-A +A

Bevrijding van de borg en faillissement wanneer zekerheidsstelling niet werd opgenomen in de aangifte

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
don, 23/09/2010
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2012-2013
Pagina: 
223
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C. en C. t/ NV A.

...

Het bestreden vonnis betreft een uitspraak inzake de bevrijding van de kosteloze zekerheidsteller op grond van art. 80 Faill.W. dat bepaalt dat de rechtbank elke natuurlijke persoon die zich persoonlijk en kosteloos zeker heeft gesteld voor de gefailleerde bevrijdt wanneer diens verbintenis niet in verhouding is tot zijn inkomsten en patrimonium.

Uit de summiere voorhanden stukken blijkt dat:

– NV A. op 10 september 2006 een handelshuurovereenkomst sloot met BVBA Y. waarvan alle appellanten toen aandeelhouder waren;

– appellanten zich elk solidair borg stelden voor de betaling van de hieruit voortvloeiende schulden;

– de heren C. op 30 september 2006 tot zaakvoerders werden benoemd;

– de heer C. zijn 67 aandelen op 30 september 2006 overdroeg aan de twee andere aandeelhouders voor een bedrag van in totaal 1.340 euro;

– de vennootschap op 14 mei 2009 failliet werd verklaard.

NV A. heeft op 23 september 2009 aangifte van schuldvordering gedaan in het faillissement voor de achterstallige huurgelden.

Appellanten hebben de in art. 72bis/ter Faillissementswet voorgeschreven verklaring afgelegd met het oog op hun bevrijding.

Ter discussie staat de bij art. 63, § 2 Faillissementswet aan de schuldeisers opgelegde meldingsplicht van de persoonlijke zekerheidstellingen waarover zij beschikken.

Gezegd artikel luidt als volgt: “Elke schuldeiser die geniet van een persoonlijke zekerheidstelling vermeldt dit in zijn aangifte van schuldvordering of uiterlijk binnen de zes maanden vanaf de datum van het vonnis van faillietverklaring, tenzij het faillissement eerder werd gesloten, en vermeldt naam, voornaam en adres van de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde, bij gebrek waaraan deze bevrijd is”.

In de aangifte van schuldvordering neergelegd op 23 september 2009 wordt geen melding gemaakt van het bestaan van enige persoonlijke zekerheidstelling van wie dan ook en de overweging van de eerste rechter “partijen gaan er blijkbaar mee akkoord dat daarin de zekerheidstellers worden aangeduid” kan niet gevolgd worden temeer daar appellant C. dit verzuim in conclusies uitdrukkelijk aan de orde stelde.

Aan de aangifte waren wel bijlagen gevoegd (de handelshuurovereenkomst en een overzicht van betalingen), maar hiermee is niet voldaan aan de na te leven meldingsplicht. Bedoeling is niet te onderzoeken of in de gevoegde stukken sprake is van persoonlijke zekerheidstellingen.

De tekst van art. 63 Faillissementswet is duidelijk wat de inhoudelijke verplichting van een schuldeiser betreft: het bestaan van de zekerheidstelling moet in de aangifte van schuldvordering opgenomen worden. Dit is niet gebeurd.

Evenmin werd er binnen zes maanden na het faillissementsvonnis een bijkomende aangifte gedaan met vermelding van de persoonlijke zekerheidstellingen.

Ook de sanctie bepaald in art. 63, § 2 Faillissementswet is duidelijk: zonder verklaring van de schuldeiser nopens het bestaan van een persoonlijke zekerheidsteller is deze voor zover zijn zekerheidstelling kosteloos is, bevrijd.

Dit betekent evenwel dat a) de zekerheidsteller wel de van hem vereiste verklaring moet afleggen om bevrijd te kunnen worden, omdat dit een voorafgaande voorwaarde is voor het debat over de kosteloosheid en b) eens dat het principe van de kosteloosheid verworven is die zekerheidsteller bevrijd is, ongeacht zijn vermogenstoestand.

De sanctie is derhalve gelegen in het feit dat geen proportionaliteitsonderzoek meer aan de orde is; de kosteloosheid blijft wel te onderzoeken.

Appellanten zijn niet ingegaan op de conclusies van NV A. wat het niet kosteloos karakter van de borgstellingen betreft.

De heren M. en M.C. waren aandeelhouder en niet betwist is dat zij beiden op 30 september 2006 zaakvoerder werden van de vennootschap die haar activiteiten in het gehuurde pand op 1 oktober 2006 startte. De handelshuurovereenkomst die op 10 september 2006 werd ondertekend stond derhalve in het teken van de komende handelsactiviteit die inkomsten moest genereren voor de aandeelhouders-zaakvoerders en was afhankelijk gemaakt van de borgstelling van de toekomstige zaakvoerders.

Deze zekerheidstellingen dienden dus hun financieel-economische belangen en hebben geen kosteloos karakter.

Appellant C. heeft blijkbaar zijn aandelen vlak vóór de eigenlijke start van de activiteiten in het gehuurde pand, verkocht. Zijn aandeelhouderschap en de onmiddellijke verkoop eens dat het pand – ook dankzij zijn borgstelling – gehuurd was, wijst ook op een minstens onrechtstreeks financieel belang.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 06/10/2012 - 13:25
Laatst aangepast op: za, 06/10/2012 - 13:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.