-A +A

Bevoegdheidsbeding internationale rechtsmacht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 29/03/2012

Een bevoegdheidsbeding dat voorkomt in de algemene factuurvoorwaarden kan onder welbepaalde voorwaarden als een geldig forumbeding worden aangenomen op grond van de door art. 23 EEX-Vo bepaalde mogelijkheid om een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht te sluiten in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen handelspartners gebruikelijk zijn geworden. Dit is met name het geval wanneer, ingevolge hun vroegere transacties, handeldrijvende partijen geregeld met de algemene voorwaarden werden geconfronteerd, zodat zij worden vermoed kennis te hebben gekregen van het forumbeding dat in die voorwaarden is vervat; indien zij er nooit tegen hebben geprotesteerd, worden zij verondersteld ermee ingestemd te hebben. 

Deze regeling kan echter niet toegepast worden voor particulieren
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1269
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BV naar Nederlands recht ICTS t/ NV T.M.

...

2. Verweerster betwist de [internationale] bevoegdheid, dit is in wezen de “rechtsmacht”, van deze rechtbank en is van oordeel dat de Belgische rechter niet bevoegd is. Zij meent dat de rechter in Nederland (Rotterdam) bevoegd is.

3. De vraag naar de internationale bevoegdheid dient in beginsel het onderzoek van elke andere exceptie vooraf te gaan (C. Cambier, Droit judiciaire civil, II, La compétence, Brussel, Larcier, 1981, 145; A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, P.U.L., 1987, nr. 110 in fine; A. Fettweis, A. Kohl en G. de Leval, Éléments de la compétence civile, Luik, Fac.Dr. liège, 1983, nrs. 47-49).

4. De vraag naar de internationale bevoegdheid/rechtsmacht dient volgens de regels van de EEX-Verordening (hierna “EEX-Vo”) beoordeeld te worden: deze Verordening is in werking getreden op 1 maart 2002 (art. 76 van de Verordening), geldt zowel in België als in Nederland en is van toepassing op de vorderingen die vanaf deze dag zijn ingesteld. Ook na de inwerkingtreding van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht (hierna: WIPR) op 1 oktober 2004 behoudt de EEX-Vo haar voorrang als Europese rechtsbron inzake internationale bevoegdheid.

Art. 2 WIPR herinnert trouwens aan het principe van voorrang van het EG-recht, waarbij de regels van een verordening op de subsidiaire regels van het WIPR primeren. Het WIPR kan dus geen toepassing vinden ter beoordeling van het vraagstuk van de rechtsmacht.

5. Partijen redetwisten voornamelijk over de algemene voorwaarden van eiseres en het competentiebeding dat hierin is opgenomen (art. 11).

Deze betwisting is relevant. In beginsel kan de verweerder immers niet worden opgeroepen voor de gerechten van de verdragsluitende lidstaat waar hij woonplaats heeft (dit is de algemene bevoegdheidsregel van de EEX-Vo, waarover verder nog meer), indien een forumclausule een gerecht of de gerechten van een andere verdragsluitende lidstaat aanwijst voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan.

Art. 23 EEX-Vo primeert in beginsel op de algemene bevoegdheidsregel van art. 2.1 EEX-Vo. Een forumbeding in de zin van art. 23 EEX-Vo is in beginsel immers exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen (art. 23.1, tweede zin EEX-Vo). Dit betekent dat het geschil enkel aan de in het beding aangewezen rechter kan worden voorgelegd en niet aan de rechter die er kennis van zou kunnen nemen op grond van onder meer art. 2 of 5 van de EEX-Vo (zie o.a.: E. Dursin, “Internationale rechtsmacht bij geschillen uit de agentuurovereenkomst: het Hof van Justitie plaatst wegwijzers” (noot onder HvJ 11 maart 2010), RABG 2010, 1095; Gent 8 oktober 2008, RABG 2011, 295). Deze visie getuigt van een uitgesproken voorkeur voor de partijautonomie, die zeker in contractuele geschillen van toepassing is.

6. De materie van het forum- of competentiebeding wordt geregeld in art. 23 EEX-Vo.

Art. 23.1. EEX-Vo bepaalt: “Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennismaking van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van deze lidstaat bevoegd”.

