-A +A

Bevoegdheid stakingsrechter — Met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daden — Begrip verkoper

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 12/07/1996

De stakingsrechter is bevoegd positieve maatregelen (in casu vernietiging van gegevens) te bevelen wanneer zulks het noodzakelijk corrolarium is van een bevel tot staking.

Alle economische overheidsbedrijven en -instellingen die producten of diensten presteren en dus ook DIV kunnen oderworpen zijn aan een stakingsvordering.

Het ter beschikkingstellen van data door DIV aan Febiac met oog op andere doeleinden dan de verkeersveiligheid is een oneerlijke handelspraktijk.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
1996-1997
Pagina: 
855
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V.Z.W. F. t/ V.Z.W. F.

Overwegende dat de vordering, zoals zij in de dagvaarding is gesteld tot het volgende strekt:

1. Ten aanzien van eerste verweerster (Febiac)

a. verweerster te horen bevelen zich, binnen 24 uur, ervan te onthouden nog enig gegeven afkomstig van het repertorium georganiseerd bij K.B. van 31 december 1953 aan te vragen bij de D.I.V., op straffe van een dwangsom van 250.000 BEF per inbreuk;

b. verweerster te horen bevelen, binnen 24 uur, alle gegevens waarover zij thans beschikt, afkomstig van het repertorium georganiseerd bij K.B. van 31 december 1953 en bezorgd door de D.I.V., te vernietigen en zich te onthouden van het opslaan van nieuwe gegevens, op straffe van een dwangsom van 250.000 BEF per inbreuk;

c. verweerster te horen bevelen zich, binnen 24 uur, ervan te onthouden gegevens, afkomstig van het repertorium georganiseerd door het K.B. van 31 december 1953 en bezorgd door de D.I.V., mee te delen aan haar leden, of aan enige andere derde, op straffe van een dwangsom van 250.000 BEF per inbreuk;

d. verweerster te horen bevelen haar leden, binnen 24 uur uitdrukkelijk te verzoeken alle thans in hun bezit zijnde gegevens, afkomstig van het repertorium georganiseerd door het K.B. van 31 december 1953 en doorgegeven door de D.I.V., binnen 48 uren te vernietigen en het haar schriftelijk te bevestigen, op straffe van een dwangsom van 250.000 BEF per inbreuk;

2. Ten aanzien van de Belgische Staat:

- primair de Belgische Staat bevel op te leggen zich, binnen 24 uur, ervan te onthouden nog enig gegeven, afkomstig van het repertorium georganiseerd door het K.B. van 1 december 1953, door te geven aan de V.Z.W. Febiac, op straffe van een dwangsom van 250.000 BEF per inbreuk;

- subsidiair de door eiseres tegen «Febiac» aanhangig gemaakte stakingsvordering, zoals hierboven beschreven sub 1 van het petitum, bindend te verklaren aan de Belgische Staat;

...

Overwegende dat die vordering bij conclusie werd bevestigd;

dat het sub 1, b, vermelde punt evenwel als volgt — subsidiair — aangevuld werd:

- Febiac te horen bevelen zich, binnen 24 uur, ervan te onthouden nog, hoe ook, gegevens te gebruiken, waarover zij thans beschikt, afkomstig van het repertorium georganiseerd bij K.B. van 31 december 1953 en bezorgd door de D.I.V., en zich te onthouden van het opslaan van nieuwe gegevens, onder verbeurte van een dwangsom van 250.000 BEF per inbreuk;

Overwegende dat eiseres, in haar dagvaarding, het volgende uiteenzet:

dat haar statuten, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 5 mei 1995, met name, bepalen dat haar doel is alle ondernemingen van de autohandel, die een exploitatiezetel in België hebben en zich onder meer bezighouden met niet-netgebonden invoer en verkoop van autovoertuigen in België, te verenigen en de beroepsbelangen van haar leden te vertegenwoordigen;

dat eerste verweerster (Febiac), de belangenvereniging is van de netgebonden invoer en verkoop van autovoertuigen in België;

dat eerste verweerster sedert geruime tijd exclusief beschikt over het gegevensbestand vervat in het repertorium van de motorvoertuigen en hun aanhangwagens zoals dit georganiseerd wordt door het K.B. van 31 december 1953 houdende reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens, gewijzigd bij K.B. van 11 januari 1990 en K.B. van 19 november 1993;

