-A +A

Bevoegdheidscriteria Raad van State

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
zon, 26/02/2012

Overeenkomstig art. 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een – te dezen niet bestaande – toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft.

Het beroep dat strekt tot schadeloosstelling voor de door de bestreden beslissingen ondergane schade, heeft betrekking op (subjectieve) burgerlijke rechten. De hoven en rechtbanken zijn uitsluitend bevoegd om hiervan kennis te nemen. Deze betwistingen vallen derhalve buiten de rechtsmacht van de Raad van State.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
787
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

C.S. t/ Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen

Arrest nr. 22.619

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 19 juli 2011, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen van 23 mei 2011 waarbij aan C.S. een R-statuut wordt toegekend voor een periode van acht weken en van de beslissing van 17 mei 2011 houdende vernietiging van het karkas met oormerknummer BE [...].

...

IV. Rechtsmacht van de Raad van State

...

Beoordeling

7. In wezen kunnen twee excepties inzake de rechtsmacht worden onderscheiden. Ze worden hierna onderzocht.

Inzake de eerste exceptie betreffende de rechtsmacht van de Raad van State

8. Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekster “beroep” wenst aan te tekenen tegen de bestreden beslissingen. Anders dan wat de verwerende partij betoogt, houdt dit, in het licht van het recht op de toegang tot de bevoegde rechter, een voldoende nauwkeurige omschrijving in opdat de Raad van State het beroep kan inpassen in zijn rechtsmacht en bevoegdheid en het te dezen begrijpt als een beroep tot nietigverklaring in de zin van art. 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

9. In het verzoekschrift vraagt de verzoekster ook de “schadeloosstelling voor de financiële en morele schade als gevolg van de door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen genomen beslissingen in deze zaak”.

Overeenkomstig art. 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een – te dezen niet bestaande – toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft.

Het beroep dat strekt tot schadeloosstelling voor de door de bestreden beslissingen ondergane schade, heeft betrekking op (subjectieve) burgerlijke rechten. De hoven en rechtbanken zijn uitsluitend bevoegd om hiervan kennis te nemen. Deze betwistingen vallen derhalve buiten de rechtsmacht van de Raad van State.

De exceptie is in de aangegeven mate gegrond.

Inzake de tweede exceptie betreffende de rechtsmacht van de Raad van State

10. Overeenkomstig art. 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een – te dezen niet bestaande – toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft.

Dat is het geval wanneer het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de overheid een volstrekt gebonden bevoegdheid uitoefent zonder enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid, wat betekent dat zij in geen enkel stadium van het besluitvormingsproces aan beleidsvoering heeft moeten doen, maar slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die interpreteert, vervuld waren.

11. De eerste bestreden beslissing is gegrond op art. 4, § 2 van het KB van 8 september 1997 [betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren ten aanzien van bepaalde stoffen en residu’s daarvan met farmacologische werking]. Dit luidt als volgt:

“Wanneer de aanwezigheid van residu’s van een toegestane stof of stoffen in grotere hoeveelheden dan de maximumwaarden aangetoond wordt door de bevoegde diensten door een analyse van monsters die bij een controle op de bedrijven of in het slachthuis of bij een controle van vlees genomen werden, gaat de Dienst over tot een enquête in het beslag van herkomst om de oorzaak van de aanwezigheid van residu’s van de toegestane stof of stoffen te bepalen en tot de merking van alle landbouwdieren van dezelfde soort van het beslag of van de identificatiedocumenten van deze dieren.

“Deze paragraaf is niet van toepassing voor de landbouwdieren die verhandeld werden in de voorwaarden van artikel 3 § 2 van dit besluit”.

Deze bepaling verplicht de overheid ertoe, wanneer residu’s van een toegestane stof in een niet-toegelaten hoeveelheid worden vastgesteld, over te gaan “tot een enquête in het beslag van herkomst om de oorzaak van de aanwezigheid van residu’s van de toegestane stof of stoffen te bepalen en tot de merking van alle landbouwdieren van dezelfde soort van het beslag (...)”. Deze bepaling is de omzetting, in het Belgische recht, van art. 18 van de Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG, naar luid waarvan een positief monster leidt tot een onderzoek op het bedrijf van herkomst aangaande “de redenen van de overschrijding”, waarna de bevoegde overheid “afhankelijk van het resultaat van dat onderzoek (...) alle maatregelen (neemt) die nodig zijn om de volksgezondheid te beveiligen” en die kunnen inhouden dat de dieren het bedrijf gedurende een bepaalde periode niet mogen verlaten, met dien verstande dat in geval van een “herhaaldelijk” overschrijden van de vastgestelde norm, de dieren van het bedrijf gedurende ten minste zes maanden “extra gecontroleerd moeten worden”, waarbij de karkassen in afwachting van de uitkomst van de analyse van de monsters worden vastgehouden en die karkassen, in geval de analyse positief uitvalt, niet meer voor menselijke consumptie bestemd mogen worden.

