-A +A

Betwisting vaderschap toch betwistbaar als het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de vader van de moeder

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Grondwettelijk hof (arbitragehof)
Datum van de uitspraak: 
don, 03/02/2011
A.R.: 
4934

Het bezit van staat betreft, in het algemeen, het genieten of het houden van (i.e. “het bezit”) een persoonsrechtelijke stand of familierechtelijke verhouding waarin iemand zich bevindt (i.e. “een staat”), alsof die staat hem ook juridisch toebehoort. Het bezit van staat, toegespitst op het afstammingsrecht, van een bepaalde vader of moeder bestaat in de feitelijke uitoefening van rechten en de vervulling van plichten die uitsluitend voortvloeien uit de ouder-kindrelatie, en dit ongeacht of het bedoelde kind een wettelijk gevestigde afstammingsband heeft ten aanzien van die vader of moeder.

Het bezit van staat impliceert zodoende een behandeling van de persoon en de feitelijke gedragingen van een andere betrokkene die wijzen in de richting van de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten inherent verbonden aan de staat in de familie, meer bepaald de afstammingsband, ongeacht de vraag of tussen die persoon en de betrokkene een juridische afstammingsband bestaat.

Art. 331nonies BW bevat een opsomming van elementen die in aanmerking komen om de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten voortvloeiend uit de ouder-kindrelatie vast te stellen. Deze opsomming heeft echter geen limitatief karakter. Het moet gaan om (naar aantal en belang) voldoende betekenisvolle feiten. De feitenconstellatie moet in haar geheel worden bekeken, zonder bepaalde feiten te kunnen isoleren. Het betekenisvolle karakter van de feiten onderstelt dat de gedragingen van de vader of moeder niet kunnen worden verklaard vanuit een andere hoedanigheid dan die van vader of moeder. Het bezit van staat moet voortdurend zijn, terwijl de diverse aanwijzingen daartoe convergerend moeten zijn. Dit betekent dat het bezit van staat niet mag worden tegengesproken door andere aanwijzingen die het bezit van staat dubbelzinnig zouden maken.

Het bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW geldt niet als absolute maar wel als relatieve grond van niet-ontvankelijkheid van een procedure tot betwisting van het vaderschap.

Bij de beoordeling van het ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW hoort bijgevolg een belangenafweging. Het bewijsrisico ligt bij de partij die de exceptie opwerpt.

Publicatie
tijdschrift: 
nog niet gepubliceerd
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rolnummer 4934
Arrest van 3 februari 2011

In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Het Grondwettelijk Hof,
wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 12 april 2010 in zake M.B. tegen N. D.G. en Mr. Christine Spiritus, advocaat, in haar hoedanigheid van voogd ad hoc over K.B., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 19 mei 2010, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek artikel 22 van de Grondwet, eventueel samen gelezen met artikel 8 E.V.R.M., doordat de vordering tot betwisting van vaderschap niet kan worden toegelaten als het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van de moeder ? ».

[...]

II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

Nadat de eiser voor het verwijzende rechtscollege ingevolge DNA-onderzoek tot de vaststelling is gekomen dat hij, de wettelijke vader, niet de biologische vader is van zijn toen tienjarige dochter, vordert hij voor de Rechtbank in rechte te bevestigen dat hij niet de vader is.

Op grond van artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek is de vordering tot betwisting van vaderschap evenwel niet toelaatbaar als het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van de moeder.

De Rechtbank stelt vast dat het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de wettelijke vader. Dat bezit van staat is ook voortdurend, zelfs als de vader zich na zijn vaststelling niet meer heeft bekommerd om het kind dat verblijft bij zijn moeder, van wie de eiser reeds vóór zijn vaststelling is gescheiden.

Het bezit van staat is evenmin dubbelzinnig, omdat er geen enkel element is dat wijst op het bezit van staat ten aanzien van een andere man die de biologische vader zou zijn. Op grond van artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek kan de vordering dan ook niet worden toegelaten.

De eiser voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is geschonden indien de Rechtbank zou besluiten tot deugdelijk bezit van staat. De Rechtbank stelt ambtshalve vast dat het in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verwoorde grondrecht ook wordt gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet.

Zij besluit dat zij op grond van artikel 26, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof de toepassing van artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek niet mag weigeren zonder vooraf de voormelde prejudiciële vraag aan het Hof te stellen.

III. In rechte

- A -
Standpunt van de eiser voor het verwijzende rechtscollege

A.1 Volgens de eiser voor het verwijzende rechtscollege houdt het bij artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezins- en privéleven, als ouder of als kind, voor elk van de betrokken personen het recht in om een gerechtelijke procedure die gevolgen kan hebben op zijn of haar gezins- of privéleven, in te leiden dan wel in een dergelijke procedure tussen te komen.

A.2 Het begrip van « bezit van staat » in artikel 331nonies van het Burgerlijk Wetboek en in het bijzonder het vereiste van het voortdurend karakter ervan, heeft ondanks de hervorming van de afstammingsregeling en de invoering van de regeling in artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, bij de wet van 1 juli 2006, geen wijziging ondergaan, wat werd bekritiseerd vanwege de talrijke toepassingsproblemen waartoe het aanleiding gaf. Precies dat rechtsbegrip verhindert, als algemene grond van niet-ontvankelijkheid, dat een vordering tot betwisting van het vaderschap op basis van de verruimde mogelijkheden van de wet, succesvol zal zijn zodra het kind een zekere leeftijd heeft bereikt zonder dat iemand in rechte is opgetreden. Aldus worden de kansen om het vaderschap te betwisten volledig uitgehold voor een welbepaalde en veel voorkomende categorie van echtgenoten, namelijk diegenen die pas na verloop van enkele jaren kennis krijgen van het feit dat zij niet de biologische vader van hun kind zijn. De echtgenoot te goeder trouw heeft dus geen daadwerkelijke kans om zijn vaderschap te betwisten, zodat de regeling artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou schenden.

A.3 Die partij laat verder gelden dat de regeling discriminerend zou zijn vermits zij een onaanvaardbaar verschil in behandeling invoert tussen echtgenoten als houders van het vorderingsrecht tot betwisting van vaderschap, naar gelang van het tijdstip waarop zij weet hadden of konden hebben van het feit dat zij niet de biologische vader zijn. De verwijzing naar de zorg voor de bescherming van de stabiliteit van de afstammingsband en het belang van het kind rechtvaardigen geenszins de absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering vermits die maatregel onevenredig is.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Znamenskaya t. Rusland van 2 juni 2005 en Shofman t. Rusland van 24 november 2005 kan immers worden afgeleid dat, ongeacht de zorg voor de bescherming van de stabiliteit van de afstammingsband en het belang van het kind, de wettelijke vader een effectieve mogelijkheid dient te worden geboden om zijn vaderschap te betwisten vanaf het ogenblik dat hij ontdekt dat hij niet de biologische vader van het kind is. Zijn vorderingsrecht is gebaseerd op gegronde redenen, die een ernstige weerslag hebben op de standvastigheid van zijn familiale relatie met de moeder van het kind en met het kind zelf, en is dus geenszins gestoeld op willekeur.

