-A +A

Betwisting vaderschap - bezit van staat - art 318 § 1 B.W. interpretatie conform de grondwet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 07/04/2017
A.R.: 
C.15.0379.N

Overeenkomstig art. 318, § 1 BW, zoals van toepassing vóór 1 september 2014, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap opeist, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

De wetgever heeft met art. 318, § 1 BW in een algemene grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering willen voorzien indien de rechter het bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot vaststelt.

Uit een grondwetconforme lezing van art. 318, § 1 BW, zoals opgevat door het Grondwettelijk Hof (arrest 09/07/2013, juridat), volgt dat de daarin bepaalde grond van niet-ontvankelijkheid wegens het bezit van staat geen absoluut karakter heeft en dat de rechter, rekening houdende met de belangen van alle betrokken partijen, in het bijzonder met die van het kind, hierop een uitzondering kan maken.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
940
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

AR nr. C.15.0379.N

B.G. t/ L.P. en E.C.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, familiekamer, van 12 mei 2015.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel in zijn geheel

1. Het arrest oordeelt niet-bekritiseerd dat eerste verweerders oorspronkelijke vordering tot vaderschapsbetwisting ontvankelijk is.

2. Overeenkomstig art. 318, § 1 BW, zoals van toepassing vóór 1 september 2014, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap opeist, tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot.

De wetgever heeft met art. 318, § 1 BW in een algemene grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering willen voorzien indien de rechter het bezit van staat ten aanzien van de echtgenoot vaststelt.

3. In zijn arrest nr. 105/2013 van 9 juli 2013 dat in de zaak onder handen is uitgesproken, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat art. 318, § 1 BW art. 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 EVRM, schendt, in zoverre de vordering tot betwisting van het vaderschap door de man die het vaderschap van het kind opeist, niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot van zijn moeder.

Het Grondwettelijk Hof overwoog daarbij:

«B.7. De wetgever beschikt over een appreciatiemarge om bij de uitwerking van een wettelijke regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (...).

«Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd: opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (...), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen.

«B.8. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

«B.9. Door het «bezit van staat» als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de man die het vaderschap opeist op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om het vermoeden van vaderschap van een andere man, ten aanzien van wie het kind bezit van staat heeft, te betwisten. Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. Een dergelijke maatregel is onevenredig met de door de wetgever nagestreefde, legitieme doelstellingen, en derhalve niet verenigbaar met art. 22 Gw., gelezen in samenhang met art. 8 EVRM.»

4. Uit een grondwetconforme lezing van art. 318, § 1 BW, zoals opgevat door het Grondwettelijk Hof, volgt dat de daarin bepaalde grond van niet-ontvankelijkheid wegens het bezit van staat geen absoluut karakter heeft en dat de rechter, rekening houdende met de belangen van alle betrokken partijen, in het bijzonder met die van het kind, hierop een uitzondering kan maken.

5. Het middel dat in zijn drie onderdelen ervan uitgaat dat het bezit van staat nooit een grond van niet-ontvankelijkheid uitmaakt, zodat elke rechterlijke controlemogelijkheid op het belang van het kind dat de volle leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, ontbreekt wanneer de moeder zich niet tegen de vaderschapsbetwisting verzet, en dat er verder van uitgaat dat bij gebrek aan de mogelijkheid voor de echtgenoot-vader om verzet aan te tekenen, laatstgenoemde geen gelegenheid heeft om het belang van het kind in te roepen, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt naar recht.

...

C.15.0379.N
Conclusie van advocaat-generaal A. Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Eerste verweerder stelde een vordering in tot betwisting van het vaderschap van eiser over het jongste kind uit diens huwelijk met tweede verweerster, en tot vaststelling van zijn eigen vaderschap over dit kind.

2. Bij tussenarrest werd door het hof van beroep te Brussel, alvorens verder recht te doen, aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld omtrent de verenigbaarheid van de exceptie van bezit van staat ex artikel 318, §1, BW met artikel 22 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM.

3. Bij arrest van 9 juli 2013(1) oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 318, §1, BW artikel 22 Grondwet schendt, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM, in zoverre de vordering tot betwisting van het vaderschap ingesteld door de man die het vaderschap van het kind opeist, niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft t.a.v. de echtgenoot van zijn moeder.

