-A +A

Bevoegdheid rechter kortgeding bij aantasting mensenrechten van gevangene

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 17/12/2013
A.R.: 
2010qr19

De kortgedingrechter doet weliswaar uitspraak bij voorraad zonder nadeel toe te brengen aan de zaak zelf, wat niet wijst op een beperking van de rechtsprekende bevoegdheid van de rechter in kort geding. Dit houdt enkel in dat de rechter ten gronde in geen enkel opzicht gebonden is door wat de rechter in kort geding beslist heeft.

De rechter in kort geding mag derhalve ordenend optreden, mits hij op redelijke wijze omspringt met de achterliggende rechtsnormen in geval van urgentie – die hier niet in vraag wordt gesteld – en mits hij een gepaste afweging maakt van de belangen van de gedingpartijen.

Het komt aan de kortgedingrechter toe met toepassing van art. 584 Ger.W. aan de overheid zodanige maatregelen op te leggen, door middel van een gebod of een verbod teneinde aan een ogenschijnlijke onrechtmatige aantasting van een subjectief recht een einde te maken dan wel deze te voorkomen. Dit principe is eveneens van toepassing in strafzaken. Wanneer de kortgedingrechter bij spoedeisendheid en bij voorraad een maatregel neemt, zet hij het beginsel van de autonomie van het strafrecht niet op de helling. Het volstaat dat de regels die eigen zijn aan de strafrechtspleging zich niet tegen een dergelijk optreden verzetten.

Art. 584 Ger.W. bepaalt overigens dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uitspraak doet – onder de gestelde voorwaarden – in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt, wat in dezen niet het geval is. De rechter in kort geding is bijgevolg bevoegd om binnen de grenzen van zijn opdracht aan de bestuurlijke overheid maatregelen, inzonderheid verbodsmaatregelen, op te leggen die noodzakelijk zijn ter voorkoming of stopzetting van een ogenschijnlijke aantasting door die overheid van de subjectieve rechten die de hoven en rechtbanken moeten vrijwaren, ook al is die handeling verricht ter uitvoering van een beslissing van een magistraat van het openbaar ministerie.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1103
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Belgische Staat, minister van Justitie t/ M.K.

I. Voorwerp van de vorderingen

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellant te horen veroordelen erop toe te zien dat (1) de strafuitvoering bij wijze van effectieve vrijheidsberoving voor hem wordt opgeschort en te zeggen voor recht dat de strafuitvoering enkel zal kunnen geschieden via modaliteiten (bv. elektronisch toezicht) die het mogelijk maken te voorzien in een aangepaste en tot op heden in de Belgische gevangeniscontext afwezige adequate psychiatrische behandeling, onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 euro en (2) hij ontseind wordt, onder verbeurte van een dwangsom van 2.000 euro per dag vertraging vanaf 48 u na de betekening van de uit te spreken beschikking.

Subsidiair vroeg geïntimeerde de aanstelling van een geneesheer-deskundige teneinde (samengevat) zijn medische toestand te onderzoeken en omstandig advies te geven of betrokkene in de huidige gevangeniscontext afdoend therapeutisch en menselijk behandeld kan worden en in afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek de strafuitvoering op te schorten.

Huidige appellant verzocht om deze vordering niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard; (2) huidige appellant veroordeeld om ervoor te zorgen dat (a) binnen de vijf dagen na de uit te spreken beschikking een geneesheerpsychiater, verbonden aan de gevangenis waar huidige geïntimeerde op dat ogenblik verbleef, betrokkene zou ontvangen voor consultatie en onderzoek, na kennis te hebben genomen van de medische attesten en verslagen die reeds medegedeeld werden of nog zouden worden medegedeeld alsmede van nota’s of verslagen betreffende eventuele incidenten die zich reeds zouden hebben voorgedaan in de gevangenis; (b) de geneesheer-psychiater in functie van zijn bevindingen aan de gevangenisdirectie zou mededelen welke aangepaste aanpak in voorkomend geval nodig is voor geïntimeerde (bv. betreffende het aantal personen op cel van geïntimeerde, de wijze van reageren bij incidenten met medegevangenen of personeel van de gevangenis, welke vorm van verhoogde aandacht wegens zelfmoorddreiging moet worden aangenomen ...) en (c) de geneesheer-psychiater of een vervanger ten laatste één maand later een nieuwe evaluatie van de situatie zou uitvoeren.