Standpunt van de voogd ad hoc

A.4 De voogd ad hoc verwijst naar de evolutie in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omtrent het gezins- en familieleven.
Uit het arrest Kroon t. Nederland van 27 oktober 1994, waarin de vordering werd ingesteld door de gehuwde moeder, vloeit volgens haar voort dat de eerbiediging van het gezins- en familieleven vereist dat de biologische en sociale werkelijkheid de voorrang krijgen boven de wettelijke regel van de vaderschapstoewijzing die, zoals in het voorliggende geval, inging tegen zowel de feiten als de wensen van alle betrokkenen.

In het arrest Znamenskaya t. Rusland van 2 juni 2005 oordeelde dat Hof dat de situatie waarbij een wettelijk vermoeden prevaleert boven de biologische en sociale werkelijkheid, zonder rekening te houden met de vaststaande feiten en de wensen van de betrokkenen en zonder dat iemand er voordeel uit haalt, niet verenigbaar is met de verplichting om een doeltreffend respect voor het privé- en gezinsleven te waarborgen.

In dezelfde zin werd de onmogelijkheid in het Russische recht om het vaderschap van de echtgenoot te betwisten na afloop van de hiervoor bepaalde termijn, onafhankelijk van het nadien gerezen besef bij de echtgenoot dat hij niet de biologische vader is, strijdig bevonden met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (arrest Shofman t. Rusland van 24 november 2005). In zijn arrest Mizzi t. Malta van 12 januari 2006 oordeelde het Hof in Straatsburg dat het vooropstellen van een vervaltermijn voor het instellen door de echtgenoot van een vordering tot betwisting van vaderschap als dusdanig niet strijdig is met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, maar dat de feitelijke onmogelijkheid naar Maltees recht voor een echtgenoot om, ondanks het DNA-bewijs dat hij niet de biologische vader is, zijn vaderschap in rechte te betwisten als gevolg van een combinatie van materieelrechtelijke beperkingen en van een strikte vervaltermijn, strijdig is met de artikelen 6.1 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Hetzelfde gold voor het feit dat de echtgenoot was onderworpen aan een strikte vervaltermijn waaraan de andere belanghebbenden, zoals het kind, niet waren onderworpen.

In dezelfde lijn, maar dan vanuit het standpunt van het kind, oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest Phinikaridout. Cyprus van 20 december 2007 dat een vervaltermijn voor het instellen van een vordering tot vaststelling van een afstammingsband die geen rekening houdt met de ontdekking van het vaderschap na afloop van die termijn, strijdig is met het voormelde artikel 8. Het Hof benadrukte dat het Verdrag tot doel heeft de rechten te waarborgen die niet theoretisch of illusoir zijn, maar praktisch en effectief.

De voogd ad hoc erkent dat krachtens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de belangen van het kind voorrang genieten op die van de biologische vader, zoals blijkt uit het arrest Yousef t. Nederland van 5 november 2002 en dat dit Hof, bij de interpretatie van die verdragsbepaling, eveneens rekening houdt met de standvastigheid van de familiale verhoudingen, maar de wettelijke vader moet een effectieve kans hebben om zijn vaderschap te betwisten vanaf het ogenblik dat hij ontdekt dat hij niet de biologische vader van het kind is.

A.5 Uit de aangehaalde rechtspraak leidt de voogd ad hoc af dat de wettelijke echtgenoot een effectieve kans tot betwisting van zijn vaderschap moet hebben indien hij ontdekt dat hij niet de biologische vader van zijn kind is. Doordat de wetgever van het deugdelijke bezit van staat van het kind ten aanzien van de echtgenoot een algemene grond van ontoelaatbaarheid van de vordering heeft gemaakt die geldt voor elk geval van vaderschapsbetwisting, worden de kansen om het vaderschap te betwisten volledig uitgehold voor een welbepaalde en veel voorkomende categorie van echtgenoten. Het Belgische afstammingsrecht biedt dan ook aan de echtgenoot die zich als vader heeft gedragen zonder, geheel te goeder trouw, kennis te hebben van het feit dat hij niet de biologische vader is, nog steeds geen daadwerkelijke kans om zijn vaderschap te betwisten, wat volgens de voogd ad hoc niet bestaanbaar is met artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Noch de standvastigheid van de familiale relaties, noch het belang van het kind kunnen te dezen worden aangevoerd. De eiser is immers gescheiden van de moeder van het kind van wie hij zijn vaderschap betwist en ook met het kind zelf heeft hij blijkbaar geen contact meer. Het kind zelf heeft er overigens ook geen belang bij dat haar een juridische vader wordt opgedrongen die niet haar biologische vader is en die blijkbaar geen contact meer met haar wil, zelfs in de hypothese dat de biologische vader zijn vaderschap (nog) niet opeist.

Standpunt van de Ministerraad

A.6 De Ministerraad wijst allereerst op de ratio legis van de afstammingswetgeving sedert 1987, die onder meer tot doel had de bestaande discriminaties tussen kinderen op te heffen, de discretie te verzekeren met betrekking tot hun afstamming en de gelijkheid van allen inzake afstamming te verwezenlijken door een vollediger benadering van de biologische werkelijkheid, zonder de socio-affectieve verwantschap daaraan op te offeren. De wet van 1 juli 2006 waarbij onder meer de in het geding zijnde tekst van artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek werd ingevoerd, behield het evenwicht tussen de biologische en de affectieve waarheid, dat een belangrijke vector uitmaakt van het belang van het kind. Die regeling integreert het begrip van een ouderlijk project, zelfs indien dit vreemd kan zijn aan de genetische werkelijkheid.

Het bezit van staat van het kind ten aanzien van de echtgenoot is een grond van niet-ontvankelijkheid voor elke vordering tot betwisting van vaderschap, in de eerste plaats tegenover diegene die het biologische vaderschap zou opeisen. Geen enkele van de door artikel 318, § 1, bedoelde personen zou aldus een ontvankelijke betwisting van vaderschap van de echtgenoot kunnen indienen indien er een socio-affectieve band bestaat tussen de echtgenoot en het kind, met andere woorden indien de wettelijke afstamming ten aanzien van de echtgenoot van de moeder aldus wordt beleefd. Aldus wou de wetgever de stabiliteit van de afstamming van het kind verzekeren zodat de persoon die wettelijk wordt erkend als de vader, niet door zijn wil de afstamming van het kind zou kunnen verstoren.

De wetgever heeft aldus de beleefde afstamming willen doen primeren op de biologische band en de afstammingsband willen beschermen wanneer het vermoeden van vaderschap samengaat met het bezit van staat. Aldus wou de wetgever vermijden aan het kind een nieuw vaderschap op te dringen dat is gegrond op de biologische band die het socio-affectieve vaderschap uitgeoefend door de echtgenoot van de moeder zou vervangen.

A.7 Volgens de Ministerraad identificeert de verwijzende rechter niet tussen welke categorieën van personen de in het geding zijnde bepaling een verschil in behandeling zou invoeren. Dat verschil ontwaart de Ministerraad alvast niet vermits de vordering tot betwisting van vaderschap van om het even welke houder van die vordering onontvankelijk zal zijn indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van de moeder.

De Ministerraad wijst tevens op de vroegere rechtspraak van het Hof over het oude artikel 318, § 3, van het Burgerlijk Wetboek en meent dat de daarin vervatte motivering kan worden doorgetrokken ten aanzien van de thans ter discussie staande regeling. Het Hof heeft in die rechtspraak immers de stabiliteit van het kind centraal gesteld door het te beschermen tegen elke maatregel van binnen en van buiten de familiale cel. De rust der families kon worden beschermd door de zoektocht naar de biologische waarheid te beperken.

