-A +A

Betwisting ereloon advocaat succesfee zonder voorafgaandelijke overeenkomst

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 09/06/2017
A.R.: 
2014/AR/1716

Wanneer tussentijdse facturen van een advocaat op basis van het aantal gepresteerde uren berekend worden, zonder dat er expliciet een succesfee was overeengekomen, impliceert dit dat er bij de eindafrekening geen succesfee mag worden in rekening gebracht. Het feit dat de tussentijdse facturen telkens vermeldden bij het bedrag van de honoraria "onder voorbehoud van uiteindelijke verrekening" verandert hieraan niets.

Tekst arrest:

De BVBA advocatenkantoor H..voorheen de BVBA H. & H., appellante,

tegen

De heer VDB X, geïntimeerde

1. Het hof heeft kennis genomen van het dossier van de rechtspleging.

De zaak werd gepleit ter openbare terechtzltting van 28 april 2017.

Situering van het geschil

2. Het geschil betreft een betwiste staat van kosten en erelonen die de BVBA H. & H., advocatenkantoor, op naam van de heer VDB heeft uitgeschreven.

De procedure·

3. De procedure werd ingeleid bij dagvaarding betekend aan de heer VDB op 24 oktober 2011 op verzoek van de BVBA H. & H., burgerlijke vennootschap onder de vorm van een BVBA.

Bij vonnis van 8 april 2014, gewezen op tegenspraak door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, werd de vordering van de BVBA H.& H. ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd deze laatste veroordeeld tot de gerechtskosten.

Van dit vonnis wordt geen akte van betekening neergelegd.

Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door de BVBA H. & H. bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 16 juli 2014.

In haar laatste conclusie, neergelegd ter griffie van het hof op 23 februari 2015, vordert de BVBA H. & H. dat de heer VDB zou veroordeeld worden tot de betaling van€ 17.547,20 vermeerderd met intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 24 oktober 2011, met de gerechtelijke intresten en met de gerechtskosten.

In zijn laatste conclusie, neergelegd ter griffie van het hof op 27 april 2015, concludeert de heer VDB tot de ongegrondheid van het hoger beroep, met de veroordeling van de BVBA H. & H. tot de gerechtskosten.

Hij vordert dat de BVBA H. & H. zou veroordeeld worden tot de betaling van € 1.500,00 wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

·Beoordeling

4. Betreffende de betwisting over de door de BVBA H. & H. aan de heer VDB overgemaakte eindstaat van kosten en erelonen, werd door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel een advies gevraagd aan de Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel.

In dit advies wordt vastgesteld:

"Terecht nuanceert advocaat H. dat het geschil niet alleen herleid mag worden tot een discussie omtrent een succes fee." De tussentijdse ereloonstaten werden door de heer VDB zonder voorbehoud betaald.

In zijn schrijven van 11 april 2011 schreef advocaat H. aan de heer VDB:

"Bij de begroting van de slot-ereloonstaat wordt er rekening mee gehouden dat wanneer het onderhoudsgeld zou moeten betaald worden, · dat U bedong in de echtscheidingsovereenkomst door onderlinge toestemming, in voordeel van uw ex-echtgenote van € 1.000,00 per maand, dit aan een kapitalisatiepercentage van 3% en bij 0% inflatie een kapitaal zou opleveren van € 302.000,00 wil men het onderhoudsgeld kunnen betalen dat bedongen werd in de echtscheidingsovereenkomst door onderlinge toestemming tot aan uw dood, rekening houdend met de statistische levensvooruitzichten.

Thans, rekening houdend met het feit dat de echtscheiding pas definitief werd op 16/1 jl., zal U tot en met eind juli 2011 een onderhoudsgeld betalen van amper€ 6.000,00.

Als dusdanig heeft U een besparing gedaan middels de procedure van € 296.000,00.