1.3. In hoger beroep vraagt appellant de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren.

1.4. Bij incidenteel beroep herneemt geïntimeerde zijn vordering zoals gesteld voor de eerste rechter.

II. De relevante feiten

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven, zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komen de feiten hierop neer dat geïntimeerde tot driemaal toe correctioneel veroordeeld werd tot gevangenisstraffen, zijnde een gevangenisstraf van twee jaar met uitstel (= Corr. Brugge 3 februari 2006), een gevangenisstraf van acht maanden met uitstel (= Corr. Brussel 6 februari 2007) en een effectieve gevangenisstraf van drie jaar (= Corr. Gent 25 juni 2012). Deze veroordelingen zijn inmiddels definitief geworden.

2.3. Op 15 oktober 2012 ontving geïntimeerde het bericht dat hij zich moest aanbieden bij de gevangenis, zo niet zou hij geseind worden als voortvluchtig.

De raadsman van geïntimeerde liet bij fax van 29 oktober 2012 en 5 november 2012 zowel aan de gevangenisdirectie als aan het openbaar ministerie weten dat zijn cliënt zich onmogelijk kon aanbieden om medische redenen die – volgens de gevoegde medische attesten – betrekking zouden hebben op angststoornissen.

Het openbaar ministerie antwoordde op 8 november 2012 dat rechterlijke beslissingen moeten worden uitgevoerd, dat betrokkene zich wel degelijk moest aanbieden en de medische attesten bezorgd werden aan de gevangenis. Geïntimeerde bood zich niet vrijwillig aan.

De gevangenisdirectie antwoordde op 13 november 2012 dat het dossier van betrokkene m.b.t. zijn elektronisch toezicht te gepasten tijde zou worden bezorgd aan de strafuitvoeringsrechtbank en dat hij inmiddels geseind werd.

Op 12 november 2012 diende de raadsman van geïntimeerde ook een genadeverzoek in.

Op 7 januari 2013 werd geïntimeerde gevat en overgebracht naar de gevangenis te Gent.

2.4. Geïntimeerde voert aan dat hij op 4 februari 2013 gezien werd door de gevangenispsychiater van de gevangenis te Gent – in het bijzijn van zijn eigen psychiater – maar nadien door een ware hel ging. Hij hekelt het gebrek aan therapie en inhoudelijke psychiatrische gesprekken waarbij hem hoge dosissen medicatie worden toegediend die hem niet doen kalmeren, maar integendeel angstaanvallen bezorgden waarbij hij het gevoel had te zullen sterven.

2.5. Na de bestreden beschikking werd op 19 februari 2013 overwogen geïntimeerde over te plaatsen naar Merksplas.

Na tussenkomst van o.a. de persoonlijke psychiater van geïntimeerde, die van oordeel was dat zo’n verplaatsing de situatie alleen kon verslechten, werd hiervan afgezien.

Uiteindelijk werd geïntimeerde op 21 juni 2013 toch effectief overgeplaatst naar Merksplas. Hij is van oordeel dat ook in die gevangenis de medische omkadering ondermaats is en dat bovendien noch zijn familie noch zijn psychiater hem regelmatig kunnen komen bezoeken.

III. Bespreking

3.1. Geïntimeerde beroept zich op een aantasting van een aantal van zijn subjectieve rechten zoals beschermd in artt. 2, 3 en 5 EVRM.

Appellant is de mening toegedaan dat de kortgedingrechter niet bevoegd is om zich uit te spreken over de vordering – zoals gesteld door geïntimeerde – en deze bijgevolg niet ontvankelijk is. Volgens appellant strekt de vordering van geïntimeerde er immers toe de kortgedingrechter te laten bepalen welke strafuitvoeringsmodaliteit op hem van toepassing zou zijn en wordt bijgevolg aan de kortgedingrechter gevraagd zich in de plaats te stellen van de uitvoerende macht of misschien zelfs van de exclusief bevoegde strafuitvoeringsrechtbanken. Bovendien zou door een dergelijke vordering de kortgedingrechter ertoe verplicht worden om op “definitieve” wijze vrijheidsberoving als straf uit te sluiten. Appellant noemt in dit verband de gebruikte term “opgeschort” geheel contradictorisch met de draagwijdte van de door geïntimeerde gestelde vordering.

3.2. Geïntimeerde vraagt de strafuitvoering bij wijze van effectieve vrijheidsberoving voor hem op te schorten in afwachting van een aangepaste en tot op heden – volgens hem – in de Belgische gevangeniscontext afwezige psychiatrische behandeling onder verbeurte van een dwangsom.