Volgens de Ministerraad dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beoordeeld. De wetgever heeft gewild dat de afstamming die het kind met één van zijn ouders verbindt, stabiel blijft en niet zou worden gewijzigd naar de willekeur van de houders van het vorderingsrecht tot betwisting van het vaderschap van de echtgenoot. Het zou immers niet in het belang van het kind zijn om via die vordering zijn afstamming van vaderszijde teniet zien te worden gedaan, terwijl hij met zijn wettelijke vader een affectieve relatie heeft.

Die situatie zou immers nadelig zijn voor het kind, aangezien in de hypothese dat enkel zijn wettelijke vader zijn vaderschap betwist, het kind aldus een door de wet ingestelde afstamming zou worden ontzegd.

A.8 De Ministerraad acht de in het geding zijnde regeling in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat oordeelde immers dat de eerbiediging van het gezins- en familieleven vereist dat de biologische en de sociale werkelijkheid de voorrang krijgen boven de wettelijke regeling van de vaderschapstoewijzing die inging tegen zowel de vastliggende feiten als tegen de wensen van alle betrokkenen (arrest Kroon t. Nederland, voormeld, § 40; arrest Znamenskaya t. Rusland, voormeld, § 31).
 
De keuze van de wetgever om voorrang te geven aan het affectieve en sociaal verworvene, geconcretiseerd door het bezit van staat, boven de biologische werkelijkheid, maakt dus geen schending uit van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Wettelijk vermoeden en sociale werkelijkheid - door bezit van staat - komen hier immers overeen.

De Ministerraad beklemtoont dat, niettegenstaande het belang dat het verleent aan de biologische werkelijkheid, het Hof te Straatsburg, in het belang van het kind, de affectieve werkelijkheid niet verwaarloost, zoals blijkt uit het arrest Nylund t. Finland van 29 juni 1999. In dat perspectief is de affectieve relatie die wordt aangetoond door het bezit van staat, belangrijker dan de biologische werkelijkheid. Het belang van het kind is in ieder geval cruciaal in dergelijke betwistingen. Dat belang kan volgens zijn aard en zijn ernst de overhand hebben op het belang van de ouders, wat overigens ook blijkt uit de rechtspraak van het Hof (arrest nr. 138/2000 van 21 december 2000, B.8).

A.9 Indien de vordering zoals te dezen gegrond zou worden verklaard, zou dit tot gevolg hebben dat het kind, dat rechtstreeks betrokken is en ten aanzien van wie de afstammingsband reeds elf jaar vaststaat, zich één van zijn afstammingsbanden zou zien ontzeggen omdat volgens zijn wettelijke vader de biologische werkelijkheid moet zegevieren over de affectieve werkelijkheid. Daardoor wordt het kind de stabiliteit ontzegd die noodzakelijk is voor het belang van het kind of de vrede van de families.

Indien een vordering tot betwisting van vaderschap in alle omstandigheden zou zijn toegelaten, zou dit verwoestende gevolgen hebben voor het kind en zijn welzijn, vermits het elk aanknopingspunt binnen de familie zou verliezen en gedestabiliseerd zou worden. De beleefde afstamming is bijgevolg een menselijke werkelijkheid die rechtsbescherming verdient. Zij alleen laat toe een familie tot stand te brengen, een cel waarbinnen het kind zich integreert en affectie vindt en de onmisbare zorg voor zijn ontplooiing geniet.

A.10 De Ministerraad voegt eraan toe dat hieruit niet kan worden besloten dat de socio-affectieve werkelijkheid in alle gevallen de bovenhand moet hebben op de biologische werkelijkheid. Hij maakt daarbij het onderscheid tussen het onderzoek naar de moederlijke of de vaderlijke afstamming, en de betwisting van het vaderschap of het moederschap.

Men kan immers beter met de biologische werkelijkheid rekening houden in het eerste geval omdat het kind zich een nieuwe afstammingsband zal zien toekennen die het voordien niet bezat. Dat geldt niet bij de betwisting van vaderschap waarbij de affectieve beleving niet in het geding mag worden gebracht omdat de wil en het ouderlijke engagement een band tot stand hebben gebracht die overeenstemt met het belang van het kind en een rechtmatige grondslag van de afstamming uitmaakt. Het bezit van staat, dat wordt omschreven in artikel 331nonies van het Burgerlijk Wetboek, is dan ook een legitieme grond van niet¬ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vaderschap van de wettige echtgenoot. Dat dit bezit van staat ondubbelzinnig moet zijn, betekent helemaal niet dat het moet overeenstemmen met de biologische werkelijkheid noch dat het vervalt bij de bedrieglijke verberging ervan.

- B -

B.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt :
« Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist ».
Met betrekking tot het bezit van staat bepaalt artikel 331nonies van het Burgerlijk Wetboek :
« Het bezit van staat moet voortdurend zijn.

Het wordt bewezen door feiten die te samen of afzonderlijk de betrekking van afstamming aantonen.
Die feiten zijn onder meer :
- dat het kind altijd de naam heeft gedragen van degene van wie wordt gezegd dat het afstamt;
- dat laatstgenoemde het als zijn kind heeft behandeld;
- dat die persoon als vader of moeder in zijn onderhoud en opvoeding heeft voorzien; - dat het kind die persoon heeft behandeld als zijn vader of moeder;
- dat het als zijn kind wordt erkend door de familie en in de maatschappij;
- dat de openbare overheid het als zodanig beschouwt ».

B.2. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met artikel 22 van de Grondwet, eventueel in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de vordering tot betwisting van vaderschap niet kan worden toegelaten als het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van de moeder.

B.3.1. Artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek regelt de mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van het vaderschap van de echtgenoot van de moeder van het kind. Het vermoeden van vaderschap is ingesteld in artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek. Binnen de in paragraaf 2 van artikel 318 bepaalde termijnen - die verschillen naar gelang van de vorderingsgerechtigden - staat de vordering enkel open voor de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.

De mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is evenwel onderworpen aan een beperking : de vordering is - voor alle vorderingsgerechtigden - onontvankelijk wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

B.3.2. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 318 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat aanvankelijk geen eensgezindheid leek te bestaan over de vraag of het bezit van staat elke betwisting van de afstamming onmogelijk diende te maken, onder meer omdat dit begrip niet noodzakelijk samenvalt met het begrip « belang van het kind », en omdat de opvattingen over de familievrede, die het wil beschermen, snel evolueren (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/024, pp. 60-62). Na uitvoerig overleg binnen de subcommissie Familierecht van de Commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de wetgever gemeend het « bezit van staat » als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te moeten invoeren.

Het daartoe strekkende amendement, dat aan de basis ligt van de in het geding zijnde bepaling, werd als volgt verantwoord :
« Ten eerste beoogt het voorgestelde amendement degenen die een vordering mogen instellen te beperken tot de personen die daadwerkelijk belanghebbenden zijn, namelijk de echtgenoot, de moeder, het kind en de persoon die het vaderschap of het moederschap van het kind opeist.
Vervolgens lijkt het ons nodig de gezinscel van het kind zoveel mogelijk te beschermen door eensdeels het bezit van staat te behouden die overeenstemt met de situatie van een kind dat door iedereen werkelijk als het kind van zijn ouders wordt beschouwd, ook al strookt dat niet met de biologische afstamming, en anderdeels door termijnen te bepalen voor het instellen van de vordering » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-0597/026, p. 6, en DOC 51-0597/032, p. 31).