4. In het bestreden eindarrest werd de vordering van eerste verweerder tot betwisting van het vaderschap van eiser ontvankelijk en gegrond verklaard, en werd voor recht gezegd dat niet eiser maar eerste verweerder de vader is van het kind.

5. Tegen deze beslissing voert eiser een enig middel tot cassatie aan dat op drie onderdelen berust.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.

1. In het eerste onderdeel voert eiser aan dat het bestreden arrest zijn beslissing niet naar recht verantwoordt, in zoverre het oordeelt dat het bij de beoordeling van de vordering tot vaderschapsbetwisting geen belangenafweging kan doorvoeren en in het bijzonder geen rekening kan houden met het belang van het kind, terwijl bij een grondwetsconforme interpretatie van de artikelen 315, 318, 332quinquies en 331sexies BW het belang van het kind wel in aanmerking dient te worden genomen.

2. Een en ander zou volgens eiser ook een ongelijke behandeling betreffen (tweede onderdeel) en in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel (derde onderdeel), op basis waarvan hij uw Hof verzoekt drie prejudiciële vragen voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof.

3. In de voorliggende betwisting verklaren de appelrechters de vordering van eerste verweerder ontvankelijk en gegrond.

4. In zoverre met de memorie van antwoord van eerste en tweede verweerders moet worden vastgesteld dat eiser in deze niet opkomt tegen de overwegingen betreffende de ontvankelijkheid van de vordering, maar enkel tegen de overwegingen betreffende de gegrondheid ervan, rijst m.i. dan ook de vraag wanneer de rechter het belang van het kind eventueel had in aanmerking moeten nemen: is dit bij de (niet aangevochten) ontvankelijkheidsbeoordeling, dan wel bij de beoordeling ten gronde?(2)

5. In verschillende arresten heeft het Grondwettelijk Hof(3) in zijn beschikkend gedeelte geoordeeld dat artikel 318, §1, BW artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM, schendt in zoverre de vordering tot betwisting van vaderschap niet ontvankelijk is indien het kind bezit van staat heeft t.a.v. de echtgenoot van de moeder.

6. Waar het beschikkend gedeelte van deze arresten ruim en ongenuanceerd wordt geformuleerd, geeft deze formulering in de rechtsleer aanleiding tot verschillende strekkingen.

7. In de mate dat uit de overwegingen van het Grondwettelijk Hof wordt afgeleid dat het belang van het kind primeert, is een eerste strekking van oordeel dat het bezit van staat niet langer een grond van niet-ontvankelijkheid is, maar dat de rechter het bezit van staat (en van andere elementen, zoals het belang van het kind) in rekening moet brengen bij de beoordeling ten gronde, nu een afweging van de belangen in concreto enkel op het niveau van de beoordeling van de gegrondheid zou kunnen spelen(4).

8. In zoverre deze opvatting een ruime interpretatie geeft aan de arresten van het Grondwettelijk Hof, is dit naar mijn mening echter niet terug te vinden in de (meeste) arresten van het Hof. Zo stelt het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 7 maart 2013 (nr. 30/2013, B.7) weliswaar dat de wetgever bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming de bevoegde overheden de mogelijkheid dient te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen -wat lijkt te impliceren dat er steeds een belangenafweging mogelijk moet zijn-, maar in latere arresten worden deze bewoordingen door het Hof niet hernomen, en stelt het enkel in algemene bewoordingen dat de absolute grond van niet-ontvankelijkheid belet dat de rechter een mogelijkheid heeft om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen(5).

9. Bovendien kan er gewezen worden op een arrest van het Grondwettelijk Hof van 20 maart 2014 (nr. 48/2014, B.10) i.v.m. de vaststelling van het vaderschap, waarbij het Hof uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat de wetgever weliswaar bij het uitwerken van een regeling inzake afstamming de bevoegde overheden in beginsel de mogelijkheid dient te bieden om in concreto een afweging te maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen (...), maar dat beginsel geen absoluut karakter heeft, waarmee het Hof dan weer lijkt aan te geven dat een concrete belangenafweging niet in elke procedure vereist is. Een algemene regel dat er steeds een belangenafweging ten gronde moet zijn, kan hieruit m.i. aldus niet worden afgeleid: het gaat veeleer om het aanvaarden van een mogelijkheid tot afwijking van de te rigide regels van de wetgever, indien dit vereist is in de concrete omstandigheden van de zaak.