...

dat voor deze exclusieve overdracht van informatie aanvankelijk geen wettelijke basis bestond, (zoals bevestigd bij vonnis de dato 20 maart 1995, van de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brussel);

dat bij de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van verwerking van persoonsgegevens (B.S., 18 maart 1993) bijzondere voorschriften zijn ingevoerd, ter controle van de verzameling, registratie en bewaring van persoonsgegevens;

...

dat, artikel 2 van het K.B. van 31 december 1953 in overeenstemming werd gebracht met de wet van 8 december 1992 door uitdrukkelijk melding te maken van «de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens van het repertorium mogen worden verwerkt»;

dat 18 specifieke hypotheses vermeld werden, onder meer:

«11° de politie over het wegverkeer en de verkeersveiligheid, de veiligheid van de motorvoertuigen en aanhangwagens inbegrepen;

...

13° de technische controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen;»

dat de invoering van de wet van 8 december 1992 en de, in aansluiting hierop, verrichte wijziging van het K.B. van 1953 Febiac en D.I.V. ertoe noopten zich te bezinnen over de tussen hen bestaande — onwettige — praktijk;

dat zulks leidde tot het afsluiten, einde september 1993, van een zogeheten «Gedragscode» tussen Febiac en D.I.V., welk document door Febiac werd overgezonden aan haar leden, op 28 september 1993;

dat uitdrukkelijk bevestigd werd dat de gedragscode een gevolg was van de inwerkingtreding van de wet van 8 december 1992 en dat de gegevens van de D.I.V. aan Febiac, ter naleving van het bovengenoemde finaliteitsbeginsel, nog enkel zou worden doorgegeven in het kader van de «veiligheid van het verkeer op de wet»;

dat eveneens bevestigd werd dat Febiac door de D.I.V. uitdrukkelijk gemandateerd zou zijn om de gegevens van het repertorium onder haar leden te verspreiden en dat zij deze gegevens enkel konden gebruiken ter bescherming van de veiligheid van hun eigen cliënteel;

dat de leden verzocht werden genoemde gegevens exclusief via Febiac te verkrijgen;

dat voorts het begrip «veiligheid» werd bepaald;

dat het de leden van Febiac verboden werd de gegevens aan derden mee te delen, en dat het niet-respecteren van de verbintenissen de opschorting tot gevolg kon hebben van het doorgeven van de gegevens door Febiac;

dat alle leden verzocht werden zich individueel ertoe te verbinden de Gedragscode stipt na te leven;

dat de D.I.V. in een brief van 27 september 1993 bevestigde dat Febiac over een exclusiviteit bleef beschikken, en de verstrekte informatie betaald diende te worden;

dat eiseres deze exclusiviteit moest ervaren, toen zij, bij brief van 8 februari 1995 de D.I.V. verzocht «naar analogie van het akkoord tussen de D.I.V. en Febiac, ... de wijze mee te delen waarop wij de immatriculatiegegevens van zowel nieuwe als gebruikte voertuigen aan onze leden kunnen bezorgen, voor de merken die zij invoeren en verkopen.»;

dat de D.I.V. bij brief van 22 februari 1995 antwoordde dat het hem «momenteel niet mogelijk» was «de wijze te laten kennen waarop immatriculatiegegevens meegedeeld kunnen worden»;

dat tevens werd vermeld dat een nieuwe reglementering in voorbereiding was;

...

dat eiseres, op 7 november 1995 een klacht indiende bij de Commissie voor de Bescherming van de persoonlijke levenssfeer, opgericht overeenkomstig artikel 23 van de wet van 8 december 1992 (ontvangst bevestigd op 18 december 1995);

dat een andere belangenvereniging, de V.Z.W. Federauto, bij brief van 1 december 1995 haar beklag maakte bij de minister van Verkeer en Infrastructuur over de vastgestelde misbruiken;

dat eiseres zich, eveneens, op 15 januari 1996, via haar voormalige raadsman, rechtstreeks tot de bevoegde minister richtte, daar de praktijk tussen Febiac en D.I.V. in stand bleef, niettegenstaande de vonnissen van 20 maart 1995 en 12 oktober 1995;

