-A +A

Betwisting erelonen door rechtsbijstandverzekeraar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
don, 14/07/2011

Een rechtsbijstandsverzekeraar mag het ereloon van een advocaat betwisten, op voorwaarde dat de advocaat zijn erelonen aan de rechtsbijstandsverzekeraar verstuurt of om diens tussenkomst vraagt en zijn staten niet verstuurt naar de cliënt die op zijn beurt de staten naar de rechtstandsverzekering verstuurt ter betaling. In dit laatste geval, bestaat de betwisting enkel tussen de rechtsbijstandsverzekering en de cliënt.

De enige correcte methode om het beroepsgeheim niet te schenden en als advocaat correct te handelen is de rechtsbijstandsverzekering als derde te aanzien, deze geen enkele informatie te verschaffen, rechtsreeks met de cliënt te handelen, die op zijn beurt beroep kan doen op de polis. Zo niet heeft de verzekering het recht van het bundel kennis te nemen en is aldus de privacy van de cliënt en het beroepsgeheim geschonden.Niemand weet hoe de verzekeringen immers al deze informatie verwerken, die een invloed kunnen hebben op latere polissen, premies, uitgesloten risico's...

De rechtsbijstandverzekering is niet gerechtigd te pingelen op de erelonen van adocaten. Zij mag derhalve geen verweer voeren of grieven te formuleren betreffende de wijze waarop de rechtsbijstand door de advocaat wordt georganiseerd – met of zonder kantoormedewerking –, noch over de tijd die aan een welbepaalde prestatie wordt besteed, noch over de methode of het tarief volgens welke de honorering wordt vastgesteld. Dit alles behoort tot het uitsluitende domein van het akkoord tussen de advocaat en zijn cliënt. De verzekeraar kan volgens de polisvoorwaarden enkel een grief putten uit het feit dat de staat van kosten en erelonen “abnormaal hoog” is.

Evenzeer mag de verzekeraar niet het verweer voeren dat enkel prestaties van één advocaat in rekening kunnen worden gebracht, of dat niet voor elke prestatie een even hoog tarief kan worden aangerekend. Even is de rechtsbijstandverzekeraar gerechtigd om een onderscheid te laten maken naargelang het intellectuele en niet-intellectuele karakter van de prestaties.

De rechter mag enkel op marginale wijze de ereloonstaat toetsen, rekening houdende met de regels van de orde waartoe de advocaat behoort. Het is overigens alleen de rechter en niet de verzekeraar die tot deze marginale toetsing kan overgaan.

De rechtsbijstandsverzekeraar dient de vrije keuze van de cliënt van een advocaat te eerbiedigen, ook al verkiest deze de zaak rechtsreeks met de cliënt te behandelen en mag onder geen beding de cliënt contacteren of bewerken om te kiezen voor een eigen advocaat, of een advocaat die hun opgelgde tarieven aanvaard, bij gebrek aan voldoende werkvolume. De cliënt heeft het recht om op een degelijke advocaat met ervaring en onderlegdheid beroep te doen. If you pay peanuts, You only get monkeys. De cliënt heeft recht op een advocaat in het kader van een rechtsbijstand die correct en volledig betaald wordt. 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
306
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

CVBA O. & De C. t/ NV G.B.

Beoordeling

9. Appellante heeft als advocatenkantoor diensten verleend voor een bedrijf BVBA P. – dat verzekeringsagent is – nadat een voertuig beschadigd was geraakt in Frankrijk, en dit op grond van een polis rechtsbijstand appellante heeft aangezocht om zijn belangen te verdedigen.

...

14. Appellante voert allereerst aan dat de verzekeraar geen hoedanigheid heeft om betwisting te voeren omdat niet G. haar cliënte is, maar wel haar verzekerde. Volgens haar kan enkel haar contractuele tegenpartij betwisting voeren over haar ereloon. Ze wijst in dit verband op art. 5.4 uit de polis die het volgende bepaalt: “Indien wij menen dat de staat van de kosten en honoraria abnormaal hoog liggen, verbindt u er zich toe om aan de bevoegde autoriteit of het bevoegde gerecht uitspraak te vragen, op onze kosten, over de staat van de kosten en honoraria”.