10. Daartegenover staat het arrest van 26 november 2015 (nr. 168/2015, B. 10) i.v.m. artikel 330, §1, eerste lid, BW inzake het bezit van staat als absolute grond van niet-ontvankelijkheid voor de erkenning, waarbij het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk stelt dat voor de rechter (aldus) geen enkele mogelijkheid bestaat om ten gronde rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen, wat dan toch lijkt te impliceren dat er een in concreto afweging ten gronde moet zijn (hoewel dat niet het voorwerp van de prejudiciële vraag was, dat enkel over de grond van niet-ontvankelijkheid ging)(6). In de arresten van 19 september 2014 (nr. 127/2014) en van 12 maart 2015 (nr. 35/2015) had het Grondwettelijk Hof i.v.m. artikel 330, §1, eerste lid, BW echter de "gebruikelijke" formulering gehanteerd i.v.m. de absolute onontvankelijkheid van het bezit van staat, in de mate dat aldus voor de rechter geen enkele mogelijkheid bestaat om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

11. Ook weze opgemerkt dat in het (meest recente) arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 februari 2016 (de zaak Delphine Boël) betreffende artikel 318 BW (waarin het kind het vaderschap betwistte), het Hof, benevens de "gebruikelijke" formulering, uitdrukkelijk vermeldt dat het aanvoeren van een grond van niet-ontvankelijkheid (...) er immers toe leidt dat de rechter op absolute wijze wordt verhinderd rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. Het Hof lijkt in dit arrest dus aan te geven dat het bezit van staat zelfs niet als onontvankelijkheidsgrond mag worden aangevoerd -omdat de rechter dan geen rekening kan houden met de belangen- zodat de belangenafweging waarnaar het Hof verwijst dan ook enkel ten gronde lijkt te kunnen gebeuren.
In zoverre de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dus niet eenduidig is (slechts twee arresten lijken als dusdanig naar een afweging ten gronde te verwijzen: GwH 26 november 2015 en 3 februari 2016) en ook de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geenszins verplicht tot een concrete belangenafweging in elke afstammingsprocedure(7), lijkt het mij vanuit voormelde benadering dan ook aangewezen om de gevolgen van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof veeleer strikt te interpreteren, en komt een verregaande interpretatie alsof een belangenafweging ten gronde in elke afstammingsprocedure steeds vereist is, alleszins niet opportuun over(8).

12. Een andere strekking argumenteert dan ook voor een minder verregaande gevolgtrekking van de arresten van het Grondwettelijk Hof en wijst er op dat uit de overwegingen blijkt dat het Hof veeleer problemen heeft met het absolute karakter van de onontvankelijkheid van de vordering ingevolge het bestaan van het bezit van staat, omdat er op die wijze voor de rechter geen enkele mogelijkheid bestaat om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen. De beoordelingsvrijheid van de rechter die uit de arresten van het Grondwettelijk Hof voortvloeit, is volgens die doctrine dan ook beperkt tot de absolute aard van de niet-ontvankelijkheid(9): de rechter moet kunnen oordelen of uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen dat er van de principiële grond van niet-ontvankelijkheid wordt afgeweken. Hij moet na het vaststellen van het bezit van staat derhalve nagaan of dit bezit van staat in de gegeven omstandigheden de onontvankelijkheid van de vordering rechtvaardigt. Hierbij mag hij alle belangen van partijen betrekken(10). Hoewel sommige auteurs de afwijking (m.b.t. het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden) n.a.v. het arrest van het Grondwettelijk Hof van 3 februari 2011 (nr. 20/2011) nog restrictief opvatten (zoals enkel in het geval dat de eiser-echtgenoot niet wist of behoorde te weten dat er twijfels waren over het biologische vaderschap)(11), kan deze restrictie m.i. niet worden volgehouden na de overige arresten, gewezen in de verschillende hypothesen, en geeft het Grondwettelijk Hof daarin veeleer aan dat de rechter alle belangen moet betrekken in zijn beoordeling.

13. Ofschoon deze laatste strekking minder goed aansluit bij de bewoordingen van de hierboven reeds geciteerde arresten van 26 november 2015 en 3 februari 2016 van het Grondwettelijk Hof, leunt deze opvatting dan weer wel het beste aan bij de overwegingen van het Grondwettelijk Hof van 9 juli 2013 (nr. 105/2013, B. 7-9), waarin gesteld wordt dat de appreciatiemarge van de wetgever evenwel niet onbegrensd is: opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn(...), op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig is met de nagestreefde wettige doelstellingen. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om een onbeperkte mogelijkheid tot betwisting van het vermoeden van vaderschap te verhinderen. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap.

