er na de beëindiging van deze procedure nieuwe stuitingsdaden werden ge-steld.

Minstens laten de vaststellingen van het bestreden arrest Uw Hof niet toe te controleren of het hof van beroep prima facie wettig kon oordelen dat de btw-schuld die het voorwerp uitmaakte van het dwangbevel betekend op 8 september 1987 anno 2014 nog steeds niet was verjaard.

Besluit

Op grond van de gedane vaststellingen, waaruit wellicht blijkt dat er in 1987 een dwangbevel werd betekend en een verzetsprocedure werd ingeleid, doch waaruit niet blijkt dat deze procedure in 2014 nog steeds hangende was, zodat de verjaring stuitende werking bleef voort-duren, of dat er na de beëindiging van die verzetsprocedure nieuwe stuitingsdaden werden gesteld, vermocht het hof van beroep niet wettig te beslissen, althans prima facie, dat de btw-schuld niet was verjaard (schending van artikelen 81, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 15 maart 1999, 81bis, § 1, eerste en tweede lid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 29 december 2008, 81bis, § 1, eerste en tweede lid, zoals van toepassing sinds de wijziging bij wet van 29 december 2008, 83, zoals van toe¬passing vóór de wijziging bij wet van 15 maart 1999, en 83, zoals gewijzigd bij wet van 15 maart 1999, van het btw-wetboek, en 2244, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 25 juli 2008, en 2244, § 1 van het Burgerlijk Wetboek), vermocht het niet wettig te beslissen dat er wat betreft de btw-schuld was voldaan aan de voorwaarde van artikel 1415, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek voor het leggen van een bewarend beslag (schending van artikelen 1413, 1415, eerste lid en 1503 van het Gerechtelijk Wetboek) en vermocht het eisers derdenverzet derhalve niet wettig volledig ongegrond te verklaren (schending van artikelen 1033 en 1419 van het Gerechtelijk Wetboek).

Minstens is het bestreden arrest, waarvan de vaststellingen Uw Hof niet toelaten uit te maken wanneer de verzetsprocedure definitief een einde heeft genomen en derhalve tot op welk tijdstip de stuitende werking van de betekening van het dwangbevel en van de daaropvol-gende verzetsprocedure bleef voortduren en waarvan de vaststellingen derhalve niet toelaten uit te maken of de verjaring al dan niet verder werd gestuit, en aldus de wettigheidscontrole van Uw Hof onmogelijk maakt, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

TOELICHTING

1. Overeenkomstig artikel 1418 van het Gerechtelijk Wetboek komt het aan de beslagrechter toe om het bedrag te bepalen waarvoor er beslag kan worden gelegd. Dat bedrag moet blijkens artikel 1423 van het Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid in de beschikking worden vermeld.

Het hof van beroep stelt uitdrukkelijk vast dat kohierartikel 8723898 ten bedrage van 1.341.000 euro prima facie niet meer opeisbaar was en bijgevolg niet voldeed aan de vereisten van artikel 1415, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Bewarend beslag kan immers slechts worden gelegd voor eisbare schuldvorderingen.

Niettemin verklaart het hof van beroep bij het bestreden arrest eisers derdenverzet ongegrond en bevestigt het hof van beroep het ar-rest van 5 februari 2014, zonder enige wijziging aan het bedrag waar-voor het bewarend beslag werd toegelaten, aan te brengen.

Bijgevolg is de beslissing op dat punt niet naar recht ver-antwoord.

2. Wat betreft de btw-schuld verklaart het hof van beroep dat de btw-schuld niet is verjaard, gelet op de betekening van het dwangbevel, betekend in 1987 en de daaropvolgende verzetsprocedure.

Het betreft hier handelingen van 27 jaar geleden. Uit het bestre-den arrest blijkt niet dat deze procedure nog steeds niet zou zijn beëin-digd.

In afwezigheid van vaststelling van het tijdstip waarop die ver-zetsprocedure ten einde is gekomen en van het voorhanden zijn van stuitingsakten van latere datum, kon dan ook niet wettig worden beslo-ten dat deze btw-schuld prima facie nog niet was verjaard.

Minstens stellen de gedane vaststellingen Uw Hof niet in de mo-gelijkheid om ter zake zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN

Besluit voor eiser, ondergetekende advocaat bij het Hof van Cas-satie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen naar een ander hof van beroep te verwijzen ; kosten als naar recht.

Brussel, 10 april 2015

ENIG STUK DAT BIJ DE VOORZIENING WORDT GEVOEGD:

-een kopie van het exploot van 16 januari 2015, waarbij het bestreden arrest werd betekend aan eiser, ten verzoeke van verweerders en waarin zij woonplaats hebben gekozen op het kantoor van gerechtsdeurwaar-ders Bart Heines, Daniel Palet & Paul Van Elst te 3500 Hasselt, Oude Luikerbaan 138.