15. Die stelling van appellante kan wegens bedingen uit de polis en de praktijk die door de partijen werd gehuldigd, niet worden gevolgd. Krachtens art. 5.4 van de algemene voorwaarden heeft de verzekerde immers de vrije keuze van advocaten en experten – zoals opgelegd door art. 92 Wet Landverzekeringsovereenkomst – maar art. 3.2 van diezelfde voorwaarden bepaalt dat de betaling van kosten en erelonen, die als vergoedbaar risico zijn gedekt, wordt ten laste genomen “na voorafgaande instemming en in functie van de verleende prestaties”.

Hieruit volgt dat de verzekeraar zich heeft voorbehouden om de betaling niet ten laste te nemen indien hij niet vooraf zijn instemming heeft betuigd dat het risico zich voordoet en indien prestaties niet zijn verleend. Dit voorbehoud houdt in dat de verzekeraar in voorkomend geval over de tenlasteneming betwisting zal kunnen voeren, zij het voor zover de algemene voorwaarden die hem verbinden dit toestaan.

16. Wanneer de verzekeraar de verzekerde door deze contractueel gemaakte kosten vergoedt, levert dit hem in de regel krachtens art. 41 van de Wet Landverzekeringsovereenkomst en in het voorliggende geval ook op grond van art. 5.7 van de algemene polisvoorwaarden een subrogatie op in de rechten van de verzekerde, zij het binnen de perken van de polisvoorwaarden.

Stemt, zoals in het voorliggende geval, de verzekeraar ermee in om het risico met rechtstreekse betaling aan de derde kostenveroorzaker – de contractuele tegenpartij van de verzekerde –, ten laste te nemen, dan moet worden aangenomen dat die derde er ook mee instemt om zich door de verzekeraar dezelfde verweermiddelen te laten tegenwerpen als zijn tegenpartij kan tegenwerpen.

De dossierstukken doen overigens blijken dat appellante, die op grond van een gangbare praktijk haar ereloonnota’s rechtstreeks aan de verzekeraar heeft gestuurd, heeft aanvaard om aan de verzekeraar tekst en uitleg te verschaffen die ze contractueel enkel aan haar cliënt was verschuldigd.

Zodoende is geïntimeerde, die overigens niet tegenwerpt dat appellante niet gerechtigd is om haar in betaling aan te spreken, zoals elke gedaagde partij gerechtigd om betreffende het gevorderde betwisting te voeren.

17. Appellantes grief dat haar niet kan worden verweten dat ze “geen beroep deed op de stafhouder ter evaluatie van erelonen”, wat de eerste rechter euvel duidde, treft wel doel.

Art. 446ter (voorheen art. 459) Ger.W. formuleert een aantal beginselen inzake begroting van het ereloon en de mogelijke vermindering ervan door de raad van de Orde indien het ereloon niet met billijke gematigdheid werd begroot. Geen enkel wettelijk voorschrift kent evenwel aan de stafhouder de bevoegdheid toe om erelonen te begroten.

De codex inzake deontologische regelen en het huishoudelijk reglement van de Nederlandse Orde van Advocaten te Brussel (Cedex 2009) bevat een aantal voorschriften (hoofdstuk 4, afdeling 5, onderafdeling 5: art. 84-113) inzake ereloongeschillen die mogelijkheden bieden om buitengerechtelijke oplossing ervan mogelijk te maken.

Geïntimeerde, voor wie deze voorschriften geen verbindende kracht hebben, heeft evenwel aan de stafhouder te kennen gegeven dat ze bij haar weigering bleef en niet van mening zou veranderen. Appellante kan dan ook niet ten grieve worden geduld dat het tot een geding is gekomen.

18. Het geheel van de bezwaren die door geïntimeerde werden geformuleerd nadat ze de eerste twee ereloonstaten van appellante had ontvangen, komen erop neer dat er volgens haar te veel gepresteerde uren werden aangerekend tegen een te hoog uurtarief. Voorts meende ze dat enkel prestaties van één advocaat in rekening konden worden gebracht. Ook suggereerde ze dat niet voor elke prestatie een even hoog tarief kon worden aangerekend, waarbij ze vroeg om een onderscheid te maken naargelang het intellectuele en niet-intellectuele karakter van de prestaties.