Door het bezit van staat als absolute grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap in te stellen, heeft de wetgever de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap evenwel steeds laten prevaleren op de biologische werkelijkheid. Door die absolute grond van niet-ontvankelijkheid wordt de man die het vaderschap opeist op absolute wijze uitgesloten van de mogelijkheid om het vermoeden van vaderschap van een andere man, t.a.v. wie het kind bezit van staat heeft, te betwisten. Aldus bestaat voor de rechter geen enkele mogelijkheid om rekening te houden met de belangen van alle betrokken partijen.

14. Hoewel het in de context van de hierboven ontwikkelde stellingen aldus geenszins duidelijk is of de belangenafweging waarop het Grondwettelijk Hof alludeert zich op het niveau van de ontvankelijkheid dan wel ten gronde dient af te spelen, staat het mij, vanuit een derhalve restrictieve interpretatie (zoals hierboven toegelicht) van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof dan ook voor dat uit een grondwetsconforme lezing van artikel 318, §1, BW volgt dat de daarin bepaalde grond van niet-ontvankelijkheid wegens bezit van staat geen algemeen karakter heeft, en dat het middel aldus uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting waar het stelt dat iedere rechterlijke controlemogelijkheid op het belang van het niet-ontvoogde kind beneden de volle leeftijd van twaalf jaar ontbreekt, aangezien de rechter na de vaststelling van het bezit van staat t.a.v. de echtgenoot-vader een oordeel moet vellen of er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat er van de grond van niet-ontvankelijkheid wordt afgeweken. Het middel gaat eveneens uit van een verkeerde rechtsopvatting in zoverre het aangeeft dat het bezit van staat geen ontvankelijkheidsgrond meer is en in zoverre het ervan uitgaat dat de echtgenoot-vader het belang van het kind niet kan aanvoeren: hij kan dit wel, met name bij de beoordeling of in de voorgelegde zaak een uitzondering dient te worden gemaakt op het principe van onontvankelijkheid ingevolge het bezit van staat.

15. Het middel lijkt mij dan ook te falen naar recht.
(...)

III. CONCLUSIE: VERWERPING.
___________________
(1) GwH 9 juli 2013, nr. 105/2013.
(2) Zie ook Cass. 7 oktober 2016, AR C.15.0533.N, AC 2016, nr. ..., met concl. OM.
(3) GwH 3 februari 2011, nr. 20/2011; 9 juli 2013, nr. 105/2013; 7 november 2013, nr. 147/2013, en 3 februari 2016, nr. 18/2016. Vergelijk met de oude regelgeving: GwH 7 juli 2011, nr. 122/2011.
(4) J. SOSSON, Cour constitutionnelle, filiation et intérêt de l'enfant, in Actualités de droit des personnes et des familles, CUP, 2013, 121.
(5) GwH 9 juli 2013 (nr. 105/2013) en 7 november 2013 (nr. 147/2013).
(6) Zie o.m. N. GALLUS en A. VAN GYSEL, Les décisions récentes de la Cour Constitutionnelle en matière de filitation, RNB 2013, 387.
(7) T. WUYTS, Het bezit van staat mag de betwisting van het juridische vaderschap niet op absolute wijze verhinderen, T. Fam. 2013, 225-228, nrs 13, 14 en 19; G. VERSCHELDEN, De hervorming van het afstammingsrecht door het Grondwettelijk Hof, in Ouders en kinderen, Intersentia, 2013, 68, nr. 82; N. GALLUS en A. VAN GYSEL, Les décisions récentes de la Cour Constitutionnelle en matière de filiation, RNB 2013, 376-385; EHRM (Ahrens t. Duitsland), 22 maart 2012, en EHRM (Kautzur t. Duitsland), 22 maart 2012.
(8) J. SOSSON, "Cour Constitutionnelle, filiation et intérêt de l'enfant" in Actualités de droit des personnes et des familles, CUP, 2013, 122-123; G. VERSCHELDEN, "Pleidooi voor een hervorming van het afstammingsrecht", T.Fam. 2015, 57, nr. 8; G. VERSCHELDEN, "Het belang van het kind in het komende afstammingsrecht: considerans voor de wetgever, niet voor de rechter", T.Fam. 2013,98 -99. N GALLUS en A.VAN GYSEL, "Les décisions récentes de la Cour Constitutionnelle en matière de filiation", RNB 2013, 404-405; Anders: V. MAKOW, "Détricotage constitutionnel du droit de la filiation stimulé par une juridiction de fond", JLMB 2013, 413; Y.H. LELEU, "Le nouveau droit judiciaire de la filiation", TEP 2013, 6, nr. 5; A.C. RASSON en G. MATHIEU, "Les fins de non-recevoir en matière de filiation: entre verrous absolus et verrous relatifs. Etude de trois derniers arrêts de la Cour constitutionnelle", JT 2013, 436.
(9) F. SWENNEN, Afstamming en Grondwettelijk Hof, RW 2011-12, 1107-1108; F. SWENNEN, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2015, nr. 758.
(10) Y. H. LELEU, Le nouveau droit judiciaire de la filiation, TEP 2013, 2, nr. 2.
(11) F. SWENNEN, Afstamming en Grondwettelijk Hof, RW 2011-12, 1107.
 