De kortgedingrechter doet weliswaar uitspraak bij voorraad zonder nadeel toe te brengen aan de zaak zelf, wat niet wijst op een beperking van de rechtsprekende bevoegdheid van de rechter in kort geding. Dit houdt enkel in dat de rechter ten gronde in geen enkel opzicht gebonden is door wat de rechter in kort geding beslist heeft.

De rechter in kort geding mag derhalve ordenend optreden, mits hij op redelijke wijze omspringt met de achterliggende rechtsnormen in geval van urgentie – die hier niet in vraag wordt gesteld – en mits hij een gepaste afweging maakt van de belangen van de gedingpartijen.

De vordering zoals gesteld door geïntimeerde beantwoordt aan de hiervoren uiteengezette criteria.

3.3. Voorts wordt niet betwist dat de strafuitvoering op zich behoort tot de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de strafuitvoeringsrechtbanken.

Appellant beroept zich ten onrechte op art. 40 Gw. en het beginsel van de scheiding der machten. Geïntimeerde voert in huidig debat immers geen betwisting over de beslissing van de strafuitvoering op zich. Hij is enkel de mening toegedaan dat hij in de gevangenis waarin hij verblijft onvoldoende medisch wordt begeleid en dat ingevolge deze gebrekkige medische begeleiding zijn subjectieve rechten worden geschonden die hem worden gewaarborgd door art. 2 (= subjectief recht op leven), art. 3 (= niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen) en art. 5 (= subjectief recht op een niet-onrechtmatige vrijheidsberoving) EVRM.

Het komt aan de kortgedingrechter toe met toepassing van art. 584 Ger.W. aan de overheid zodanige maatregelen op te leggen, door middel van een gebod of een verbod teneinde aan een ogenschijnlijke onrechtmatige aantasting van een subjectief recht een einde te maken dan wel deze te voorkomen. Dit principe is eveneens van toepassing in strafzaken. Wanneer de kortgedingrechter bij spoedeisendheid en bij voorraad een maatregel neemt, zet hij het beginsel van de autonomie van het strafrecht niet op de helling. Het volstaat dat de regels die eigen zijn aan de strafrechtspleging zich niet tegen een dergelijk optreden verzetten.

Art. 584 Ger.W. bepaalt overigens dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uitspraak doet – onder de gestelde voorwaarden – in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt, wat in dezen niet het geval is. De rechter in kort geding is bijgevolg bevoegd om binnen de grenzen van zijn opdracht aan de bestuurlijke overheid maatregelen, inzonderheid verbodsmaatregelen, op te leggen die noodzakelijk zijn ter voorkoming of stopzetting van een ogenschijnlijke aantasting door die overheid van de subjectieve rechten die de hoven en rechtbanken moeten vrijwaren, ook al is die handeling verricht ter uitvoering van een beslissing van een magistraat van het openbaar ministerie.

3.4. De kortgedingrechter heeft zich derhalve terecht – op grond van oordeelkundige motieven – bevoegd verklaard om in huidige aangelegenheid een beslissing te nemen en heeft even terecht de vordering ontvankelijk verklaard. Op dit punt wordt de bestreden beschikking bevestigd.

3.5. Derhalve dient te worden nagegaan of geïntimeerde, gelet op zijn gezondheidstoestand, op een dergelijke gebrekkige wijze medisch wordt behandeld en begeleid dat dit een schending uitmaakt van zijn subjectieve rechten zoals vervat in artt. 2, 3 en 5 EVRM.

In dit verband dient te worden beklemtoond dat geïntimeerde – in huidige aangelegenheid – ten onrechte verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. In deze rechtspraak gaat het telkens om geïnterneerden die een niet-repressieve vrijheidsberoving ondergaan die volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet in een gewoon penitentiair milieu kan plaatsvinden, maar in een gespecialiseerde instelling of bij wijze van uitzondering in een psychiatrische annex van een gevangenis.