dat werd opgemerkt dat de litigieuze praktijk een inbreuk is op de wet van 8 december 1992 tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, op de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, op de wet van 5 augustus 1991 ter bescherming van de economische mededinging, en op de artikelen 85 en 86 van het E.E.G.-Verdrag;

dat werd gesteld dat de verstrekte informatie strikt diende te worden getoetst aan het finaliteitsbeginsel (De D.I.V.-gegevens mogen meegedeeld worden in ernstige en dringende gevallen, nadat enkel de administratie, op grond van een technisch dossier, de noodzaak na kan gaan de eigenaars van een beperkte reeks modellen te verwittigen, voor zover het een gebrek betreft dat de veiligheid van de wagens in gevaar brengt);

dat de minister verzocht werd de nodige maatregelen te treffen om een einde te maken aan de praktijk;

dat de minister antwoordde (na een herinneringsbrief van 28 februari 1996) op 18 maart 1996

dat de bevoegde instanties vergaderd hadden om «een stand van zaken te maken»;

dat de brief vervolgde:

«Bij deze gelegenheid heeft mijn administratie bevestigd dat zij de gegevens van het inschrijvingsrepertorium slechts meedeelt binnen de strikte perken vastgelegd in artikel 2 van het K.B. van 31 december 1953 houdende reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens zoals gewijzigd bij K.B. van 19 november 1993. Zij erkent evenwel dat zij, in de huidige stand van zaken, niet bij machte is om na te gaan of de derde, als hij eenmaal in het bezit van deze gegevens is, de wettelijke doeleinden eerbiedigt en er geen ongeoorloofd gebruik van maakt (...)»

dat verweerster, op grond van deze gegevens, bij brief van 3 april 1996 in gebreke werd gesteld door eiseres;

dat Febiac niet reageerde;

Overwegende dat eiseres gewag maakt van inbreuken gepleegd door de leden van Febiac, waaruit telkens voortvloeit dat gehandeld werd op grond van gegevens die louter via D.I.V. konden zijn bekomen: (volgt een opsomming van marketingactiviteiten door diverse leden van Febiac).

...

Overwegende dat eiseres in rechte pleit dat de tussen de verweersters bestaande praktijk artikel 93 W.H.P.C. schendt;

...

1. Bevoegdheid t.a.v. «Febiac»

Overwegende dat de exceptie van onbevoegdheid, door «Febiac» wordt voorgedragen, — in de eerste plaats — omdat zij een V.Z.W. is en geen «verkoper», in de zin van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, waarop de eis steunt;

dat zij, meer bepaald, geen producten noch diensten te koop aanbiedt of verkoopt, met het oog op de verwezenlijking van haar statutair doel;

dat zij D.I.V.-gegevens aanvraagt, opslaat en meedeelt, m.a.w. geen handelsdaad verricht;

Overwegende dat eiseres, hiertegen, met goed recht, concludeert dat het argument van verweerster verworpen moet worden, omdat het begrip «verkoper» geïnterpreteerd dient te worden in het kader van een economische benadering, die plaats inruimt voor de bescherming van de belangen van de consument, en niet restrictief, op grond van de regels van het Wetboek van Koophandel en van het B.W. inzake de koop;

dat er geen winstoogmerk dient te zijn om als «verkoper» gekwalificeerd te worden;

dat te dezen vastgesteld kan worden dat Febiac primair prestaties van intellectuele aard verschaft aan haar leden, tegen betaling van bijdragen, die Febiac in staat stellen normaal te functioneren en haar leden diensten te verschaffen;

dat «Febiac» aangemerkt kan worden als een verkoper, die enkel intellectuele prestaties aanbiedt aan een «specifieke markt» die van de netgebondenauto-invoerders en verdelers, mits betaling van een bijdrage;

Overwegende dat het tweede deel van de exceptie de onbevoegdheid voordraagt van de stakingsrechter, omdat de vordering uit verschillende samenhangende vorderingen bestaat — en onder meer het verzoek bevat tot het horen bevelen aan Febiac D.I.V.-gegevens te vernietigen en haar leden te vragen hetzelfde te doen — wat in strijd is met de exclusieve bevoegdheid van de stakingsrechter;