 

Noot: 

• L. Salomez, Bezit van staat en het Hof van Cassatie, RW 2017-2018, 940

• Gerd Verschelden, Betwisting huwelijk vaderschap niet langer ontoelaatbaar bij bezit van staat, De Juristenkrant 224, pagina 1.

Overige rechtspraak

Hof van Beroep Gent, 19 maart 2015, RW 2016-2017, 1146

samenvatting

Het bezit van staat betreft, in het algemeen, het genieten of het houden van (i.e. “het bezit”) een persoonsrechtelijke stand of familierechtelijke verhouding waarin iemand zich bevindt (i.e. “een staat”), alsof die staat hem ook juridisch toebehoort. Het bezit van staat, toegespitst op het afstammingsrecht, van een bepaalde vader of moeder bestaat in de feitelijke uitoefening van rechten en de vervulling van plichten die uitsluitend voortvloeien uit de ouder-kindrelatie, en dit ongeacht of het bedoelde kind een wettelijk gevestigde afstammingsband heeft ten aanzien van die vader of moeder.

Het bezit van staat impliceert zodoende een behandeling van de persoon en de feitelijke gedragingen van een andere betrokkene die wijzen in de richting van de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten inherent verbonden aan de staat in de familie, meer bepaald de afstammingsband, ongeacht de vraag of tussen die persoon en de betrokkene een juridische afstammingsband bestaat.

Art. 331nonies BW bevat een opsomming van elementen die in aanmerking komen om de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten voortvloeiend uit de ouder-kindrelatie vast te stellen. Deze opsomming heeft echter geen limitatief karakter. Het moet gaan om (naar aantal en belang) voldoende betekenisvolle feiten. De feitenconstellatie moet in haar geheel worden bekeken, zonder bepaalde feiten te kunnen isoleren. Het betekenisvolle karakter van de feiten onderstelt dat de gedragingen van de vader of moeder niet kunnen worden verklaard vanuit een andere hoedanigheid dan die van vader of moeder. Het bezit van staat moet voortdurend zijn, terwijl de diverse aanwijzingen daartoe convergerend moeten zijn. Dit betekent dat het bezit van staat niet mag worden tegengesproken door andere aanwijzingen die het bezit van staat dubbelzinnig zouden maken.

Het bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW geldt niet als absolute maar wel als relatieve grond van niet-ontvankelijkheid van een procedure tot betwisting van het vaderschap.

Bij de beoordeling van het ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW hoort bijgevolg een belangenafweging. Het bewijsrisico ligt bij de partij die de exceptie opwerpt.

Tekst arrest

D. en C. t/ M. en D.

...

I. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 24 mei 2012 (...) gaat de derde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde in op de bij dagvaarding van 28 december 2011 geïnitieerde vordering van Steven M. tot ontkenning van het vaderschap van Lars D. ten aanzien van Seth D. De rechtbank verleent akte aan de voogd ad hoc van diens vrijwillige tussenkomst tot vertegenwoordiging van Seth D., gelet op de belangentegenstelling tussen dit minderjarige kind (o25 oktober 2011) en zijn moeder, Shari C. Vooraleer ten gronde op voormelde (ontvankelijke) vordering in te gaan, beveelt de rechtbank een deskundigenonderzoek om na te gaan of Steven M. kan worden beschouwd als de biologische vader van Seth D.

...