Geïntimeerde werd niet geïnterneerd en die vraag werd – volgens de gegevens van het dossier – nooit gesteld. Geïntimeerde werd integendeel tot driemaal toe correctioneel veroordeeld tot een straf bestaande uit een gevangenisstraf, eerst met uitstel en het laatst effectief, waardoor het voordeel van het uitstel kwam te vervallen. Nergens blijkt bovendien uit dat geïntimeerde hoger beroep heeft aangetekend tegen die correctionele veroordelingen, waaruit mag besloten worden dat hij in die beslissingen berust heeft. De vrijheidsberoving van geïntimeerde is een repressieve maatregel en de behandeling van de geestestoestand van betrokkene is – in tegenstelling met internering – niet gericht op zijn reïntegratie in de maatschappij, zodat de principes vervat in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens m.b.t. de wijze waarop een internering moet worden uitgevoerd, in deze zaak niet van toepassing zijn.

3.6. Uit de concrete gegevens van het dossier blijkt het volgende wat de medische begeleiding/opvang van geïntimeerde betreft tijdens zijn gevangenisverblijf:

– geïntimeerde werd gevat op 7 januari 2013 (na geseind te zijn geweest en hangende de procedure in eerste aanleg) en werd dan overgebracht naar de gevangenis te Gent;

– op 7 januari 2013 (de dag van zijn aanhouding) vond een consultatie plaats bij dr. T., op 8 januari 2013 bij gevangenispsychiater Van C., op 9 januari 2013 opnieuw bij dr. T., op 10 januari 2013 bij dr. B. en op 14 januari 2013 opnieuw bij dr. T.;

– op 4 februari 2013 vond een nieuw onderzoek plaats door gevangenispsychiater Van C. in het bijzijn van dr. A., psychiater van geïntimeerde;

– tijdens dat onderzoek werd de toestand van geïntimeerde besproken (na kennisname van de medische attesten en verslagen medegedeeld door de raadsman van geïntimeerde) en werd zijn medicatie aangepast nadat vastgesteld werd dat er zich sedert de arrestatie van geïntimeerde geen incidenten hadden voorgedaan;

– bij die gelegenheid werd geïntimeerde voorgedragen bij de zorgequipe met het oog op een meer intensieve begeleiding;

– een en ander werd medegedeeld aan de gevangenisdirectie op 5 februari 2013 en aan de raadsman van geïntimeerde op 15 februari 2013;

– op dat ogenblik stond reeds vast dat geïntimeerde niet verder kon verblijven in de gevangenis te Gent die geen eigenlijk “strafhuis” is, maar enkel bedoeld is voor een “tijdelijk” verblijf;

– bij monde van de raadsman van appellant werd bij brief van 28 februari 2013 aangekondigd dat zou worden overgegaan tot een tweede evaluatie, dat er inmiddels reeds tien consultaties hadden plaatsgevonden met de gevangenispsychiater en vijftien consultaties met de algemene geneesheren van de gevangenis, dat geïntimeerde slechts eenmaal het bezoek had gekregen van zijn eigen psychiater op 10 januari 2013, dat geïntimeerde het blijkbaar niet nodig achtte nog meer een beroep te doen op zijn eigen psychiater, dat de toegediende medicatie het resultaat was van een uitgebreid overleg tussen de gevangenispsychiater en de eigen psychiater van geïntimeerde wiens het medicatieschema nauwkeurig werd opgevolgd en dat m.b.t. de zogenaamde paniekaanvallen van geïntimeerde door niemand uit de gevangenis hiervan melding werd gemaakt, terwijl betrokkene elk kwartier werd gezien en nooit enige destabilisatie werd opgemerkt;

– op 4 maart 2013 vond de aangekondigde tweede evaluatie plaats door de gevangenispsychiater te Gent;

– in het verslag van die tweede evaluatie wordt vermeld dat er zich nog steeds geen ernstige incidenten hebben voorgedaan, dat de paniekaanvallen onder controle worden gehouden met medicatie en bepaalde rituelen, dat de medicatie werd aangepast op voorstel van de eigen psychiater van geïntimeerde, dat betrokkene tot dan weigerde deel te nemen aan de activiteiten georganiseerd door het zorgteam en dat hij alleen zijn therapie wenste voort te zetten met zijn eigen psychiater;

– dit verslag werd op 5 maart 2013 toegezonden aan de raadsman van geïntimeerde;

– uit het e-mailbericht van de gevangenisdirectie van 8 april 2013 blijkt dat geïntimeerde nog steeds weigerde deel te nemen aan de activiteiten van het zorgteam en zich beperkte tot zorgwandeling, bepaalde lichaamsbewegingen en een gesprek met de psycholoog;