C.15.0168.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Het bestreden arrest verklaart het derdenverzet van eiser, tegen de beslissing tot machtiging aan verweerders om bewarend beslag te leggen buiten woonst en bij een derde, ongegrond.

2. Tegen deze beslissing voert eiser drie middelen tot cassatie aan.

II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN

1. Het eerste middel verwijt het bestreden arrest (eerste en tweede onderdeel) zijn beslissing niet naar recht te verantwoorden, door met miskenning van een regel die de rechterlijke organisatie aanbelangt, eisers kritiek i.v.m. de onregelmatige samenstelling van de kamer die het arrest waartegen verzet gewezen had, te verwerpen op grond van het ontbreken van belangenschade.

1.2. Het derdenverzet heeft geen devolutieve werking(1). De rechter die kennisneemt van het derdenverzet oefent wel zijn volledige rechtsmacht uit m.b.t. wat in de bestreden beslissing werd beslist en de positie van de derde aanbelangt. Binnen deze grenzen mag de derde - zowel in feite als in rechte - alle middelen aanvoeren en wordt hij hierbij, in beginsel, niet beperkt door de proceshouding die was aangenomen door de partijen in het oorspronkelijk geding(2).

1.3. De rechter die van een derdenverzet kennisneemt, moet evenwel, in dezelfde omstandigheden als de eerste rechter, nagaan of de procedure regelmatig werd ingeleid en of de door de eerste rechter bevolen maatregelen gegrond zijn(3).

1.4. Derdenverzet is slechts niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, wanneer het uitgaat van een persoon wiens rechtspositie door de beslissing niet kan worden aangetast(4).

1.5. Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen (Art. 860, eerste lid, Ger. W.). De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt (Art. 861 Ger. W.). Deze bepaling veronderstelt dat de partij die de exceptie opwerpt door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang(5).

1.6. De artikelen 860 tot 864 Ger. W. zijn enkel toepasselijk op de vormen en proceshandelingen en niet op de vonnissen en arresten buiten de gevallen die uitdrukkelijk in deze bepalingen zijn omschreven(6).

1.7. Een proceshandeling is een handeling die in het kader van een proces of onder toezicht van het gerecht, door de partijen, hun gevolmachtigden of het hulppersoneel van de rechter is verricht(7).

1.8. In zoverre het voorschrift dat het vonnis moet gewezen worden door het voorgeschreven aantal rechters (art. 779 Ger. W.), deel uitmaakt van de bepalingen inzake de gerechtelijke organisatie, raakt dergelijke bepaling op zich de openbare orde(8).

1.9. Toch mag daarbij m.i. niet uit het oog worden verloren dat het recht om te opteren voor drie raadsheren (cf. art. 109bis, §2, tweede lid, Ger. W.) aan de (vrije) keuze van de eiser in zijn hoofdakte van hoger beroep wordt overgelaten, zodat het mij op dat vlak niet ondenkbaar en derhalve niet onverdedigbaar voorkomt dat dergelijke regel, die aldus tot het "processueel wilsrecht" behoort, een gewone procesrechtsregel i.v.m. de regeling van procedurevraagstukken betreft, en als dusdanig de openbare orde niet raakt. Zoals procureur-generaal Krings daarover in zijn hierboven vermelde conclusie stelt zijn de pleegvormen op civielrechtelijk gebied slechts uitzonderlijk van openbare orde. Zelfs als ze op straffe van nietigheid zijn gesteld, dan nog zijn ze niet noodzakelijk van openbare orde, zoals de bepaling van artikel 861 Ger. W. ervan getuigt.

1.10. Vanuit voormelde benadering ben ik dan ook geneigd om te besluiten dat, vermits in deze de toepassing van de regel afhangt van de aard van de rechtspleging, het hier gaat om een rechtsplegingsvraagstuk dat niet de organieke nietigheid betreft (waarvoor, in de regel, geen belangenschade vereist is), waaruit volgt dat wanneer een zaak door één raadsheer wordt behandeld terwijl de appellant om een behandeling van de zaak door drie raadsheren had verzocht, alleen de appellant de vernietiging van het aldus gewezen arrest kan vorderen.

1.11. Met deze (in de plaats gestelde) redenen ben ik dan ook van oordeel dat de beslissing van de apprelrechter naar recht verantwoord is, en dat het eerste middel, bij gebrek aan belang, niet tot cassatie kan leiden en mitsdien niet ontvankelijk is.

2. Het tweede middel voert aan dat bewarend beslag enkel mogelijk is in geval van hoogdringendheid en dat het bestreden arrest in deze dan ook niet, zonder het rechtsbegrip urgentie te miskennen, wettig tot het voorhanden zijn daarvan vermocht te besluiten.

