-A +A

Bevestiging van bezoldigingstheorie door Hof van Beroep te Antwerpen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Datum van de uitspraak: 
din, 13/01/2015

Bezoldigingstheorie is weerhoudbaar indien het toegestane voordeel de tegenprestatie is van werkelijk geleverde prestaties.

De aftrekbaarheid van kosten als beroepskosten in toepassing van artikel 49 WIB 1992 vereist niet dat de operatie, waaraan de kost is verbonden werkelijk winstgevend is geweest. Er mag dienaangaande ook geen opportuniteitsbeoordeling worden doorgevoerd door de fiscale administratie. Anderzijds vereist artikel 49 WIB 1992 wel dat de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

Onder de zinsnede dat de kosten moeten zijn gedaan of gedragen “om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden” moet worden begrepen dat de kosten noodzakelijkerwijze verband houden met de activiteit van de vennootschap.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/10
Pagina: 
711
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(E.P. BVBA / Belgische Staat)

(…)

1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting
De betwisting betreft aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2006 en 2007 en meer bepaald de vraag of 80% van de kosten in verband met het vruchtgebruik van BVBA E.P. op een onroerend goed, gelegen te (…) aftrekbaar zijn als beroepskost in toepassing van artikel 49 WIB 1992.

Bij notariële akte, verleden op 20 december 2004 kocht BVBA E.P. het vruchtgebruik op 98% van het betrokken onroerend goed voor een periode van 20 jaar.

D.O. en S.E.M. kochten elk de volle eigendom voor 1% en de blote eigendom voor 49% (stuk 6 administratief dossier).

1.2. Aanslag en bezwaar
(…)

AJ 2006: afschrijving gebouwen: 11.328,30 EUR
afschrijving verbouwing: 6.210,70 EUR
totaal: 17.539,00 80%: 14.031,20 EUR
AJ 2007: afschrijving gebouwen: 11.328,30 EUR
afschrijving verbouwing: 6.280,04 EUR
totaal: 17.608,84 80%: 14.087,07 EUR
Volgens de administratie voldeden de kosten in verband met 80% van het vruchtgebruik van het onroerend goed niet aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 1992 vermits de vennootschap de kosten van het vruchtgebruik ten laste nam, zonder dat daar substantiële inkomsten tegenover stonden, of zonder dat aannemelijk werd gemaakt dat daar substantiële inkomsten tegenover zouden staan in de toekomst. De vennootschap had 80% van het onroerend goed immers onmiddellijk na de vestiging van het vruchtgebruik gratis ter beschikking gesteld van de naakte eigenaars, tevens bestuurders van de vennootschap. De vennootschap streefde aldus geen winst na, hetgeen in strijd is met artikel 1 W.Venn. en er was sprake van een vermenging van het privévermogen van de natuurlijke personen en het beroepsvermogen van de vennootschap, doordat de vennootschap uitgaven van persoonlijke aard van de natuurlijke personen ging dragen.

Een belastingverhoging van 10% werd aangekondigd in toepassing van artikel 444 WIB 1992, wegens het indienen van een onjuiste aangifte zonder het opzet om de belasting te ontduiken, eerste overtreding.

De belastingplichtige verklaarde zich op gemotiveerde wijze niet akkoord met de voorgenomen wijzigingen (stuk 10 administratief dossier). Er werd onder meer op gewezen dat een voordeel van alle aard in hoofde van de zaakvoerders in aanmerking werd genomen, begroot overeenkomstig artikel 18 KB/WIB 1992.

Bij kennisgeving van beslissing tot taxatie van 2 december 2010 liet de administratie weten waarom ze bij haar standpunt bleef (stuk 11 administratief dossier).

Op 3 december 2010 werden de volgende supplementaire aanslagen gevestigd:

aanslagjaar 2006: kohierartikel 000761 (stuk 12 administratief dossier),
aanslagjaar 2007: kohierartikel 000771 (stuk 13 administratief dossier).
De belastingplichtige verstuurde op 14 april 2011 twee bezwaarschriften, die door de administratie werden ontvangen op 20 april 2011 (stukken 14 en 15 administratief dossier).

De bezwaarschriften werden afgewezen bij beslissing van de ambtenaar, gedelegeerd door de gewestelijk directeur van 22 juni 2011 (stuk 2 administratief dossier).