– uit de verslagen van 8 april 2013 en 11 juni 2013 opgesteld door de eigen psychiater van geïntimeerde blijkt dat betrokkene van nabij gevolgd werd en geregeld geëvalueerd werd;

– de eigen psychiater van geïntimeerde stelde overigens vast dat betrokkene recidiverend nog ernstige paniekaanvallen heeft, maar dat zijn patiënt vanuit het hem geleerde kader de symptomen ten dele kan plaatsen, zodat het nog zelden leidt tot doodsangst en voorts nog dat inzake medicamenteuze behandeling er geen verdere opties zijn;

– vóór de overplaatsing van geïntimeerde naar Merksplas werd de medische situatie van betrokkene op 9 juli 2013 besproken door de gevangenispsychiater te Gent met de diensten van Merksplas; uit deze fax blijkt andermaal dat geïntimeerde veelvuldig op consultatie ging en kon gaan bij de gevangenispsychiater en de overige bevoegde diensten te Gent en tevens opgevolgd werd door zijn eigen psychiater die na elk bezoek een nota achterliet onder gesloten omslag en wiens voorschriften werden opgevolgd;

– sedert zijn overbrenging wordt geïntimeerde intensief opgevolgd zowel door de medische dienst als door de gevangenispsychiater te Merksplas en ontvangt hij geregeld bezoek, in tegenstelling tot wat aanvankelijk gevreesd werd en als reden werd aangegeven om niet overgeplaatst te worden naar Merksplas;

– geïntimeerde verblijft blijkbaar in het paviljoen V, zijnde een paviljoen met open zalen, waardoor hij niet meer in een cel dient te verblijven;

– in de gemeenschappelijke leefzaal is er vanzelfsprekend veel controle en wordt hij dagelijks gezien door de verplegers bij het uitdelen van de medicatie;

– geen enkel incident heeft zich inmiddels voorgedaan waaruit zou blijken dat de toestand van geïntimeerde niet zou zijn gestabiliseerd;

– de gevangenisdirectie te Merksplas moest vaststellen dat geïntimeerde onjuiste informatie doorgaf over zijn medische toestand aan zijn raadsman;

– een uitvoerig rapport werd op 4 september 2013 opgesteld door de gevangenispsychiater te Merksplas waaruit andermaal blijkt dat geïntimeerde opgevolgd wordt.

3.7. Uit wat voorafgaat, kan alleen maar besloten worden dat geïntimeerde van zeer nabij op medisch en humaan vlak wordt opgevolgd. Nergens blijkt uit dat zijn behandeling en opvolging in de gevangenis te Merksplas – waar hij thans vertoeft – dergelijke gebreken zou vertonen dat welk danig subjectief recht – waarop hij zich beroept – op ernstige wijze dreigt geschonden te worden.

Geïntimeerde vraagt subsidiair de aanstelling van een geneesheer – deskundige teneinde (1) zich te vergewissen van de mogelijke medische omkadering in de rijksgevangenis waar hij zijn straf uitzit (= thans Merksplas) en (2) omstandig advies te geven of hij in een dergelijke gevangeniscontext afdoende therapeutisch (en menswaardig) behandeld kan worden.

Over de gezondheidstoestand van geïntimeerde en de medische omkadering werd door beide partijen een lijvig dossier neergelegd, bestaande uit vele medische attesten en rapporten opgesteld door deskundigen in de materie, zodat er in de gegeven omstandigheden geen reden is om een gerechtelijk deskundige aan te stellen. Het hof kan zich op grond van die stukken een oordeel vormen zonder een beroep te moeten doen op een gerechtelijk deskundige.

Bovendien blijkt uit die stukken ook dat geïntimeerde aan zijn eigen raadsman niet steeds de juiste informatie doorgeeft over zijn situatie en zijn behandeling in de gevangenis.

Ten overvloede wordt er ten slotte op gewezen dat geïntimeerde eerder “een pleidooi” houdt voor het behandelen van gedetineerden met psychische problemen buiten de gevangenismuren – wat eerder een (filosofisch) criminologisch debat uitmaakt maar in deze zaak in concreto niet aantoont in welke mate de behandeling en de ondersteuning die geïntimeerde thans in de gevangenis te Merksplas krijgt, een schending zouden kunnen uitmaken van zijn fundamentele rechten zoals gewaarborgd door het EVRM.

3.8. De bestreden beschikking wordt bijgevolg op dat punt hervormd.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 23/03/2017 - 19:20
Laatst aangepast op: do, 23/03/2017 - 19:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.