2.1. Er is volgens uw Hof(9) sprake van spoed in de zin van artikel 1413 Ger. W. wanneer de schuldeiser ernstige gronden heeft om te vrezen dat de inning van zijn schuldvordering in het gedrang komt omdat uit omstandigheden blijkt dat de solvabiliteit van de schuldenaar gevaar loopt.

2.2. Waar hoogdringendheid dient te bestaan zowel op het tijdstip waarop het beslag wordt gelegd, als op het tijdstip waarop over de handhaving van dit beslag dient geoordeeld te worden, oordeelt de (beslag)rechter op onaantastbare wijze over het bestaan van de hoogdringendheid(10).

2.3. Gelet op de vaststellingen van het arrest (p. 5, nr. 7, tweede en derde lid) dat er geen enkel onroerend goed op naam van eiser bekend is, en dat evenmin enig voor beslag vatbaar inkomen in zijnen hoofde gekend is, zodat de goederen waarvoor machtiging tot bewarend beslag werd verleend blijkbaar momenteel het enige uitvoeringsmiddel van verweerders op derdenverzet sinds de vestiging van de aanslagen vormen, komt het mij voor dat de appelrechter aldus wel degelijk zijn beslissing naar recht verantwoordt dat aan de vereiste van urgentie was voldaan.

2.4. Het tweede middel lijkt mij derhalve niet te kunnen aangenomen worden.

3.1. In het eerste onderdeel van het derde middel werpt eiser op dat het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht verantwoordt wat de opeisbaarheid van de schuldvorderingen betreft.

3.1.1 Verlof om bewarend beslag te leggen mag niet worden verleend dan wegens een schuldvordering die zeker en opeisbaar is, en die vaststaande is of vatbaar voor een voorlopige raming (Art. 1415, eerste lid, Ger. W.).

3.1.2 In zoverre voorwaardelijke of eventuele vorderingsrechten in de regel derhalve geen bewarend beslag kunnen wettigen en het bedrag van de schuldvordering bepaald moet zijn of minstens vatbaar voor voorlopige raming, moet de vordering waarvoor beslag wordt gelegd bovendien eisbaar zijn. Dit betekent dat de schuldeiser gerechtigd moet zijn de nakoming van zijn schuldvordering te vorderen(11).

3.1.3 Nu het bestreden arrest in deze (p. 4, nr. 5, alinea 2) enerzijds vaststelt dat enkel voor wat het aldaar vermelde kohierartikel betreft de stuiting bij dwangbevel slechts betrekking heeft op een bedrag van 149.486,79 euro en niet op het totaalbedrag van 1.390.486,79 euro, zodat prima facie niet wordt aangetoond dat de betrokken schuld t.b.v. 1.341.000 euro op heden nog opeisbaar is, en anderzijds het derdenverzet van eiser volledig ongegrond verklaart en het bij het op derdenverzet bestreden arrest bevestigt - waarbij toelating werd verleend tot het leggen van bewarend beslag buiten woonst en bij een derde tot zekerheid van de schuldvorderingen van verweerders voor bedragen in hoofdsom (benevens boeten, intresten en kosten...: cf. art. 1423 Ger. W.) waarin ook voornoemd bedrag van 1.341.000 euro begrepen was - komt het mij voor dat de appelrechter op dat vlak zijn beslissing dan ook niet naar recht verantwoordt in zoverre, wat dat bedrag betreft, niet was voldaan aan de voorwaarden tot het leggen van bewarend beslag.

3.1.4 Dit onderdeel lijkt mij dan ook gegrond.

3.2. In het tweede onderdeel van het derde middel voert eiser aan dat het bestreden arrest niet wettig kon besluiten dat de BTW-schuld prima facie nog niet verjaard was, en (minstens) dat de gedane vaststellingen uw Hof niet in de mogelijkheid stellen om ter zake zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.

3.2.1 Gelet op de door verweerders, in het kader van de door eiser ingeroepen verjaring van de BTW-schuld, bijgebrachte stukken i.v.m. de stuiting en opeisbaarheid van deze schulden (p. 13, nr. 2.2.2 van de synthesebesluiten van verweerders van 25 augustus 2014) - waaruit (conform de memorie van antwoord van verweerders) moge blijken dat op 5 oktober 1992 een vonnis betreffende de door eiser ingestelde verzetsprocedure werd gewezen, dat op 8 juni 1993 werd betekend, en waaruit evenzeer blijkt dat ook op 27/8/1997, 21/8/2002, 23/3/2007 en 19/9/2011 betekeningen plaatsvonden, terwijl het verzoekschrift bewarend beslag op 29 november 2013 werd neergelegd - en de omstandigheid dat daarover nadien door eiser geen verder verweer werd gevoerd i.v.m. de verjaring, ben ik de mening toegedaan dat het bestreden arrest, om tot de niet-verjaring van de BTW-schuld te besluiten, kon volstaan met te wijzen op de vaststelling (p. 4, nr. 5, alinea 3) dat na de betekening van het dwangbevel op 8 september 1987 de verjaring tijdens de verzetsprocedure (dit is tussen 16 september 1987 en 5 oktober 1992) conform de wettelijke bepalingen ter zake gestuit bleef.