19. Dienaangaande dient te worden overwogen dat wegens de vrije keuze van advocaten en experten die de verzekerde contractueel geniet, op grond van art. 5.4 van de algemene voorwaarden de verzekeraar betreffende de staat van kosten en erelonen enkel het “abnormaal hoog” karakter ervan kan betwisten. het komt de verzekeraar derhalve niet toe grieven te formuleren betreffende de wijze waarop de rechtsbijstand door de advocaat wordt georganiseerd – met of zonder kantoormedewerking –, noch over de tijd die aan een welbepaalde prestatie wordt besteed, noch over de methode of het tarief volgens welke de honorering wordt vastgesteld. Dit alles behoort tot het uitsluitende domein van het akkoord tussen de advocaat en zijn cliënt. De verzekeraar kan volgens de polisvoorwaarden enkel een grief putten uit het feit dat de staat van kosten en erelonen “abnormaal hoog” is.

20. Zodoende komt het ook de rechter niet toe om in geval van betwisting zijn oordeel betreffende een gepaste vorming van een kosten- en ereloonstaat in de plaats te stellen, maar kan hij enkel marginaal oordelen of, rekening houdend met de verantwoording die door de advocaat wordt verstrekt, er kennelijk wordt tekortgeschoten aan de gematigde billijkheid die hij in acht moet nemen. De regels die dienaangaande zijn opgenomen in de voormelde deontologische codex, ter nadere uitvoering van de beginselen die in art. 446ter Ger.W. zijn aangegeven, zijn daarbij maatgevend.

21. Als bijzondere regels inzake de vaststelling van het ereloon en de aanrekening van kosten, schrijven art. 77, 78 en 79 van de deontologische codex onder meer het volgende voor:

(a) bij de begroting naar billijkheid en gematigdheid kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende factoren:

– de financiële draagkracht van de cliënt;

– het spoedeisend karakter van het dossier;

– de moeilijkheidsgraad van het dossier;

– het resultaat;

– de ervaring van de advocaat;

– zijn onderlegdheid in de behandelde materie;

– de bestede tijd;

(b) de aangerekende gemaakte kosten moeten kunnen worden verantwoord, ook wanneer zij forfaitair worden berekend;

(c) de staten van erelonen en kosten dienen behoorlijk gedetailleerd te worden en in alle gevallen moet de advocaat de relevante elementen voldoende nauwkeurig kunnen omschrijven. Bij een berekening van de uurvergoeding moet hij bijvoorbeeld de gepresteerde tijd nauwkeurig kunnen bepalen.

22. Blijkens de omvangrijke overgelegde dossierstukken, waaronder het geheel van alle materiële dragers die de administratieve behartiging en de geleverde prestaties betreffen, heeft appellante bijstand verleend in een geschil tussen de verzekerde en de verzekeraar over de kwestie of er al dan niet dekking diende te worden verleend naar aanleiding van een schadegeval.

De processuele initiatieven die daarbij zonder verwijl dienden te worden genomen, waren eerder beperkt en kort van duur: dagvaarding in kort geding, omstandig gemotiveerd, met het oog op de aanstelling van een deskundige. Eén terechtzitting volstond.

De afhandeling van de expertiseverrichtingen daarentegen duurde des te langer. Het geheel heeft twintig maanden aangesleept en veroorzaakte alle gangbare prestaties: vergadering, omvangrijke correspondentie en overleg met de cliënt, de deskundige, de advocaten van de verzekeraar en van een derde tussenkomende partij, lectuur van technische literatuur, bepaling van standpunten en nazicht van teksten en cijfers. Uit de detailbeschrijving van de aangerekende prestaties blijkt dat er tijdens de vermelde twintig maanden op 106 dagen werd gepresteerd, naar omstandigheden in verschillende afgezonderde tijdspannen per dag die varieerden van 6 minuten tot 5 uren. In totaal worden er 136 prestaties geïdentificeerd en beschreven met een gehele duur van 132,03 uren.

