-A +A

Bevoegdheid Raad van State inzake subjectieve rechten - gebonden bevoegdheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 06/10/2016

Geschillen over subjectieve rechten - altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in beginsel, wat de geschillen over politieke rechten betreft - behoren tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken. 

Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft.

Het bestaan van een subjectief recht veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft.

Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen, is het vereist dat de bevoegdheid van die overheid gebonden is.

Krachtens artikel 14, § 1, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring .

Luidens artikel 62, § 1, zesde lid van het voornoemde koninklijk besluit wordt een ambtenaar die het de controlearts onmogelijk maakt om het medisch onderzoek uit te voeren van rechtswege in non-activiteit geplaatst.

Het betreft een gebonden bevoegdheid in hoofde van de overheid: zodra correct wordt vastgesteld dat de ambtenaar het de controlearts onmogelijk heeft gemaakt om het medisch onderzoek uit te voeren, is de overheid verplicht om de betrokken ambtenaar in non-activiteit te plaatsen.

Het beroep tegen een dergelijke beslissing heeft in het licht van voornoemde arresten van het Hof van Cassatie van 8 september 2016, als werkelijk en rechtstreeks voorwerp, de nietigverklaring van de beslissing die de administratieve stand van verzoeker wijzigt en het herstellen ervan in de stand zoals deze was voordat de bestreden beslissing is genomen.  Verzoeker zou dat doel niet kunnen bereiken met een vordering bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde.

Het gegeven dat, eens wordt vastgesteld dat de ambtenaar het de controlearts onmogelijk heeft gemaakt om het medisch onderzoek uit te voeren, de overheid verplicht is om de betrokken ambtenaar in non-activiteit te plaatsen waarbij zij in geen enkel stadium van het besluitvormingsproces aan beleidsvoering heeft moeten doen, maar slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die interpreteert, vervuld waren, is niet van die aard de bevoegdheid van de Raad van State uit te sluiten, als die voormelde verplichting niet aansluit op een subjectief recht in hoofde van de betrokken ambtenaar.

Overeenkomstig de meervermelde arresten van het Hof van Cassatie van 8 september 2016, beroept verzoeker zich niet op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan de verwerende partij oplegt en bij de nakoming waarvan hij belang heeft. Hij betwist daarentegen wel het bestaan van een verplichting waartoe de verwerende partij beweert gehouden te zijn en bij de uitvoering waarvan hij geen voordeel heeft aangezien deze zijn administratieve stand in ongunstige zin beïnvloedt.

Aldus betreft het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep niet een geschil over een subjectief recht, waarvoor uitsluitend de hoven en rechtbanken bevoegd zouden zijn.

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/11
Pagina: 
868
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(André Pelkmans / Belgische Staat - Rolnr.: 236.002)

I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 27 augustus 2014, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie van 15 juli 2014 waarbij André Pelkmans op 13 maart 2014 in non-activiteit wordt geplaatst.

II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 234.868 van 26 mei 2016 is het debat heropend en is de zaak voorgelegd aan de voorzitter van de Raad van State, die de verantwoordelijkheid heeft over de afdeling Bestuursrechtspraak.

Bij beschikking van 21 juni 2016 is de zaak verwezen naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 september 2016.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in Titel VI, Hoofdstuk II van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten
3.1. Verzoeker is ambtenaar bij de Federale Overheidsdienst Justitie (hierna: FOD Justitie).

3.2. Op 13 maart 2014 meldt verzoeker zich ziek.

3.3. Dezelfde dag biedt een controlearts zich tevergeefs aan bij verzoeker. Hij laat een bericht na en nodigt verzoeker uit om zich 's avonds aan te melden in zijn praktijk. Verzoeker gaat niet in op deze vraag en de controlearts noteert in de Medex-applicatie hieromtrent:

“Controle wordt uitgevoerd:

Afwezig, uitgenodigd in praktijk op 13 maart 2014 om 20 u

Niet aangeboden, met opgave van reden: andere

Commentaarlijn:

Op 13 maart 2014 afwezig zonder attest, op 14 maart 2014 vrije dag. Belde op 13 maart 2014 om 17.55 u met de mededeling: 'Vindt gij dat ook niet wat onnozel allemaal?' 'Ik zie er het nut niet van in.' Heeft zich dan ook niet aangeboden.”

3.4. Met een brief van 3 april 2014 deelt de directeur Personeel en Organisatie van de verwerende partij aan verzoeker mee dat werd vastgesteld dat verzoeker op 13 maart 2014 zonder rechtvaardiging afwezig was op het werk en dat uit het controleonderzoek van die dag blijkt dat verzoeker zich niet bij de controlearts heeft aangeboden en geen geval van overmacht heeft ingeroepen. Hij vraagt dat verzoeker binnen 10 kalenderdagen volgend op de dag van de kennisgeving van dit schrijven een verklaring zou geven voor zijn ongewettigde afwezigheid.

3.5. Verzoeker antwoordt met een brief van 13 april 2014 het volgende:

“Ik heb mij ziek gemeld volgens de regels voor 1 dag zonder briefje.

De controlearts is bij mij aan de deur geweest en heeft een briefje in de bus gestoken.

Ik heb geen bel van de voordeur gehoord maar dat kan aan de medicatie gelegen hebben die ik toen heb genomen.

Toen ik het briefje heb gevonden in de brievenbus heb ik direct contact opgenomen met de controlearts.

Ik heb hem de situatie uitgelegd en gemeld dat ik de eerstvolgende werkdag gewoon terug aan het werk zou gaan.

Hij heeft toen ook nog bevestigd dat mijn auto en fiets alle twee op de oprit stonden toen hij is langs geweest.

Daar is toen ook de afspraak gemaakt dat ik verder geen stappen meer moest ondernemen en dat hij dit zo ook op mail zou zetten.

[…].”

3.6. Met een e-mail van 15 april 2014 vraagt de verwerende partij aan verzoeker om te verduidelijken wanneer hij welke controlearts heeft gecontacteerd en wanneer hij het briefje van de controlearts in de bus heeft gevonden.

Verzoeker beantwoordt deze vragen met een e-mail van 16 april 2014.

3.7. Op 29 april 2014 vraagt de directeur Personeel en Organisatie om een “besluit van non-activiteit” op te stellen voor verzoeker wegens het zich niet aanbieden bij de controlearts zonder een geval van overmacht te kunnen inroepen, zoals blijkt uit het controleonderzoek van 13 maart 2014.