2. Het deskundigenonderzoek loopt, waarbij Steven M., Shari C. en Seth D. bij brief van de deskundige van 21 juni 2012 worden uitgenodigd in het UZ te Brussel/Jette op 3 juli 2012 voor een bloedafname respectievelijk een wanguitstrijkje op 3 juli 2012.

Blijkbaar weigert Shari C. haar medewerking te verlenen.

...

II. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 7 maart 2013 stellen Lars D. en Shari C. hoger beroep in tegen het voormelde vonnis van 24 mei 2012.

Zij beogen de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van Steven M. tot ontkenning van het vaderschap van Lars D. als niet-ontvankelijk, zo nodig na een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

2. Steven M. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

3. Seth D. neemt (eveneens) conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

...

III. Beoordeling

1. Het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep is ontvankelijk.

2. Seth D. is geboren op 25 oktober 2011 als zoon van Shari C. Shari C. was ten tijde van deze geboorte gehuwd met Lars D. en is dit nog steeds. Lars D. en Shari C. huwden op 30 juni 2007. Met toepassing van art. 315 BW fungeert Lars D. als (juridische) vader van Seth D., die ook op zijn adres in de bevolkingsregisters is ingeschreven.

Lars D. voert dat hij samen met Shari C. de dagelijkse zorgen draagt voor Seth D., evenals voor hun drie andere kinderen (Lio, Ares en Kálii D.). Lio (o23 juli 2008) en Ares D. (o11 december 2009), die ouder zijn dan Seth D., hebben ook geruime tijd bij de moeder van Lars D. verbleven. Lars D. en Shari C. waren blijkbaar (mede) wegens relatieproblemen menige tijd op afzonderlijke adressen ingeschreven, terwijl zij zich intussen hebben verzoend, waarna een vierde kind is geboren: Kálii D. (o26 september 2014). Het gezin D.-C. (met Seth D.) zou thans officieel op het adres te D. zijn ingeschreven maar (wegens verbouwingen) elders verblijven.

Steven M. is blijkbaar een andere partner van Shari C. en beweert de vader te zijn van Seth D. Seth D. is geboren tijdens het huwelijk D.-C., maar zou uit de (overspelige) relatie M.-C. zijn voortgesproten. Die (seksuele) relatie (die Shari C. erkent) liep vanaf begin 2011 tot medio 2011.

In die context stelt Steven M. als “persoon die het vaderschap van het kind opeist” in zin van artikel 318, § 1 BW een procedure in tot betwisting van het vaderschap van Lars D.

3. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat deze door Steven M. bij dagvaarding van 28 december 2011 ingestelde vordering tot betwisting van het vaderschap van Lars D. is ingesteld binnen de in art. 318, § 2, eerste lid BW bedoelde periode van een jaar. De korte tijdspanne tussen de geboortedatum van Seth D. (25 oktober 2011) en de dagvaarding tot betwisting van het vaderschap (28 december 2011) alleen al leert dat de termijn is nageleefd.

4. De cruciale vraag rijst evenwel of het gebeurlijke bezit van staat van Seth D. als zoon van Lars D. de niet-ontvankelijkheid van de vordering van Steven M. tot betwisting van het vaderschap van Lars D. met zich meebrengt (art. 318, § 1 BW).

5. Het bezit van staat betreft, in het algemeen, het genieten of het houden van (i.e. “het bezit”) een persoonsrechtelijke stand of familierechtelijke verhouding waarin iemand zich bevindt (i.e. “een staat”), alsof die staat hem ook juridisch toebehoort. Het bezit van staat, toegespitst op het afstammingsrecht, van een bepaalde vader of moeder bestaat in de feitelijke uitoefening van rechten en de vervulling van plichten die uitsluitend voortvloeien uit de ouder-kindrelatie, en dit ongeacht of het bedoelde kind een wettelijk gevestigde afstammingsband heeft ten aanzien van die vader of moeder. Het bezit van staat impliceert zodoende een behandeling van de persoon en de feitelijke gedragingen van een andere betrokkene die wijzen in de richting van de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten inherent verbonden aan de staat in de familie, meer bepaald de afstammingsband, ongeacht de vraag of tussen die persoon en de betrokkene een juridische afstammingsband bestaat (G. Verschelden, Origineel ouderschap herdacht, Brugge, die Keure, 2005, p. 21-22, nr. 40).