Het gemiddelde aangerekende uurtarief van ongeveer 127 euro overschrijdt niet aanmerkelijk het gemiddelde tarief dat in de gangbare advocatenpraktijk wordt aangerekend ingeval de cliënt een rechtspersoon is. Dit blijkt uit een ruim beantwoorde bevraging hierover die in 2007 door de Orde van Vlaamse Balies werd georganiseerd.

De inzet van het geschil was relatief belangrijk voor de verzekerde: hij riskeerde ruim 35.000 euro aan waarde in hoofdsom (verzekerde waarde min vetusteit) te verliezen.

Ten slotte stelt de draagkracht van de partij die de kosten dient ten laste te nemen geen enkel probleem. De verzekerde zelf, aan wie eenzelfde honorering in andere zaken aangerekend werd, bleek trouwens evenzeer draagkrachtig.

23. Globaal kan worden gesteld dat zes van de zeven factoren die volgens de voormelde deontologische normen in aanmerking komen, een rol konden spelen bij de bepaling van de erelonen. Enkel de juridisch-technische moeilijkheidsgraad komt geen gewicht van betekenis toe.

De begroting van de erelonen werd structureel duidelijk overwegend bepaald door de bestede tijd, wat in de gegeven omstandigheden niet onredelijk voorkomt.

Elk van de geleverde prestaties wordt beschreven en in tijdsduur bepaald. Voor geen enkel ervan maakt geïntimeerde aannemelijk dat ze een abnormaal karakter hebben.

Inzake aanrekening van kantoorkosten wordt een forfaitair procent (7%) op grond van het bedrag van de erelonen aangerekend, hetgeen volgens de deontologische norm aanvaardbaar is, en op dit specifieke punt wordt door geïntimeerde overigens geen kritiek uitgeoefend.

Het totale gewicht van de kosten en ereloonstaat is vrij aanzienlijk ten opzichte van de financiële waarde van het geschil, maar hierbij kan worden opgemerkt dat de aanvankelijke weigering van de verzekeraar om dekking te verlenen tot gevolg heeft gehad dat ook andere aanzienlijke kosten dan die betreffende de rechtsbijstand werden veroorzaakt (bv. ruim 5.000 euro demontage- en bewaringskosten).

24. Zodoende zijn er geen redenen om aan te nemen dat in het voorliggende geval de wettelijke en deontologische voorschriften inzake honorering kennelijk onredelijk werden toegepast, noch wat uurloon en kostenaanrekening betreft, noch wat de aangerekende prestaties aangaat, noch wat hun wijze van honorering betreft. Bij ontstentenis van “abnormaal hoge” kosten en erelonen biedt art. 5.4, laatste lid van de polisvoorwaarden geïntimeerde dan ook geen grond om de door appellante aangerekende kosten en erelonen te betwisten.

25. De conclusie luidt dan dat de hoofdvordering gegrond is en bijgevolg onterecht werd verworpen.

Benevens de hoofdsom is geïntimeerde verwijlinterest verschuldigd vanaf de aanmaning tot betaling van de successieve kosten- en ereloonstaten en gerechtelijke interest vanaf de dagvaarding. Voor de sommen die opeisbaar werden na de dagvaarding is rente verschuldigd vanaf de datum waarop ze bij conclusie werden gevorderd.

Het hoger beroep is gegrond.
 

Noot: 

Hof van Beroep Antwerpen, 22 september 2016, RW 2017-2018, 949

Samenvatting

Een advocaat mag zijn ereloon ten aanzien van een rechtsbijstandsverzekering begroten rekening houdende of op grond van de waarde van de zaak.

Weliswaar dient rekening gehouden met het WER boek III (Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen) van kracht sinds  9 mei 2014 en met de bepalingen van boek XIV (Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende beoefenaars van een vrij beroep) van kracht sinds 31 mei 2014, mits deze bepalingen reeds van kracht waren bij het afsluiten van de ereloonstaat.

Art. 2.2 van het protocolakkoord tussen de rechtsbijstandverzekeraars, de OVB en de OBFG van 3 november 2011 dat bepaalt dat de advocaat de rechtsbijstandsverzekeraar voorafgaandelijk moet inlichten over de berekeningswijze van de kosten en erelonen, veronderstelt dat daartoe door de verzekeraar een verzoek wordt gericht tot de advocaat, hetgeen A. hier niet deed.