3.8. Op 15 juli 2014 neemt de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie de thans bestreden beslissing die luidt:

“Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, inzonderheid artikel 106, zoals meermaals gewijzigd;

Gelet op het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, inzonderheid de artikelen 3, 4, 61 en 62, zoals meermaals gewijzigd;

Gelet op het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt;

Gelet op het besluit van de voorzitter van het directiecomité van 5 juni 2013 houdende wijziging van het besluit van de voorzitter van het directiecomité van 29 februari 2012 houdende overdracht van bevoegdheid van handtekening inzake personeel van de Centrale Diensten, het NICC, de Veiligheid van de Staat, de buitendiensten van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen en de buitendiensten van het directoraat-generaal Justitiehuizen aan de diensthoofden van de personeelsdiensten en aan sommige directeurs-generaal en stafdirecteurs van de Federale Overheidsdienst Justitie;

Gelet op de omzendbrief nr. 568 van 13 februari 2007 met betrekking tot de reglementaire wijzigingen in het kader van het ziekteverzuim;

Gelet op de omzendbrief nr. 578 van 4 december 2007 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;

Overwegende dat de heer Pelkmans André, penitentiair bewakingsassistent bij de strafinrichting te Merksplas zich niet heeft aangeboden bij de controlearts op 13 maart 2014 en geen geval van overmacht kon inroepen;

Overwegende dat de heer Pelkmans André hierover werd aangeschreven bij aangetekende zending van 3 april 2014;

Overwegende dat de door betrokkene ingeroepen reden geen overmacht uitmaakt;

Besluit:

Art. 1. De heer Pelkmans André was ongewettigd afwezig op 13 maart 2014 (1 effectieve werkdag). Gedurende deze ongewettigde afwezigheid is hij in non-activiteit.

Art. 2. Betrokkene zijn wedde ondergaat een effectieve inhouding evenredig met de duur van zijn ongewettigde afwezigheid.

[…]

Het betrokken personeelslid kan binnen de 60 dagen vanaf de betekening tegen deze beslissing schorsings- en/of vernietigingsberoep aantekenen bij de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel, volgens de procedurevoorschriften bepaald in de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en, voor wat de schorsing betreft, het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State.”

IV. Rechtsmacht van de Raad van State
4. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve opgeworpen met verwijzing naar de arresten nrs. 218.006 en 218.008 van 15 februari 2012 van de Raad van State, dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring omdat de bestreden beslissing in wezen betrekking heeft op een beslissing waarbij de overheid zonder enige discretionaire bevoegdheid vaststelt of artikel 62, § 1 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 “betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen” van toepassing is op verzoekers situatie. De bestreden beslissing heeft volgens het auditoraat een louter declaratief karakter. Indien verzoeker meent dat de bestreden beslissing niet wettig is, betreft dit een geschil over een subjectief recht, waarvoor uitsluitend de hoven en rechtbanken bevoegd zijn.

5. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker vooreerst dat de bevoegdheid van de Raad van State afhangt van de vraag of het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de overheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft uitgeoefend, dan wel of haar bevoegdheid ter zake volstrekt gebonden was. Hij is van oordeel dat de verwerende partij een discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft uitgeoefend bij de vaststelling dat hij onwettig afwezig was doordat hij zich ten onrechte niet bij de controlearts heeft aangeboden. De verwerende partij heeft zijn zienswijze en die van de controlearts tegenover elkaar afgewogen en vervolgens op discretionaire wijze besloten om het standpunt van de controlearts bij te vallen, zo stelt verzoeker. Hij besluit hieruit dat de Raad van State wel bevoegd is.

Daarnaast wijst hij erop dat in de bestreden beslissing gewag wordt gemaakt van een beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en hij meent dat dit een impliciete erkenning inhoudt dat het om een discretionaire beslissing gaat.

Ten slotte stelt hij nog dat, indien het beroep wordt afgewezen omwille van de onbevoegdheid van de Raad van State, hij door de vermelding van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State werd misleid.

Beoordeling
6. Uit de artikelen 144 en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten - altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in beginsel, wat de geschillen over politieke rechten betreft - tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een - in dit geval niet bestaande - toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft.

Het bestaan van een subjectief recht veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen, is het vereist dat de bevoegdheid van die overheid gebonden is (Cass. 24 september 2010, C.08.0429.N).

7. Krachtens artikel 14, § 1, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. 8 september 2016, C.11.0455.F en C.11.0457.F).

8. De bestreden beslissing steunt op artikel 62, § 1 van het koninklijk besluit van 19 november 1998, dat luidt:

“De ambtenaar is verplicht de arts aangeduid door het Bestuur van de medische expertise, die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, hierna de controlearts, te ontvangen of in te gaan op de oproep om zich aan te melden bij de controlearts. De ambtenaar kan het medisch onderzoek niet weigeren.

De controle van de ambtenaar kan gebeuren op vraag van de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert of op initiatief van het Bestuur van de medische expertise.

De controle van de ambtenaar kan gebeuren vanaf de eerste dag van de afwezigheid en tijdens de volledige periode van de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval.

Het medisch onderzoek vindt plaats in de woon- of verblijfplaats van de ambtenaar. Wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar hem toelaat zich naar een andere plaats te begeven, dan kan de ambtenaar ook worden opgeroepen door het Bestuur van de medische expertise om zich voor een onderzoek aan te melden bij de controlearts. Wanneer de controlearts de ambtenaar niet aantreft op de aangegeven woon- of verblijfplaats, dan laat hij een bericht achter. Behoudens wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift aan de ambtenaar heeft afgeleverd, oordeelt dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich naar een andere plaats te begeven, moet de ambtenaar zich op het vermelde uur aanmelden bij de controlearts.

Wanneer de ambtenaar zich niet naar een andere plaats mag begeven, maar op het ogenblik van de controle afwezig was, wegens redenen van overmacht, brengt hij de controlearts onmiddellijk hiervan op de hoogte, zodat een nieuwe controle kan plaatshebben.

De ambtenaar die het medisch onderzoek weigert of die het de controlearts onmogelijk maakt om het medisch onderzoek uit te voeren wordt van rechtswege in non-activiteit geplaatst.”

Luidens artikel 62, § 1, zesde lid van het voornoemde koninklijk besluit wordt een ambtenaar die het de controlearts onmogelijk maakt om het medisch onderzoek uit te voeren van rechtswege in non-activiteit geplaatst.

Het betreft een gebonden bevoegdheid in hoofde van de overheid: zodra correct wordt vastgesteld dat de ambtenaar het de controlearts onmogelijk heeft gemaakt om het medisch onderzoek uit te voeren, is de overheid verplicht om de betrokken ambtenaar in non-activiteit te plaatsen.

9. Het beroep tegen een dergelijke beslissing heeft in het licht van voornoemde arresten van het Hof van Cassatie van 8 september 2016, als werkelijk en rechtstreeks voorwerp, de nietigverklaring van de beslissing die de administratieve stand van verzoeker wijzigt en het herstellen ervan in de stand zoals deze was voordat de bestreden beslissing is genomen (zie ook Cass. 11 juni 2010, C.09.0336.F). Verzoeker zou dat doel niet kunnen bereiken met een vordering bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde.

