-A +A

Betekening met vormfouten kan termijnen toch doen lopen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 15/05/2015
A.R.: 
C.12.0568.N

De vermelding van de in artikel 44 Gerechtelijk Wetboek bepaalde formaliteiten is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven, zodat de niet naleving ervan niet tot de nietigheid van de betekening kan leiden.

Uit het civiele luik van artikel 6.1 EVRM kan geen verplichting worden afgeleid om bij de betekening van een rechterlijke beslissing op het initiatief van één van de bij die beslissing betrokken procespartijen, informatie te verstrekken over de rechtsmiddelen die tegen die beslissing kunnen worden ingesteld.
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.12.0568.N
A. M.,
eiseres,
toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 18 oktober 2012 (nr. G.12.0163.N)
tegen
PENSIOENDIENST VOOR DE OVERHEIDSSECTOR, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 40, bus 30,
verweerder,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 juni 2012.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De verweerder werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op: het cassatie-beroep is ingesteld buiten de termijn bepaald in artikel 1073, eerste lid, Gerechte-lijk Wetboek.

2. Overeenkomstig artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is, behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt, de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid.

3. De eiseres voert vooreerst aan dat de in artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn hier geen aanvang heeft genomen omdat het exploot waarbij de bestreden beslissing werd betekend niet alle door artikel 44, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek vereiste vermeldingen bevat en derhalve nietig is.

4. Artikel 38, § 1, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in geval een exploot niet kan worden betekend zoals bepaald in artikel 35, de bete-kening bestaat in het achterlaten door de gerechtsdeurwaarder aan de woonplaats of, bij gebrek aan een woonplaats, aan de verblijfplaats van de geadresseerde, van een afschrift van het exploot onder gesloten omslag met vermelding van de in artikel 44, eerste lid, bepaalde gegevens.

De gerechtsdeurwaarder vermeldt op het origineel van het exploot en op het betekend afschrift, de datum, het uur en de plaats waarop dit afschrift werd achtergelaten.

Artikel 44, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer het afschrift niet aan de persoon zelf kan worden betekend, het wordt achtergelaten onder gesloten omslag, met de vermelding van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, de naam en voornaam van de geadresseerde, de plaats van betekening en de vermelding "Pro Justitia - dadelijk af te geven". Op de omslag mag geen andere vermelding voorkomen.

Overeenkomstig het tweede lid van die bepaling wordt van het vervullen van al die formaliteiten melding gemaakt in het exploot en op het afschrift.

5. Anders dan waarvan het door de eiseres ontwikkelde verweer uitgaat, is de vermelding van de in artikel 44 Gerechtelijk Wetboek bepaalde formaliteiten niet op straffe van nietigheid voorgeschreven, zodat de niet-naleving ervan niet tot de nietigheid van de betekening kan leiden.

6. De eiseres voert verder aan dat de betekening ook nietig is omdat het ex-ploot het bestaan niet vermeldt van het rechtsmiddel van de voorziening in cassa-tie en de termijn waarbinnen dit rechtsmiddel moet worden ingesteld.

7. Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat het exploot waarbij een in laatste aanleg gewezen gerechtelijke beslissing wordt betekend, de vermelding bevat van de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen en van de hiertoe vereiste vormen en termijnen.

8. Anders dan de eiseres aanvoert, kan uit het civiele luik van artikel 6.1 EVRM geen verplichting worden afgeleid om bij de betekening van een rechterlijke beslissing op het initiatief van één van de bij die beslissing betrokken pro-cespartijen, informatie te verstrekken over de rechtsmiddelen die tegen die beslis-sing kunnen worden ingesteld.

9. Wanneer een vermeende schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet be-trekking heeft op een leemte in de wetgeving, dient het Hof slechts een prejudici-ele vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer het vaststelt dat de rech-ter, in voorkomend geval, in staat is deze leemte te verhelpen zonder tussenkomst van de wetgever.

10. De door de eiseres aangeklaagde leemte in de wetgeving, gesteld dat ze de Grondwet schendt, zou te dezen de tussenkomst van de wetgever vereisen om de modaliteiten van de nieuw in te voeren regeling te bepalen.

Er bestaat bijgevolg geen grond om een prejudiciële vraag te stellen over het ont-breken van de verplichting om bij de betekening van een rechterlijke beslissing bij gerechtsdeurwaardersexploot, informatie te verstrekken over de rechtsmiddelen die tegen die beslissing kunnen worden ingesteld.

11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het verzoek-schrift tot cassatie ter griffie van het Hof werd ingediend op 26 november 2012, dit is meer dan drie maanden na de betekening van de bestreden beslissing, die plaatsvond op 20 augustus 2012.

Het cassatieberoep is bijgevolg laattijdig.
Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 611,59 euro in debet en voor de verweerder op 148,63 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

C.12.0568.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. De betwisting kadert in de aanspraak van eiseres op een rustpensioen ten laste van de overheidssector voor haar prestatie als vast benoemde lerares.