De Richtlijn nr. 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten kende slechts toepassing in geval van een consument-natuurlijke persoon.

Tekst arrest

NV A. t/ BVBA V.

...

1. De antecedenten en de vorderingen

De partijen voeren betwisting over de omvang van de ereloonstaat van het advocatenkantoor BVBA V., voor de prestaties uitgevoerd voor de verzekerde in rechtsbijstand bij A., de h. V.H., in een geding tegen diens voormalige werkgever.

Op 21 januari 2014 liet het advocatenkantoor (hierna aangeduid als «de BVBA») A. dagvaarden om te verschijnen voor de Rechtbank van Koophandel te Turnhout (thans te Antwerpen afdeling Turnhout).

Zij vorderde de veroordeling van A. tot betaling van een bedrag van 5.899,01 euro, vermeerderd met de conventionele intresten aan 10% vanaf 2 oktober 2013 op het bedrag van 5.129,57 euro tot aan de dagvaarding en vanaf dan vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet, en vermeerderd met de gerechtskosten.

Met het thans bestreden vonnis van 28 november 2014 verklaarde de rechtbank de vordering grotendeels gegrond. A. werd veroordeeld tot betaling van het bedrag van 5.899,01 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de gewone wettelijke intrestvoet vanaf 2 oktober 2013 tot de datum van het vonnis en vanaf dan met de gerechtelijke intresten aan de gewone wettelijke intrestvoet. Zij werd tevens veroordeeld tot de gerechtskosten.

A. tekende hoger beroep aan met een op 28 januari 2015 neergelegd verzoekschrift.

A. is van oordeel dat zij ten onrechte is veroordeeld en zij vordert de volledige afwijzing van de eis van de BVBA als ongegrond. Subsidiair vordert zij dat de eis drastisch wordt herleid zoals uiteengezet in haar brief van 1 oktober 2013.

Haar vordering strekt er ook toe de BVBA te horen veroordelen tot de gerechtskosten van beide aanleggen, minstens te horen zeggen voor recht dat de dagvaardingskosten niet verschuldigd zijn omdat geïntimeerde naliet de zaak voor te leggen aan de balie en/of de gemengde commissie rechtsbijstandsverzekering.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de volledige bevestiging van het eerste vonnis en tot de verwijzing van appellante in de kosten.

2. Beoordeling

1. De dienende feiten kunnen als volgt worden samengevat.

Met het oog op een procedure tegen zijn voormalige werkgever consulteerde de h. V.H. geïntimeerde.

Bij e-mail van 16 april 2013 liet appellante, rechtsbijstandsverzekeraar van de h. V.H., het volgende weten: «Binnen de perken van onze voorwaarden nemen wij uw staat van kosten en erelonen ten laste voor het minnelijk beheer, d.w.z. voor uw minnelijke onderhandelingen met de tegenpartij. Gelieve te noteren dat 20% van elke externe kost ten laste blijft van onze verzekerde en dat het plafond van onze tussenkomst maximaal 12.500 euro bedraagt. Gelieve ons op de hoogte te willen houden van de essentiële stappen dewelke u onderneemt.»

Voor de inleiding van de procedure voor de arbeidsrechtbank is door geïntimeerde een verzoekschrift opgesteld maar de zaak kon met een dading worden geregeld. Een totaal bedrag van 158.256,55 euro werd voor de verzekerde van A. gerecupereerd van de werkgever.

Bij brief van 17 september 2013 werd de volgende staat van kosten en erelonen door geïntimeerde bezorgd aan A.:

158.256,55 euro x 7% 11.077,96 euro Kantoorkosten 856,00 euro Saldo 11.933,96 euro
Hiervan (eigenlijk van de som van 11.911,96 euro) werd de betaalde rechtsplegingsvergoeding van 5.500 euro door geïntimeerde afgetrokken met akkoord van A., zodat zij verzocht om betaling van het saldo van 6.4011,96 euro.

Met e-mails van 1 oktober 2013 heeft A. deze ereloonstaat betwist.

De BVBA handhaafde bij brief van dezelfde datum haar standpunt.