Het gegeven dat, eens wordt vastgesteld dat de ambtenaar het de controlearts onmogelijk heeft gemaakt om het medisch onderzoek uit te voeren, de overheid verplicht is om de betrokken ambtenaar in non-activiteit te plaatsen waarbij zij in geen enkel stadium van het besluitvormingsproces aan beleidsvoering heeft moeten doen, maar slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die interpreteert, vervuld waren, is niet van die aard de bevoegdheid van de Raad van State uit te sluiten, als die voormelde verplichting niet aansluit op een subjectief recht in hoofde van de betrokken ambtenaar (cf. Cass. 8 september 2016, C.11.0455.F en C.11.0457.F).

10. Overeenkomstig de meervermelde arresten van het Hof van Cassatie van 8 september 2016, beroept verzoeker zich niet op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan de verwerende partij oplegt en bij de nakoming waarvan hij belang heeft. Hij betwist daarentegen wel het bestaan van een verplichting waartoe de verwerende partij beweert gehouden te zijn en bij de uitvoering waarvan hij geen voordeel heeft aangezien deze zijn administratieve stand in ongunstige zin beïnvloedt.

Aldus betreft het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep niet een geschil over een subjectief recht, waarvoor uitsluitend de hoven en rechtbanken bevoegd zouden zijn.

11. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State bevoegd is om van het voorliggende beroep kennis te nemen.

BESLISSING

1. Het debat wordt heropend.

2. De zaak wordt verwezen naar de IXde kamer.

 

Noot: 

Boullart, S. en Speeckaert, H., « De gebonden bevoegdheid van het bestuur sluit niet steeds de rechtsmacht van de Raad van State uit: over discretionaire en gebonden bevoegdheid en het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het geschil ter bepaling van de rechtsmacht van de Raad van State », R.A.B.G., 2017/11, p. 874-880

zie ook:Rb. Brussel (Nl.) 7 mei 2015, R.A.B.G., 2017/11, p. 890-903

(T.G. BVBA / E. CVBA, Intercommunale Vereniging CVBA S. - Rolnr.: 2014/3307/A)

1. Feiten en procedurevoorgaanden
(…)

2. Voorwerp van de vorderingen
12. De vordering van eiseres strekt er, conform haar syntheseconclusies, toe om:

haar eis ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;
dienvolgens te horen bevelen dat:

“verweersters, op eerste verzoek daartoe van [eiseres] bij aangetekend, aan [eiseres] bevestigen dat zij het nieuwbouwproject gelegen te S. op de hoek van (…), zoals beschreven in de plannen van archritect H.V., die op 25 september 2012 samen met de aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning bij de gemeente G. werden ingediend, van aansluiting op het distributienet voor gas en elektriciteit zullen voorzien, op basis van de bestaande ondergrondse distributiecabine, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 EUR per dag - of deel van een dag - vertraging, te rekenen vanaf 48 uur na de verzending door [eiseres] van voormeld aangetekend schrijven”;

verder verweersters te zien en te horen veroordelen tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van 30.000 EUR provisioneel, “bedrag nog te detailleren, aan te passen, zo nodig te verhogen in de loop van het geding”;
verweersters tevens te zien en te horen veroordelen tot betaling van alle kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van dagvaarding en van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 4.400 EUR; en
het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, en met uitsluiting van borgstelling en kantonnement.
13. Verweersters verzoeken de rechtbank, conform hun (laatste) syntheseconclusies, om:

de vordering van eiseres onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren;
subsidiair, indien de rechtbank de vordering van eiseres toch zou inwilligen, “quod non”, de door eiseres gevorderde dwangsom af te wijzen; en
eiseres vervolgens te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding (begroot op 4.400 EUR).
3. Beoordeling
3.1. M.b.t. de rechtsmacht
14. Verwerende partijen (E. en S.) zijn de mening toegedaan dat de rechtbank niet over de vereiste “rechtsmacht” zou beschikken om kennis te nemen van de vordering van eiseres.

Dit gebrek aan rechtsmacht zou er, volgens hen, in bestaan dat eiseres zich ten onrechte wenst te steunen om een vermeend subjectief recht “op een aansluiting op het distributienet voor elektriciteit en aardgas”. Eiseres zou volgens hen ten onrechte uitgaan van de premisse dat zij “hoe dan ook recht heeft op een aansluiting op beide distributienetten (dus ook op het aardgasdistributienet?)” en zij aldus beschikt over “een subjectief recht op aansluiting”.

Volgens verweersters zou er in casu sowieso geen sprake zijn van enig subjectief recht waarvan de bescherming wordt nagestreefd middels voormelde vordering van eiseres.

15. “Rechtsmacht” heeft betrekking op de uitoefening van de rechterlijke macht. De rechter kan slechts recht spreken indien hij hiertoe de vereiste (rechts)macht heeft.

Dit begrip dient te worden onderscheiden van het begrip “bevoegdheid” dat slaat op de rechtsmacht die de wetgever aan een bepaalde rechter heeft toebedeeld. Een rechter zal slechts bevoegd zijn wanneer hem de macht wordt verleend om daadwerkelijk kennis te nemen van de eis die voor hem is gebracht. De rechter zal zich uiteindelijk ook slechts bevoegd kunnen verklaren indien de beslechting van het geschil werd toevertrouwd aan de rechterlijke orde waartoe hij behoort.

De rechtbank moet dan ook steeds nagaan in hoeverre zij inzake rechtsmacht heeft.

Door de Grondwet werd een bevoegdheidsverdeling bepaald volgens dewelke “subjectieve geschillen” in beginsel behoren tot de bevoegdheid van de rechtscolleges van de rechterlijke orde en de bevoegdheid om te oordelen over “objectieve geschillen” werd toevertrouwd aan administratieve rechtscolleges (zoals in hoofdzaak de Raad van State). De Raad van State dient dan ook te worden beschouwd als een “met eigenlijke rechtspraak belast orgaan”. Zo zal het beroep tegen een handeling of een reglement van de administratieve overheid een objectief beroep zijn. Dit is een beroep dat niet de inachtneming van een subjectief recht maar wel van een objectief recht beoogt, met andere woorden van de rechtsregel van de legaliteit (zie in die zin: Concl. Adv. Gen. R. Mortier bij Cass. 30 mei 2011, C.10.0625.F, www.cass.be, p. 3).

Overeenkomstig artikel 144 Gw. behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken, terwijl krachtens artikel 145 Gw. geschillen over politieke rechten slechts in beginsel, dit wil zeggen behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen, behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken.