3.2.2 Als dusdanig lijkt het tweede onderdeel van dit middel mij dan ook niet te kunnen aangenomen worden.

III. CONCLUSIE: VERNIETIGING wat het eerste onderdeel van het derde middel betreft (en in zoverre bindendverklaring wat de daartoe opgeroepen partij aanbelangt), en VERWERPING voor het overige.
______________________
(1) K. WAGNER, Derdenverzet, APR, Kluwer 2004, 50-53.
(2) Cass. 29 juni 2006, AR C.05.0478.N, AC 2006, 1536; Cass. 2 mei 2013, AR C.12.0150.F, AC 2013, nr. 274.
(3) Cass. 2 mei 2013, AR C.12.0150.F, AC 2013, nr. 274.
(4) Cass. 21 maart 2003, AR C.00.0634.N, AC 2003, nr. 188.
(5) Cass. 24 oktober 2014, AR C.12.0462.N, AC 2014, nr. 636.
(6) Cass. 23 december 1996, AR S.96.0082.N, AC 1996, nr. 525; Cass. 28 januari 2013, AR S.11.0123.N, AC 2013, nr. 65.
(7) Cass. 28 april 1988, AR nr. 8285, AC 1987-88, nr. 527, (1088), 1092; vgl. concl. advocaat-generaal T. WERQUIN voor Cass. 19 april 2002, AR C.01.0218.F, AC 2002, nr. 241, (1053), 1054: de proceshandeling is een eenzijdige rechtshandeling die in hoofdzaak geregeld wordt door het gerechtelijk recht en uitgevoerd wordt in het raam van de noodzakelijke voorbereiding van een gerechtelijke procedure, van de totstandkoming van de procedure, het verloop, de beslissing, de tenuitvoerlegging en de noodzakelijke beëindiging ervan, los van de persoon of de instantie van wie de rechtshandeling uitgaat.
(8) Conclusie van procureur-generaal KRINGS voor Cass. 5 mei 1988, AR nr. 5695, AC 1987-88, nr. 548, (1134), 1135.
(9) Cass. 23 december 2010, AR C.09.0441.F, AC 2010, nr. 767.
(10) Cass. 22 juni 2000, RW 2000-01, 1166.
(11) E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, APR, Kluwer 2010, 316-319, nrs. 455, 457 en 460.
 

Noot: 

SV Schuldeiser bij bewarend beslag: wees op uw hoede! NJW 237, 140


De urgentievereiste van een bewarend beslag is te herleiden tot het risico op solvabiliteit met bewijs lastvoor de beslagleger:

Rechtspraak: (niet gepubliceerd):

Schuldeiser bij bewarend beslag: wees op uw hoede! NJW 237, 140

De urgentievereiste van een bewarend beslag is te herleiden tot het risico op solvabiliteit met bewijs lastvoor de beslagleger:

Rechtspraak:

• Hof van Beroep, Antwerpen, 03/02/ 2010 (niet gepubliceerd):

Eindarrest

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 3e KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

In zake

2009/EV/53

VAN LANSCHOT BANKIERS BELGIE NV,

A P P E L L A N T E

tegen een beschikking van de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout dd. 6 november 2009;

Procedure

1.

Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking, waarvan zich geen kennisgeving ervan bij gerechtsbrief in het dossier van de rechtspleging bevindt, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 04.12.2009, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2.

Het hoger beroep strekt ertoe, bij hervorming van de bestreden beschikking, appellante eveneens te machtigen tot het leggen van bewarend beslag op onroerende goederen lastens de heer V. V. S., dit tot zekerheid van een bedrag van€ 261.500,90, en de beide voorgehouden schuldenaars, heren V. S. en V. H., te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoedingen, begroot op€ 2.500,00 per persoon en per aanleg.

Bespreking

Appellante blijft volledig in gebreke aan te tonen dat m.b.t. de heer V. S. voldaan is aan de urgentievereiste van art. 1413 Ger.W.

Hiervoor is vereist dat de solvabiliteit van de voorgehouden debiteur in het gedrang komt zodat de latere uitwinning gevaar loopt. De beslaglegger draagt de bewijslast daarvan. Vage geruchten over de mogelijke insolvabiliteit van de schuldenaar volstaan daartoe niet (zie o.m. (Dirix, E. en Broeckx, K., Beslag, A.P.R., 2001, nr. 427, p. 270-271)

Uit het verhoor van de heer V. S. d.d. 04.06.2009 door de Lokale Polite Neteland blijkt dat deze erkende een niet nader gespecificeerd bedrag aan appellante verschuldigd te zijn.