Het was derhalve de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om de afstammingsband beter te beschermen, enerzijds, door het bezit van staat te behouden en anderzijds, andere derden, zoals grootouders, te beletten om op te treden (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3- 1402/7, p. 4). Nadat binnen de Senaatscommissie voor de Justitie bij die uitgangspunten vraagtekens werden geplaatst, onder meer met betrekking tot de interpretatieproblemen waartoe het begrip « bezit van staat » aanleiding kon geven, bevestigde de minister van Justitie dat de Kamer niet heeft overwogen de regels inzake het « bezit van staat » te wijzigen :
« Het ontwerp wijzigt reeds een groot aantal regels, en ook al rijzen er bij de toepassing van het begrip soms problemen, toch hoeft dit niet te worden aangepast.

De wetgever heeft er in 1987 voor gekozen het begrip te behouden om ervoor te zorgen dat de biologische waarheid het niet altijd wint van de sociaal-affectieve realiteit. Deze keuze moet behouden blijven en het bezit van staat hoeft dus niet te worden aangepast » (Parl. St., Senaat, 2005- 2006, nr. 3-1402/7, p. 9).

B.4 Het Hof dient artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek te toetsen aan artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

B.5 De wettelijke regeling van de relatie van de vader tot het kind dat is geboren binnen het huwelijk, raakt het privéleven van de vader (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102). De uitdrukking « eenieder » in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens slaat zowel op het kind als op zijn vermoedelijke vader (EHRM, 6 juli 2010, Grönmark t. Finland, § 48).

De in het geding zijnde regeling van betwisting van het vermoeden van vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.6 Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven.

Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet sluit, evenmin als artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereist dat erin is voorzien in een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden bovendien de positieve verplichting in voor de overheid om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen van individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e. a. t. Nederland, § 31).

B.7 De wetgever beschikt over een appreciatiemarge om bij de uitwerking van een wettelijke regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34).
Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn.

Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. Die belangenafweging moet ertoe leiden dat de biologische en sociale werkelijkheid primeert op een wettelijk vermoeden indien dit laatste frontaal ingaat tegen de vastgestelde feiten en de wensen van de betrokkenen, zonder dat het iemand een tastbaar voordeel oplevert (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e. a. t. Nederland, § 40; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 44; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 113).

B.8 Het mogelijk belang van het kind om het « bezit van staat » te genieten van kind van de echtgenoot van de moeder, mag het niet halen op het legitieme recht van deze laatste om ten minste één gelegenheid te krijgen om het vaderschap te betwisten van een kind dat op grond van wetenschappelijke bewijzen, niet van hem is. Het geval waarin een wettelijk vermoeden voorrang krijgt op de biologische werkelijkheid is niet bestaanbaar met de verplichting een daadwerkelijk respect voor het privé- en gezinsleven te waarborgen, zelfs rekening houdend met de appreciatiemarge waarover de wetgever beschikt (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, §§ 112 en 113).

Het feit dat iemand nooit werd toegelaten zijn vaderschap te betwisten ten aanzien van zijn kind, werd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens niet evenredig geacht met de nagestreefde doelstellingen, omdat aldus geen billijk evenwicht tot stand is gebracht tussen het algemeen belang van de bescherming van de rechtszekerheid van de familiale banden en het recht van de betrokkene om een heronderzoek te verkrijgen van het wettelijk vermoeden van vaderschap in het licht van de biologische bewijzen (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 114).

B.9 De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

B.10 Door het « bezit van staat » als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de echtgenoot van de moeder die te goeder trouw het socio-affectieve vaderschap heeft opgenomen, op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om zijn vaderschap te betwisten omdat zijn handelen te goeder trouw precies heeft bijgedragen tot de totstandkoming van de feiten die de criteria uitmaken van het bezit van staat.

Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de vaststaande feiten en de belangen van alle betrokken partijen.
Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen, en derhalve niet bestaanbaar met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.11. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 318, § 1, van het Burgerlijk Wetboek schendt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van de moeder.
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 februari 2011.
 

Noot: 

Gerd Verschelden, Betwisting huwelijk vaderschap niet langer ontoelaatbaar bij bezit van staat, De Juristenkrant 224, pagina 1.

Overige rechtspraak

• Cassatie 07/04/2017, RW 2017-2018, 940, met noot Salomez Bezit van staat en het Hof van Cassatie

samenvatting

Overeenkomstig art. 318, § 1 BW, zoals van toepassing vóór 1 september 2014, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap opeist, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

De wetgever heeft met art. 318, § 1 BW in een algemene grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering willen voorzien indien de rechter het bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot vaststelt.

Uit een grondwetconforme lezing van art. 318, § 1 BW, zoals opgevat door het Grondwettelijk Hof (arrest 09/07/2013, juridat), volgt dat de daarin bepaalde grond van niet-ontvankelijkheid wegens het bezit van staat geen absoluut karakter heeft en dat de rechter, rekening houdende met de belangen van alle betrokken partijen, in het bijzonder met die van het kind, hierop een uitzondering kan maken.

Tekst arrest

AR nr. C.15.0379.N

B.G. t/ L.P. en E.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, familiekamer, van 12 mei 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel in zijn geheel

1. Het arrest oordeelt niet-bekritiseerd dat eerste verweerders oorspronkelijke vordering tot vaderschapsbetwisting ontvankelijk is.

2. Overeenkomstig art. 318, § 1 BW, zoals van toepassing vóór 1 september 2014, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap opeist, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

De wetgever heeft met art. 318, § 1 BW in een algemene grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering willen voorzien indien de rechter het bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot vaststelt.

3. In zijn arrest nr. 105/2013 van 9 juli 2013 dat in de zaak onder handen is uitgesproken, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat art. 318, § 1 BW art. 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 EVRM, schendt, in zoverre de vordering tot betwisting van het vaderschap door de man die het vaderschap van het kind opeist, niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder.

Het Grondwettelijk Hof overwoog daarbij:

«B.7. De wetgever beschikt over een appreciatiemarge om bij de uitwerking van een wettelijke regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (...).

«Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd: opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (...), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen.

«B.8. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

«B.9. Door het «bezit van staat» als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de man die het vaderschap opeist op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om het vermoeden van vaderschap van een andere man, ten aanzien van wie het kind bezit van staat heeft, te betwisten. Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen, en derhalve niet verenigbaar met art. 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 EVRM.»

4. Uit een grondwetconforme lezing van art. 318, § 1 BW, zoals opgevat door het Grondwettelijk Hof, volgt dat de daarin bepaalde grond van niet-ontvankelijkheid wegens het bezit van staat geen absoluut karakter heeft en dat de rechter, rekening houdende met de belangen van alle betrokken partijen, in het bijzonder met die van het kind, hierop een uitzondering kan maken.

5. Het middel dat in zijn drie onderdelen ervan uitgaat dat het bezit van staat nooit een grond van niet-ontvankelijkheid uitmaakt, zodat elke rechterlijke controlemogelijkheid op het belang van het kind dat de volle leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, ontbreekt wanneer de moeder zich niet tegen de vaderschapsbetwisting verzet, en dat er verder van uitgaat dat bij gebrek aan de mogelijkheid voor de echtgenoot-vader om verzet aan te tekenen, laatstgenoemde geen gelegenheid heeft om het belang van het kind in te roepen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt naar recht.

...

