-A +A

Betwisting van de geldigheid van de toestemming moeder bij erkenning van het vaderschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 04/01/2018

Bij het geven van toestemming door een moeder tot erkenning van een kind kan er sprake zijn van een wilsgebrek die de geldigheid van de toestemming aantast. 

Het hof derkent de jeugdige leeftijd, de wissel van relaties en de loze belofte van de vader als een mogelijke grond van dwaling. 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
316
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

[ ... ]

H.E.[ ... ] appellante

[ ... ]

tegen

1. C.F. [ ... ]

eerste geïntimeerde

2.C.C. [ ... ]

tweede geïntimeerde

[ ... ]

1. BEROEPEN VONNIS

1. Bij dagvaarding van 14 augustus 2012 initieert H.E. (028 juli 1992) een procedure tot betwisting van de vaderlijke erkenning door C.F. (01 l oktober 1990) bij de geboorte van haar kind C.C. op 23 september 2011.

H.E. stelt dat:

* C.C. het biologische kind is van S.K. (016 februari 1994), met wie zij een relatie had ten tijde van de verwekking;

* haar relatie met S.K. is verbroken vóór de geboorte van C.C.;

* zij intussen in een nieuwe relatie verkeerde met C.F., die C.C. als zijn dochter heeft erkend met de belofte om samen met de moeder in te staan voor de ouderlijke zorgen.

H.E. betwist evenwel de beweerdelijk leugenachtige erkenning door C.F. nu deze laatste zijn belofte om samen met de moeder in te staan voor de ouderlijke zorgen voor C.C. geenszins is nagekomen. H.E. stelt gelet op de voorwendsels van C.F. in de waan te hebben verkeerd van een goed vaderschap.

2. Bij vonnis van 10 januari 2013 in de zaak met AR nummer 2012/2846/A verklaart de 3d, kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering onontvankelijk, met veroordeling van H.E. tot de nader begrote gedingkosten.

ll. HOGER BEROEP

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 7 mei 2013 stelt H.E. hoger beroep in tegen het vonnis van 10 januari 2013.

Met haar hoger beroep beoogt H.E., met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van haar vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning van C.C. door C.F., desnoods na een DNAdeskundigenonderzoek.

Zij beoogt verder de veroordeling van C.F. tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

2. C.F. voert geen betwisting.

3. C.C. (bij monde van haar voogd ad hoc) neemt conclusie waarbij zij zich sceptisch opstelt en, hoe dan ook, een prealabel DNA-onderzoek aangewezen acht.

4. De procedure verloopt op tegenspraak met toepassing van artikel 747, § 2 Ger.W.

5. De zaak is (na voorgaanden) behandeld in raadkamer op de terechtzitting van 21 december 2017.

H.E. en C.F. waren daarbij ook in persoon aanwezig.

H.E. legt een verslag neer van een DNAonderzoek, vrijwillig gevoerd in het UZ te Brussel op 23 november 2017. Dit verslag van 15 december 2017 bevestigt inderdaad dat S.K. de biologische vader van e.c. is.

C.F. erkent dat hij niet de biologische vader van C.C. is en niettegenstaande de erkenning van weleer nooit een vaderrol heeft opgenomen.

Zowel C.F. als C.C. (bij monde van haar voogd ad hoc) geven aan (uiteindelijk) geen bezwaar te hebben tegen de inwilliging van (1) het hoger beroep en (2) de vordering van H.E. tot betwisting van de vaderlijke erkenning van C.C. door C.F.

Nadien heeft het hof het debat gesloten.

Het openbaar ministerie is gehoord in zijn mondeling advies (tot inwilliging van het hoger beroep en de vordering van H.E. tot betwisting van de vaderlijke erkenning van C.C. door C.F.), waarop de partijen mondeling repliceren.

Nadien heeft het hof de zaak in beraad genomen.

6. Het hof heeft het dossier van de rechtspleging en de overgelegde stukken ingezien.

III. BEOORDELING

1. Het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep van H.E. is ontvankelijk (artt. 1051, 1056, sub 2° en 1057 Ger.W.).