Uit de voorgebrachte objectieve gegevens blijkt echter geenszins voldoende dat de heer V. S. zou deelgenomen hebben aan de malversaties, zoals ook de eerste rechter in de bestreden beschikking op goede gronden, hier voor herhaald gehouden, oordeelde.

Verder worden ook geen andere af doende elementen aangebracht waaruit blijkt dat appellantes voorgehouden schuldvordering gevaar loopt.

De bestreden beschikking dient dan ook bevestigd, zij het deels op andere gronden.

De kosten

Volkomen ten onrechte vordert appellante veroordeling van de beide voorgehouden schuldenaars in de gerechtskosten van beide instanties, inclusief de rechtsplegingsvergoedingen.

Behoudens andersluidende bepalingen, die er in casu niet zijn, kunnen slechts de in het ongelijk gestelde partijen in de gerechtkosten verwezen worden (art. 1017 Ger.W.).

Welnu in een procedure op eenzijdig verzoekschrift, zoals deze, is slechts de verzoeker partij zodat uitsluitend ZlJ in de kosten kan verwezen worden en in geen enkel geval een derde die zelfs geen partij is. (zie o.m. Brussel 09.06.2008, R.W. 2008-09, p. 872; Voet, S., R.W. 2007-08, p. 1131, nr. 6; Samoy en Sagaert, R.W. 2007-08, p. 684-685, nr. 36)

Er is dan ook geen aanleiding om de voorgehouden schuldenaars te verwijzen in de gerechtskosten.

Nu het hoger beroep ongegrond is, dient appellante verwezen in de kosten ervan.

OM DIE REDENEN:

HET HOF, na beraad,

Recht sprekend na behandeling van de zaak in raadkamer;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart dit ongegrond;

Bevestigt de bestreden beschikking;

Verwijst appellante in de gedingkosten van het hoger beroep.

Aldus gedaan en uitgesproken in Raadkamer van de 3e kamer op: 03/02/2010

• Hof van Beroep Brussel, 28/05/2013, juridat

Samenvatting

Een voorwaarde om te mogen overgaan tot bewarend beslag is het voorhanden zijn van urgentie. Bewarend beslag kan slechts gelegd worden wanneer er sprake is van hoogdringendheid. Vereist wordt dat de solvabiliteit van de debiteur in het gedrang komt zodat een latere uitwinning gevaar loopt. Het bewarend beslag is gewettigd telkens wanneer naar objectieve maatstaven de financiële positie van de debiteur in het gedrang komt.

Tekst arrest

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL
1ste kamer,
zetelend in burgerlijke zaken: na beraad, wijst volgend arrest:

A.R. Nr.: 2013/QR/55

INZAKE VAN:

Mevrouw V. B. R., wonende te
Appellante

1. Het hof put zijn rechtsmacht uit een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op 10 mei 2013, gericht tegen een beschikking van 26 april 2013 gewezen door de beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

2. Het hoger beroep van verzoekster strekt ertoe de bestreden beschikking teniet te horen doen en haar te horen machtigen om tot zekerheid van een bedrag van euro 69.986,72 bewarend beslag onder derden te laten leggen op de bedragen die voorkomen op de actiefzijde van mevrouw Nadine LAGARRIGUE bij de banken nader omschreven in het vorderend deel van het beroepsverzoekschrift.

3. Opdat er zou mogen overgegaan worden tot bewarend beslag, moet er urgentie voorhanden zijn en moet de schuldeiser beschikken over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering.

Deze voorwaarden moeten cumulatief vervuld zijn zodat wanneer één van de voorwaarden niet vervuld is, er geen toelating tot bewarend beslag verleend wordt.

4. Bij vonnis van 31 oktober 2006, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, wordt verzoekster veroordeeld om aan mevrouw LAGARRIGUE te betalen, euro 80.565,40 vermeerderd met intresten en met de kosten, plus euro 1 provisioneel. De zaak wordt voor het overige naar de rol verzonden.
Bij arrest van 27 september 2011 heeft het hof van beroep te Brussel dit vonnis grotendeels bevestigd en verzoekster veroordeeld tot de kosten.
Dit vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard geworden.

Verzoekster is tegen voormeld arrest in cassatie gegaan.

Het Hof van cassatie heeft bij arrest van 7 februari 2013 het arrest van 27 september 2011 verbroken en de zaak naar het hof van beroep te Bergen verzonden.

Ondertussen echter heeft mevrouw LAGARRIGUE op grond van het arrest van het hof van beroep op 30 april 2012 van notaris DUBAERE euro 69.986,72 ontvangen.