C.15.0379.N
Conclusie van advocaat-generaal A. Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Eerste verweerder stelde een vordering in tot betwisting van het vaderschap van eiser over het jongste kind uit diens huwelijk met tweede verweerster, en tot vaststelling van zijn eigen vaderschap over dit kind.

2. Bij tussenarrest werd door het hof van beroep te Brussel, alvorens verder recht te doen, aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld omtrent de verenigbaarheid van de exceptie van bezit van staat ex artikel 318, §1, BW met artikel 22 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM.

3. Bij arrest van 9 juli 2013(1) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 318, §1, BW artikel 22 Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM, in zoverre de vordering tot betwisting van het vaderschap ingesteld door de man die het vaderschap van het kind opeist, niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft t.a.v. de echtgenoot van zijn moeder.

4. In het bestreden eindarrest werd de vordering van eerste verweerder tot betwisting van het vaderschap van eiser ontvankelijk en gegrond verklaard, en werd voor recht gezegd dat niet eiser maar eerste verweerder de vader is van het kind.

5. Tegen deze beslissing voert eiser een enig middel tot cassatie aan dat op drie onderdelen berust.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.

1. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht verantwoordt, in zoverre het oordeelt dat het bij de beoordeling van de vordering tot vaderschapsbetwisting geen belangenafweging kan doorvoeren en in het bijzonder geen rekening kan houden met het belang van het kind, terwijl bij een grondwetsconforme interpretatie van de artikelen 315, 318, 332quinquies en 331sexies BW het belang van het kind wel in aanmerking dient te worden genomen.

2. Een en ander zou volgens eiser ook een ongelijke behandeling betreffen (tweede onderdeel) en in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel (derde onderdeel), op basis waarvan hij uw Hof verzoekt drie prejudiciële vragen voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof.

3. In de voorliggende betwisting verklaren de appelrechters de vordering van eerste verweerder ontvankelijk en gegrond.

4. In zoverre met de memorie van antwoord van eerste en tweede verweerders moet worden vastgesteld dat eiser in deze niet opkomt tegen de overwegingen betreffende de ontvankelijkheid van de vordering, maar enkel tegen de overwegingen betreffende de gegrondheid ervan, rijst m.i. dan ook de vraag wanneer de rechter het belang van het kind eventueel had in aanmerking moeten nemen: is dit bij de (niet aangevochten) ontvankelijkheidsbeoordeling, dan wel bij de beoordeling ten gronde?(2)

5. In verschillende arresten heeft het Grondwettelijk Hof(3) in zijn beschikkend gedeelte geoordeeld dat artikel 318, §1, BW artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM, schendt in zoverre de vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft t.a.v. de echtgenoot van de moeder.

6. Waar het beschikkend gedeelte van deze arresten ruim en ongenuanceerd wordt geformuleerd, geeft deze formulering in de rechtsleer aanleiding tot verschillende strekkingen.

7. In de mate dat uit de overwegingen van het Grondwettelijk Hof wordt afgeleid dat het belang van het kind primeert, is een eerste strekking van oordeel dat het bezit van staat niet langer een grond van niet-ontvankelijkheid is, maar dat de rechter het bezit van staat (en van andere elementen, zoals het belang van het kind) in rekening moet brengen bij de beoordeling ten gronde, nu een afweging van de belangen in concreto enkel op het niveau van de beoordeling van de gegrondheid zou kunnen spelen(4).

8. In zoverre deze opvatting een ruime interpretatie geeft aan de arresten van het Grondwettelijk Hof, is dit naar mijn mening echter niet terug te vinden in de (meeste) arresten van het Hof. Zo stelt het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 7 maart 2013 (nr. 30/2013, B.7) weliswaar dat de wetgever bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming de bevoegde overheden de mogelijkheid dient te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen -wat lijkt te impliceren dat er steeds een belangenafweging mogelijk moet zijn-, maar in latere arresten worden deze bewoordingen door het Hof niet hernomen, en stelt het enkel in algemene bewoordingen dat de absolute grond van niet-ontvankelijkheid belet dat de rechter een mogelijkheid heeft om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen(5).

9. Bovendien kan er gewezen worden op een arrest van het Grondwettelijk Hof van 20 maart 2014 (nr. 48/2014, B.10) i.v.m. de vaststelling van het vaderschap, waarbij het Hof uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat de wetgever weliswaar bij het uitwerken van een regeling inzake afstamming de bevoegde overheden in beginsel de mogelijkheid dient te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen (...), maar dat beginsel geen absoluut karakter heeft, waarmee het Hof dan weer lijkt aan te geven dat een concrete belangenafweging niet in elke procedure vereist is. Een algemene regel dat er steeds een belangenafweging ten gronde moet zijn, kan hieruit m.i. aldus niet worden afgeleid: het gaat veeleer om het aanvaarden van een mogelijkheid tot afwijking van de te rigide regels van de wetgever, indien dit vereist is in de concrete omstandigheden van de zaak.

10. Daartegenover staat het arrest van 26 november 2015 (nr. 168/2015, B. 10) i.v.m. artikel 330, §1, eerste lid, BW inzake het bezit van staat als absolute grond van niet-ontvankelijkheid voor de erkenning, waarbij het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk stelt dat voor de rechter (aldus) geen enkele mogelijkheid bestaat om ten gronde rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen, wat dan toch lijkt te impliceren dat er een in concreto afweging ten gronde moet zijn (hoewel dat niet het voorwerp van de prejudiciële vraag was, dat enkel over de grond van niet-ontvankelijkheid ging)(6). In de arresten van 19 september 2014 (nr. 127/2014) en van 12 maart 2015 (nr. 35/2015) had het Grondwettelijk Hof i.v.m. artikel 330, §1, eerste lid, BW echter de "gebruikelijke" formulering gehanteerd i.v.m. de absolute onontvankelijkheid van het bezit van staat, in de mate dat aldus voor de rechter geen enkele mogelijkheid bestaat om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

11. Ook weze opgemerkt dat in het (meest recente) arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 februari 2016 (de zaak Delphine Boël) betreffende artikel 318 BW (waarin het kind het vaderschap betwistte), het Hof, benevens de "gebruikelijke" formulering, uitdrukkelijk vermeldt dat het aanvoeren van een grond van niet-ontvankelijkheid (...) er immers toe leidt dat de rechter op absolute wijze wordt verhinderd rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. Het Hof lijkt in dit arrest dus aan te geven dat het bezit van staat zelfs niet als onontvankelijkheidsgrond mag worden aangevoerd -omdat de rechter dan geen rekening kan houden met de belangen- zodat de belangenafweging waarnaar het Hof verwijst dan ook enkel ten gronde lijkt te kunnen gebeuren.
In zoverre de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dus niet eenduidig is (slechts twee arresten lijken als dusdanig naar een afweging ten gronde te verwijzen: GwH 26 november 2015 en 3 februari 2016) en ook de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geenszins verplicht tot een concrete belangenafweging in elke afstammingsprocedure(7), lijkt het mij vanuit voormelde benadering dan ook aangewezen om de gevolgen van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof veeleer strikt te interpreteren, en komt een verregaande interpretatie alsof een belangenafweging ten gronde in elke afstammingsprocedure steeds vereist is, alleszins niet opportuun over(8).