2. Het bestreden arrest weigert eiseres toe te laten tot het stelsel van de overheidspensioenen, en wijst haar vordering lastens verweerder af als ongegrond.

3. Tegen deze beslissing voert eiseres twee middelen tot cassatie aan die, in essentie, de interpretatie door het bestreden arrest van artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen (m.b.t. de voorwaarden om pensioengerechtigd te zijn) bekritiseren (eerste middel), en opkomen tegen een te restrictieve interpretatie van het begrip "eigendom" in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol van 20 maart 1952 bij het Verdrag van de Rechten van de Mens (tweede middel).

II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN

1. In de memorie van antwoord van verweerder (cf. art. 1093, eerste lid, Ger.W.) wordt een middel van niet-ontvankelijkheid tegen de voorziening opgeworpen (cf. art. 1094 Ger.W.). Verweerder verwijt de voorziening, op grond van artikel 1073, eerste lid, Ger.W. laattijdigheid vanwege het instellen van het cassatieberoep buiten de voorziene termijn van drie maanden te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend.

2. In casu werd de bestreden beslissing, zijnde het arrest van 28 juni 2012, op 20 augustus 2012 betekend, en werd de voorziening in cassatie door eiseres aan verweerder betekend op 22 november 2012, terwijl ze op 26 november 2012 ter griffie van het Hof werd ingediend (cf. art. 1079, eerste lid, Ger.W.).

3. In haar memorie van wederantwoord (cf. art. 1094 Ger.W.) voert eiseres daartegen aan dat artikel 1073 Ger.W. in deze niet van toepassing is wegens nietigheid van het exploot van betekening van verweerder d.d. 20 augustus 2012. Zij verwijt het betekeningsexploot in dat verband enerzijds niet alle door artikel 44, eerste lid, Ger.W. vereiste formaliteiten inzake vermeldingen te bevatten, en anderzijds geen melding te maken van het bestaan van het rechtsmiddel van de voorziening in cassatie en van de termijn waarbinnen zulks dient plaats te vinden (in het raam van het recht op informatie conform artikel 6 EVRM).

4. Artikel 38, §1, Ger.W. bepaalt de vorm waarin de betekening geschiedt wanneer het exploot (in andere dan in strafzaken) niet kan worden betekend zoals vastgesteld in artikel 35, d.w.z. wanneer het exploot niet kan worden betekend aan de persoon of aan de woonplaats(1).

5. Wanneer het afschrift niet aan de persoon zelf kan worden betekend, wordt het, overeenkomstig artikel 44, eerste lid, Ger.W., achtergelaten onder gesloten omslag, met vermelding van het kantoor van de gerechtsdeurwaarder, de naam en de voornaam van de geadresseerde, de plaats van betekening en de vermelding "Pro Justitia - Dadelijk af te geven". Op de omslag mag geen andere vermelding voorkomen. Van het vervullen van al die formaliteiten wordt melding gemaakt in het exploot en op het afschrift (Art. 44, tweede lid, Ger.W.).

6. De betekening strekt ertoe een akte van rechtspleging officieel ter kennis van de geadresseerde te brengen, en de mededeling van de akte van rechtspleging moet daartoe het voorwerp of een van de voorwerpen van het deurwaardersexploot uitmaken(2).

7. Waar het exploot van betekening (art. 43 Ger.W.) en het afschrift van het exploot (art. 45 Ger.W.), op straffe van nietigheid, door de optredende gerechtsdeurwaarder moet ondertekend zijn en alle vermeldingen van het origineel moet bevatten, staat het mij - in tegenstelling tot deze formulering m.b.t. voormelde artikelen en anders dan waarvan het verweer van eiseres uitgaat - voor dat de formaliteiten waarvan melding dient te worden gemaakt conform artikel 44 Ger.W. evenwel niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, en dat de niet-naleving ervan derhalve niet tot de nietigheid van de betekening kan leiden(3).

8. Bovendien schrijft geen enkele wettelijke bepaling voor dat het exploot van betekening informatie dient te bevatten aangaande de rechtsmiddelen(4).

9. Weliswaar oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds eerder(5) dat een rechtsonderhorige die niet weet op welke wijze hij een rechtsmiddel dient aan te wenden tegen een beslissing - omdat de wet ter zake niet voldoende duidelijk is - niet kan gesanctioneerd worden met een niet-ontvankelijkheid van zijn verhaal op straffe van miskenning van zijn recht op toegang tot de rechter, en impliceert dit laatste dat de procedureregels m.b.t. de beroepsmogelijkheden en de beroepstermijnen tegen een rechterlijke uitspraak duidelijk moeten zijn(6), maar kan uit deze rechtspraak op zich en de omstandigheid dat de Belgische Staat in strafzaken reeds herhaaldelijk werd veroordeeld omdat zij bij de betekening van een rechterlijke beslissing geen informatie had gegeven over de termijn en de vorm waarin een rechtsmiddel diende te worden ingesteld, m.i. evenwel niet worden afgeleid dat artikel 6.1 EVRM een algemene verplichting bevat om bij de betekening of kennisgeving van een rechterlijke beslissing informatie te geven over de rechtsmiddelen die tegen deze beslissing kunnen worden ingesteld(7).

