-A +A

Bewakingsagent verantwoordelijkheid voor wapen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 06/05/2016
A.R.: 
C.15.0128.F

De bewakingsagent is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van een wapen ter plaatse, zelfs als hij niet de eigenaar van dat wapen is of niet van de aanwezigheid van het wapen op de hoogte is gebracht. 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
499
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.15.0128.F

Belgische Staat, minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken t/ C.D.F.S.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in laatste aanleg gewezen door de Franstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel van 13 juni 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Krachtens art. 30ter, eerste lid van het KB van 17 november 2006 «betreffende de wapens die gebruikt worden door de ondernemingen, diensten, instellingen en personen bedoeld in de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid», zijn de bewakingsagent en, naargelang van het geval, de gebruiker van de diensten van een bewakingsonderneming of het leidinggevend personeel van de interne bewakingsdienst, er verantwoordelijk voor dat wanneer de bewakingsagent activiteiten uitoefent waarbij het dragen van wapens door of krachtens de wet verboden is, er geen wapens beschikbaar zijn op de uitvoeringsplaats van de opdracht.

De bewakingsagent is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van een wapen ter plaatse, zelfs als hij niet de eigenaar van dat wapen is of niet van de aanwezigheid van het wapen op de hoogte is gebracht.

Het bestreden vonnis, dat overweegt dat «[de verweerder] zich zodanig gedroeg dat hij het publiek kon misleiden [...], in die zin dat [...] hij voor een echte bewaker kon worden aangezien zodat hij, door zijn bijzonder realistisch optreden, mee voor de beveiliging van de discotheek instond», beslist dat de wet van 10 april 1990 «tot regeling van de private en bijzondere veiligheid» en de uitvoeringsbesluiten van die wet «van toepassing zijn op eenieder die voor bewaker «speelt».

Het bestreden vonnis, dat vaststelt dat er ter plaatse «een honkbalknuppel beschikbaar was» en vervolgens beslist dat «de overtreding van [voornoemd] art. 30ter, eerste lid, niet is bewezen», op grond dat «de zaakvoerder heeft verduidelijkt dat hij de eigenaar van die honkbalknuppel was en dat hij hem ter beschikking hield van de bewakingsdienst» en dat, «aangezien [de verweerder] niet formeel lid was van die dienst en [...] uit de stukken van het dossier niet kan worden afgeleid dat hij, voor zijn bewakersrol, op de hoogte was gebracht van de aanwezigheid van die knuppel, hem dienaangaande het voordeel van de twijfel moet worden gegund», schendt de voormelde wettelijke bepaling.

Het middel is in zoverre gegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 27/11/2017 - 12:57
Laatst aangepast op: ma, 27/11/2017 - 12:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.