12. Een andere strekking argumenteert dan ook voor een minder verregaande gevolgtrekking van de arresten van het Grondwettelijk Hof en wijst er op dat uit de overwegingen blijkt dat het Hof veeleer problemen heeft met het absolute karakter van de onontvankelijkheid van de vordering ingevolge het bestaan van het bezit van staat, omdat er op die wijze voor de rechter geen enkele mogelijkheid bestaat om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. De beoordelingsvrijheid van de rechter die uit de arresten van het Grondwettelijk Hof voortvloeit, is volgens die doctrine dan ook beperkt tot de absolute aard van de niet-ontvankelijkheid(9): de rechter moet kunnen oordelen of uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen dat er van de principiële grond van niet-ontvankelijkheid wordt afgeweken. Hij moet na het vaststellen van het bezit van staat derhalve nagaan of dit bezit van staat in de gegeven omstandigheden de onontvankelijkheid van de vordering rechtvaardigt. Hierbij mag hij alle belangen van partijen betrekken(10). Hoewel sommige auteurs de afwijking (m.b.t. het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden) n.a.v. het arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 februari 2011 (nr. 20/2011) nog restrictief opvatten (zoals enkel in het geval dat de eiser-echtgenoot niet wist of behoorde te weten dat er twijfels waren over het biologische vaderschap)(11), kan deze restrictie m.i. niet worden volgehouden na de overige arresten, gewezen in de verschillende hypothesen, en geeft het Grondwettelijk Hof daarin veeleer aan dat de rechter alle belangen moet betrekken in zijn beoordeling.

13. Ofschoon deze laatste strekking minder goed aansluit bij de bewoordingen van de hierboven reeds geciteerde arresten van 26 november 2015 en 3 februari 2016 van het Grondwettelijk Hof, leunt deze opvatting dan weer wel het beste aan bij de overwegingen van het Grondwettelijk Hof van 9 juli 2013 (nr. 105/2013, B. 7-9), waarin gesteld wordt dat de appreciatiemarge van de wetgever evenwel niet onbegrensd is: opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn(...), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

Door het bezit van staat als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de man die het vaderschap opeist op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om het vermoeden van vaderschap van een andere man, t.a.v. wie het kind bezit van staat heeft, te betwisten. Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

14. Hoewel het in de context van de hierboven ontwikkelde stellingen aldus geenszins duidelijk is of de belangenafweging waarop het Grondwettelijk Hof alludeert zich op het niveau van de ontvankelijkheid dan wel ten gronde dient af te spelen, staat het mij, vanuit een derhalve restrictieve interpretatie (zoals hierboven toegelicht) van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dan ook voor dat uit een grondwetsconforme lezing van artikel 318, §1, BW volgt dat de daarin bepaalde grond van niet-ontvankelijkheid wegens bezit van staat geen algemeen karakter heeft, en dat het middel aldus uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting waar het stelt dat iedere rechterlijke controlemogelijkheid op het belang van het niet-ontvoogde kind beneden de volle leeftijd van twaalf jaar ontbreekt, aangezien de rechter na de vaststelling van het bezit van staat t.a.v. de echtgenoot-vader een oordeel moet vellen of er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat er van de grond van niet-ontvankelijkheid wordt afgeweken. Het middel gaat eveneens uit van een verkeerde rechtsopvatting in zoverre het aangeeft dat het bezit van staat geen ontvankelijkheidsgrond meer is en in zoverre het ervan uitgaat dat de echtgenoot-vader het belang van het kind niet kan aanvoeren: hij kan dit wel, met name bij de beoordeling of in de voorgelegde zaak een uitzondering dient te worden gemaakt op het principe van onontvankelijkheid ingevolge het bezit van staat.

15. Het middel lijkt mij dan ook te falen naar recht.
(...)

III. CONCLUSIE: VERWERPING.
___________________
(1) GwH 9 juli 2013, nr. 105/2013.
(2) Zie ook Cass. 7 oktober 2016, AR C.15.0533.N, AC 2016, nr. ..., met concl. OM.
(3) GwH 3 februari 2011, nr. 20/2011; 9 juli 2013, nr. 105/2013; 7 november 2013, nr. 147/2013, en 3 februari 2016, nr. 18/2016. Vergelijk met de oude regelgeving: GwH 7 juli 2011, nr. 122/2011.
(4) J. SOSSON, Cour constitutionnelle, filiation et intérêt de l'enfant, in Actualités de droit des personnes et des familles, CUP, 2013, 121.
(5) GwH 9 juli 2013 (nr. 105/2013) en 7 november 2013 (nr. 147/2013).
(6) Zie o.m. N. GALLUS en A. VAN GYSEL, Les décisions récentes de la Cour Constitutionnelle en matière de filitation, RNB 2013, 387.
(7) T. WUYTS, Het bezit van staat mag de betwisting van het juridische vaderschap niet op absolute wijze verhinderen, T. Fam. 2013, 225-228, nrs 13, 14 en 19; G. VERSCHELDEN, De hervorming van het afstammingsrecht door het Grondwettelijk Hof, in Ouders en kinderen, Intersentia, 2013, 68, nr. 82; N. GALLUS en A. VAN GYSEL, Les décisions récentes de la Cour Constitutionnelle en matière de filiation, RNB 2013, 376-385; EHRM (Ahrens t. Duitsland), 22 maart 2012, en EHRM (Kautzur t. Duitsland), 22 maart 2012.
(8) J. SOSSON, "Cour Constitutionnelle, filiation et intérêt de l'enfant" in Actualités de droit des personnes et des familles, CUP, 2013, 122-123; G. VERSCHELDEN, "Pleidooi voor een hervorming van het afstammingsrecht", T.Fam. 2015, 57, nr. 8; G. VERSCHELDEN, "Het belang van het kind in het komende afstammingsrecht: considerans voor de wetgever, niet voor de rechter", T.Fam. 2013,98 -99. N GALLUS en A.VAN GYSEL, "Les décisions récentes de la Cour Constitutionnelle en matière de filiation", RNB 2013, 404-405; Anders: V. MAKOW, "Détricotage constitutionnel du droit de la filiation stimulé par une juridiction de fond", JLMB 2013, 413; Y.H. LELEU, "Le nouveau droit judiciaire de la filiation", TEP 2013, 6, nr. 5; A.C. RASSON en G. MATHIEU, "Les fins de non-recevoir en matière de filiation: entre verrous absolus et verrous relatifs. Etude de trois derniers arrêts de la Cour constitutionnelle", JT 2013, 436.
(9) F. SWENNEN, Afstamming en Grondwettelijk Hof, RW 2011-12, 1107-1108; F. SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2015, nr. 758.
(10) Y. H. LELEU, Le nouveau droit judiciaire de la filiation, TEP 2013, 2, nr. 2.
(11) F. SWENNEN, Afstamming en Grondwettelijk Hof, RW 2011-12, 1107.

• Hof van Beroep Gent, 19 maart 2015, RW 2016-2017, 1146

samenvatting

Het bezit van staat betreft, in het algemeen, het genieten of het houden van (i.e. “het bezit”) een persoonsrechtelijke stand of familierechtelijke verhouding waarin iemand zich bevindt (i.e. “een staat”), alsof die staat hem ook juridisch toebehoort. Het bezit van staat, toegespitst op het afstammingsrecht, van een bepaalde vader of moeder bestaat in de feitelijke uitoefening van rechten en de vervulling van plichten die uitsluitend voortvloeien uit de ouder-kindrelatie, en dit ongeacht of het bedoelde kind een wettelijk gevestigde afstammingsband heeft ten aanzien van die vader of moeder.

