-A +A

Bevoegde vrederechter die machtiging dient te verlenen bij de verkoop van een onroerend goed van een minderjarige

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Roeselare
Datum van de uitspraak: 
din, 27/10/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2010-2011
Pagina: 
1012
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Abstract:

De vrederechter bevoegd volgens de plaats die bevoegd is om over het ouderlijk gezag te oordelen, is territoriaal bevoegd om, met toepassing van art. 1187 en art. 1193bis Ger.W., machtiging te verlenen tot verkoop uit de hand van een onroerend goed uit de nalatenschap dat deels aan het minderjarige kind toebehoort.

 

Uittreksel uit het vonnis:

J.M.

A. Voorafgaande gegevens

Verzoekster, S. De B., is de zus van wijlen L. De B., overleden op 14 januari 2009.

Beide voornoemden waren in onverdeeldheid met betrekking tot een handelshuis met aanhorigheden, (...) en dit ingevolge akte schenking (...) van hun ouders.

De medegerechtigde, L. De B., laat als enige erfgename achter, de minderjarige J.M., ten volle geadopteerd door D.M. en L. De B. op 7 december 1999.

D.M. werd bij beschikking van de vrederechter van het tweede kanton te Kortrijk van 25 februari 2000 gemachtigd om de nalatenschap van wijlen mevrouw L. De B. te aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving (en daartoe werd blijkbaar een verklaring afgelegd voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk op 27 maart 2009).

B. Voorwerp van het verzoek

Verzoekster vraagt een «bijzondere machtiging», gebaseerd op art. 1187 en art. 1193bis Ger.W., teneinde over te gaan tot de verkoop uit de hand van het voormeld onroerend goed «ten overstaan van de vrederechter van het kanton Roeselare», en dit overeenkomstig een gevoegd ontwerp van akte verkoop.

C. Toelichting

Het is in het belang van de minderjarige dat het goed onderhands wordt verkocht, omdat de verkoopprijs van 295.000 euro niet in openbare verkoop kan worden verkregen, daar, niettegenstaande jarenlange tekoopstelling, geen koper kon worden gevonden tegen deze prijs.

Volgens een deskundigenverslag, gedateerd op 14 april 2009, wordt de normale verkoopwaarde van het goed geschat op 268.965 euro (bij verkoop uit de hand).

De minderjarige is gerechtigd voor de helft in blote eigendom.

Haar aandeel, rekening houdend met een waardering van het vruchtgebruik volgens art. 47 W.Reg., resulteert in een bedrag van 64.787,14 euro; volgens verzoekende partij komt het goed voor de helft in vruchtgebruik toe aan D.M.

Bij een e-mailbericht van 11 augustus 2009 aan dit vredegerecht werd vervolgens toegelicht dat het dossier, toegestuurd aan het vredegerecht over het tweede kanton Kortrijk, teruggestuurd werd, omdat de alsdan geadieerde rechter «van mening is dat de vrederechter bevoegd is van de plaats waar de nalatenschap is opengevallen (Roeselare). De stukken werden mij zonder meer teruggestuurd, zonder dat een beschikking werd genomen».

D. Voorafgaandelijke toetsing

1. Materiële bevoegdheid

Het kwestieuze verzoek gaat uit van een meerderjarige medegerechtigde, zodat toepassing wordt gemaakt van art. 1187 Ger.W., zij het mede art. 1193bis Ger.W. Deze artikelen voorzien in de materiële bevoegdheid van de vrederechter.

2. Territoriale bevoegdheid

Art. 1189 Ger.W. is in casu niet van toepassing, omdat het verzoek niet uitgaat van een erfgename of curator en de «rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de erfenis is opengevallen» niet geadieerd wordt.

De vraag is bijgevolg welke vrederechter bevoegd is in het raam van art. 1187 Ger.W.

Aangezien de materie de bescherming van minderjarigen betreft, komt het raadzaam voor dat de geadieerde vrederechter zijn bevoegdheid ambtshalve zou onderzoeken (zie ter zake bepaalde overwegingen in J. Nolf, «Moderne familieraden op zoek naar hun bevoegde Vrederechter», T.Vred. 1996, 372, in fine).

Dit laatste impliceert in de termen van art. 640 Ger.W. evident nog geen antwoord op de betreffende vraag die krachtens art. 640 Ger.W. aan de arrondissementsrechtbank toekomt.

De thans geadieerde vrederechter kan slechts de bedenking opperen dat «de vroegere betwisting zich lijkt verder te zetten» (F. Swennen, noot onder Vred. Westerlo 21 oktober 2003, RW 2003-04, 1514).

Laatstvermeld vonnis verwijst naar het standpunt van S. Mosselmans, op de studiedag te Brussel van 24 oktober 2003, onder nummer 14, waar deze auteur schrijft dat art. 629, 1o, Ger.W. niet kan impliceren dat de vorderingen met toepassing van art. 378, § 1, eerste lid, juncto art. 410, § 1, BW voor de rechter van de plaats van de ligging van het goed moeten worden gebracht.

Sinds de reparatiewet van 13 februari 2003 voorziet art. 378, § 1, tweede en derde lid, BW immers in een forum van het ouderlijk gezag, en zowel de ouders als de bekwame medegerechtigden (zoals in casu) zijn verplicht hun vorderingen in te leiden bij de door deze bepalingen aangewezen vrederechter.

De heer S. Mosselmans voegt er geheel terecht aan toe: «De procedure voor de vrederechter strekt tot verificatie van het belang van de pupil, zij het dat dit kan botsen op het in art. 815 BW verwoorde algemene beginsel. In die optiek is de vrederechter van het forum van het ouderlijk gezag bevoegd, ook al gaat het initiatief tot verkoop uit van de andere (bekwame) deelgerechtigden. De reden waarom men naar de vrederechter moet stappen is immers te vinden in de onbekwaamheid van één van de deelgenoten».
 

 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 17/02/2011 - 17:17
Laatst aangepast op: do, 17/02/2011 - 17:17

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.