Art. 4, § 2 van het voormelde KB van 8 september 1997 koppelt derhalve duidelijk het opleggen van maatregelen ter beveiliging van de volksgezondheid aan de uitslag van het onderzoek. In het licht van de bewoordingen en het doel van deze bepaling kan deze bepaling niet in die zin worden geïnterpreteerd dat een positieve analyse onmiddellijk uitloopt op twee onderscheiden maatregelen, enerzijds een onderzoek naar de oorzaken van de contaminatie en anderzijds het opleggen van het R-statuut, dit is een preventieve maatregel waarbij het bedrijf verplicht wordt de dieren die ter slachting worden aangeboden, een verscherpte controle te laten ondergaan. Art. 4, § 2 van het voormelde KB van 8 september 1997 moet dan ook aldus worden begrepen dat het R-statuut opgelegd wordt wanneer uit het onderzoek ter plaatse blijkt dat er inderdaad onregelmatigheden begaan zijn die een verscherpte controle op de bedrijfsvoering noodzakelijk maken. De verwerende partij moet dat bewijs leveren.

12. Uit het bovenstaande volgt dat, anders dan de verwerende partij aanvoert, het voornoemde art. 4, § 2 wel een beoordelingsruimte biedt aan de verwerende partij. Uit het loutere feit dat residu’s van een toegestane stof in een niet-toegelaten hoeveelheid worden vastgesteld, volgt niet dat tot merking moet worden overgegaan; de verwerende partij moet ook voorafgaandelijk een onderzoek doen naar de oorzaken van de contaminatie. De verwerende partij heeft derhalve inzake de toekenning van het R-statuut enige discretionaire bevoegdheid, wat volstaat opdat de Raad van State rechtsmacht heeft inzake het beroep gericht tegen de eerste bestreden beslissing.

13. De tweede bestreden beslissing is gebaseerd op art. 23 en bijlage 2, hoofdstuk I, rubriek E van het KB van 9 maart 1953 [betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren] dat luidt:

“In bijlage 2 van dit besluit worden de gevallen bepaald waarin vlees, vet en witte of rode slachtafval geheel of gedeeltelijk voor de voeding ongeschikt moeten verklaard worden; de gevallen waarin zij hetzij na speciale behandeling, hetzij na ten minste vierentwintig uren in observatie te zijn gehouden, voor de consumptie geschikt mogen verklaard worden”.

Hoofdstuk I van de bijlage 2 heeft als opschrift “ziekten of afwijkingen welke steeds de inbeslagneming van het gehele dier ten gevolge hebben”; litt. E van dit hoofdstuk, zoals ingevoegd bij koninklijk besluit van 11 oktober 1997, luidt:

“Vlees waarin door laboratoriumonderzoek de aanwezigheid is vastgesteld van:

a) residuen van stoffen met kiemgroeiremmende werking;

b) residuen van stoffen met hormonale, antihormonale of beta-adrenergische werking, onverminderd de toepassing van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking;

c) residuen van farmacologisch werkzame substanties waarvan de toediening aan dieren verboden is;

d) residuen van andere farmacologisch werkzame substanties boven het toegelaten maximumgehalte aan residuen;

e) residuen van bestrijdingsmiddelen of contaminanten boven het toegelaten maximumgehalte aan residuen”.

Hoofdstuk V van sectie II van de bijlage 1 – “Vers Vlees” van de Verordening nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong, luidt:

“Beslissingen met betrekking tot het vlees

1. Vlees moet ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard als het:

(…);

i) meer residuen of verontreinigende stoffen bevat dan de communautaire wetgeving toestaat. Overschrijding van het toegestane niveau moet, waar nodig, aanleiding zijn tot verdere analyses;

(…)”.