10. Waar daarbij telkens het belang van de zaak voor de verzoeker en de concrete omstandigheden van de zaak in overweging dienen te worden genomen, evenals de omstandigheden dat met zekerheid moet kunnen vastgesteld worden binnen welke termijn en in welke vorm een rechtsmiddel kan worden ingesteld, komt het mij op grond van het hierboven vermelde dan ook voor dat er in deze geen afbreuk werd gedaan aan de wijze van kennisgeving aan de betrokkene.

11. Nu krachtens artikel 792, derde lid, Ger.W. de verplichting voorligt om de geadresseerde van een gerechtsbrief te informeren over de rechtsmiddelen die kunnen worden ingesteld tegen de beslissing waarvan kennis wordt gegeven en over de termijnen waarbinnen dit kan gebeuren, gaat eiseres er eveneens van uit dat een verschil in behandeling op het punt van de verwittiging omtrent de rechtsmiddelen en de termijn waarbinnen deze dienen te worden uitgeoefend tussen, enerzijds, de rechtzoekenden aan wie betekend dient te worden aan de hand van een gerechtsdeurwaardersexploot (en die desaangaande niet zouden dienen te worden verwittigd), en, anderzijds, de rechtzoekenden aan wie kennis wordt gegeven per gerechtsbrief (en die desaangaande wel moeten worden verwittigd), strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

12. Waar deze verplichting van artikel 792, derde lid, Ger.W. om in de kennisgeving informatie over de rechtsmiddelen te geven enkel geldt voor de gevallen opgesomd in artikel 792, tweede lid, Ger.W., is deze bijzondere informatieverplichting echter niet van toepassing voor de verplichte kennisgeving in andere gevallen(8), en blijkt uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ook dat het Hof dit niet beschouwt als een onevenredige beperking van de rechten van de rechtzoekende(9).

13. Trouwens, wanneer de eiser(es) het Hof verzoekt het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen die betrekking heeft op de verenigbaarheid van de artikelen 10 en 11van de Grondwet met het ontbreken van een wettekst, hoeft deze prejudiciële vraag niet te worden gesteld, daar de aangeklaagde lacune, gesteld dat ze de Grondwet schendt, alleen verholpen kan worden door de wetgever, die de modaliteiten van de nieuw in te voeren regeling dient te bepalen(10).

14. Om voormelde redenen komt het mij in deze dan ook voor dat er aldus geen grond voorhanden is om inzake een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

III.CONCLUSIE: Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond, en het cassatieberoep dient verworpen te worden wegens laattijdigheid.
__________________________
(1) Cass. 20 januari 1989, AR nr. 6141, AC 1988-89, nr. 300, met concl. van procureur-generaal KRINGS.
(2) Cass. 21 mei 2004, AR C.03.0558.F, AC 2004, nr. 275.
(3) Zie in dat verband qua impact en omvang van het aspect op straffe van nietigheid ook eerdere rechtspraak van uw Hof i.v.m. het visum omschreven in lid 2 van art. 43 Ger.W.: Cass. 6 januari 1975, AC 1975, 502; Cass. 16 maart 1989, AR nr. 8051, AC 1988 - 89, nr. 404.
(4) B. VANLERBERGHE, De toegankelijkheid van de rechtsmiddelen. Over de redelijke toepassing van vorm- en termijnvereisten, in Civiel procesrecht vandaag en morgen, Intersentia 2013, (115), 132, nr. 17.
(5) EHRM 1 maart 2011, nr. 11892/08, JLMB 2011, 788.
(6) Cass. 23 januari 2014, Verenigde Kamers, AR D.12.0010.N, AC 2014, nr. 57.
(7) B. VANLERBERGHE, o.c., (115), 133, nr. 18; zie ook P. THEVISSEN, La notification des règles d'opposition comme condition du procès équitable, JLMB, 2011, 798.
(8) B. VANLERBERGHE, o.c., (115), 132, nr. 17.
(9) GwH 15 maart 2007, nr. 40/2007; GwH 1 oktober 2003, nr. 128/2003.
(10) Cass. 11 december 2008, AR C.07.0333.F, AC 2008, nr. 719.
 

Noot: 

M. Baetens, Onregelmatige betekening van een vonnis en termijn Hoger beroep, RABG 2014, 1173

X. Taton, "La sanction differenciée des vices de signification dans la jurisprudence de la Cour de Cassation, JT 2009, 321

Marc Baetens-Spetschinsky, Loopt de Cassatoetermijn bij niet naleving van artikel 44 Ger.W. en bij gebrek aan informatie aangaande de rechtsmiddelen? RABG 2015/17, 1214

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 30/01/2016 - 11:42
Laatst aangepast op: za, 30/01/2016 - 12:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.