Het bezit van staat impliceert zodoende een behandeling van de persoon en de feitelijke gedragingen van een andere betrokkene die wijzen in de richting van de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten inherent verbonden aan de staat in de familie, meer bepaald de afstammingsband, ongeacht de vraag of tussen die persoon en de betrokkene een juridische afstammingsband bestaat.

Art. 331nonies BW bevat een opsomming van elementen die in aanmerking komen om de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten voortvloeiend uit de ouder-kindrelatie vast te stellen. Deze opsomming heeft echter geen limitatief karakter. Het moet gaan om (naar aantal en belang) voldoende betekenisvolle feiten. De feitenconstellatie moet in haar geheel worden bekeken, zonder bepaalde feiten te kunnen isoleren. Het betekenisvolle karakter van de feiten onderstelt dat de gedragingen van de vader of moeder niet kunnen worden verklaard vanuit een andere hoedanigheid dan die van vader of moeder. Het bezit van staat moet voortdurend zijn, terwijl de diverse aanwijzingen daartoe convergerend moeten zijn. Dit betekent dat het bezit van staat niet mag worden tegengesproken door andere aanwijzingen die het bezit van staat dubbelzinnig zouden maken.

Het bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW geldt niet als absolute maar wel als relatieve grond van niet-ontvankelijkheid van een procedure tot betwisting van het vaderschap.

Bij de beoordeling van het ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW hoort bijgevolg een belangenafweging. Het bewijsrisico ligt bij de partij die de exceptie opwerpt.

Tekst arrest

D. en C. t/ M. en D.

...

I. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 24 mei 2012 (...) gaat de derde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde in op de bij dagvaarding van 28 december 2011 geïnitieerde vordering van Steven M. tot ontkenning van het vaderschap van Lars D. ten aanzien van Seth D. De rechtbank verleent akte aan de voogd ad hoc van diens vrijwillige tussenkomst tot vertegenwoordiging van Seth D., gelet op de belangentegenstelling tussen dit minderjarige kind (o25 oktober 2011) en zijn moeder, Shari C. Vooraleer ten gronde op voormelde (ontvankelijke) vordering in te gaan, beveelt de rechtbank een deskundigenonderzoek om na te gaan of Steven M. kan worden beschouwd als de biologische vader van Seth D.

...

2. Het deskundigenonderzoek loopt, waarbij Steven M., Shari C. en Seth D. bij brief van de deskundige van 21 juni 2012 worden uitgenodigd in het UZ te Brussel/Jette op 3 juli 2012 voor een bloedafname respectievelijk een wanguitstrijkje op 3 juli 2012.

Blijkbaar weigert Shari C. haar medewerking te verlenen.

...

II. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 7 maart 2013 stellen Lars D. en Shari C. hoger beroep in tegen het voormelde vonnis van 24 mei 2012.

Zij beogen de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van Steven M. tot ontkenning van het vaderschap van Lars D. als niet-ontvankelijk, zo nodig na een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

2. Steven M. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

3. Seth D. neemt (eveneens) conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

III. Beoordeling

1. Het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep is ontvankelijk.

2. Seth D. is geboren op 25 oktober 2011 als zoon van Shari C. Shari C. was ten tijde van deze geboorte gehuwd met Lars D. en is dit nog steeds. Lars D. en Shari C. huwden op 30 juni 2007. Met toepassing van art. 315 BW fungeert Lars D. als (juridische) vader van Seth D., die ook op zijn adres in de bevolkingsregisters is ingeschreven.

Lars D. voert dat hij samen met Shari C. de dagelijkse zorgen draagt voor Seth D., evenals voor hun drie andere kinderen (Lio, Ares en Kálii D.). Lio (o23 juli 2008) en Ares D. (o11 december 2009), die ouder zijn dan Seth D., hebben ook geruime tijd bij de moeder van Lars D. verbleven. Lars D. en Shari C. waren blijkbaar (mede) wegens relatieproblemen menige tijd op afzonderlijke adressen ingeschreven, terwijl zij zich intussen hebben verzoend, waarna een vierde kind is geboren: Kálii D. (o26 september 2014). Het gezin D.-C. (met Seth D.) zou thans officieel op het adres te D. zijn ingeschreven maar (wegens verbouwingen) elders verblijven.

Steven M. is blijkbaar een andere partner van Shari C. en beweert de vader te zijn van Seth D. Seth D. is geboren tijdens het huwelijk D.-C., maar zou uit de (overspelige) relatie M.-C. zijn voortgesproten. Die (seksuele) relatie (die Shari C. erkent) liep vanaf begin 2011 tot medio 2011.

In die context stelt Steven M. als “persoon die het vaderschap van het kind opeist” in zin van artikel 318, § 1 BW een procedure in tot betwisting van het vaderschap van Lars D.

3. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat deze door Steven M. bij dagvaarding van 28 december 2011 ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap van Lars D. is ingesteld binnen de in art. 318, § 2, eerste lid BW bedoelde periode van een jaar. De korte tijdspanne tussen de geboortedatum van Seth D. (25 oktober 2011) en de dagvaarding tot betwisting van het vaderschap (28 december 2011) alleen al leert dat de termijn is nageleefd.

4. De cruciale vraag rijst evenwel of het gebeurlijke bezit van staat van Seth D. als zoon van Lars D. de niet-ontvankelijkheid van de vordering van Steven M. tot betwisting van het vaderschap van Lars D. met zich meebrengt (art. 318, § 1 BW).

5. Het bezit van staat betreft, in het algemeen, het genieten of het houden van (i.e. “het bezit”) een persoonsrechtelijke stand of familierechtelijke verhouding waarin iemand zich bevindt (i.e. “een staat”), alsof die staat hem ook juridisch toebehoort. Het bezit van staat, toegespitst op het afstammingsrecht, van een bepaalde vader of moeder bestaat in de feitelijke uitoefening van rechten en de vervulling van plichten die uitsluitend voortvloeien uit de ouder-kindrelatie, en dit ongeacht of het bedoelde kind een wettelijk gevestigde afstammingsband heeft ten aanzien van die vader of moeder. Het bezit van staat impliceert zodoende een behandeling van de persoon en de feitelijke gedragingen van een andere betrokkene die wijzen in de richting van de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten inherent verbonden aan de staat in de familie, meer bepaald de afstammingsband, ongeacht de vraag of tussen die persoon en de betrokkene een juridische afstammingsband bestaat (G. Verschelden, Origineel ouderschap herdacht, Brugge, die Keure, 2005, p. 21-22, nr. 40).

Art. 331nonies BW bevat een opsomming van elementen die in aanmerking komen om de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten voortvloeiend uit de ouder-kindrelatie vast te stellen. Deze opsomming heeft echter geen limitatief karakter. Het moet gaan om (naar aantal en belang) voldoende betekenisvolle feiten. De feitenconstellatie moet in haar geheel worden bekeken, zonder bepaalde feiten te kunnen isoleren. Het betekenisvolle karakter van de feiten onderstelt dat de gedragingen van de vader of moeder niet kunnen worden verklaard vanuit een andere hoedanigheid dan die van vader of moeder. Het bezit van staat moet voortdurend zijn, terwijl de diverse aanwijzingen daartoe convergerend moeten zijn. Dit betekent dat het bezit van staat niet mag worden tegengesproken door andere aanwijzingen die het bezit van staat dubbelzinnig zouden maken.