In functie van het belang van deze besparing, lijkt mij een ereloon van € 23.716,80 gerechtvaardigd,. waarop U reeds € 7.356,84 gefactureerd werd, zodat het saldo van het verschuldigde ereloon € 16.359,96 bedraagt, te verhogen met de nog niet aangerekende bureelkosten waarvoor U bijgaand de saldo-ereloonstaat vindt."

Dit is ontegensprekelijk de aanrekening van een succes fee.

Aangezien het advies van de Raad van de Orde dit niet, minstens niet volledig, aanneemt, houdt het hof met dit advies, dat voor de rechter niet bindend is, geen rekening.

Het feit dat de heer VDB zelf het advies van de Raad van de Orde gevraagd zou hebben - wat hij betwist - wijzigt hier niets aan, en impliceert evenmin dat de heer VDB zich bij het besluit van de Raad van de Orde zou moeten neerleggen.

5. lopende de echtscheidingsprocedure voor dewelke de heer VDB advocaat H. geraadpleegd had, schreef de BVBA H. & H. tussen 7 december 2009 en 29 oktober 2010 op naam van de heer VDB tien facturen uit, voor een totaal bedrag van€ 8.519,27. Deze facturen werden telkens betaald.

De erelonen die via deze facturen aangerekend werden, waren op basis van het aantal gepresteerde uren berekend.

Dit was niet het geval met de eindstaat: het saldo van € 16.359,96 was niet bepaald rekening houdend met het aantal gepresteerde uren. De heer VDB heeft een herberekening gemaakt op basis van het vermelde aantal gepresteerde uren en het aldus volgens hem verschuldigde bedrag betaald, zodat hij, naar zijn mening, niets meer verschuldigd is.

Dit betekent echter niet dat er na de afhandeling van de zaak nog een succes fee kon aangerekend worden. Er blijkt geenszins dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand kwam dat inhield dat de heer VDB ermee akkoord was dat voor de eindafrekening van de erelonen van de aanrekening per gepresteerde uren zou afgeweken worden.

Gelet op het feit dat in de tussentijdse facturen steeds erelonen aangerekend werden op basis van gepresteerde uren, kon de heer VDB niet weten dat de "uiteindelijke verrekening" op een volkomen andere wijze zou aangerekend worden.

6. In die omstandigheden komt de vordering van de BVBA H. & H., thans BVBA advocatenkantoor H. ongegrond voor.

7. De heer VDB vordert € 1.500,00 ten titel van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep omdat hij meent dat de BVBA H. & H. hoger beroep heeft ingesteld met als doel de zaak onnodig te rekken en hem onnodig op kosten te jagen.

De heer VDB bewijst echter niet dat de BVBA H. & H. aldus gehandeld heeft met de bedoeling hem te schaden. De BVBA H. & H. heeft grieven tegen het bestreden vonnis geuit die, in tegenstelling tot wat de heer VDB voorhoudt, niet zonder meer kunnen afgedaan worden als niet ernstig. Het loutere feit dat het hoger beroep van de BVBA H. & H. ongegrond is, toont niet aan dat er sprake is van tergend en roekeloos hoger beroep.

8. Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep, wordt de BVBA advocatenkantoor H.&H. veroordeeld tot de gerechtskosten.

Het bedrag van de rechtsplegingvergoeding voor hoger beroep wordt geïndexeerd en bedraagt aldus € 1.320,00.

9. Gelet op al het voorgaande, zijn de overige middelen en argumenten van partijen

niet ter zake dienend geworden.