Een arrest van het Hof van cassatie dat een gerechtelijke beslissing verbreekt heeft tot gevolg dat de partijen terug in de toestand geplaatst worden waarin zij zich bevonden voor de uitspraak van de verbroken beslissing.
Zulk verbrekend arrest van cassatie maakt bijgevolg een titel uit op grond waarvan de eiser in cassatie de terugbetaling kan benaarstigen van de bedragen die betaald werden in uitvoering van de verbroken beslissing. Het Hof van cassatie moet deze terugbetaling niet bevelen.
(Cass., 15 februari 1973, Pas. 1973, I, blz. 570)

Hieruit volgt dat verzoekster jegens mevrouw LAGARRIGUE over een zekere, eisbare en vaststaande vordering beschikt.

5. De tweede voorwaarde om te mogen overgaan tot bewarend beslag is het voorhanden zijn van urgentie.
Bewarend beslag kan slechts gelegd worden wanneer er sprake is van hoogdringendheid.
Vereist wordt dat de solvabiliteit van de debiteur in het gedrang komt zodat een latere uitwinning gevaar loopt.
Het bewarend beslag is gewettigd telkens wanneer naar objectieve maatstaven de financiële positie van de debiteur in het gedrang komt.
(E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag (APR, 2010), nr. 449, blz. 312)

Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat mevrouw LAGARRIGUE noch over onroerende goederen, noch over beslagbare inkomsten beschikt.
Bovendien is zij sinds midden februari 2013 (een week na de uitspraak van het arrest van het Hof van cassatie) voor langere tijd op ziekteverlof gesteld.

De raadsman van verzoekster heeft de raadslieden van mevrouw LAGARRIGUE op de hoogte gebracht van de intentie van zijn cliënte om terugbetaling van het betaalde bedrag te verkrijgen. Deze brief is onbeantwoord gebleven.

Deze gegevens zijn voldoende om vast te stellen dat naar objectieve maatstaven de financiële positie van mevrouw LAGARRIGUE in het gedrang komt.
De voorwaarde van urgentie is dus vervuld.

Er blijkt echter niet dat het absoluut noodzakelijk is huidige beslissing uitvoerbaar te verklaren op elke dag en op elk uur. Dit deel van de vordering is ongegrond.

6. Hieruit volgt dat de oorspronkelijke vordering van verzoekster gegrond was, en dat haar hoger beroep dit ook is.
De vordering wordt ingewilligd.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op eenzijdig verzoekschrift,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in rechtszaken.

Verklaart het hoger beroep van mevrouw BEGON ontvankelijk en gegrond.

Doet de bestreden beschikking teniet en, opnieuw recht sprekend:

Verklaart de oorspronkelijke vordering van mevrouw BEGON ontvankelijk en gegrond als volgt.

Machtigt mevrouw BEGON om tot zekerheid van een bedrag van euro 69.986,72 bewarend beslag onder derden te leggen op de bedragen op de actiefzijde van mevrouw LAGARRIGUE in handen van de volgende banken:

- de NV BNP PARIBAS FORTIS waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Warandeberg 3,
- de BANK VAN DE POST, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Anspachlaan 1,
- de BELFIUS BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Pachecolaan 44,
- de CBC BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Grote Markt 5,
- de DELTA LLOYD BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1210 Brussel, Sterrekundelaan 23,
- de DEUTSCHE BANK EUROPE GmbH, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Marnixlaan 13-15,
- de DEUTSCHE BANK Aktiengesellschaft, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Marnixlaan 17,
- de ING BELGIË, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Marnixlaan 24,
- de KBC BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1080 Brussel, Havenlaan 2.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op
28/05/2013


SV Schuldeiser bij bewarend beslag: wees op uw hoede! NJW 237, 140

De urgentievereiste van een bewarend beslag is te herleiden tot het risico op solvabiliteit met bewijs lastvoor de beslagleger:

Rechtspraak: (niet gepubliceerd):

Schuldeiser bij bewarend beslag: wees op uw hoede! NJW 237, 140

De urgentievereiste van een bewarend beslag is te herleiden tot het risico op solvabiliteit met bewijs lastvoor de beslagleger:

Rechtspraak:

• Hof van Beroep, Antwerpen, 03/02/ 2010 (niet gepubliceerd):

Eindarrest

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 3e KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

In zake

2009/EV/53

VAN LANSCHOT BANKIERS BELGIE NV,

A P P E L L A N T E

tegen een beschikking van de Beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout dd. 6 november 2009;

Procedure

1.

Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking, waarvan zich geen kennisgeving ervan bij gerechtsbrief in het dossier van de rechtspleging bevindt, alsmede het verzoekschrift neergelegd op 04.12.2009, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld.

Voorwerp van de vorderingen

2.