Met andere woorden de gewone rechter is de rechter van gemeen recht, ook inzake bestuursgeschillen. Zijn rechtsmacht steunt op de artikelen 144 en 145 Gw. die hem bevoegdheid geven voor het beslechten van geschillen over subjectieve rechten. Voor geschillen over burgerlijke subjectieve rechten is deze bevoegdheid exclusief. Geschillen over politieke subjectieve rechten kunnen daarentegen ook worden toevertrouwd aan buitengerechtelijke colleges. Gebeurt dit niet dan blijft de gewone rechter bevoegd (zie in die zin: S. Lust, “Naar de gewone rechter of naar de Raad van State” in Gerechtelijk Privaatrecht, reeks Themis 2000-01, die Keure, 2001, p. 75).

De artikelen 144 en 145 van de Grondwet leggen een kader vast waarbinnen het aan de wetgever is toegelaten, maar dan alleen voor wat politieke rechten betreft, te bepalen of de gewone rechter dan wel de administratieve rechter bevoegd is. Zo kan de wetgever bijzondere bepalingen uitvaardigen (zoals in het kader van socialezekerheidsgeschillen).

Voor de andere gevallen geldt bij gebrek aan bijzondere bepalingen, de algemene bevoegdheidsverdeling van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet (zie in die zin eveneens: Concl. Adv. Gen. R. Mortier bij Cass. 30 mei 2011, C.10.0625.F, www.cass.be, p. 3).

De wetten tot oprichting van de Raad van State en tot vaststelling van zijn machten en bevoegdheden zijn van de grondwettelijke regels zoals uitgedrukt in de artikelen 144-146 in beginsel niet afgeweken. De wetgever heeft immers bij de instelling van de Raad van State geen afbreuk willen doen aan de bevoegdheid van de gewone rechtscolleges, maar enkel een aanvulling van de rechterlijke bescherming willen bieden wanneer de gewone rechter niet bevoegd was.

Die aanvullende rechtsbescherming komt vooreerst tot uiting waar de Raad van State een zuiver “objectief contentieux” beslecht maar geen uitspraak doet over subjectieve rechten, meer nog hij kan er geen uitspraak over doen (zie in die zin: S. Lust, “Naar de gewone rechter of naar de Raad van State” in Gerechtelijk Privaatrecht, reeks Themis 2000-01, die Keure, 2001, p. 75). Het annulatieberoep beoogt niet de eerbiediging van een subjectief, burgerlijk of politiek recht dat een persoon ten aanzien van een ander persoon heeft uit kracht van de wet, maar beoogt de vernietiging van een handeling of een reglement omdat ze met de wet strijdig zijn en zulks op vraag van een persoon met een wettelijk belang (zie in die zin: Concl. Adv. Gen. R. Mortier bij Cass. 30 mei 2011, C.10.0525.F, www.cass.be, p. 3-4).

16. Verwerende partijen merken terecht op dat voor wat betreft de mogelijkheid om stedenbouwkundige vergunningsbeslissingen te betwisten - met name ze te laten schorsen onder de bij de artikelen 4.8.15 t.e.m. artikel 4.8.20 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalde voorwaarden, inclusief de daarin opgelegde voorwaarden uit de verleende adviezen - de belanghebbende partij zich niet langer tot de Raad van State maar tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen dient te richten.

De “Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening” is in werking getreden op 1 september 2009. De Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) is vanaf 1 september 2009 het bevoegde administratieve rechtscollege om van een vraag tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vergunningsbeslissing kennis te nemen.

De Raad van State is ná 1 september 2009 niet langer bevoegd. Deze uitdrukkelijke door de decreetgever toegewezen bevoegdheid ontnam de Raad van State de rechtsmacht welke deze tot 31 augustus 2009 ter zake bezat (zie in die zin: RvS 6 november 2009, nr. 197.645).

17. Om vanuit voormelde grondwettelijke regels uit te maken of de gewone rechtbanken dan wel de Raad van State (of meer specifiek de RvVb) bevoegd is, moet worden bepaald wat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering is.

De hoven en rechtbanken nemen kennis van de vordering van een partij wanneer zij gegrond is op een subjectief recht. Het bestaan van een dergelijk recht veronderstelt dat de eiser zich beroept op een welbepaalde precieze juridische verplichting die een regel van het objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft.

Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen is het vereist dat de bevoegdheid van die overheid gebonden is (Cass. (ver.k.) 20 december 2007, AR nr. C.06.0574.F, met Concl. Adv. Gen. Th. Werquin en nr. C.06.0596.F, met Concl. Adv. Gen. Th. Werquin).

De bestreden akte moet dus bestaan in een weigering door de overheid om een welomschreven plicht uit te voeren die beantwoordt aan een subjectief recht waarvan de verzoeker stelt titularis te zijn. Dit veronderstelt een geheel gebonden bevoegdheid van de overheid, dit wil zeggen “dat alle voorwaarden waarvan de uitoefening van de bevoegdheid onderworpen is, objectief door de rechtsregel zijn vastgelegd zodat de overheid over geen enkele beoordelingsbevoegdheid beschikt” (zie in die zin: S. Lust, “Naar de gewone rechter of naar de Raad van State” in Gerechtelijk Privaatrecht, reeks Themis 2000-2001, die Keure, 2001, p. 75). De bevoegdheid van de overheid dient in dat geval dus inderdaad voor 100% gebonden te zijn.

Dit sluit echter inderdaad niet uit dat de overheid wel nog kan worden aangesproken, indien deze bij het uitoefenen van haar discretionaire bevoegdheden een fout zou hebben begaan en hierbij subjectieve rechten zou hebben geschaad (zie Cass. (1ste k.) 24 november 2005, AR C.04.0317.N, Arr.Cass. 2005, 2353).

Ook hier dient dus te worden benadrukt dat de belanghebbende partij ook in deze situatie uitdrukkelijk de schending van een subjectief recht in haar hoofde dient aan te tonen.

In dit kader dient tevens te worden opgemerkt dat het feit dat een beslissing die door de administratie werd genomen steunde op een discretionaire bevoegdheid, op zich niet verhindert dat de justitiële rechter van een geschil dat hierover is gerezen alsnog kennis kan nemen.

Noch het beginsel van de scheiding der machten, noch de “soevereine” beslissingsmacht van de administratie beletten op zich de controle van de rechter op deze administratieve handeling. Vereist is alleen dat de rechter hierbij de grenzen van zijn bevoegdheid niet overschrijdt (zie in die zin: Concl. Adv. Gen. R. Mortier bij Cass. 30 mei 2011, C.10.0625.F, www.cass.be, p. 9).