Art. 331nonies BW bevat een opsomming van elementen die in aanmerking komen om de uitoefening van rechten en de vervulling van plichten voortvloeiend uit de ouder-kindrelatie vast te stellen. Deze opsomming heeft echter geen limitatief karakter. Het moet gaan om (naar aantal en belang) voldoende betekenisvolle feiten. De feitenconstellatie moet in haar geheel worden bekeken, zonder bepaalde feiten te kunnen isoleren. Het betekenisvolle karakter van de feiten onderstelt dat de gedragingen van de vader of moeder niet kunnen worden verklaard vanuit een andere hoedanigheid dan die van vader of moeder. Het bezit van staat moet voortdurend zijn, terwijl de diverse aanwijzingen daartoe convergerend moeten zijn. Dit betekent dat het bezit van staat niet mag worden tegengesproken door andere aanwijzingen die het bezit van staat dubbelzinnig zouden maken.

6. Aangezien het om een exceptie gaat en meer precies een uitzondering op de in de regel ontvankelijke vordering tot betwisting van het vaderschap, berust het bewijsrisico bij de verweerder die de exceptie opwerpt (G. Verschelden, “De moederlijke en de vaderlijke erkenning” in P. Senaeve, F. Swennen en G. Verschelden (eds.), De hervorming van het afstammingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2007, p. 191-192, nr. 350). De eiser in de procedure tot betwisting van het vaderschap moet derhalve niet bewijzen dat er geen bezit van staat is met het oog op de ontvankelijkheid van zijn vordering. Het is daarentegen de verweerder die moet aantonen dat er een afdoende bezit van staat is. In geval van betwisting over het ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van het bezit van staat, berust het bewijsrisico bij de verweerder.

7. Mede in het licht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (zie vooral: GwH 3 februari 2011, RW 2010-11, 1200), geldt het bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW, gelezen in samenhang met art. 22 Gw. en art. 8 EVRM niet als absolute maar wel als relatieve grond van niet-ontvankelijkheid van een procedure tot betwisting van het vaderschap (F. Swennen, “Afstamming en Grondwettelijk Hof”, RW 2011-12, p. 1106-1107, nr. 10).

Gelet op deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof aangaande de schending van voormelde grondwets- en verdragsbepaling door art. 318, § 1 BW dient geen prejudiciële vraag te worden gesteld (J. Vanpraet en C. Forniville, “Prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof: rol van de rechter en de partijen in het bodemgeschil” in J. Ghysels en B. Vanlerberghe (eds.), Prejudiciële vragen – De techniek in kaart gebracht, Antwerpen, Intersentia, 2013, p. 121-125, nr. 71-79).

Hoewel deze rechtspraak het in art. 318, § 1 BW bedoelde geval betreft waarin de vordering tot betwisting van het vaderschap uitgaat van “de echtgenoot die zijn vaderschap betwist”, geldt deze rechtspraak evengoed voor het geval waarin de vordering tot betwisting van het vaderschap uitgaat van “de persoon die het vaderschap van het kind opeist”. Lars D. en Shari C. stellen dan ook vergeefs voor om een nieuwe prejudiciële vraag te stellen.

8. Bij de beoordeling van het ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van bezit van staat in de zin van art. 318, § 1 BW hoort bijgevolg een belangenafweging in die zin dat de wet (in samenhang met voormelde grondwets- en verdragbepaling), gelet op eensdeels de rust van de families en de rechtszekerheid van de familiale banden en anderdeels het belang van het kind (met dien verstande dat het belang van het kind aan gewicht verliest indien het meerderjarig is), in concreto mag verhinderen dat de biologische werkelijkheid primeert boven de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap. De biologische werkelijkheid moet niet steeds primeren boven de socio-affectieve werkelijkheid van het vaderschap (F. Swennen, “Afstamming en Grondwettelijk Hof”, RW 2011-12, p. 1105, nr. 7).

Het belang van het kind om de biologische werkelijkheid te achterhalen behoort tot zijn recht tot eerbiediging van het privéleven in de zin van art. 22 Gw. en art. 8 EVRM. Een inmenging in het privéleven is mogelijk voor zover zij wettelijk, noodzakelijk en proportioneel is. Een inmenging of beperking kan omwille van de rust van de families en de rechtszekerheid van de familiale banden. In die optiek kan bij een afstammingsvordering een ontvankelijkheidsvereiste van afwezigheid van het bezit van staat spelen (L. Pluym, “Familieleven met erkenner kan voorrang krijgen op betwistingsrecht biologische vader” (noot onder EHRM 22 maart 2012 en GwH 3 februari 2011), Juristenkrant 16 mei 2012, 2).