Het hoger beroep strekt ertoe, bij hervorming van de bestreden beschikking, appellante eveneens te machtigen tot het leggen van bewarend beslag op onroerende goederen lastens de heer V. V. S., dit tot zekerheid van een bedrag van€ 261.500,90, en de beide voorgehouden schuldenaars, heren V. S. en V. H., te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoedingen, begroot op€ 2.500,00 per persoon en per aanleg.

Bespreking

Appellante blijft volledig in gebreke aan te tonen dat m.b.t. de heer V. S. voldaan is aan de urgentievereiste van art. 1413 Ger.W.

Hiervoor is vereist dat de solvabiliteit van de voorgehouden debiteur in het gedrang komt zodat de latere uitwinning gevaar loopt. De beslaglegger draagt de bewijslast daarvan. Vage geruchten over de mogelijke insolvabiliteit van de schuldenaar volstaan daartoe niet (zie o.m. (Dirix, E. en Broeckx, K., Beslag, A.P.R., 2001, nr. 427, p. 270-271)

Uit het verhoor van de heer V. S. d.d. 04.06.2009 door de Lokale Polite Neteland blijkt dat deze erkende een niet nader gespecificeerd bedrag aan appellante verschuldigd te zijn.

Uit de voorgebrachte objectieve gegevens blijkt echter geenszins voldoende dat de heer V. S. zou deelgenomen hebben aan de malversaties, zoals ook de eerste rechter in de bestreden beschikking op goede gronden, hier voor herhaald gehouden, oordeelde.

Verder worden ook geen andere af doende elementen aangebracht waaruit blijkt dat appellantes voorgehouden schuldvordering gevaar loopt.

De bestreden beschikking dient dan ook bevestigd, zij het deels op andere gronden.

De kosten

Volkomen ten onrechte vordert appellante veroordeling van de beide voorgehouden schuldenaars in de gerechtskosten van beide instanties, inclusief de rechtsplegingsvergoedingen.

Behoudens andersluidende bepalingen, die er in casu niet zijn, kunnen slechts de in het ongelijk gestelde partijen in de gerechtkosten verwezen worden (art. 1017 Ger.W.).

Welnu in een procedure op eenzijdig verzoekschrift, zoals deze, is slechts de verzoeker partij zodat uitsluitend ZlJ in de kosten kan verwezen worden en in geen enkel geval een derde die zelfs geen partij is. (zie o.m. Brussel 09.06.2008, R.W. 2008-09, p. 872; Voet, S., R.W. 2007-08, p. 1131, nr. 6; Samoy en Sagaert, R.W. 2007-08, p. 684-685, nr. 36)

Er is dan ook geen aanleiding om de voorgehouden schuldenaars te verwijzen in de gerechtskosten.

Nu het hoger beroep ongegrond is, dient appellante verwezen in de kosten ervan.

OM DIE REDENEN:

HET HOF, na beraad,

Recht sprekend na behandeling van de zaak in raadkamer;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart dit ongegrond;

Bevestigt de bestreden beschikking;

Verwijst appellante in de gedingkosten van het hoger beroep.

Aldus gedaan en uitgesproken in Raadkamer van de 3e kamer op: 03/02/2010

• Hof van Beroep Brussel, 28/05/2013, juridat

Samenvatting

Een voorwaarde om te mogen overgaan tot bewarend beslag is het voorhanden zijn van urgentie. Bewarend beslag kan slechts gelegd worden wanneer er sprake is van hoogdringendheid. Vereist wordt dat de solvabiliteit van de debiteur in het gedrang komt zodat een latere uitwinning gevaar loopt. Het bewarend beslag is gewettigd telkens wanneer naar objectieve maatstaven de financiële positie van de debiteur in het gedrang komt.

Tekst arrest

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL
1ste kamer,
zetelend in burgerlijke zaken: na beraad, wijst volgend arrest:

A.R. Nr.: 2013/QR/55

INZAKE VAN:

Mevrouw V. B. R., wonende te
Appellante

1. Het hof put zijn rechtsmacht uit een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op 10 mei 2013, gericht tegen een beschikking van 26 april 2013 gewezen door de beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

2. Het hoger beroep van verzoekster strekt ertoe de bestreden beschikking teniet te horen doen en haar te horen machtigen om tot zekerheid van een bedrag van euro 69.986,72 bewarend beslag onder derden te laten leggen op de bedragen die voorkomen op de actiefzijde van mevrouw Nadine LAGARRIGUE bij de banken nader omschreven in het vorderend deel van het beroepsverzoekschrift.

3. Opdat er zou mogen overgegaan worden tot bewarend beslag, moet er urgentie voorhanden zijn en moet de schuldeiser beschikken over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering.

Deze voorwaarden moeten cumulatief vervuld zijn zodat wanneer één van de voorwaarden niet vervuld is, er geen toelating tot bewarend beslag verleend wordt.