Het waarborgen van de scheiding der machten houdt onder meer in dat de rechter zich moet beperken tot de taken die eigen zijn aan zijn functie: de rechter spreekt recht. Hij stelt in concrete gevallen vast wat rechtmatig is en wat niet, en neemt in voorkomend geval de nodige maatregelen om rechtsschendingen te herstellen of, als dat niet meer kan, te vergoeden. Het is hem evenwel verboden om zich in de plaats te stellen van de overheid, om handelingen van actief bestuur te stellen, om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de overheid, althans met betrekking tot aspecten die tot de vrije beoordeling van de overheid behoren. De scheiding der machten belet niet dat de rechter zowel de externe als de interne legaliteit van het overheidshandelen controleert, zolang hij maar niet raakt aan de discretionaire bevoegdheid van de overheid.

De rechter zal dus steeds de scheiding der functies moeten eerbiedigen. Traditioneel wordt hieruit afgeleid dat de rechter geen substitutie- of reformatiebevoegdheid heeft en dat hij in het raam van zijn legaliteitstoezicht op grond van artikel 159 Gw. niet kan overgaan tot vernietiging van bestuurshandeling.

In de mate dat de overheid daarentegen over een strikt gebonden bevoegdheid beschikt (100% gebonden) staat niets de reformatie of substitutie door de rechter in de weg (zie in die zin: S. Lust, “Naar de gewone rechter of naar de Raad van State” in Gerechtelijk Privaatrecht, reeks Themis 2000-01, die Keure, 2001, p. 85. en p. 80).

18. Verwerende partijen merken aldus terecht op dat de justitiële rechter enkel rechtsmacht heeft wanneer van hem gevorderd wordt aan de schending van een subjectief recht een einde te stellen.

De Raad van State en de RvVb (inzake vergunningsbeslissingen) kunnen de schorsing van een bestuurshandeling zelf opleggen van zodra er een belang geschaad wordt, mits het ernstig is en moeilijk herstelbaar.

Er dient inderdaad te worden opgemerkt dat het bestaan van enig “belang” in hoofde van de eisende partij, niet automatisch betekent dat er ook een “subjectief recht” aan de orde zou zijn.

Door artikel 144 Gw. heeft de Grondwet onder de bescherming van de rechterlijke macht alle burgerlijke rechten geplaatst; dit wil zeggen alle private rechten bevestigd en ingericht door het Burgerlijk Wetboek en de wetten die het aanvullen. Aan de hoven en rechtbanken is de opdracht verleend de inbreuken op die rechten te herstellen. Om deze bescherming te verwezenlijken houdt de Grondwet geen rekening met de hoedanigheid van de procesvoerende partijen noch met de aard van de handelingen die een krenking van het recht zouden hebben veroorzaakt, maar enkel en uitsluitend met de aard van het gekrenkte recht (zie Cass. 5 november 1920, met Concl. eerste Adv. Gen. P. Leclercq, Pas., 1920, I, p. 239, dit werd later bevestigd in Cass. 19 december 1991, AR 8970 en Cass. 1 juni 2006, nr. C.05.0494.N, met Concl. PG M. De Swaef).

19. Partijen zijn het erover eens dat het “objectief recht” bestaat uit het geheel van rechtens afdwingbare normen die in een maatschappij bestaan en die bedoeld zijn het onderling rechtsverkeer te ordenen. Dit zijn inderdaad abstracte regels, die los staan van elk concreet geval of elk individueel individu.

Het “subjectieve recht” heeft daarentegen betrekking op een welbepaalde concrete situatie (een welbepaald geval) en is gekoppeld aan een titularis. Zoals verweersters terecht opmerken “is een subjectief recht dus de concrete - door het objectief recht erkende - bevoegdheid of macht om iets te vragen, te eisen of te vorderen. Het is een rechtsbevoegdheid of rechtsbekwaamheid” (zie G. Martyn en R. Devloo, Een kennismaking met recht en rechtspraktijk, Brugge, die Keure, 2006).

Een subjectief recht vindt dus zijn oorsprong in een concrete situatie én in de erop van toepassing zijnde rechtsregel(s) en heeft inderdaad als essentieel kenmerk dat de wederpartij, die namelijk ten aanzien van de drager van het subjectieve recht gehouden is om iets te geven, te doen of na te laten, geen enkele keuzevrijheid heeft. Deze partij heeft effectief de afdwingbare plicht om te geven, te doen of na te laten, waartoe de rechtsnorm haar verplicht.

Verweersters merken terecht op dat aldus aan twee voorwaarden dient te worden voldaan, om te spreken van een “subjectief recht”: (a) het eerste vereiste betreft de juridische verplichting van het passieve rechtssubject, (b) het tweede het belang van het actieve subject.

a) Zoals verweersters (met verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Krings bij het arrest van het Hof van Cassatie van 25 oktober 1985, Arr.Cass. 1985-86, 249) opmerken, dient er in wezen een welbepaalde juridische verplichting te rusten op het passieve rechtssubject. Het is hierbij vereist dat het gedrag (een handeling of onthouding) dat door het actief rechtssubject wordt gevorderd ingevolge een regel van het objectief recht, het voorwerp is van een welbepaalde aan het passieve subject opgelegde juridische verplichting.

Zoals eiseres zelf aangeeft, zal een subjectief recht maar bestaan wanneer een objectief recht het bekrachtigt.

De vraag stelt zich in casu inderdaad op welk door het objectief recht ingestelde norm eiseres zich nu concreet wenst te beroepen teneinde aan te tonen dat een in haar hoofde bestaand subjectief recht door de oriënterende studie van verweersters dreigt geschaad te worden.

b) De tweede vereiste heeft betrekking op de aard van het belang dat moet kunnen worden aangevoerd door degene die beweert dat hij een subjectief recht heeft. Hij die beweert dat hij het recht heeft om van een derde te eisen dat deze een welbepaalde (uit een regel van het objectief recht) voortvloeiende verplichting uitvoert, moet aantonen dat hij of zij er zelf belang bij heeft om de uitvoering ervan te verkrijgen. Het algemene belang is op zichzelf en behoudens een andersluidende bepaling van een rechtsregel niet voldoende om het subjectief recht te doen ontstaan.

Zoals voormeld reeds opgemerkt, hoewel er steeds een belang aanwezig is bij een subjectief recht, gaat dit belang niet altijd vanzelfsprekend gepaard met een subjectief recht (zie Concl. Adv. Gen. Velu bij het arrest van het Hof van Cassatie van 10 april 1987, Arr.Cass. 1986-87, 1043).

20. Zoals voormeld werd opgemerkt is enkel het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering relevant.

Het is het werkelijke voorwerp van de eis welke immers bevoegdheidsdeterminerend is (zie Cass. (ver.k.) 20 december 2007, AR nr. C.06.0574.F, met Concl. Adv. Gen. Th. Werquin en nr. C.06.0596.F, met Concl. Adv. Gen. Th. Werquin).

