-A +A

Betaling voorafgaand aan proces-verbaal van rangregeling – onverschuldigde betaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 19/05/2014
A.R.: 
19/05/2014

De betaling aan een schuldeiser heeft een geldige oorzaak en is niet onverschuldigd omdat deze betaling, die het gevolg is van de verdeling van de opbrengst van een beslag, plaatsvond met miskenning van de regels van de voorrang van schuldvorderingen; de schuldeiser mag, in beginsel, erop vertrouwen dat de verdeling correct is gebeurd; een betaling door een vereffenaar aan een schuldeiser verricht vóór het afsluiten van de verdelingsprocedure is evenwel niet definitief en is bijgevolg onverschuldigd in de mate zij het bedrag overschrijdt dat aan die schuldeiser toekomt volgens de definitieve verdeling

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1467
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0482.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de ontvanger der directe belastingen te Bilzen, met kantoor te 3740 Bilzen, Brugstraat 2,
eiser,

tegen
F.
verweerder,
 

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 maart 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De betaling aan een schuldeiser heeft een geldige oorzaak en is niet onver-schuldigd omdat deze betaling, die het gevolg is van de verdeling van de opbrengst van een beslag, plaatsvond met miskenning van de regels van de voorrang van schuldvorderingen. De schuldeiser mag, in beginsel, erop vertrouwen dat de verdeling correct is gebeurd.

Een betaling door een vereffenaar aan een schuldeiser verricht vóór het afsluiten van de verdelingsprocedure is evenwel niet definitief en is bijgevolg onverschuldigd in de mate zij het bedrag overschrijdt dat aan die schuldeiser toekomt volgens de definitieve verdeling.

2. Uit het arrest blijkt dat:
- de notaris (de verweerder) gelast werd met de openbare verkoop van de onroer-ende goederen van de schuldenaar en met de rangregeling;
- de notaris op 14 december 2006 aan de eiser een notificatie zond als bedoeld in artikel 433 WIB;
- de eiser op 18 december 2006 aan de notaris mededeling doet van diverse belastingschulden;
- de notaris op 24 oktober 2007 aan de eiser drie betalingen doet ten einde "ver-dere intresten te vermijden";
- op 7 april 2008 de notaris een proces-verbaal van rangregeling opmaakt;
- tegen deze verdeling een andere schuldeiser (hierna: de bank) op 4 juli 2008 te-genspraak doet;
- de beslagrechter bij beschikking van 30 april 2009 het definitief proces-verbaal van rangregeling opmaakt waarbij het bedrag dat aan de bank toekomt, wordt verhoogd met 56.768,58 euro;
- het saldo van de rubriekrekening van de notaris ontoereikend blijkt te zijn om deze vordering te voldoen;
- de bank nog aanspraak maakt op een bedrag van 45.375,72 euro;
- de notaris zich keert tot de eiser en de terugbetaling vordert van 45.375,72 euro.

3. De appelrechters oordelen dat de eiser "de door de beslagrechter aangepaste rangregeling (diende) te respecteren", het bedrag van 45.375,72 euro dat blijkens deze rangregeling toekwam aan de bank aan de eiser werd uitgekeerd vóór de defi-nitieve afsluiting van de rangregeling, deze betaling "aldus geen oorzaak (had), vermits dit bedrag ingevolge de rangregeling toekwam aan (de bank)" en beslissen op grond hiervan dat de verweerder die "gehandeld heeft in uitvoering van zijn functie als ministerieel ambtenaar" gerechtigd is dit bedrag van de eiser terug te vorderen.

Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 814,22 euro en voor de verweerder op 394,98 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer in openbare rechtszitting van 19 mei 2014


C.13.0482.N
Advocaat-generaal Vanderlinden heeft in hoofdzaak gezegd:
Bij de beoordeling van het middel is het van belang het geschil te situeren. De litigieuze betalingen hadden plaats in het kader van het uitvoerend beslag op onroerende goederen. Eén en ander is geregeld in de bepalingen van artikel 1560 e.v. Gerechtelijk Wetboek, alsook de artikelen 1639 e.v. van hetzelfde wetboek.

De leer die voortspruit uit Uw arrest van 22 december 2005 kan met huidige casus worden verfijnd. Uw hof had beslist dat een betaling aan een schuldeiser een geldige oorzaak heeft en niet onverschuldigd is, wanneer deze het gevolg is van de verdeling van de opbrengst van een beslag, doch dat dit gebeurde met miskenning van de regels van de voorrang van de schuldvorderingen. De schuldeiser mag in beginsel erop vertrouwen dat de verdeling correct gebeurd is. Het gaat derhalve terug op de vertrouwensleer.

In het arrest van 2005 betrof het een werkgever die geconfronteerd werd met enerzijds een loonoverdracht en anderzijds een uitvoerend beslag onder derden uitgaande van de fiscus. De werkgever ging zelf over tot een verdeling van de gelden onder de respectievelijke schuldeisers en miskende hierin de regels van de voorrang. Het optreden van de werkgever was evenwel niet geregeld door enige procedureregels.

Het verschil met huidige zaak is dat het Gerechtelijk Wetboek een procedure voorziet waarbij door de notaris de rechten van de diverse schuldeisers worden vastgelegd, meer bepaald in een proces-verbaal van rangregeling. Tot aan het verstrijken van de termijn voor het opstellen van het PV van rangregeling kunnen schuldeisers nog verzet doen tegen de prijs en dus hun rechten op een deel van de opbrengst laten gelden.

De rangregeling, en de erin vermelde rechten van de schuldeisers, worden pas definitief na het verstrijken van de wettelijk bepaalde termijn en dit zowel wanneer er geen tegenspraak is als na de gebeurlijke rechterlijke beslissing.

Op basis van het voorgaande is het derhalve duidelijk dat de rechten die de eiser kon laten gelden op de ontvangen sommen precair waren en er zeker geen sprake kan zijn van een gewettigd vertrouwen daar de procedure van rangregeling, op het ogenblik van het ontvangen van de sommen, nog niet was afgesloten.

De appelrechters verantwoorden naar recht hun beslissing door te oordelen dat eiser de door de beslagrechter aangepaste rangregeling diende te respecteren en dat de betaling aan eiser aldus geen oorzaak had, vermits dit bedrag ingevolge rangregeling toekwam aan de bank, zodat verweerder die gehandeld heeft als ministerieel ambtenaar gerechtigd is dit bedrag terug te vorderen.

Conclusie: Verwerping
 

Noot: 

• Onder de publicatie van dit arrest in het RW: Vincent Sagaert, Onterechte betaling door een bewindvoerder in een insolventieprocedure: is een terugvordering mogelijk?

• V. Sagaert, “Ongerechtvaardigde verrijking en gewijzigde omstandigheden”, TPR 2001, 583-630).

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 14/05/2017 - 10:02
Laatst aangepast op: zo, 14/05/2017 - 10:02

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.