4. Bij vonnis van 31 oktober 2006, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, wordt verzoekster veroordeeld om aan mevrouw LAGARRIGUE te betalen, euro 80.565,40 vermeerderd met intresten en met de kosten, plus euro 1 provisioneel. De zaak wordt voor het overige naar de rol verzonden.
Bij arrest van 27 september 2011 heeft het hof van beroep te Brussel dit vonnis grotendeels bevestigd en verzoekster veroordeeld tot de kosten.
Dit vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard geworden.

Verzoekster is tegen voormeld arrest in cassatie gegaan.

Het Hof van cassatie heeft bij arrest van 7 februari 2013 het arrest van 27 september 2011 verbroken en de zaak naar het hof van beroep te Bergen verzonden.

Ondertussen echter heeft mevrouw LAGARRIGUE op grond van het arrest van het hof van beroep op 30 april 2012 van notaris DUBAERE euro 69.986,72 ontvangen.

Een arrest van het Hof van cassatie dat een gerechtelijke beslissing verbreekt heeft tot gevolg dat de partijen terug in de toestand geplaatst worden waarin zij zich bevonden voor de uitspraak van de verbroken beslissing.
Zulk verbrekend arrest van cassatie maakt bijgevolg een titel uit op grond waarvan de eiser in cassatie de terugbetaling kan benaarstigen van de bedragen die betaald werden in uitvoering van de verbroken beslissing. Het Hof van cassatie moet deze terugbetaling niet bevelen.
(Cass., 15 februari 1973, Pas. 1973, I, blz. 570)

Hieruit volgt dat verzoekster jegens mevrouw LAGARRIGUE over een zekere, eisbare en vaststaande vordering beschikt.

5. De tweede voorwaarde om te mogen overgaan tot bewarend beslag is het voorhanden zijn van urgentie.
Bewarend beslag kan slechts gelegd worden wanneer er sprake is van hoogdringendheid.
Vereist wordt dat de solvabiliteit van de debiteur in het gedrang komt zodat een latere uitwinning gevaar loopt.
Het bewarend beslag is gewettigd telkens wanneer naar objectieve maatstaven de financiële positie van de debiteur in het gedrang komt.
(E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag (APR, 2010), nr. 449, blz. 312)

Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat mevrouw LAGARRIGUE noch over onroerende goederen, noch over beslagbare inkomsten beschikt.
Bovendien is zij sinds midden februari 2013 (een week na de uitspraak van het arrest van het Hof van cassatie) voor langere tijd op ziekteverlof gesteld.

De raadsman van verzoekster heeft de raadslieden van mevrouw LAGARRIGUE op de hoogte gebracht van de intentie van zijn cliënte om terugbetaling van het betaalde bedrag te verkrijgen. Deze brief is onbeantwoord gebleven.

Deze gegevens zijn voldoende om vast te stellen dat naar objectieve maatstaven de financiële positie van mevrouw LAGARRIGUE in het gedrang komt.
De voorwaarde van urgentie is dus vervuld.

Er blijkt echter niet dat het absoluut noodzakelijk is huidige beslissing uitvoerbaar te verklaren op elke dag en op elk uur. Dit deel van de vordering is ongegrond.

6. Hieruit volgt dat de oorspronkelijke vordering van verzoekster gegrond was, en dat haar hoger beroep dit ook is.
De vordering wordt ingewilligd.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op eenzijdig verzoekschrift,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in rechtszaken.

Verklaart het hoger beroep van mevrouw BEGON ontvankelijk en gegrond.

Doet de bestreden beschikking teniet en, opnieuw recht sprekend:

Verklaart de oorspronkelijke vordering van mevrouw BEGON ontvankelijk en gegrond als volgt.

Machtigt mevrouw BEGON om tot zekerheid van een bedrag van euro 69.986,72 bewarend beslag onder derden te leggen op de bedragen op de actiefzijde van mevrouw LAGARRIGUE in handen van de volgende banken:

- de NV BNP PARIBAS FORTIS waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Warandeberg 3,
- de BANK VAN DE POST, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Anspachlaan 1,
- de BELFIUS BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Pachecolaan 44,
- de CBC BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Grote Markt 5,
- de DELTA LLOYD BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1210 Brussel, Sterrekundelaan 23,
- de DEUTSCHE BANK EUROPE GmbH, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Marnixlaan 13-15,
- de DEUTSCHE BANK Aktiengesellschaft, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Marnixlaan 17,
- de ING BELGIË, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Marnixlaan 24,
- de KBC BANK, waarvan de zetel gevestigd is te 1080 Brussel, Havenlaan 2.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op
28/05/2013

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 25/05/2017 - 13:28
Laatst aangepast op: do, 25/05/2017 - 13:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.