Hoewel bezit van staat te goeder trouw is ontstaan, moet de meest gerede partij in bepaalde omstandigheden een daadwerkelijk recht hebben om het socio-affectief blijkende vaderschap te weerleggen in het licht van biologische bewijzen. De socio-affectieve werkelijkheid mag derhalve, ingeval bezit van staat voorhanden is, niet a priori voorrang krijgen op de biologische werkelijkheid. Er moet worden nagegaan of er uitzonderlijke omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat er van de principiële grond van niet-ontvankelijkheid bij bezit van staat wordt afgeweken.

9. Voormelde belangenafweging maakt in casu dat het hof van oordeel is dat, voor zover voormelde context aangaande de huwelijksrelatie D.-C. en de andere relatie M.-C., ondanks de korte tijdspanne sinds de geboorte van Seth D., wijst op een afdoende bezit van staat van Seth D. als zoon van Lars D., de bedoelde rust van de echtgenoten D.-C. en de ermee ten aanzien van Seth D. gepaard gaande socio-affectieve werkelijkheid moet onderdoen voor het belang van Steven M. en tegelijk het belang van Seth D. om de biologische werkelijkheid te achterhalen. In casu liggen derhalve afdoende uitzonderlijke omstandigheden voor die maken dat Steven M. op ontvankelijke wijze het vaderschap van Lars D. kan betwisten. De (echtelijke) relatie D.-C. blijkt weinig stabiel en zelfs hectisch. Lars D. illustreert de weinig evidente huwelijksrelatie met Shari C. bijvoorbeeld in het kader van een politioneel verhoor (n.a.v. een klacht t.a.v. Steven M.) medio 2011. Dat het gebeurlijke vaderschap van Steven M. het belang van Seth D. dient, wordt niet sluitend tegengesproken. Dat Steven M. niet meer verschijnt ter terechtzitting van 12 februari 2015 doet daaraan geen afbreuk. Dat Seth D. dezelfde familienaam draagt als Lars D., is natuurlijk evenmin doorslaggevend. Lars D. blijkt zich overigens niet ondubbelzinnig als vader van Seth D. op te stellen.

Lars D. en Shari C. falen in hun bewijslast aangaande het bezit van staat (van Seth D. als zoon van Lars D.) dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van het vaderschap met zich zou meebrengen.

10. Krachtens art. 318, § 5 BW onderstelt de gegrondheid van de vordering tot betwisting van het vaderschap van “de persoon die het vaderschap van het kind opeist” dat dit (biologische) vaderschap ook effectief komt vast te staan.

11. Aangezien deze vordering aanhangig is gemaakt vóór Seth D. één jaar oud was, zou de vordering met toepassing van art. 332quinquies, § 2, eerste lid BW niet kunnen worden afgewezen wegens kennelijke strijdigheid met zijn belang. De onmogelijkheid om het belang van het kind te toetsen indien het kind jonger is dan één jaar, gaat niet op (GwH 3 mei 2012, T.Fam. 2013, 90, noot F. Swennen).

Het criterium van de “kennelijke strijdigheid met het belang van het kind” gaat evenmin op (in het licht van art. 22bis, vierde lid Gw. en art. 3.1 Internationaal Verdrag betreffende de Rechten van het Kind). De vaststelling van het vaderschap aan de zijde van de biologische vader onderstelt een alomvattende rechterlijke opportuniteitstoets (GwH 7 maart 2013, T.Fam. 2013, 232, noot F. Swennen; G. Verschelden, “Kroniek personen- en familierecht 2013-2014” in G. Verschelden (ed.), Rechtskroniek voor het notariaat, Brugge, die Keure, 2014, p. 61-64, nrs. 7-10). Hic et nunc blijkt geenszins dat het gebeurlijke vaderschap van Steven M. botst met het belang van Seth D.

12. Voormelde redengeving maakt dat het hoger beroep niet slaagt en dat het beroepen vonnis bevestiging verdient.

Met toepassing van art. 1068, tweede lid Ger.W. verwijst het hof de zaak terug naar de eerste rechter.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/02/2018 - 12:20
Laatst aangepast op: di, 20/02/2018 - 20:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.