Vervolgens is tot dagvaarding overgegaan, waarbij geïntimeerde haar initiële vordering van 6.411,96 euro in hoofdsom minnelijk heeft herleid met 20% conform het e-mailbericht van 16 april 2013 van A., zodat zij nog een hoofdsom van 5.129,57 euro vorderde. Bijkomend werd een forfaitaire schadevergoeding gevorderd van 15% en conventionele intresten aan 10% vanaf de vervaldag van de ereloonstaat.

2. Niet betwist wordt dat geïntimeerde een rechtstreekse vordering kan instellen tegen A. tot betaling van haar staat van erelonen en kosten. Dit werd trouwens nog bevestigd ter zitting door de raadsman van A. op verzoek van het hof.

3. Evenmin betwist is dat A. met haar e-mailberichten van 1 oktober 2013 tijdig de ereloonstaat heeft geprotesteerd.

Hierbij zijn opmerkingen gemaakt die zowel de wijze van berekening van het ereloon door geïntimeerde als een eenzijdige partijbeslissing betreffen, als over de omvang van het gevorderde bedrag.

Voorts werd aan de BVBA verweten niet de nodige informatie aan A. te hebben bezorgd.

3.1. A. duidt het geïntimeerde ten kwade de erelonen begroot te hebben als een percentage van het verkregen bedrag en is van oordeel dat dit enkel mogelijk was indien daarover vooraf een akkoord werd gesloten.

In de concrete omstandigheden kan het hof dat standpunt niet bijvallen.

Zo A. haar akkoord tot het dragen van de ereloonstaat van geïntimeerde had willen afhankelijk maken van andere elementen dan deze opgenomen in haar mail van 16 april 2013, had ze dit moeten melden. Gezien de concrete bewoordingen van die mail, en gezien het feite dat op het ogenblik de polisvoorwaarden blijkbaar niet ter kennis van geïntimeerde werden gebracht door A., mocht de BVBA ervan uitgaan dat met «Binnen de perken van onze voorwaarden» niet meer of anders werd bedoeld dan (i) dat 20% van de externe kost lastens de verzekerde blijft en (ii) dat het plafond van de tussenkomst maximaal 12.500 euro bedraagt.

Er werden geen ruimere of andere contractuele afspraken dan deze gemaakt.

Bij gebreke aan afspraken en restricties bij de aanvang door A. opgelegd, stond niets eraan in de weg dat geïntimeerde in september 2013 haar staat als een waardetarief heeft opgesteld.

A. heeft de begroting van de ereloonstaat middels een eenzijdige partijbeslissing nooit uitgesloten.

Het hof ziet in dat de BVBA ertoe gehouden was om de polis van V.H. bij A. op te vragen.

Het hof stelt trouwens vast dat zelfs op heden de polis waarnaar A. verwijst, niet wordt bijgebracht, noch wordt aangeduid welke voorwaarden ervan door de BVBA niet zouden zijn nageleefd.

Zo het juist is dat de beoefenaar van een vrij beroep een ondernemer is in de zin van het WER, is het eveneens zo dat de bepalingen van het WER waarnaar appellante verwijst bij de uitvoering van de prestaties door de BVBA en bij het afsluiten van haar ereloonstaat, nog geen toepassing kenden gezien de inwerkingtreding van boek III (Vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen) op 9 mei 2014 en van boek XIV (Marktpraktijken en consumentenbescherming betreffende beoefenaars van een vrij beroep) op 31 mei 2014.

Art. 2.2 van het protocolakkoord tussen de rechtsbijstandverzekeraars, de OVB en de OBFG van 3 november 2011 dat bepaalt dat de advocaat de rechtsbijstandsverzekeraar voorafgaandelijk moet inlichten over de berekeningswijze van de kosten en erelonen, veronderstelt dat daartoe door de verzekeraar een verzoek wordt gericht tot de advocaat, hetgeen A. hier niet deed.

De Richtlijn nr. 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten kende slechts toepassing in geval van een consument-natuurlijke persoon, hetgeen in casu niet zo is.

Vermits er met uitzondering van de twee hoger vermelde beperkingen, in april 2013 tussen A. en geïntimeerde geen andere afspraken waren gemaakt over de wijze van berekening van zijn ereloon, mocht geïntimeerde dit doen bij wijze van waardetarief.

