-A +A

Betwisting ereloon advocaat, advies orde niet noodzakelijk, gemiddeld uurloon advocaat in 2001 was 100 eur per uur

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
woe, 02/09/2009
Publicatie
tijdschrift: 
Tijdschrift van de Vrederechters
Uitgever: 
die Keure
Jaargang: 
2011
Pagina: 
48
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

  

Vred. brugge IV 3 september 2009.
 
Samenvatting
 
Ereloon - advocaat - weigering het ad¬vies van de Raad van de Orde in te winnen - begroting door de rechter.
De rechter kan zelf het ereloon van een advocaat begroten zonder tussenkomst van de orde van advocaten. Adviezen van de Orde worden gegeven in de zin van artikel 962 Gerechtelijk Wetboek en zijn dus niet verplichtend. Gemiddeld uurloon advocaat in 2001 100 euro. Enkel kennelijk overdreven erelonen kunnen verminderd worden.
 
Uittreksel uit het vonnis
 
[...]
Overwegende dat bij dagvaarding van 27 januari 2009 eisende partij veroordeling vordert van verwerende partij tot betaling van een bedrag van 1.634,33euro meer de kosten;
Dat ter staving van deze vordering uiteengezet wordt dat eisende partij als raadsman van de verzekerde van vetweerster V. is opgetreden en in die hoedanigheid aan verwerende partij een aantal staten van kosten en erelonen heeft overgemaakt waarvoor zij gedeeltelijk onbetaald bleef tot beloop van intotaal 1.634,33 euro;
Dat in deze omstandigheden voormelde vordering gesteld werd; Dat dan ter inleidingszitting verwerende partij verschijnt, en in besluiten vooreerst laat gelden dat zij betwisting voert m.b.t.de aangerekende uren en het uurtarief;
Dat daarnaast betwisting gevoerd wordt m.b.t. de intransparantie van de opeenvolgende staten;
Dat ten slotte de gevorderde bedragen niet overeenstemmen met billijke gematigdheid;
Dat daarop in besluiten geantwoord wordt dat de behandelde zaak een verkeersongeval betrof ingevolge waarvan verweersters verzekerde gedagvaard werd voor de politierechtbank te Brugge, wegens miskenning van de voorrangsplicht en de daaruit voortvloeiende kwetsuren, in het rijden van een voertuig dat niet verzekerd was;
Dat door verweersters verzekerde opdracht gegeven werd tot rechtstreekse dagvaarding van de oorspronkelijke burgerlijke partij C., die weliswaar vervolgd was voor snelheid maar niet voor slagen, gevolgen waaraan C. ook veroordeeld werd zowel in eerste aanleg als in graad van beroep voor onopzettelijke slagen en verwondingen, en overigens in graad van beroep de heer V. voor het rijden zonder verzekering werd vrijgesproken;
Dat in het raam daarvan een aantal tussentijdse staten en één eindstaat werd opgesteld;
 
Dat geen ereloonovereenkomst werd afgesloten tussen partijen;
 
Dat evenwel van meet af aan verwerende partij zich ter zake de kosten en ereloonstaten van eisende partij bijzonder kritisch heeft uitgelaten, het conflict op de spits gedreven heeft gevolgen waaraan eiseres in een ultieme poging tot minnelijke regeling bereid kon gevonden worden toegevingen te doen ter zake de bedragen, welke evenwel niet werden aanvaard en dat in die omstandigheden tot eindfacturatie werd overgegaan conform de gebruikelijke tarieven zodanig dat de huidige vordering gesteld werd;
 
Dat verder onderlijnd werd dat de verwerende partij eender hoe bij schrijven van 7 augustus 2008 blijk gaf van erkenning dat er zeker nog een bedrag verschuldigd was;
 
Dat in deze omstandigheden de vordering ontvankelijk en gegrond is;
 
Overwegende dat verder nazicht van de bundels het bewijs oplevert dat eisende partij minstens een rechtstreekse dagvaarding heeft uitgestuurd, verder in beroep besluiten heeft neergelegd, en dat het vonnis in graad van hoger beroep succesvol was t.o.v. dat in eerste aanleg;
 