Dit betekent inderdaad dat zelfs indien de eisende partij zich op de beweerde schending van een subjectief recht wenst te beroepen - wat in casu het geval lijkt te zijn (zie hierna) - het de rechtbank in concreto toekomt na te gaan of de bescherming van dit vermeend bedreigd subjectief recht wel het effectieve en werkelijke voorwerp van zijn of haar vordering is, dan wel dat hij/zij in slechts de schending van een vermeend subjectief recht inroept om in werkelijkheid haar ware vordering (die in wezen tot de bevoegdheid van een administratief rechtscollege behoort) te verhullen. De rechtbank zal verder dienen na te gaan of eiseres zich in wezen niet verschuilt achter vermeende subjectieve rechten.

Verweersters merken terecht op dat de “omkleding” van de vordering op zich geenszins bepalend is voor de bevoegdheidsverdeling tussen de hoven en de rechtbanken enerzijds en de administratieve rechtscolleges anderzijds (Raad van State, RvVb).

Het is daarentegen de juiste “aard van de eis” welke dient te worden opgespoord. Het zal met andere woorden het “werkelijke doel (het einddoel)” van de vordering zijn welke doorslaggevend zal zijn voor de bevoegdheidsbepaling.

De hamvraag welke dient te worden gesteld is inderdaad - zoals verweersters terecht aangeven - waar in wezen de in casu door eiseres gevorderde maatregel op neer zou komen? Wat is het werkelijke doel (einddoel) van haar vordering? Waartoe zou deze vordering leiden?

Indien het antwoord op deze vraag het volgende betreft: “dat aan een voor vernietiging vatbare administratieve handeling niet langer uitvoering wordt gegeven”, kan niet worden ontkend dat het werkelijke voorwerp wel degelijk tot de bevoegdheid van een administratief rechtscollege toebehoort.

21. De rechtbank dient vast te stellen dat de vordering van eiseres - zoals geformuleerd in haar inleidend verzoekschrift en weergegeven in haar laatste conclusies - er op de eerste plaats letterlijk toe strekt om:

“te bevelen dat verweersters (…) aan [eiseres] bevestigen dat zij het nieuwbouwproject gelegen te S.-B. (…) van aansluiting op het distributienet voor gas en elektriciteit zullen voorzien, op basis van de bestaande ondergrondse distributiecabine (…)”;

Middels haar vordering wenst eiseres dus in essentie te bekomen dat de desbetreffende beslissing uitgaande van verwerende partijen d.d. 6 december 2012 - met name de oriënterende studie welke door verwerende partijen (minstens één van hen) werd verleend aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente G. (en welke dus verleend werd/opgenomen werd in het initieel stedenbouwkundig dossier d.d. 25 september 2012) (stukken 10 en 11 bundel verweerder) - volledig zou worden tenietgedaan (minstens zou worden geschorst).

Eiseres wenst in wezen immers de rechtbank te horen bevelen dat aan deze beslissing geen uitvoering zou worden gegeven en dat zij deze beslissing volledig naast zich neer zou leggen.

Indien aan verwerende partijen zou worden bevolen dat zij zouden bevestigen om een aansluiting te verlenen op de reeds bestaande distributiecabine, zou dit in concreto betekenen dat “door de rechtbank zou worden geoordeeld dat aan de initiële, de oriënterende studie geen uitvoering mag worden verleend”.

22. Door eisende partij wordt op zich ook niet betwist dat de oriënterende studie welke door verwerende partijen (minstens één van hen) werd verleend aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente G. d.d. 6 november 2012 gekwalificeerd dient te worden als “een voor vernietiging vatbare administratieve handeling”, hetzij op zichzelf beschouwd, hetzij als deel van de beslissing van het college betreffende de vergunningsaanvraag.

Zoals verwerende partijen verduidelijken, en dit wordt op geen enkele wijze door eiseres ontkend, is verwerende partij S. een “intercommunale” in de zin van de wet van 22 december 1986 (BS 26 juni 1987).

Net zo min, betwist eiseres dat de relatie tussen een intercommunale, S., en een verbruiker (eiseres), reglementair van aard is.

Evenmin wordt door eiseres ontkend dat verwerende partijen, in het bijzonder de Intercommunale Vereniging CVBA S., over een discretionaire bevoegdheid en geen 100% gebonden bevoegdheid beschikken in het kader van de oriënterende studies m.b.t. “het aanleggen van elektriciteitsnetten, aardgasnetten en de oprichting van de openbare verlichtingsinstallatie” (verwerende partijen verwijzen hierbij naar art. III.3.1.3. van het technische reglement (stuk 5 in hun bundel)).

23. Eiseres werpt in tegenargumentatie in hoofdzaak enkel op dat de “aantasting van haar eigendomsrecht (art. 544 BW)” het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van haar vordering zou uitmaken. Verweersters zouden volgens haar dan ook bezwaarlijk kunnen voorhouden dat er geen subjectief recht op eigendom zou bestaan.

Er kan inderdaad niet worden ontkend dat een persoon die eigenaar is, uit de objectieve rechtsregel vervat in artikel 544 BW een subjectief recht kan putten om zijn eigendom te doen gelden t.a.v. een andere partij.

De rechtbank stelt echter vast dat deze vermeende opgeworpen schending van haar eigendomsrecht - zoals verweersters terecht aangeven - slechts een “verhulling”, een “kunstmatige inkleding” vormt van het werkelijk en rechtstreeks doel van de vordering van eiseres.

Zo dient vooreerst te worden vastgesteld dat eiseres in de inleidende dagvaarding (zoals betekend aan verwerende partijen op 6 september 2013) haar argumentatie nog geenszins steunde op enige vermeende schending van haar eigendomsrecht en/of van enige schending van het gelijkheidsbeginsel (waarover verder).

Het is pas in navolging van de door verweerders opgeworpen argumentatie inzake het “gebrek aan rechtsmacht” (zie de eerste conclusie van verweerder neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel op 1 november 2013) dat zij voor het eerst opmerkt dat er sprake zou zijn van een schending van dit subjectief recht omschreven in artikel 544 BW.

Zoals voormeld aangehaald, strookt haar (tegen)argumentatie aangaande (het gebrek aan) rechtsmacht in hoofde van de rechtbank sowieso niet met de letterlijke bewoordingen en/of het doel van haar vordering.

In tegenstelling tot hetgeen zij voorhoudt, wenst zij als eindresultaat wel uitdrukkelijk te bekomen dat de administratieve beslissing zou worden geschorst of vernietigd in die mate dat zou worden bevolen dat deze beslissing volledig zou worden genegeerd en een nieuwe beslissing (aansluiting op het distributienet voor gas en elektriciteit op basis van de bestaande ondergrondse distributiecabine) in de plaats zou worden gesteld.