3.2. De bepaling van het ereloon was ook voor de inwerkingtreding van de terzake relevante boeken en bepalingen van het WER niet zonder meer overgelaten aan de advocaat.

Krachtens art. 446ter, eerste lid Ger.W. dienen de advocaten hun ereloon te begroten met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht. In het tweede lid is eraan toegevoegd dat ingeval het ereloon niet met een billijke gematigdheid is vastgesteld, het door de raad van de Orde kan worden verminderd met inachtneming onder meer van de belangrijkheid van de zaak en van de aard van het werk.

De belangrijkheid van de zaak en de aard van het werk zijn niet-limitatieve criteria door de wetgever aan de advocaat opgelegd om zijn ereloon te begroten. Aangenomen wordt dat ook rekening mag worden gehouden met onder meer het verkregen resultaat, de snelheid en efficiëntie waarmee een zaak is afgehandeld, de complexiteit van de zaak, de verrichte taken etc.

Teneinde aan te tonen dat zijn ereloonstaat kan worden behouden, verwijst geïntimeerde naar het behaalde resultaat, de wijze waarop dit kon behaald worden met name zonder verderzetting van de gerechtelijke procedure, en naar het «prestatieoverzicht» als bijlage gevoegd bij zijn staat van 17 september 2013.

Dit prestatieoverzicht vermeldt de datum van elke prestatie, en de aard ervan, in de periode van 19 februari 2013 tot 16 september 2013.

De prestaties betreffen briefwisseling, opzoekingen, berekeningen van een voorstel en tegenvoorstel, het telefonisch inwinnen van advies bij de FSMA, telefonisch overleg en onderhandelingen met de raadsman van de tegenpartij, nazichten van het dossier, vergadering, redactie van het inleidend verzoekschrift, het opstellen van de overeenkomst van dading en van de overeenkomsten warrants, dossierbeheer en intern overleg.

Niet vermeld is welke precieze tijd aan elke onderscheiden prestatie is besteed, wat het moeilijker maakt om te controleren of de aangerekende som in overeenstemming is met de gedane prestaties.

Niettemin tonen het opgegeven detail van de prestaties en hun frequentie aan dat het dossier arbeidsintensief is geweest teneinde tot de dadingsovereenkomst te kunnen komen. Het enkele feit dat de procedure voor de arbeidsrechtbank niet diende verdergezet te worden en er «niet eens besluiten moesten opgesteld worden» (sic), betekent niet dat de staat van erelonen onverantwoord zou zijn of dat het dossier niet arbeidsintensief zou zijn geweest.

Het resultaat was kennelijk zeer bevredigend voor de cliënt vermits quasi het volledig gevorderde bedrag kon worden gerecupereerd.

Mede rekening gehouden met het feit dat A. in haar brief van 1 oktober 2013 zelf aangeeft dat de toepassing van de «oude» percentages zou leiden tot een ereloon van 13.640,46 euro (dat zij dan weliswaar met 50% herleidt, maar waartoe het hof geen reden ziet), kan worden aanvaard dat de door geïntimeerde gevorderde erelonen in verhouding staan tot de omvang van de geleverde prestaties en met een passende gematigdheid en bescheidenheid werden vastgesteld.

In dat kader merkt het hof trouwens op dat die «oude» percentages die A. aangeeft een degressief systeem betreffen, beginnend aan een percentage van 15% om te eindigen aan 7% voor de bedragen boven de 125.000 euro.

A. blijft ook in haar conclusies voor het hof (p. 8-9) naar die berekening verwijzen.

3.3. Op geen enkel ogenblik vooraleer zij de staat van geïntimeerde protesteerde, heeft A. zich beklaagd over een gebrek aan informatie van de zijde van de BVBA.

Thans kan zij zich niet op dit voorwendsel stoelen om de verschuldigdheid van de staat van erelonen van de BVBA te betwisten.

4. Het ereloon dat door geïntimeerden is aangerekend aan A., kan worden behouden.

Het hoger beroep is ongegrond.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 20/10/2013 - 10:58
Laatst aangepast op: za, 10/02/2018 - 13:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.