Overwegende dat ter zake de principes de rechtbank vooreerst dient vast te stellen dat een overeenkomst tussen een advocaat en zijn cliënt een overeenkomst is welke ressorteert onder de toepassing van artikel 1134-1135 BW;
 
Dat aldus in wezen het mandaat van de advocaat verstrekt wordt door zijn cliënt, en niet door de verzekeraar die ter zake enkel betaalheer is volgens een verzekeringsovereenkomst gesloten tussen haar verzekerde en zijzelf waaraan in principe bij sluiting de advocaat vreemd is, maar dat wel een beding ten behoeve van een derde bevat in die zin dat het beding tot de lastename van de verzekeraar in de verzekeringsovereenkomst een recht creëert voor de advocaat om het voorwerp van het beding in te vorderen t.o.v. de gebonden partij;
 
Dat in deze omstandigheden, waar overigens de rechtbank dient vast te stellen dat verwerende partij nergens opwerpt dat er geen verbintenisrechtelijke grondslag is voor eiseres vordering opzichtens haar, en daarenboven uit de stukken ten genoege van rechte blijkt dat het beding ten behoeve van derden ten voordele van eisende partij door verwerende partij erkend werd, de rechtbank tot de conclusie dient te komen dat er vooreerst een rechtsband is tussen partijen, en bijgevolg de vordering ook ontvankelijk is;
 
Overwegende dat m.b.t. de grond van de vordering, de rechtbank dient te releveren dat er ter zake tussen partijen geen ereloonovereenkomst werd opgesteld;
Dat in deze omstandigheden bij toepassing van artikel  446ter Ger.W. het de advocaat is welke de staat van kosten en erelonen redigeert, conform de termen van artikel 446ter overigens met de bescheidenheid die van een functie verwacht wordt;
 
Dat de verdere redactie van artikel 446ter, zoals herschreven bij wet van 21 juni 2006, duidelijk maakt dat niet enkel de Raad van de Orde maar ook de rechtbanken toezicht hebben op de staten met een inachtneming van de belangrijkheid van de zaak, de aard van het werk, en dit recht overigens ook uitgebreid is tot de ingestelde scheidsgerechten;
 
Dat in deze omstandigheden de argumentatie dat het passend voorkomt de zaak na het advies van de Raad van de Orde te Brugge te onderwerpen ongegrond is;
 
Dat overigens de adviezen van de Raad van de Orde kunnen worden aanzien als adviezen in de zin van artikel 962 Ger.W. en derhalve geen enkel obligatoir karakter inhouden nu voormelde wetsbepaling inhoudt dat een rechter ter oplossing van een voor hem gebracht geschil deskundigen kan gelasten vaststellingen te doen of technisch advies te geven;
 