Wat dit laatste betreft dient zonder meer al te worden opgemerkt dat eiseres van de rechtbank dus in werkelijkheid verlangt dat ze zich voor wat betreft de “beslissingsmacht aangaande een aansluiting op het distributienet”, volledig in de plaats zou stellen van verwerende partijen (minstens S.). Gelet op het feit dat dit een discretionaire bevoegdheid betreft welke toekomt aan verwerende partijen (minstens S., zie voormeld), overschrijdt dit in elk geval de grenzen van de rechtsmacht van de rechtbank.

Het waarborgen van de scheiding der machten houdt nu eenmaal in dat de rechter zich moet beperken tot de taken die eigen zijn aan zijn functie. Het is de rechtbank verboden om zich in de plaats te stellen van de overheid, om handelingen van actief bestuur te stellen, om haar beoordeling in de plaats te stellen van die van de overheid, althans met betrekking tot aspecten die tot de vrije (discretionaire) beoordeling van de overheid behoren. De rechter zal steeds de scheiding der functies moeten eerbiedigen.

24. Verweersters merken terecht op dat het “zich in een geschil met de overheid slechts algemeen beroepen op zijn/haar eigendomsrecht of bezitsrecht” op zich niet volstaat.

Het komt aan de eisende partij uitdrukkelijk toe om concreet te verantwoorden dat zijn of haar vordering effectief gesteund is op een subjectief recht. Het is de eisende partij die het bestaan van een (ogenschijnlijke) schending van een subjectief recht moet verantwoorden en aantonen.

Eiseres slaagt hier in casu niet in. Zij toont niet aan op welke wijze de litigieuze beslissing haar eigendomsrecht (dat aan (wettelijke) beperkingen kan worden onderworpen) schendt of dreigt te schenden.

Deze verantwoording mag inderdaad niet louter “formalistisch” zijn door een loutere - en bovendien niet waarheidsgetrouwe - verwijzing naar een mogelijke schending van het eigendomsrecht.

Het volstaat voor eiseres niet om eenvoudig weg en in het algemeen te stellen dat de tenuitvoerlegging van de bestreden overheidshandeling “enige incidentie” kon hebben op haar eigendomsrecht, om de burgerlijke rechtbank bevoegd te maken.

Het door artikel 544 BW omschreven eigendomsrecht maakt inderdaad een subjectief recht uit dat in hoofde van derden de verplichting inhoudt om het niet te schenden (tenzij de wet een uitzondering hierop toestaat).

In werkelijkheid heeft de vordering van eiseres niet de bescherming van haar eigendomsrecht tot werkelijk en rechtstreeks voorwerp, maar beoogt het de buitentoepassingsverklaring van een bestuurshandeling. Het is slechts op artificiële wijze dat eiseres het eigendomsrecht als een “geschonden” subjectief recht ter sprake brengt. In het eigendomsrecht vindt eiseres ongetwijfeld een belang bij haar vordering. Eiseres toont echter niet voldoende aan dat haar eis tot doel heeft een genoegdoening te vragen voor een door verwerende partijen (minstens S.) begane overtreding of schending van haar eigendomsrecht.

25. Eiseres mag dan wel in conclusies stellen dat haar vordering er enkel toe zou strekken de rechtbank te horen beoordelen of “de eis van verweerders dat zij een deel van haar eigendom aan hen ter beschikking dient te stellen voor de oprichting van een distributiecabine” in de gegeven omstandigheden “niet gerechtvaardigd, volstrekt disproportioneel en/of in strijd met het gelijkheidsbeginsel” zou zijn.

In werkelijkheid blijkt duidelijk - niet in het minst op basis van de door eiseres aangevoerde argumenten ten gronde - dat zij van de rechtbank een bevestiging wenst te bekomen van “een recht op een aansluiting op het nog bestaande ondergrondse distributienetwerk”.

Hierbij stelt zich dus het probleem dat:

het werkelijk voorwerp van de vordering dus in wezen een vermeend (subjectief) recht op aansluiting op het distributienet betreft; eiseres geeft hieromtrent zelf aan dat er geen dergelijk subjectief recht niet bestaat;
zij voor het overige niet afdoende kan verantwoorden dat er sprake is van een schending van een ander subjectief recht;
zij in wezen de rechtbank er toe wenst toe te brengen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij de rechtbank dus verplicht zou worden om zich in de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van verwerende partijen te mengen.
Het inwilligen van de vordering van eiseres zou het beginsel van de scheiding der machten schenden.

26. Eiseres laat als tegenargumentatie (t.a.v. het vermeende gebrek aan rechtsmacht) verder in conclusies opmerken dat “de overheid er zonder meer toe gebonden zou zijn eenieder op een niet discriminatoire wijze te behandelen overeenkomstig artikelen 10 en 11 van de Grondwet”.

De rechterlijke macht zou, naar haar mening, in die zin bevoegd zijn om “de door het bestuur bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid begane onrechtmatigheden vast te stellen” en in dit kader desgevallend een fout te beoordelen. Eiseres merkt dan ook op dat het de burgerlijke rechter wel zou toekomen “te oordelen over schade die een bepaalde discretionaire beslissing aan de burger veroorzaakt” en desgevallend een schadevergoeding toe te kennen.

Het is juist dat de vordering van eiseres er tevens toe strekt “verweersters te zien en te horen veroordelen tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van 30.000 EUR provisioneel, bedrag nog te detailleren, aan te passen zo nodig te verhogen in de loop van het geding”.

Zoals hoger aangegeven, komt het de rechterlijke macht inderdaad toe om een oordeel te vellen over de mogelijke schade geleden in hoofde van een partij ten gevolge van een fout begaan door een bestuursorgaan bij het uitoefenen van diens discretionaire bevoegdheden.

Hierbij dient echter opnieuw te worden benadrukt dat een dergelijke fout er moet in bestaan dat hierbij subjectieve rechten zouden zijn geschaad (zie Cass. (1ste k.) 24 november 2005, AR C.04.0317.N, Arr.Cass. 2005, 2353).

De rechterlijke macht is immers bevoegd voor het voorkomen of herstellen van iedere foutieve aantasting van een subjectief recht door het bestuursorgaan bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid (zie Cass. (1ste k.) 24 januari 2014, AR C.10.0537.F, APT 2014 (samenvatting), afl. 2, 296).

Ook hier dient dus te worden benadrukt dat de belanghebbende partij ook in deze situatie uitdrukkelijk de vermeende schending van een subjectief recht in haar hoofde dient aan te tonen. Eisende partij dient ook in deze situatie dus uitdrukkelijk te verantwoorden dat een schending van enig subjectief recht het werkelijke doel is van haar vordering.

Ook hier dient echter te worden vastgesteld dat eiseres zich louter artificieel wenst te verschuilen achter een vermeende schending van het niet-discriminatiebeginsel vervat in artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zoals verweersters terecht opmerken laat eiseres enkel de term “schending van het gelijkheidsbeginsel” vallen, zonder haar concrete situatie te preciseren. Eiseres verklaart geenszins in welke zin en op welke wijze het beginsel in haar hoofde zou geschonden zijn.