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

Recht sprekend op tegenspraak,

Gelet op de bepalingen van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen In gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep van de BVBA advocatenkantoor H. ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de vordering van de heer VDB op grond van tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt de BVBA advocatenkantoor H. tot de gerechtskosten, voor de heer VDB vereffend op € 1.320,00 (rechtsplegingvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de 5de kamer van het Hof van Beroep te Brussel op 9 JUNI 2017
 

Vonnis à quo

Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel,

22e Kamer 8 april 2014, AR 2011/14259/A

In zake van:

De bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H., Eiseres,

Tegen:

De heer X VDB

Verweerder, Verschijnt in persoon

Na in beraadneming op 25 februari 2014 spreekt de rechtbank volgend

vonnis uit: ·

Gelet op:

het tussenvonnis, gewezen door de tweede kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 12 december 2011, en de daarin vermelde procedurestukken;

de beschikking, gewezen door de vakantiekamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel in toepassing van artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 8 augustus 2013;

de conclusie, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 november 2013 (per fax) en op 27 november 2013 (per post}, namens· de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H.;

de conclusies, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 29 oktober 2013, en de syntheseconclusies, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 30 december 2013 (per fax) en op 6 januari 2014 (per post), namens de heer X VDB;

het stukkenbundel van de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H., neergelegd ter zitting van 25 februari 2014;

het stukken bundel van de heer X VDB, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 6 januari 2014.

Gehoord de advocaten van partijen in hun pleidooien ter openbare terechtzitting van 25 februari 2014.

1. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

De belangrijkste feiten en procedurevoorgaanden, relevant voor de beoordeling van huidige zaak en zoals zij blijken uit de procedurestukken alsook uit de door partijen neergelegde stukken, kunnen als volgt

samengevat worden: · ·

1. Op 24 augustus 2009 ondertekenden de heer VDB en zijn toenmalige echtgenote, mevrouw J., voor Notaris D. een overeenkomst echtscheiding door onderlinge toestemming.

De heer VDB en mevrouw J zijn verschenen op de eerste zitting echtscheiding door onderlinge toestemming voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

2. De heer VDB kwam te weten dat zijn toenmalige echtgenote een overspelige relatie had en wenste geen verdere uitvoering te geven aan de overeenkomst echtscheiding door onderlinge toestemming, die in het voordeel was van zijn toenmalige echtgenote. Zo werd onder meer voorzien dat het bedrag van de levensverzekering op naam van de heer VDB toekwam aan mevrouw J, dat de heer VDB voor de gezinswoning een opleg van € 60.000,00 diende te betalen, dat de heer VDB een onderhoudsbijdrage van € 300,00 (geïndexeerd) (vanaf 1 april 2014: € 600,00 (geïndexeerd)) per kind en per maand diende te betalen en dat de heer VDB een onderhoudsuitkering van € 1.000,00 (geïndexeerd) per maand aan mevrouw J diende te betalen, zelfs na het aangaan van een nieuwe relatie of een nieuw huwelijk of de geboorte van een kind door mevrouw J.

De heer VDB was dan ook van plan om niet te verschijnen op de tweede zitting d.d. 20 januari 2010.

3. Mevrouw J werd op de hoogte gebracht van de intenties van de heer VDB en formuleerde op 24 november 2009 een tegenvoorstel.

4. De heer VDB contacteerde vervolgens de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H.. Er werd een afspraak gepland op 1 december 2009.

5. De nieuwe overeenkomst echtscheiding door onderlinge toestemming zou ondertekend worden op 14 december 2009. Mevrouw J verscheen echter niet op de afspraak en liet bij schrijven van haar raadsman d.d. 7 januari 2010 weten dat zij niet meer akkoord ging met de overeenkomst.

6. De bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. is niet tussengekomen bij het opstellen van de overeenkomst echtscheiding door onderlinge toestemming.

7. De heer VDB verzocht de omzetting van zijn vordering tot echtscheiding door onderlinge toestemming in een vordering tot echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting. De heer VDB werd in deze procedure bijgestaan door Mr. H..

8. De echtscheiding werd uitgesproken bij vonnis van de 27e kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 16 november 2010.

9. In de loop van de procedure bereikten de heer VDB en mevrouw J een akkoord over de voorlopige maatregelen. Er werd onder meer overeengekomen dat de heer VDB voor de gezinswoning een opleg van € 20.000,00 diende te betalen.