Dat evenwel artikel 962 Ger.W. geen enkele verplichting inhoudt voor de rechtbank;
Dat in casu de rechtbank over voldoende technische kennis beschikt om het dossier met kennis van zaken te kunnen oplossen;
Overwegende dat verder uit de redactie van artikel 446ter Ger.W. volgt dat het recht de redactie van een staat van kosten en erelonen op te maken een bij wet opgedragen partijbeslissingsrecht is dat de advocaat toekomt;
Dat derhalve daarvan enkel bij overeenkomst kan worden afgeweken;
Dat het in deze omstandigheid alleen de advocaat is welke niet enkel het systeem kiest volgens het welke dat hij zijn prestaties zal gaan begroten, maar ook met welke criteria hij zal rekening houden en met welke niet;
Dat in casu de rechtbank dient vast te stellen dat de eisende partij gekozen heeft voor een vergoeding in uurloon en een zeer gedetailleerde prestatiefiche voorlegt (ook wel timesheet genoemd) waarvan de realiteit objectief geverifieerd wordt door de productie van de fiche waaruit het geïnformatiseerde systeem dat ter zake gebruikt wordt, en naar algemene bekendheid niet voor falsificatie vatbaar is;
Dat in deze omstandigheden omtrent de aangerekende uren geen betwisting kan bestaan en de rechtbank ter zake overigens dient te releveren dat inhoudelijk
m.b.t. de diverse prestaties zoals de telefonische contacten met cliënten, andere advocaten, deurwaarders, deskundigen, garages en dergelijke meer door verwerende partij geen enkele betwisting gevoerd wordt;
Dat immers, zoals geëxpliciteerd in de besluiten van verwerende partij hoofdzakelijk betwisting gevoerd wordt m.b.t. de redactie van de conclusie waarvoor een tijdsduur van 4 1/2 uur werd uitgetrokken, en het feit dat die conclusie geredigeerd werd door een stagiair wat tot een vermindering van het ereloon dient aanleiding te geven;
Overwegende dat het toetsingsrecht dat voor de raad, de scheidsrechtelijke commissies en de rechtbanken openstaat ter zake kosten en ereloonstaten, gevolgens de redactie van artikel 446ter Ger.W. marginaal is, en dit uiteraard voortvloeit uit het gegeven dat de wet een partijbeslissingsrecht heeft toegekend aan de advocatuur ter zake;
Dat dit evenwel tot gevolg heeft dat de raad, scheidsgerechten en rechtbanken enkel kennelijk overdreven staten kunnen herleiden, en ter zake bijgevolg het principe de minimis non curat praetor on erkort overeind blijft;
Dat de rechtbank ter zake vooreerst dient vast te stellen dat wanneer er betwistinggevoerd wordt m.b.t. de aangerekende uren, anderzijds uit de gegevens van het bundel het toch wel voldoende duidelijk is dat dit vooreerst een arbeidsintensief dossier betrof, en vervolgens dat blijkens nalezing van de geredigeerde conclusie deze vooreerst van kwaliteit getuigt, en vervolgens een tijdsbesteding van 4 1/2uur niet als kennelijk overdreven voorkomt daargelaten het feit dat deze beperkte betwisting t.o.v. de totale prestaties in dit dossier marginaal mag genoemd worden;
Dat in deze omstandigheden de betwistingen van verwerende partij ongegrond zijn, des temeer de realiteit van intellectuele prestaties zoals bij de redactie van conclusies, enkel bij indicatie kan worden geapprecieerd door de voorliggende stukken, waaronder de geproduceerde conclusie, en ter zake overigens de aanrekening van een halfuur per geproduceerde bladzijde gebruikelijk is en zelfs overeenstemt met een normale intelligente behandelwijze;
Dat in deze omstandigheden het ter zake gevoerde verweer geen steek houdt;
Dat daarenboven de betwistingen m.b.t. het aangerekend basisbedrag ongegrond zijn;
Dat immers reeds voorafgaandelijk de aanbeveling van de Nationale Raad van Orde van Advocaten van 24 juni 1991, studies door deze orde werden uitgevoerd m.b.t. het basisereloon per uur, en alsdan het bedrag werd voorgesteld van 3.000 BEF/uur, dat gelet op de intrekking van deze nationale aanbeveling gevolgens de bepalingen ter zake de mededinging nog slechts enkel een indicatieve waarde heeft, maar wel duidelijk maakt dat dit bedrag reeds 20 jaar terug gebruikelijk was;
Dat daarenboven gelet op de eer en de waardigheid van het beroep, de intellectuele vereisten die het stelt, evenals de vereisten van integriteit, onafhankelijkheid en andere menselijke kwaliteiten, een bedrag van 3.000 BEF/uur ook anno1998 in een studie van de ULB te Liège matig bleek (Gauteaux, Mersch, Cavenaille, Incidents des frais de l’avocat sur le coût de la Justice, Actes du colloque des Jeunes Barreaux de Liège et de l’ULB, 
 