Overwegende dat de exclusieve bevoegdheid van de stakingsrechter om kennis te nemen van een vordering tot staking van oneerlijke handelspraktijken binnen de grenzen van wat de wet van 14 juli 1991 hem ertoe machtigt te beslissen, tot gevolg heeft dat hij geen kennis kan nemen van «complexe» vorderingen, d.w.z. vorderingen die tot wat anders strekken dan een staking;

dat voor zover via een dergelijke vordering «positieve» maatregelen gevorderd worden, bepalingen van openbare orde genegeerd worden in verband met gezegde volstrekte bevoegdheid, waardoor de geadieerde stakingsrechter zich — in beginsel — onbevoegd moet verklaren, voor de gehele vordering;

dat beginselen evenwel nooit tot het uiterste mogen gedreven worden; dat ze m.a.w. genuanceerd moeten worden;

dat de stakingsrechter bevoegd is positieve maatregelen (in casu vernietiging van gegevens) te bevelen wanneer zulks het noodzakelijk corrolarium is van een bevel tot staking;

dat wij verder zullen zien of dit zo is en of de gevorderde maatregelen opportuun genoemd kunnen worden;

Overwegende dat het tweede deel van de exceptie van onbevoegdheid afgewezen wordt;

2. Bevoegdheid t.a.v. de Staat

Overwegende dat de Belgische Staat meent niet als verkoper beschouwd te kunnen worden, in de zin van artikel 1, 6°, W.H.P.C.;

dat, thans, evenwel ook overheidsinstellingen of rechtspersonen waarin de overheid een overwegend aandeel heeft, die een commerciële, financiële of industriële activiteit aan de dag leggen en die producten of diensten te koop aanbieden of verkopen, «verkopers» zijn;

dat m.a.w. onder het toepassingsgebied van de N.W.H.P. vallen alle economische overheidsbedrijven en -instellingen die producten of diensten presteren;

Overwegende dat de daadwerkelijke bedrijvigheid van de overheidsinstelling die D.I.V. is, erin bestaat, met name, gegevens tegen betaling te leveren aan «Febiac» en aan haar leden;

dat de D.I.V., derhalve, als verkoper beschouwd kan worden;

3. Het bodemgeschil

Overwegende dat de materialiteit van de feiten niet betwist wordt;

dat vaststaat dat de gelaakte praktijken — meer bepaald, het contact opnemen met auto-eigenaars waarvan de voertuigen in de niet-netgebonden kring zijn aangekocht — slechts via de D.I.V.-gegevens verricht kunnen worden door de leden van Febiac;

dat de concrete aanwending van de bewuste gegevens, door Febiac en haar leden, wettelijke bepalingen schendt en de beroepsbelangen in het gedrang brengt van eiseres en van haar leden;

Overwegende dat de gelaakte praktijk in de eerste plaats, zonder wettelijke basis is;

dat noch de zo geheten «gedragscode», zonder nominatieve waarde, tussen Febiac en D.I.V., noch artikel 2 van het K.B. van 31 december 1953, gewijzigd bij het K.B. van 19 november 1993 een wettelijke basis vormen van de exclusieve verkoop van zijn gegevensbestand door D.I.V. aan Febiac;

dat artikel 2 waarvan sprake beperkend de hypotheses opsomt waarin het repertorium aangewend en meegedeeld kan worden;

dat deze onderstellingen zich bevinden binnen taken van openbare dienst of van openbaar gezag, o.a. van politionele bevoegdheden betreffende de verkeersveiligheid, terwijl Febiac noch haar leden ertoe gemachtigd zijn enige van die taken of bevoegdheden uit te oefenen;

dat eiseres, met goed recht, benadrukt dat Febiac de doelstelling, vervat in gezegd artikel 2, 11°, tracht om te leggen en de praktijken in kwestie te verantwoorden via verplichtingen inzake productaansprakelijkheid, waarmee de hypotheses van het besproken artikel niets te maken hebben;

dat artikel 2 van de «gedragscode» tussen D.I.V. en Febiac weliswaar gewaagt van het begrip «veiligheid» doch dit uitbreidt tot allerlei toestanden die daar niet uitstaande mee hebben;

dat gezegde gedragscode integendeel commerciële acties toelaat;

dat de feiten aantonen dat Febiac en haar leden de D.I.V.-gegevens en de code in kwestie aanwenden om zich ook te wenden tot wie niet tot de Febiac-klandizie behoort en om redenen vreemd aan veiligheid, te weten, om niet-netgebonden klandizie te prospecteren en af te werven;