Verweersters verwijzen hierbij terecht naar rechtspraak van de Raad van State d.d.13 december 2012.

“Het gelijkheidsbeginsel is evenwel zo algemeen gesteld dat de toepassing ervan - en dus ook de rechterlijke controle erop - vele facetten vertoont die de rechter onmogelijk in overweging kan nemen zonder door de verzoeker daarin geadstrueerd te zijn, op gevaar af een onderzoek te voeren dat uitgaat van verkeerde premissen of veronderstellingen.” (zie RvS (9de k.) 13 december 2012, nr. 221.734, CDPK 2014 (samenvatting), afl. 1, 158, www.raadvst-consetat.be (22 oktober 2013), TBP 2013, afl. 9, 544).

27. Bovendien dient nogmaals te worden benadrukt dat de beoordeling van deze discretionaire bevoegdheid door de rechtbank er nooit mag toe strekken dat de rechtbank zich in de plaats zou moeten stellen van het bestuursorgaan.

In casu blijkt - zoals voormeld werd onderzocht - dat de vordering van eiseres er echter werkelijk en rechtstreeks toe strekt om dergelijk resultaat te bekomen.

De rechterlijke macht kan het bestuursorgaan bij deze gelegenheid niet zijn beleidsvrijheid ontnemen, noch zich in zijn plaats stellen (zie Cass. (1ste k.) 24 januari 2014, AR C.10.0537.F, APT 2014 (samenvatting), afl. 2, 296).

Het bestuur dat op grond van zijn discretionaire bevoegdheid een beslissing neemt, beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid om de meest geschikte oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen. De rechter mag die beleidsvrijheid niet aan het bestuur ontnemen door zich in de plaats van het bestuur te stellen.

De rechterlijke macht is bevoegd om een door het bestuur bij de uitoefening van zijn niet gebonden bevoegdheid begane onrechtmatige aantasting van een subjectief recht zowel te voorkomen als te vergoeden, maar vermag daarbij aan het bestuur zijn beleidsvrijheid niet te ontnemen en vermag niet zich in de plaats van het bestuur te stellen (art. 144 Gw. 1994) (zie Cass. 4 maart 2004, AR C.03.0346.N, C.03.0448.N. C.03.0449.N, Arr.Cass. 2004, afl. 3, 392, Concl. Dubrulle).

De rechtbank mag inderdaad, op straffe van de schending van het beginsel van de scheiding der machten, de beleidsvrijheid welke aan verwerende partijen (minstens S.) toebehoort conform het technisch reglement niet ontnemen door zich in de plaats te stellen van dit beleidsorgaan.

28. Er dient om voormelde redenen te worden besloten dat de rechtbank niet over de vereiste rechtsmacht beschikt om kennis te nemen van het geschil.

4. Kosten van het geding
29. Aangezien de rechtbank geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vordering van eiseres zowel m.b.t. haar eis t.a.v. eerste verweerster als m.b.t. haar eis t.a.v. tweede verweerster, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiseres.

30. Beide verwerende partijen kunnen aanspraak maken op een (afzonderlijke) rechtsplegingsvergoeding.

Elke in het gelijk gestelde partij heeft recht op een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding, zelfs indien deze partijen allen worden bijgestaan door één en dezelfde raadsman (zie Cass. 9 november 2011, www.cass.be; zie ook S. Voet, “Enkele praktische knelpunten bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten”, RW 2007-08, afl. 27, 1129-1134 en www.rw.be).

Artikel 1022, vijfde lid Ger.W. bepaalt wel in dit geval:

“Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.”

31. De berekening van het basisbedrag aan rechtsplegingsvergoeding dient te gebeuren op grond van de waarde van het geschil (art. 2 KB 26 oktober 2007 verwijst dienaangaande naar art. 557 Ger.W. en neemt als aanknopingspunt de vordering zoals gesteld in de inleidende akte). In geval van wijziging van de vordering in de loop van het geding, wordt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaald door het bedrag van de vordering zoals dit in de laatste conclusie in die aanleg wordt gevorderd (in die zin Cass. 21 november 2011, wwww.cass.be).

Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding kan begroot (en vervolgens geïndexeerd) worden op 2.200 EUR.

32. Verwerende partijen verzoeken - conform hun (laatste) syntheseconclusies - dat hen een maximale rechtsplegingsvergoeding van 4.400 EUR zou worden toegekend.

Volgens de bepalingen van artikel 1022 Ger.W. kan de rechter op verzoek van één van de partijen en op een met bijzondere redenen omklede beslissing de rechtsplegingsvergoeding ofwel verminderen, ofwel verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden.

Bij zijn beoordeling dient de rechter, op grond van artikel 1022 Ger.W., rekening te houden met:

de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoedingen te verminderen;
de complexiteit van de zaak;
de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;
het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
Tussen deze criteria is geen hiërarchie voorzien.

Het invoeren van deze criteria had als doel de beoordelingsvrijheid van de rechter zoveel mogelijk te beperken met het oog op de rechtszekerheid.

Waar verwerende partijen argumenten dat er in casu rekening zou dienen te worden gehouden met “de financiële draagkracht van de verliezende partij als professioneel op de vastgoedmarkt”, de “complexiteit van de zaak” en het “kennelijk onredelijk karakter van de situatie”, dient te worden opgemerkt dat voor wat betreft:

het vermeende “kennelijk onredelijk karakter van de situatie” en de “financiële draagkracht van eiseres”: verwerende partijen hun argumenten niet verduidelijken laat staan concreet staven met de nodige stukken;
de vermeende “complexiteit van het dossier”: verweersters juist tegenargumenten inroepen teneinde juist de vermeende complexiteit (zoals opgeworpen door eiseres) te weerleggen.
Het aspect dat verweersters “karig om dienen te springen met de budgetten waarover zij beschikken” en zij “de nodige analyses en opzoekingen binnen de complexe energieregelgeving dienden te verrichten via hun raadsman” verantwoordt het toekennen van een maximale rechtsplegingsvergoeding niet.

Er kan dan ook niet worden ingegaan op het verzoek van verwerende partijen.

33. Nu geen der partijen een gestaafde vordering instellen tot verhoging of verlaging van voormelde begroot basisbedrag, kan dit bedrag, toegekend worden aan elk van beide verwerende partijen.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals gewijzigd,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.

Verklaart zich zonder rechtsmacht om kennis te nemen van de vordering van eiseres, de BVBA T.G., zowel t.a.v. eerste verweerster, de CVBA E. als t.a.v. tweede verweerster, de CVBA S.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding in hoofde van eerste verweerster begroot op 2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van tweede verweerster begroot op 2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding.

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/12/2017 - 10:13
Laatst aangepast op: di, 19/12/2017 - 10:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.