Dat daarenboven de rechtbank dient te releveren dat inhoudelijk de systemen weerhoudt en in de nationale aanbeveling van 24 juni 1998 door de wetgever werden overgenomen in o.m. het begrotingsstelsel van de pro-Deo punten en de ministeriële besluiten ter zake schuldbemiddeling en faillissementen;
Dat bijgevolg uit het bovenstaande dient te worden gereleveerd dat anno 2000 een bedrag van 3.000 BEF/uur minstens verantwoord was door het gewoonterecht ter zake;
Dat daarenboven sedert het jaar 2001 de beslissingen legio zijn dat het basis ereloonbedrag dat door een advocaat in rekening kan worden gebracht 100 euro/uur bedraagt, en dit overigens ook blijkt te worden erkend door hetgene dat door verwerende partij gematerialiseerd werd in haar diverse brieven in dit dossier;
Dat het weliswaar juist is dat het basisbedrag van 100 euro zou kunnen worden verminderd in min wanneer de staat van kosten en erelonen geredigeerd werd door een stagiair, maar vooreerst de staat in casu is opgesteld door een advocaat met bijna 30 jaar ervaring, en vervolgens zoals reeds hoger gesteld de voor de besluiten in rekening gebrachte duurtijd geenszins als overdreven kan worden beschouwd, laat staan als kennelijk overdreven zodanig dat er geen ruimte is ter zake voor enige herleiding van de staat van kosten en erelonen conform artikel 446ter Ger.W.;
Dat verder de rechtbank wel begrip kan opbrengen voor de redenering van verwerende partij dat zij bijzonder veel betaalt voor kleine baten van haar verzekerde, maar deze hypothese door haar gedekt is en in haren hoofde een commercieel risico uitmaakt dat zij contractueel heeft opgenomen;
Dat zij derhalve zich ter zake niet op een disproportie tussen het belang van de zaak en de staat van kosten en erelonen kan beroepen;
Dat overigens, bij de aanwending vaneen uurloonstelsel het criterium van het belang van de zaak slechts marginaal is en werkelijke prestaties worden vergoed;
Dat derhalve het verweer geen hout snijdt en de vordering ontvankelijk en gegrond is zoals gesteld;
[...] 
Noot: 

Wanneer in 2001 een uurloon van 100 euro algemeen aanvaard werd, geldt voor 2012 een uurloon van 125 euro tot 140 euro euro als meer dan aanvaardbaar zoals dit thans in de provincie voor gewone gemiddelde zaken wordt toegepast.

De advocaat begroot bij partijbeslissing zijn ereloon, behoudens andersluidende voorafgaande afspraken. De rechter kan bij een eventuele betwisting een kennelijk overdreven ereloon verminderen maar ter zake zijn er geen vaste tarieven of een vast tarievenboek aan de hand waarvan u een advocaat kan verplichten om te laten werken. Indien een voorafgaande ereloonovereenkomst werd opgesteld is deze niet onderworpen aan het marginale toetsingsrecht van de rechter.

Inkomende briefwisseling brengt kosten mee die bestaan uit de administratieve verwerking mede, die kan begroot worden op 2,5 tot 4 euro.

Wanneer een brief, fax  of een mailbericht binnen komt op een professioneel kantoor wordt zending  niet alleen geopend, maar wordt onmiddellijk de brief in het computersysteem ingebracht. Voor zover de brief niet voorzien is van een referentie, wordt op het secretariaat de referentie aangebracht aan het dossier. Het dossier wordt dan manueel uit het klassement gehaald. Er wordt nagezien wie de verantwoordelijke is voor het dossier. Hiertoe leest het secretariaat oppervlakkig de briefwisseling. Hierna volgt de lectuur van de brief door de behandelende advocaat waarbij de brief wordt opgeslagen in digitale systemen die eveneens gebackupped worden in een archiefsysteem. Het ICT-park voor de behandeling van een gemiddelde van 7.000 dossiers, waarvan 1.500 actieve dossiers, kost ongeveer alleen al een kleine 10.000 € per jaar. Hetgeen wij in rekening brengen is niets meer en niets minder dan de kostprijs hiervan.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 28/02/2011 - 22:24
Laatst aangepast op: di, 27/06/2017 - 13:49

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.