1.3. Procedure voor de eerste rechter
BVBA E.P. legde op 15 september 2011 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. De vennootschap vorderde om de aangevochten beslissing te vernietigen en om, opnieuw rechtdoende de bezwaarschriften ontvankelijk en gegrond te verklaren. De vennootschap vorderde bijgevolg om de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2006 en 2007, kohierartikelen 000761 en 000771 te annuleren, minstens de passende ontlastingen toe te staan, met bevel tot terugbetaling van alle reeds betaalde bedragen, meer moratoriuminteresten en de kosten van het geding.

De eerste rechter oordeelde dat het bericht van wijziging afdoende gemotiveerd was en dat de nieuwe aanslagen werden gevestigd op grond van dezelfde belastingelementen als de vernietigde aanslagen, zodat er geen schending was van artikel 355 WIB 1992.

Ten gronde stelde de eerste rechter vast dat de vennootschap het vruchtgebruik van het onroerend goed niet bedrijfseconomisch uitbaatte, doch het gratis ter beschikking stelde van haar zaakvoerders. Er werd niet aangetoond dat zij voor deze kosten, welke in het belang van haar zaakvoerders werden gemaakt, een juiste tegenprestatie heeft genoten. Deze kosten voldeden dan ook niet aan de vereisten van artikel 49 WIB 1992 en werden terecht als beroepskosten verworpen.

De belastingverhoging werd terecht bevonden.

De vordering van de vennootschap werd afgewezen als toelaatbaar doch ongegrond en ze werd veroordeeld tot de kosten van het geding, niet vereffend, bij gebrek aan opgave en begroting.

1.4. Procedure voor het hof van beroep
BVBA E.P., thans eiseres in hoger beroep vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus te vernietigen. De vennootschap vordert om haar oorspronkelijke verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren en om bijgevolg de directoriale beslissing van 22 juni 2011 te vernietigen, alsook om de bestreden aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslag­jaren 2006 en 2007 te vernietigen, minstens te ontheffen, met veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van alle betaalde of ingehouden bedragen, meer de moratoriuminteresten.

De vennootschap vordert ten slotte om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 1.210 EUR per aanleg.

De Belgische Staat, verweerder in hoger beroep, vordert om het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en om de vennootschap ervan af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, doch wat de rechtsplegingsvergoeding betreft deze op te schorten in afwachting van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof en bij gebreke daaraan om de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op 1.210,00 EUR.

2. Bespreking
2.1. Procedure
(…)

2.2. Ten gronde: artikel 49 WIB 1992
Overeenkomstig artikel 49 WIB 1992 zijn als beroepskosten aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken, of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

Dat de belastingplichtige de kosten heeft gedaan of gedragen tijdens het belastbare tijdperk dat liep van 1 juli 2005 tot 30 juni 2006 voor aanslagjaar 2006 en van 1 juli 2006 tot 30 juni 2007 voor aanslagjaar 2007 wordt niet betwist. De echtheid en het bedrag van de kosten staat aldus vast.

De betwisting betreft de vraag of de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

Het hof oordeelt vooreerst dat het feit dat de kosten werden gemaakt door een handelsvennootschap, niet automatisch de aftrekbaarheid ervan impliceert, ondanks het feit dat dergelijke vennootschappen uitsluitend met een winstgevend doel zijn opgericht. Vennootschappen dienen, zoals andere belastingplichtigen aan te tonen dat aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 1992 is voldaan en meer bepaald dat de kosten een noodzakelijk verband hebben met de beroepswerkzaamheid (Cass. 18 januari 2001, FJF, No. 2001/220; Cass. 19 juni 2003, TFR 2004, nr. 257, p. 256; Cass. 12 juni 2009, F.07.0083.N; Cass. 10 december 2010, F.09.0129.N, zie website van het Hof van Cassatie; GwH nr.191/2009, 26 november 2009, www.const-court.be).