Ovrwegende dat de praktijk waarover het geding loopt een delegatie van bevoegdheid bevat, naar Febiac toe;

dat de «gedragscode» haar een ‘volledige verantwoordelijkheid‘ overdraagt wat betreft de mededeling, aan haar leden, van de persoonsgegevens die betrekking hebben op hun eigen merken, d.w.z. van bestuursdocumenten;

dat de D.I.V. daarop geen toezicht uitoefent, zoals door de minister van Verkeerswezen werd toegegeven (brief van 18 maart 1996), wat betekent dat Febiac een beslissingsbevoegdheid werd gedelegeerd;

Overwegende dat de gelaakte praktijk de nationale en internationale normen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Wet van 8 december 1992) schendt;

dat de D.I.V.-gegevens onder de «persoonsgegevens» vallen, zodat de mededeling ervan aan de doelstelling van het repertorium onderworpen is, en alleen toegelaten is in zoverre het openbaar belang zulks vereist;

dat dit betekent dat de doelstelling van de mededeling exclusief ligt in de controle van risico‘s die volgen uit het wegverkeer;

dat het begrip «verkeersveiligheid» strikt uitgelegd moet worden;

dat het bovenstaande toestaat te besluiten dat de mededeling van D.I.V.-gegevens aan Febiac voor wat anders dan het terugroepen van voertuigen met een constructiegebrek, in strijd is met de wet van 8 december 1992;

dat het K.B. van 31 december 1953 niets zegt in verband met «terugroepacties»;

dat de praktijk inbreuk maakt op het finaliteitscriterium;

dat hetzelfde geldt wat betreft het evenredigheidscriterium nu de overdracht van D.I.V.-gegevens niet proportioneel is aan de vooropgestelde finaliteit, doch alle gegevens ‘überhaupt‘ betreft;

dat het erop neerkomt, via Febiac, de gegevens uitsluitend ter beschikking te stellen van één groep autoproducenten of dealers die het bestand in feite alleen aanwendt om reclame te maken bij de niet-klanten, wat zelfs de zogeheten gedragscode negeert;

Overwegende dat de gelaakte praktijk een schending betekent van de wet van 11 april 1994, die op 1 juli 1994 in werking trad;

dat de D.I.V.-gegevens administratieve documenten zijn, volgens de bepaling van artikel 1, 2°, van gezegde wet;

dat de mededeling van de gegevens van het repertorium onder de toepassing daarvan valt;

dat, conform artikel 10 van deze wet, administratieve documenten niet verspreid noch aangewend kunnen worden voor handelsdoeleinden;

dat de leden van Febiac handelsactiviteiten uitoefenen;

dat de mededelingen die zij aan de klandizie van eiseres sturen louter commercieel zijn en geschieden op grond van administratieve documenten, de D.I.V.-gegevens;

dat de schending van de wet van 11 april 1994 vaststaat;

dat, derhalve, eveneens de schending van artikel 93 W.H.P. is aangetoond;

Overwegende dat de documenten waarvan te dezen sprake — mailings, handelsenquêtes, berichten inzake waarborg of diensten — en die gericht worden tot consumenten, klanten van eiseres, als reclame moeten worden aangemerkt (art.22 W.H.P.);

dat deze reclame steunt op het — onrechtmatige — gebruik van de D.I.V.-gegevens;

dat deze reclame afbrekend en misleidend is t.a.v. eiseres en schade toebrengt aan haar beroepsbelangen;

Overwegende dat het, na deze vaststelling, niet dienend is de verder grieven van eiseres nog te onderzoeken;

Overwegende, wat de draagwijdte van het stakingsbevel betreft, dat het opportuum is de door eiseres subsidiair voorgestelde «onthouding» de D.I.V.-gegevens te gebruiken of op te slaan te verkiezen eerder dan een «vernietiging» te bevelen;

...

Noot: 

Johan Meeusen, De «verkoper» in de Wet Handelspraktijken

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 29/10/2017 - 11:56
Laatst aangepast op: zo, 29/10/2017 - 11:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.