14. Uit deze bepalingen moet worden afgeleid dat vlees – hier een karkas van een rund – verplicht ongeschikt voor menselijke consumptie moet worden verklaard als het onder meer residuen van farmacologisch werkzame substanties boven het toegelaten maximumgehalte aan residuen bevat. De verwerende partij maakt ter zake geen gebruik van enige discretionaire bevoegdheid, zodat haar bevoegdheid ter zake volstrekt gebonden is. De wijze waarop de regelgeving in het concrete geval van verzoekster toepassing krijgt, is derhalve geen zaak van appreciatie, maar van interpretatie. Stelt de verwerende partij vast dat het vlees meer residuen bevat dan het toegelaten maximumgehalte, dan dient zij het vlees ongeschikt voor menselijke consumptie te verklaren. De justitiële rechter, bij wie de verzoekster de rechten die de regelgeving haar toekent kan valoriseren, kan uitmaken of de verwerende partij in dat geval een correcte toepassing heeft gemaakt van de reglementering en daar gevolgen aan verbinden. Die bevoegdheid van de justitiële rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om uitspraak te doen over de beslissing van de verwerende partij waarbij deze, afgaand op de hoeveelheid residuen die het vlees van het karkas heeft, beslist dat het karkas ongeschikt voor menselijke consumptie moet worden verklaard.

De tweede bestreden beslissing valt buiten de rechtsmacht van de Raad van State. De exceptie is in die mate gegrond.

15. Onder “de bestreden beslissing” wordt hierna enkel de eerste bestreden beslissing van 23 mei 2011 begrepen. Het navolgende onderzoek van het voorliggende beroep beperkt zich tot deze beslissing.

V. Ontvankelijkheid van het beroep

A. Tijdigheid van het beroep

...

Beoordeling

19. Volgens art. 4, derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moeten de vernietigingsberoepen worden ingediend binnen zestig dagen nadat de bestreden beslissing of verordening werd bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad.

20. De beslissing waarbij de verzoekster het R-statuut werd opgelegd, is haar op 23 mei 2011 ter kennis gebracht. De termijn om tegen deze beslissing een beroep in te stellen, verstreek voor de verzoekster derhalve op vrijdag 22 juli 2011.

De verzoekster heeft haar verzoekschrift tot nietigverklaring op 19 juli 2011 ter post aangetekend naar de Raad van State verzonden. Het verzoekschrift is aldus binnen de voormelde beroepstermijn ingediend.

21. Na de ontvangst van het verzoekschrift heeft de griffie van de Raad van State met een aangetekende brief van 10 augustus 2011 de verzoekster erop gewezen dat overeenkomstig art. 3bis van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948 haar verzoekschrift niet op de rol wordt ingeschreven, aangezien het niet vergezeld gaat van het vereiste aantal voor eensluidend verklaarde afschriften, het verzoekschrift geen uitdrukkelijke woonplaatskeuze in België bevat en geen afschrift van de bestreden beslissingen en is haar gevraagd om binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schrijven haar verzoekschrift in overeenstemming te brengen.

De verzoekster heeft daarop binnen de voorgeschreven termijn haar verzoekschrift vervolledigd. Overeenkomstig art. 3bis, derde lid van het voormelde besluit van de Regent van 23 augustus 1948 wordt een tijdig geregulariseerd verzoekschrift geacht te zijn ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.

22. Het beroep is derhalve tijdig ingesteld. De exceptie wordt verworpen.

B. Exceptie afgeleid uit het gebrek aan belang bij het beroep

...

Beoordeling

26. Art. 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Om een voldoende belang bij het beroep te hebben, volstaat het niet dat de verzoeker een nadeel ondervindt ingevolge de bestreden beslissing. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing moet aan de verzoeker ook enig voordeel verschaffen.

27. De merking met of het toekennen van het R-statuut als preventieve maatregel, waarbij het bedrijf verplicht wordt de dieren die ter slachting worden aangeboden een verscherpte controle te laten ondergaan, schept een vermoeden dat de verzoekster onregelmatigheden heeft begaan die een verscherpte controle op de bedrijfsvoering noodzakelijk maken. Dit treft de verzoekster bijgevolg in haar morele integriteit. De verzoekster heeft derhalve minstens een moreel belang bij het beroep dat ertoe strekt deze beslissing uit de rechtsorde te doen verdwijnen. De enkele omstandigheid dat deze beslissing inmiddels volledige uitwerking heeft gekregen, doet de verzoekster haar belang bij het beroep niet verliezen. Beslissingen met een in de tijd beperkte geldingsduur zijn immers niet uit de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State gesloten. De morele genoegdoening die een vernietigingsarrest kan verschaffen is, gelet op de aard van dit moreel nadeel, een voldoende voordeel dat de vernietiging aan de verzoekster verschaft.

28. De exceptie is niet gegrond.

...
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 17/01/2014 - 23:51
Laatst aangepast op: vr, 17/01/2014 - 23:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.