De belastingplichtige kan gevolgd worden waar ze stelt dat voor de aftrekbaarheid van kosten als beroepskosten in toepassing van artikel 49 WIB 1992 niet vereist is dat de operatie, waaraan de kost is verbonden werkelijk winstgevend is geweest. Er mag dienaangaande ook geen opportuniteitsbeoordeling worden doorgevoerd door de fiscale administratie. Anderzijds vereist artikel 49 WIB 1992 wel dat de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

Onder de zinsnede dat de kosten moeten zijn gedaan of gedragen “om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden” moet worden begrepen dat de kosten noodzakelijkerwijze verband houden met de activiteit van de vennootschap (zie onder meer de rechtspraak, vermeld bij C. Chevauer, Vademecum vennootschapsbelasting 2011, Gent, Larcier, 2011, p. 88).

In hogervermeld arrest van 10 december 2010 besliste het Hof van Cassatie dat uitgaven van een rechtspersoon slechts beschouwd kunnen worden als aftrekbare beroepskosten wanneer ze noodzakelijkerwijs betrekking hebben op de maatschappelijke activiteit van de vennootschap (zie de hiervoor vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie, alsook Cass. 12 december 2003, FJF, No. 2004/425 en Cass. 9 november 2007, Fiscoloog, nr. 1104, p. 4).

Het Grondwettelijk Hof betrekt ook het maatschappelijk doel bij de beoordeling. Het Hof oordeelde immers dat het aan de rechter is om na te gaan of de uitgave is gedaan om een inkomen te verkrijgen of te behouden en of ze verband houdt met de activiteit van de vennootschap of het maatschappelijk doel ervan (GwH nr. 191/2009, 26 november 2009, BS 5 januari 2010, p. 156, voormeld; GwH 13 oktober 2010, Fiscoloog, nr.1222, p. 10).

In onderhavig geval blijkt het statutaire doel van de vennootschap bijzonder ruim (zie statuten, stuk 20 administratief dossier). Zo betreft het onder meer de import en export, aan- en verkoop, fabricatie en handel in sanitaire toestellen, kraanwerk, metalen, centrale verwarmingstoestellen en elektrische toestellen, de import, aan- en verkoop en de handel in zwembaden, whirlpools, sauna's, …, de uitbating van een carwash, het organiseren van lezingen, culturele manifestaties en media-events. De vennootschap heeft blijkens haar statuten eveneens tot doel “haar patrimonium, bestaande uit onroerende en roerende goederen, te behouden, in de ruimste zin van het woord te beheren en oordeelkundig uit te breiden”. Volgens de slotbepaling van het statutaire doel mag de vennootschap alle industriële, commerciële en financiële, roerende en onroerende verrichtingen doen die kunnen bijdragen tot het verwezenlijken van het maatschappelijk doel, met inbegrip van het deelnemen in alle ondernemingen die een gelijkaardig doel nastreven of waarvan het doel in nauw verband met het hare staat, kredieten en leningen aangaan of toestaan, zich voor derden borg stellen door haar goederen in hypotheek of in pand te geven, inclusief de eigen handelszaak.

De administratie betwist niet dat 20% van het vruchtgebruik van het onroerend goed wordt aangewend voor de professionele activiteit van de vennootschap. Dit wordt met zoveel woorden erkend in het bericht van wijziging van 5 oktober 2010 (stuk 9 administratief dossier).

De discussie betreft hier 80% van de kosten van het vruchtgebruik van het onroerend goed en dus meer bepaald de kosten met betrekking tot het deel van het onroerend goed dat gratis ter beschikking wordt gesteld van de zaakvoerders E.M. en D.O.

Er wordt niet betwist dat 80% van de woning niet gebruikt wordt voor de activiteit van de vennootschap, doch uitsluitend ter beschikking wordt gesteld als privéwoning van de zaakvoerders. Uit geen enkel gegeven blijkt dat de vennootschap huurinkomsten zou bekomen hebben van dit onroerend goed of dat de intentie voorlag om het onroerend goed voor een groter deel dan 20% voor beroepsdoeleinden aan te wenden.

Er wordt anderzijds evenmin betwist dat voor deze terbeschikkingstelling van het onroerend goed een voordeel van alle aard in aanmerking werd genomen voor de zaakvoerders, gewaardeerd in toepassing van artikel 18, § 3 KB/WIB 1992. Hiervan werden individuele fiches op naam van de zaakvoerders en een samenvattende opgave opgemaakt (bericht van wijziging van 24 februari 2009, aanvullend stuk belastingplichtige).