10. Mr. H. stond de heer VDB tevens bij in een procedure kort geding {dringende voorlopige maatregelen in het kader van de echtscheiding).

11. Bij beschikking van 21 april 2010 werd de heer VDB veroordeeld tot betaling aan mevrouw J van een persoonlijke onderhoudsbijdrage van € 1.000,00 {geïndexeerd) per maand vanaf 12 februari 2010 en van een onderhoudsbijdrage van € 300,00 (geïndexeerd) per kind en per maand vanaf 12 februari 2010.

12. De heer VDB tekende tegen deze beschikking hoger beroep aan. Tijdens de procedure voor het Hof van Beroep bereikten de heer VDB en mevrouw J een akkoord, dat door het Hof van Beroep te Brussel werd bekrachtigd bij arrest van 21 juni 2011:

"Verleent akte aan appellant VDB van diens aanbod, overeenkomstig de beschikking van de eerste rechter, om maandelijks een onderhoudsbijdrage te betalen van € 300 per kind, te verhogen met de helft van de door de eerste rechter opgesomde buitengewone en uitzonderlijke uitgaven voor de kinderen;

( ... )

Verleent akte aan appellant dat hij bereid is tot aan de overschrijving van het echtscheidingsvonnis en uiterlijk tot 31 juli 2011 een persoonlijke en niet voor enige wijziging vatbare onderhoudsbijdrage aan geihtimeerde te betalen van € 1.000,00 per maand;

Zegt voor recht dat dit onderhoudsgeld uitgedoofd zal zijn op 1 augustus 2011, en verleent akte aan mevrouw J van haar definitieve en onherroepelijke afstand van dit onderhoudsgeld met ingang van 1 augustus 2011;

legt voor recht dat dit onderhoudsgeld voor mevrouw J gekapitaliseerd uitbetaald zal worden voor slot van rekening ten tijde van het verlijden van de akte afstand van onverdeelde rechten waarvan sprake in het echtscheidingsvonnis geveld op 16 november 2010 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tussen partijen, ra/nummer 2010/874/A;

( … )

13. De heer VDB ontving van de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. volgende ereloonstaten:
factuur nr. 803 d.d. 7 december 2009: · €372,92
factuur nr. 56 d.d. 28 januari 2010: € 1.008,69
factuur nr. 116 d.d. 25 februari 201 O: € 1.188,72
factuur nr. 190 d.d. 29 maart 201 O: € 1.267,97
factuur nr. 257 d.d. 29 april 2010: € 1.038,37
factuur nr. 304 d.d. 27 mei 2010: € 846,74
factuur nr. 395 d.d. 28 juni 201 O: € 782,58
factuur nr. 533 d.d. 30 auaustus 201 O: € 801,95
factuur nr. 602 d.d. 30 september 2010: € 352,51
factuur nr. 668 d.d. 29 oktober 2010: € 858,82
factuur nr. 56 d.d. 31 januari 2011: € 461,30
slotstaat d.d. 11 april 2011 : € 16.659,96
Bij de slotstaat was een brief gevoegd met volgende toelichting:

"Bij de begroting van de slot-ereloonstaat wordt er rekening mee gehouden dat wanneer het onderhoudsgeld zou moeten betaald worden, dat U bedong in de echtscheidingsovereenkomst door onderlinge toestemming, in voordeel van uw ex-echtgenote van € 1.000,00 per maand, dit aan een kapitalisatiepercentage van 3% en bij 0% inflatie een kapitaal zou opleveren van € 302.000,00 wil men het onderhoudsgeld kunnen betalen dat bedongen werd in de echtscheidingsovereenkomst door onderlinge toestemming tot aan uw dood, rekening houdend met de statistische levensvooruitzichten.

Thans, rekening houdend met het feit dat de echtscheiding pas definitief werd op 16/1 /jl., zal U tot en met eind juli 2011 een onderhoudsgeld betalen van amper€ 6.000,00.