6. Aangezien het om een exceptie gaat en meer precies een uitzondering op de in de regel ontvankelijke vordering tot betwisting van het vaderschap, berust het bewijsrisico bij de verweerder die de exceptie opwerpt (G. Verschelden, “De moederlijke en de vaderlijke erkenning” in P. Senaeve, F. Swennen en G. Verschelden (eds.), De hervorming van het afstammingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 191-192, nr. 350). De eiser in de procedure tot betwisting van het vaderschap moet derhalve niet bewijzen dat er geen bezit van staat is met het oog op de ontvankelijkheid van zijn vordering. Het is daarentegen de verweerder die moet aantonen dat er een afdoende bezit van staat is. In geval van betwisting over het ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van het bezit van staat, berust het bewijsrisico bij de verweerder.

7. Mede in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (zie vooral: GwH 3 februari 2011, RW 2010-11, 1200), geldt het bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW, gelezen in samenhang met art. 22 Gw. en art. 8 EVRM niet als absolute maar wel als relatieve grond van niet-ontvankelijkheid van een procedure tot betwisting van het vaderschap (F. Swennen, “Afstamming en Grondwettelijk Hof”, RW 2011-12, p. 1106-1107, nr. 10).

Gelet op deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof aangaande de schending van voormelde grondwets- en verdragsbepaling door art. 318, § 1 BW dient geen prejudiciële vraag te worden gesteld (J. Vanpraet en C. Forniville, “Prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof: rol van de rechter en de partijen in het bodemgeschil” in J. Ghysels en B. Vanlerberghe (eds.), Prejudiciële vragen – De techniek in kaart gebracht, Antwerpen, Intersentia, 2013, p. 121-125, nr. 71-79).

Hoewel deze rechtspraak het in art. 318, § 1 BW bedoelde geval betreft waarin de vordering tot betwisting van het vaderschap uitgaat van “de echtgenoot die zijn vaderschap betwist”, geldt deze rechtspraak evengoed voor het geval waarin de vordering tot betwisting van het vaderschap uitgaat van “de persoon die het vaderschap van het kind opeist”. Lars D. en Shari C. stellen dan ook vergeefs voor om een nieuwe prejudiciële vraag te stellen.

8. Bij de beoordeling van het ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW hoort bijgevolg een belangenafweging in die zin dat de wet (in samenhang met voormelde grondwets- en verdragbepaling), gelet op eensdeels de rust van de families en de rechtszekerheid van de familiale banden en anderdeels het belang van het kind (met dien verstande dat het belang van het kind aan gewicht verliest indien het meerderjarig is), in concreto mag verhinderen dat de biologische werkelijkheid primeert boven de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap. De biologische werkelijkheid moet niet steeds primeren boven de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap (F. Swennen, “Afstamming en Grondwettelijk Hof”, RW 2011-12, p. 1105, nr. 7).

Het belang van het kind om de biologische werkelijkheid te achterhalen behoort tot zijn recht tot eerbiediging van het privéleven in de zin van art. 22 Gw. en art. 8 EVRM. Een inmenging in het privéleven is mogelijk voor zover zij wettelijk, noodzakelijk en proportioneel is. Een inmenging of beperking kan omwille van de rust van de families en de rechtszekerheid van de familiale banden. In die optiek kan bij een afstammingsvordering een ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van het bezit van staat spelen (L. Pluym, “Familieleven met erkenner kan voorrang krijgen op betwistingsrecht biologische vader” (noot onder EHRM 22 maart 2012 en GwH 3 februari 2011), Juristenkrant 16 mei 2012, 2).

Hoewel bezit van staat te goeder trouw is ontstaan, moet de meest gerede partij in bepaalde omstandigheden een daadwerkelijk recht hebben om het socio-affectief blijkende vaderschap te weerleggen in het licht van biologische bewijzen. De socio-affectieve werkelijkheid mag derhalve, ingeval bezit van staat voorhanden is, niet a priori voorrang krijgen op de biologische werkelijkheid. Er moet worden nagegaan of er uitzonderlijke omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat er van de principiële grond van niet-ontvankelijkheid bij bezit van staat wordt afgeweken.

9. Voormelde belangenafweging maakt in casu dat het hof van oordeel is dat, voor zover voormelde context aangaande de huwelijksrelatie D.-C. en de andere relatie M.-C., ondanks de korte tijdspanne sinds de geboorte van Seth D., wijst op een afdoende bezit van staat van Seth D. als zoon van Lars D., de bedoelde rust van de echtgenoten D.-C. en de ermee ten aanzien van Seth D. gepaard gaande socio-affectieve werkelijkheid moet onderdoen voor het belang van Steven M. en tegelijk het belang van Seth D. om de biologische werkelijkheid te achterhalen. In casu liggen derhalve afdoende uitzonderlijke omstandigheden voor die maken dat Steven M. op ontvankelijke wijze het vaderschap van Lars D. kan betwisten. De (echtelijke) relatie D.-C. blijkt weinig stabiel en zelfs hectisch. Lars D. illustreert de weinig evidente huwelijksrelatie met Shari C. bijvoorbeeld in het kader van een politioneel verhoor (n.a.v. een klacht t.a.v. Steven M.) medio 2011. Dat het gebeurlijke vaderschap van Steven M. het belang van Seth D. dient, wordt niet sluitend tegengesproken. Dat Steven M. niet meer verschijnt ter terechtzitting van 12 februari 2015 doet daaraan geen afbreuk. Dat Seth D. dezelfde familienaam draagt als Lars D., is natuurlijk evenmin doorslaggevend. Lars D. blijkt zich overigens niet ondubbelzinnig als vader van Seth D. op te stellen.

Lars D. en Shari C. falen in hun bewijslast aangaande het bezit van staat (van Seth D. als zoon van Lars D.) dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vaderschap met zich zou meebrengen.

10. Krachtens art. 318, § 5 BW onderstelt de gegrondheid van de vordering tot betwisting van het vaderschap van “de persoon die het vaderschap van het kind opeist” dat dit (biologische) vaderschap ook effectief komt vast te staan.

11. Aangezien deze vordering aanhangig is gemaakt vóór Seth D. één jaar oud was, zou de vordering met toepassing van art. 332quinquies, § 2, eerste lid BW niet kunnen worden afgewezen wegens kennelijke strijdigheid met zijn belang. De onmogelijkheid om het belang van het kind te toetsen indien het kind jonger is dan één jaar, gaat niet op (GwH 3 mei 2012, T.Fam. 2013, 90, noot F. Swennen).

Het criterium van de “kennelijke strijdigheid met het belang van het kind” gaat evenmin op (in het licht van art. 22bis, vierde lid Gw. en art. 3.1 Internationaal Verdrag betreffende de Rechten van het Kind). De vaststelling van het vaderschap aan de zijde van de biologische vader onderstelt een alomvattende rechterlijke opportuniteitstoets (GwH 7 maart 2013, T.Fam. 2013, 232, noot F. Swennen; G. Verschelden, “Kroniek personen- en familierecht 2013-2014” in G. Verschelden (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat, Brugge, die Keure, 2014, p. 61-64, nrs. 7-10). Hic et nunc blijkt geenszins dat het gebeurlijke vaderschap van Steven M. botst met het belang van Seth D.

12. Voormelde redengeving maakt dat het hoger beroep niet slaagt en dat het beroepen vonnis bevestiging verdient.

Met toepassing van art. 1068, tweede lid Ger.W. verwijst het hof de zaak terug naar de eerste rechter.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/02/2011 - 15:01
Laatst aangepast op: za, 10/02/2018 - 12:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.