Het hof stelt vast dat aan het onroerend goed verbouwingswerken werden uitgevoerd op kosten van de vruchtgebruiker, hetzij de vennootschap voor een bedrag van 63.374,51 EUR, waarbij niet wordt aangetoond dat deze verbouwingswerken verband hielden met de activiteit van de vennootschap (het betrof voornamelijk de aanbouw van een veranda). Aldus nam de vennootschap niet alleen de afschrijving van het vruchtgebruik doch ook die van de verbouwingswerken ten laste en bracht die fiscaal in mindering: afschrijving van het zakelijk recht aan 11.328,80 EUR per jaar en afschrijving van de verbouwing aan 6.210,70 EUR per jaar. Verder werden 98% van alle overige kosten in verband met de woning (verwarming en elektriciteit, onroerende voorheffing, …) betaald en fiscaal in aftrek gebracht door de vennootschap. Bovendien blijkt uit de aankoopakte van het onroerend goed van 20 december 2004 dat de veranderingswerken, door de vruchtgebruiker uitgevoerd, steeds voor zijn rekening zijn en zonder vergoeding verworven zijn door de blote eigenaar, zijnde de heer E.M. en mevrouw O. Ook de onroerende voorheffing en alle andere taksen vallen volgens deze overeenkomst ten laste van de vruchtgebruiker en het is de vruchtgebruiker die zich dient te verzekeren tegen brand en andere gebruikelijk te verzekeren risico's.

Rekening houdend met het feit dat het vruchtgebruik na 20 jaar uitdooft en het onroerend goed op dat moment opnieuw volle eigendom wordt van de blote eigenaars, hetzij de heer E.M. en mevrouw O., met het feit dat de vennootschap zware kosten uitvoerde aan het onroerend goed, zonder dat dit de vennootschap of haar werking op welke wijze dan ook ten goede kwam en met het feit dat de vennootschap ook alle andere kosten van het onroerend goed ten laste nam zonder dat dit kaderde binnen de activiteit van de vennootschap, oordeelt het hof dat er in deze niet werd aangetoond dat het tot beloop van 80% van de kosten van het vruchtgebruik van het onroerend goed ging om kosten die noodzakelijk verband hielden met de beroepswerkzaamheid van de vennootschap. Het feit dat in hoofde van de zaakvoerders (de heer E.M. en mevrouw O.) een voordeel van alle aard op fiche werd vermeld van 883,73 EUR voor aanslagjaar 2006 en 899,56 EUR voor aanslagjaar 2007, kan niet tot gevolg hebben dat de kosten, door de vennootschap gedaan en gedragen verband houden met haar beroepswerkzaamheid. Er wordt in deze niet aangetoond dat de kosten werden gemaakt met het oog op het vergoeden van werkelijke prestaties, door de zaakvoerders geleverd voor de vennootschap in het kader van de maatschappelijke activiteiten van deze laatste (cf. Cass. 20 juni 2013, F.12.0058, stuk 21 administratief dossier).

De eerste rechter besliste derhalve terecht dat de vennootschap in deze tot beloop van 80% van de gemaakte kosten (afschrijvingen vruchtgebruik en verbouwingen) louter de privékosten van de blote eigenaars ten laste nam en aldus tot beloop van dit aandeel niet voldeed aan de vereisten van artikel 49 WIB 1992.

De overige argumenten kunnen dan ook worden afgewezen als zijnde niet dienstig.

(…)

Noot: 

• Bruneel, D., « De grenzen van de bezoldigingstheorie », R.A.B.G., 2015/10, p. 717-723

• Fiscale Actualiteit [Fisc.Act.] GNEDASJ, Svjatoslav; Noot 'Kost woning als vergoeding bedrijfsleider is aftrekbaar! Cassatie slaat en zalft...' 2014, nr. 43, p. 1-6.

• Tijdschrift voor Fiscaal Recht [TFR] VAN BAELEN, Katleen; Noot 'Een woning voor de bedrijfsleider? Het Hof van Cassatie schept duidelijkheid in de bezoldigingstheorie' 2015, nr. 479, p. 310-312.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 09/07/2017 - 10:35
Laatst aangepast op: zo, 09/07/2017 - 10:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.