De voornoemde overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht dient te worden gesloten:

– hetzij bij een schriftelijke overeenkomst;

– hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

– hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

– hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

Alleszins is er geen sprake van een (wederkerig gesloten) bevoegdheidsovereenkomst (overigens betwist verweerster – weliswaar ten gronde – dat zij een contractuele binding met eiseres zou hebben).

Rest nog de vraag naar de algemene voorwaarden van eiseres (art. 11), waarop verweerster zich beroept, ter ondersteuning van haar exceptie.

Een bevoegdheidsbeding dat voorkomt in de algemene factuurvoorwaarden kan onder welbepaalde voorwaarden als een geldig forumbeding worden aangenomen op grond van de door art. 23 EEX-Vo bepaalde mogelijkheid om een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht te sluiten in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden. Dit is met name het geval wanneer, ingevolge hun vroegere transacties, de partijen geregeld met de algemene voorwaarden werden geconfronteerd, zodat zij worden vermoed kennis te hebben gekregen van het forumbeding dat in die voorwaarden is vervat; indien zij er nooit tegen hebben geprotesteerd, worden zij verondersteld ermee ingestemd te hebben (Luik 25 november 1997, TBH 1998, 393; Brussel 7 september 1999, RW 2000-01, 593; Gent 1 juni 2001, AJT 2001-02, 378; H. Van Houtte, “Uitsluitende bevoegdheidsgronden” in Europese IPR-verdragen, Leuven, Acco, 1997, 55). Deze regel is niet anders onder gelding van de EEX-Vo dan onder gelding van het EEX-verdrag.

In tegenstelling tot het Belgische recht, bevat de EEX-Verordening wel strikte vormvereisten inzake bevoegdheidsbedingen (W. De Bus, “Bespreking van een aantal gebruikelijke bepalingen in algemene voorwaarden” in S. Ongena (ed.), Algemene voorwaarden in Reeks Recht & Praktijk, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 124, nr. 173). Op dit punt geldt er een belangrijk verschil tussen het interne recht en het internationale recht, dat veel strenger is, in die zin dat één of enkele facturen, waarin algemene voorwaarden voorkomen – zelfs in geval van (stilzwijgende) aanvaarding door gebrek aan tijdig protest – op zichzelf beschouwd niet volstaan teneinde het bevoegdheidsbeding tegenwerpelijk te maken aan de bestemmeling, die per definitie gevestigd is in een ander land dan dat van de emittent van deze factuur.

Het akkoord dat volgens art. 23.1 EEX-Vo tussen partijen moet bestaan tot aanwijzing van een bevoegde rechter, kan in de regel niet worden afgeleid uit het uitblijven van elke reactie op het ontvangen, na het sluiten van het contract zelf, van een factuur of van algemene voorwaarden, noch uit de uitvoering van de overeenkomst (E. Dursin, “Raakvlakken en afgrenzing tussen het Weens Koopverdrag en het gemeen recht” in De internationale aspecten in de verschillende takken van het recht, Brussel, Larcier, 2006, (217), p. 225, nr. 13; I. Couwenberg, “Art. 17 EEX” in Comm.Ger., p. 15; E. Krings, “Het executieverdrag van 27 september 1968, wijzigingen en recente toepassingen ervan”, TBH 1980, p. 364, nr. 18; H. Van Houtte, “Uitsluitende bevoegdheidsgronden” in Europese IPR-verdragen, Leuven, Acco, 1997, p. 52 en 54).

Of een (beding van) forumkeuze voldoet aan één van de voorwaarden van de EEX-Vo, moet worden aangetoond door de partij die zich erop beroept. Dit is, in afwijking van wat doorgaans het geval is, thans verweerster.

Daargelaten de vraag of partijen reeds in een voldoende stabiele en bestendige handelsbetrekking met elkaar verkeerden – essentiële voorwaarde opdat factuurvoorwaarden zouden voldoen aan de vereisten van art. 23 EEX-Vo (Brussel 7 september 1999, RW 2000-01, 593; Antwerpen 11 oktober 1994, TBH 1995, 385; Antwerpen 17 september 1991, RW 1991-92, 957; J. Van Ryn en J. Heenen, Principes de droit commercial belge, Brussel, Bruylant, 1957, p. 23, nr. 16) – dient te worden aangenomen dat het bewuste competentiebeding bij nalezing ervan kennelijk in een soort van optierecht voorziet ten behoeve van de partij in wier voordeel de bewuste bevoegdheidsclausule is bedongen (dit is ontegensprekelijk huidige eiseres, omdat de rechtscolleges van haar zetel – d.i. de Nederlandse rechter te Rotterdam – bevoegd worden “gemaakt”). Bedingen met een dergelijk optierecht worden ook asymmetrische forumbedingen genoemd (zie in dat verband: U. Magnus, “Article 23 – Prorogation of Jurisdiction” in U. Magnus en P. Mankowski, Brussels I Regulation, München, Sellier, 2007, 426-427).