Als dusdanig heeft U een besparing gedaan middels de procedure van € 296.000,00.

In functie van het belang van deze besparing, lijkt mij een ereloon van € 23.716,80 gerechtvaardigd, waarop U reeds € 7.356,84 gefactureerd werd, zodat het saldo van het verschuldigde ereloon € 16.359, 96 bedraagt, te verhogen met de nog niet aangerekende bureelkosten waarvoor U bijgaand de saldo-ereloonstaat vindt."

14. Deze slotstaat werd betwist door de heer VDB.

De heer VDB was enkel akkoord om een bedrag van € 778,75 te betalen, meer bepaald:

3 uur 50 minuten of 3,83 uur x € 125,00 / uur= € 478,75 secretariaatskosten: € 260,00

dossierafsluiting:€ 40,00

totaal:€ 778,75

De heer VDB stelt dat hij dit bedrag heeft betaald, wat niet betwist wordt door de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & VANH EMELRIJCK.

15. De heer VDB heeft eveneens een schrijven gericht aan de Stafhouder van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel met verzoek tussen te komen in de ereloonbetwisting.

16. Aangezien geen arbitrageovereenkomst werd gesloten, verzocht de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. aan de Stafhouder toelating om tot dagvaarding over te gaan.

De bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. liet de heer VDB dagvaarden bij exploot van 24 oktober 2011, ter inleiding van huidig geding.

17. Bij tussenvonnis van de tweede kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 12 december 201 l werd de zaak voor advies verzonden naar de taxatiecommissie van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel.

18. Op 25 maart 2013 gaf de Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel volgend advies:

"De gevorderde ereloonstaat is begroot met de vereiste billijke gematigdheid ten belope van 16.359, 96 €.

De vordering tot aanrekening van een verhoging van 10 % behoort niet tot het mandaat van de Raad maar tot de bevoegdheid van de grondrechter."

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

19. De vordering van de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H., zoals gesteld bij conclusie, strekt er voornamelijk toe:

"De vordering van concluante lastens verweerster ontvankelijk en gegrond te -verklaren en verweerder te veroordelen tot betaling aan concluant van het bedrag, groot € 17.469,33, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op€ 1.210,00;

De uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande elk verhaal en zonder borgtocht, noch kantonnement."

20. De heer VDB besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

Gegrondheid van de vordering

a) Advies van de Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel

21. De heer VDB gaat niet akkoord met het advies van de Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel, omdat hij zich ernstige vragen stelt over de wijze waarop het advies is tot stand gekomen en over de onafhankelijkheid van de Raad.

De heer VDB stelt verder dat er in het advies geen rekening werd gehouden met (wettelijke) informatieverplichtingen van de advocaat aan de cliënt.

22. Het ereloonadvies van de Raad van de Orde van Advocaten is een voor de rechtbank niet-bindend advies.

Hoewel niet is aangetoond dat de Raad van de Orde niet in volle onafhankelijkheid heeft geoordeeld, kan een schijn van partijdigheid worden gewekt, omdat een partij (de advocaat) de leden van de Raad van de Orde kent. De raadsman van de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. is gewezen stafhouder van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel.

b) Overeenkomst over het ereloon

23. Op de website van de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. staat het volgende in verband met het ereloon:

"Het ereloon is de vergoeding voor de door de advocaat of zijn medewerkers geleverde diensten.

In de regel wordt bij de aanvang besproken op welke wijze het ereloon zal worden aangerekend.

Er wordt ofwel een uurtarief afgesproken, ofwel een vast bedrag voor een we/bepaalde procedure of onderdeel van een procedure. Er kan ook een bijkomende vergoeding worden afgesproken in geval van een gunstig resultaat.

Voor de bepaling van het uurtarief wordt rekening gehouden met het belang van de zaak, de ervaring en specialiteit van de advocaat, de spoedeisendheid en de draagkracht van de cliënt.