2. De vordering van H.E. tot betwisting van de vaderlijke erkenning van C.C. door C.F. kadert binnen artikel 330, §§ 1-2 BW.

Zij is ingesteld binnen een jaar na de geboorte van C.C. en derhalve tijdig (art. 330, § 1, vierde lid BW).

De vordering struikelt evenmin over:

* de algemene ontvankelijkheidsvoorwaarde van afwezigheid van bezit van staat ten aanzien van C.F. (art. 330, § l, eerste lid BW): het staat immers buiten kijf dat C.F. als erkenner nooit bezit van vaderlijke staat heeft gehad ten aanzien van Celeste;

* de bijzondere ontvankelijkheidsvoorwaarde aan de zijde van H.E. die als moeder haar toestemming heeft gegeven tot de vaderlijke erkenning van C.C. door C.F. (art. 329bis, § 2, eerste lid BW): anders dan de eerste rechter, is het hof immers van oordeel dat H.E. in de gegeven omstandigheden (gelet op haar jeugdige leeftijd, de wissel van relaties en de loze belofte van C.F.) dwaalde en dat derhalve aan haar toestemming een wilsgebrek kleefde (art. 330, § 1, tweede lid BW; GwH 24 september 2015, RW 2015-16, 280 en 536; zie omtrent de bedoelde bijzondere ontvankelijkheidsvoorwaarde: G. Verscheiden, Handboek Belgisch personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2016, 131-132, nrs. 282- 284).

Het hof verklaart derhalve de vordering van H.E. tot betwisting van de vaderlijke erkenning van C.C. door C.F. ontvankelijk.

3. Het hof verklaart de vordering van H.E. tot betwisting van de vaderlijke erkenning van C.C. door C.F. bovendien gegrond gelet op het tussengekomen DNA-deskundigenverslag van 15 december 2017, waarmee H.E. staaft dat S.K. de biologische vader van C.C. is (art. 330, § 2 BW; G. Verscheiden, Handboek Belgisch personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2016, 140-141, nrs. 300-301). C.F. is dus duidelijk niet de vader van C.C. (Cass. 7 mei 2007, T.Fam. 2007, 214, noot S. Audoore).

Het belang van C.C. is gediend daar waar H.E. en S.K. terug in relatie verkeren en deze relatie bovendien hebben bezegeld met een nieuwe boorling.

S.K. geeft te kennen, zodra mogelijk, tot vaderlijke erkenning van C.C. te zullen overgaan.

Op die manier kan worden verhoopt dat H.E. en S.K. met hun twee (biologische én wettelijke) kinderen, waaronder C.C., een hecht gezin zullen blijven vormen.

[ ... ]

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

[ ... ]

verklaart het hoger beroep van H.E. ontvankelijk en gegrond als volgt,

hervormt het beroepen vonnis van 10 januari 2013 als volgt,

verklaart de vordering van H.E. tot betwisting van de vaderlijke erkenning van C.C. door C.F. ontvankelijk en gegrond,

vernietigt de bij akte verleden voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Gent op 1 oktober 2011 door C.F. (met toestemming van H.E.) gedane erkenning van C.C. (023 september 2011) als zijn dochter,

zegt voor recht dat C.F. niet de juridische vader van C.C. is met alle gevolgen van dien,

beveelt de bekendmaking van deze rechterlijke beslissing (via het openbaar ministerie aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Gent) met toepassing van artikel 333 BW,

verstaat dat vooralsnog geen regeling voorligt met betrekking tot een gebeurlijke familienaamswijziging van C.C. (vgl. art. 335, § 3 BW),

[ ... ]
 

Noot: 

Sven Eggerment, Leugenachtige erkenning van een kind, NJW 2018, 318

• Y.-H. LELEU, Droit des personnes et des families, Brussel, Larcier, 2010, 615-616, nr. 657

• G. VERSCHELDEN, Handboek Belgisch Personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2016, 141, nr. 300

Rechtspraak:

• GwH 25 september 2014, nr. 2014/139; zie in

• GwH 19 maart 2015, nr. 2015/38).

• GwH 24 september 2015, nr. 2015/126)

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 17/05/2018 - 19:49
Laatst aangepast op: do, 17/05/2018 - 19:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.