Een facultatieve bevoegdheidsclausule die de partijen slechts de mogelijkheid geeft om de zaak aan een bepaalde rechter voor te leggen, verhindert echter niet dat op basis van de normaal toepasselijke regels uit de EEX-Vo ook een andere rechter rechtsmacht kan bezitten (Gent 5 november 2007, NJW 2008, 500).

Het minste wat van het bewuste beding gezegd kan worden, aangenomen dat er geen optierecht bedongen is (wat in essentie de stelling vertolkt van verweerster), is dat het in die hypothese niet uitblinkt in duidelijkheid (en rechtsonzekerheid teweegbrengt), terwijl de inlassing van een forumbeding dit eigenlijk net moet voorkomen (L. Samyn, “Regels inzake het opstellen van een forumbeding” (noot onder Gent 28 april 2008), RABG 2008, 1114).

7. Verweerster neemt bovendien ook een ietwat ambivalent standpunt in door enerzijds de rechtsmacht van deze rechtbank te betwisten onder verwijzing naar de algemene voorwaarden van eiseres (in welk opzicht zij aanvoert dat er gecontracteerd werd onder gelding van deze voorwaarden: verweerster verwijst hiervoor ook naar de stukken, zoals de huurovereenkomsten), terwijl zij anderzijds reeds heeft aangekondigd, wat de grond van de zaak betreft, te betwisten dat er een contractuele binding zou bestaan tussen haar en eiseres.

8. Het staat vast dat verweerster een vennootschap is naar Belgisch recht, c.q. haar maatschappelijke zetel heeft in Dendermonde.

Als handelaar (handelsvennootschap), met zetel binnen het gerechtelijk arrondissement Dendermonde, is verweerster gedagvaard voor haar natuurlijke rechter.

Niet alleen naar intern Belgisch (proces)recht is het forum rei de meest aangewezen en trouwens principiële plaats waar de gedaagde moet worden gedagvaard, maar ook in een internationale procesrechtelijke context is dit het geval (vgl. met art. 5, § 1 WIPR en art. 2 EEX-Vo).

De keuze ten gunste van degene die zich verdedigt, is bij internationale bevoegdheidsbepaling nog meer op zijn plaats dan bij louter interne verhoudingen, aangezien het in het algemeen moeilijker is zich te verdedigen voor de gerechten van een vreemd land dan voor de rechterlijke instanties van een andere stad in het land waar men woonachtig is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook niet worden ontkend dat een verwerende partij die in bovenvermelde feitenconstellatie een exceptie van gebrek aan rechtsmacht opwerpt, een zekere deloyale proceshouding aan de dag legt (vgl. S. Voet, “Over de bindende bevoegdheidsovereenkomst”, P&B 2007, (67), p. 68, nr. 5).

Wat kan verweerster inbrengen tegen het feit dat haar de kans geboden wordt een thuismatch te spelen?! Welk legitiem belang verweerster heeft bij de door haar ingeroepen exceptie, is de rechtbank niet duidelijk: alleszins kan de gebeurlijke toepassing van het Nederlandse recht, zoals voorgestaan door verweerster, geen afdoende motivering zijn, aangezien deze rechtbank in voorkomend geval perfect toepassing kan maken van het Nederlandse recht.

Het kan tenslotte ook nooit de bedoeling zijn om het strikt formele recht te laten primeren, indien geen daadwerkelijk beschermingswaardig belang voorhanden is bij een exceptie die de rechtsmacht van de geadieerde rechter afwijst.

9. De exceptie wordt dan ook afgewezen.

10. De rechtbank heeft rechtsmacht.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 09/04/2015 - 17:24
Laatst aangepast op: do, 09/04/2015 - 17:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.