De diensten en prestaties worden in de regel aangerekend aan 125 euro per uur, tenzij anders overeengekomen of bepaald. De aard van het dossier kan bepalend zijn om desgevallend een vast bedrag te bepalen, een percentage (bvb. bij invorderingen) of een succes-fee."

24. Er bestaat geen schriftelijke overeenkomst over het ereloon.

25. De heer VDB houdt" voor dat hij om een schriftelijke overeenkomst heeft verzocht, maar dat deze werd geweigerd door Mr. H..

Van deze bewering wordt geen bewijs geleverd. Bovendien heeft de heer VDB zonder overeenkomst over het ereloon beroep gedaan op de diensten van Mr. H..

26. Bij de tussentijdse facturen werd telkens een gedetailleerd overzicht van de prestaties gevoegd met een excct aantal uren en een totaal bedrag voor deze gepresteerde uren, Er werd evenwel nooit een vast uurtarief vermeld. Een berekening laat toe vast te stellen dat het uurtarief varieert van € 124,62 tot€ 137,41. Bij de honoraria werd telkens uitdrukkelijk vermeld "onder voorbehoud van uiteindelijke verrekening".

27. Uit voormelde elementen kan worden afgeleid dat niet werd afgesproken dat het basisuurtarief zou worden gehanteerd en dat de raadsman van de heer VDB rekening kon houden met andere factoren, zoals vermeld op de website van de bvba ADVOCATENKANTOOR H.· & H.. Het feit dat de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. niet met provisies heeft gewerkt, sluit een verrekening achteraf niet uit.

28. De heer VDB verwijst naar de Wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (B.S. 12 april 2010). Deze wet voorziet in een algemene verplichting tot informatie van de consument en legt de bewijslast van deze verplichting op de advocaat.

29. De bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. merkt terecht op dat deze wet nog niet bestond op het ogenblik van het aangaan van de overeenkomst tussen de heer VAN DER BJJL en haarzelf. Bovendien was deze wet niet van toepassing op de beoefenaars van e~n vrij beroep (artikelen 2, 2° en 3, § 2). Voormelde artikelen werden evenwel ongrondwettig bevonden door het Grondwettelijk Hof bij arresten van 6 april 2011, 15 december 2011 en 9 juli 2013 (zie: B. PONET en H. LAMON, "Is een vrije beroeper geen ondernemer zoals een andere?", R.W. 2013-14, afl. 15, 562).

30. De heer VDB stelt dat de Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (B.S. 29 augustus 1991, err. B.S. 10 oktober 1991) en de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen reeds de rechten van particulieren of cliënten inzake informatieverplichtingen waarborgden. Hij verwijst tevens naar de Richtlijn 2005/29 /EG van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken.

31. De Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument was niet van toepassing op advocaten.

De heer VDB legt niet uit welke bepalingen van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen zouden geschonden zijn.

Wat de richtlijn betreft, moet worden opgemerkt dat deze geen rechtstreekse werking heeft.

32. De heer VDB verwijst tevens naar de deontologische regels, die voorzien dat aan een cliënt voldoende informatie moet worden verstrekt omtrent de berekening van erelonen.

33. De heer VDB toont niet aan dat de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. onvoldoende informatie heeft verstrekt omtrent de berekening van de erelonen.

Zoals hiervoor reeds geoordeeld, is in ieder geval niet aangetoond dat de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. heeft voorgehouden dat enkel het basisuurtarief zou worden gehanteerd.

De bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. kon bij de begroting van het ereloon dan ook rekening houden met andere factoren dan het basisuurtarief.

c) Begroting van het ereloon

34. Overeenkomstig art. 446ter Ger. W. begroten de advocaten hun ereloon met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht.

Om de billijke gematigdheid van het ereloon van de advocaat te beoordelen, slaat de rechter acht op de belangrijkheid van de zaak en de aard van het werk van de advocaat, maar ook op zijn persoonlijke autoriteit, de financiële draagkracht van de cliënt en de uitslag (Cass. AR C.05.0218.F, 9 november 2006, www.cass.be).

35. In het begeleidend schrijven van 11 april 2011 stelt Mr. H. dat bij de berekening van het ereloon rekening werd gehouden met het onderhoudsgeld dat de heer VDB had moeten betalen, indien de procedure echtscheiding door onderlinge toestemming op grond van de overeenkomst d.d. 24 augustus 2009 zou verdergezet geweest zijn.

Deze uitleg kan niet anders begrepen worden dan als een succes fee.

36. Thans stelt de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. dat de ereloonstaat een combinatie van drie factoren uitmaakt, meer bepaald de tijd besteed aan de zaak, de waarde van de zaak en de geleverde prestaties.

37. Wat het criterium tijd betreft, bestaat er geen betwisting over het aantal gepresteerde uren. Deze werden nauwkeurig bijgehouden en er werd telkens een overzicht gevoegd bij de facturen.

38. Wat het criterium geleverde prestaties betreft, blijkt uit de voorgelegde stukken dat Mr. H. meerdere conclusies heeft opgesteld en de heer VDB heeft bijgestaan in verschillende procedures en bij onderhandelingen.

Deze prestaties zijn echter niet uitzonderlijk en niet van die aard dat zij een verhoging van het ereloon, naast het uurtarief, rechtvaardigen.

39. Wat het criterium waarde van de zaak betreft, stelt de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. dat zij rekening heeft gehouden met het bespaarde onderhoudsgeld, dat zij bepaalt op € 162.000,00.

Voor de berekening van deze besparing vertrekt de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. van de overeenkomst echtscheiding door onderlinge toestemming die werd ondertekend op 24 augustus 2009.

Dit uitgangspunt is foutief, aangezien de heer VDB reeds vóór hij contact had opgenomen met Mr. H. had beslist om niet te volharden in deze overeenkomst en derhalve niet te verschijnen voor de tweede zitting van de procedure echtscheiding door onderlinge toestemming.

Vóór de eerste consultatie van de heer VDB bij Mr. H. had mevrouw J een aangepast voorstel geformuleerd, meer bepaald:

een persoonlijke onderhoudsbijdrage van € 1.000,00 per maand gedurende 15 jaar (€ 180.000,00);

opleg voor de gezinswoning:€ 60.000,00 (zie: stuk nr. 1 bundel van de heer VDB).

De heer VDB was evenwel niet bereid dit voorstel te aanvaarden. Hij wenste de onderhoudsbijdrage beperkt te zien tot de duur van het huwelijk, meer bepaald acht jaar. Voor de gezinswoning had de heer VDB reeds een opleg van € 40.000,00 betaald, terwijl hij volgens hem geen opleg hod moeten betalen.

De heer VDB gaat in zijn conclusie uit van andere cijfers, doch deze worden niet gestaafd aan de hand van stukken.

De kortgedingrechter kende aan mevrouw J een persoonlijke onderhoudsbijdrage toe van € 1.000,00 per maand vanaf 12 februari 2010. Deze onderhoudsbijdrage dient evenwel onderscheiden te worden van de onderhoudsbijdrage na de echtscheiding.

Uiteindelijk sloten de heer VDB en mevrouw J volgende overeenkomst:

een persoonlijke onderhoudsbijdrage van € 1 .000,00 per maand vanaf 1 september 2009 tot 31 juli 2011 (€ 23.000,00);

opleg voor de gezinswoning: € 60.000,00 {€ 20.000,00 bovenop het bedrag van€ 40.000,00 dat de heer VDB reeds had betaald).

Uitgaande van hetgeen de heer VDB wenste te betalen, is er derhalve geen besparing, maar een verlies. De heer VDB wenste immers een bedrag van € 96.000,00 onderhoudsgeld te betalen, maar wilde de reeds betaalde opleg van € 40.000,00 terug krijgen, zodat er een betaling van€ 56.000,00 zou zijn. Uiteindelijk heeft hij€ 83.000,00 betaald. In verband met de opleg voor de gezinswoning merkte Mr. H. op dat de som van € 40.000,00 zou moeten opgelost worden binnen het kader van de vereffening-verdeling, "waarbij in principe het reeds betaalde gedeelte van de oplegsom .terug moet komen naar u om dan vanaf [opt nutum] vereffening opnieuw door te voeren". (zie: schrijven van Mr. H. aan de heer VDB d.d. 15 april 2010, stuk nr.12 bundel van de heer VDB).

Bovendien heeft Mr. H. voor de heer VDB getracht om een lagere onderhoudsbijdrage voor de kinderen te bekomen, doch dit is niet gelukt.

De bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. kan dan ook het beweerde succes niet aanwenden om een hoger ereloon te vorderen.

40. Gelet op het voorgaande besluit de rechtbank dat het reeds betaalde ereloon ten belope van€ 7.836,02 (exclusief kosten) een billijke vergoeding is, zodat huidige vordering wordt afgewezen als ongegrond.

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd;

Gelet op artikel 73 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel, zoals laatst gewijzigd bij wet van 28 maart 2014 houdende wijziging en coördinatie van diverse wetten inzake Justitie wat het gerechtelijk arrondissement Brussel en het gerechtelijk Arrondlssement Henegouwen betreft;

Rechtsprekende in eerste aanleg, op tegenspraak;

Verklaart de vordering van de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. tegen de heer X VDB ontvankelijk, doch ongegrond;

Veroordeelt de bvba ADVOCATENKANTOOR H. & H. tot de kosten van het geding, in hoofde van de heer X VDB begroot op€ 1.210,00 (rechtsplegingsvergoeding) en in hoofde van haarzelf niet begroot, daar ze ten hare laste blijven;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 226 kamer van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel,op 8 april 2014
 

 

Noot: 

Wanneer in 2001 een uurloon van 100 euro algemeen aanvaard werd, geldt voor 2012 een uurloon van 125 euro tot 140 euro euro als meer dan aanvaardbaar zoals dit thans in de provincie voor gewone gemiddelde zaken wordt toegepast.

De advocaat begroot bij partijbeslissing zijn ereloon, behoudens andersluidende voorafgaande afspraken. De rechter kan bij een eventuele betwisting een kennelijk overdreven ereloon verminderen maar ter zake zijn er geen vaste tarieven of een vast tarievenboek aan de hand waarvan u een advocaat kan verplichten om te laten werken. Indien een voorafgaande ereloonovereenkomst werd opgesteld is deze niet onderworpen aan het marginale toetsingsrecht van de rechter.

Inkomende briefwisseling brengt kosten mee die bestaan uit de administratieve verwerking mede, die kan begroot worden op 2,5 tot 4 euro.

Wanneer een brief, fax  of een mailbericht binnen komt op een professioneel kantoor wordt zending  niet alleen geopend, maar wordt onmiddellijk de brief in het computersysteem ingebracht. Voor zover de brief niet voorzien is van een referentie, wordt op het secretariaat de referentie aangebracht aan het dossier. Het dossier wordt dan manueel uit het klassement gehaald. Er wordt nagezien wie de verantwoordelijke is voor het dossier. Hiertoe leest het secretariaat oppervlakkig de briefwisseling. Hierna volgt de lectuur van de brief door de behandelende advocaat waarbij de brief wordt opgeslagen in digitale systemen die eveneens gebackupped worden in een archiefsysteem. Het ICT-park voor de behandeling van een gemiddelde van 7.000 dossiers, waarvan 1.500 actieve dossiers, kost ongeveer alleen al een kleine 10.000 € per jaar. Hetgeen wij in rekening brengen is niets meer en niets minder dan de kostprijs hiervan.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 27/06/2017 - 14:49
Laatst aangepast op: di, 27/06/2017 - 15:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.