-A +A

Bestuurder die niet belast is met de dagelijkse leiding geen vermoeden aansprakelijkheid wegens herhaalde niet-betaling van de btw.

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 03/01/2017
A.R.: 
2015/AR/1080

Het weerlegbaar vermoeden van fout bij herhaalde niet-betaling van de btw kan enkel slaan op de fout begaan door de bestuurders belast met het dagelijks bestuur. 

Het loutere bezit van 20 van de 100 aandelen van de vennootschap en de mogelijkheid de vennootschap afzonderlijk te vertegenwoordigen voor alle bankverrichtingen zijn onvoldoende om te concluderen dat een persoon de bevoegdheid had om de vennootschap alleen te vertegenwoordigen binnen het dagelijks bestuur. Het blijkt niet dat eiser in hoger beroep in de periode van niet-betaling van btw in realiteit belast was met het dagelijks bestuur.

Voor de bestuurder die niet belast is met de dagelijkse leiding geldt er geen vermoeden van fout omwille van de herhaalde niet-betaling van de btw.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/9
Pagina: 
762
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(M.D. / De Belgische Staat - Rolnr.: 2015/AR/1080)

1. Voorafgaande feiten en procedure
(…)

2. Bespreking
2.1. De vordering op grond van 93undecies C WBTW
Artikel 93undecies C WBTW, zoals van toepassing op onderhavig geschil, bepaalt:

“§ 1. In geval van tekortkoming, door een aan de btw onderworpen vennootschap of door een rechtspersoon bedoeld in artikel 17, § 3 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, aan haar verplichting tot het betalen van de belasting, van de interesten of van de bijkomende kosten, zijn de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de tekortkoming indien die te wijten is aan een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die ze hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon.

Deze hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden uitgebreid naar de andere bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon indien in hunnen hoofde een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de in het eerste lid bedoelde tekortkoming.

Onder bestuurder van een vennootschap of van een rechtspersoon in de zin van dit artikel wordt verstaan, elke persoon die, in feite of in rechte, de bevoegdheid heeft of heeft gehad om de vennootschap of de rechtspersoon te besturen, met uitsluiting van de gerechtelijke mandatarissen.

§ 2. De herhaalde niet-betaling van de voormelde belastingschuld door de vennootschap of door de rechtspersoon, wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed voort te vloeien uit een in § 1, eerste lid, bedoelde fout.

Onder herhaalde inbreuken op de verplichting tot betaling van de belasting in de zin van dit artikel, wordt verstaan:

ofwel, voor een belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van trimestriële aangiften inzake BTW, het gebrek aan betaling van ten minste twee eisbare schulden binnen een periode van een jaar;
ofwel, voor een belastingplichtige die gehouden is tot indienen van maandelijkse aangiften inzake btw, het gebrek aan betaling van ten minste drie eisbare schulden binnen een periode van een jaar.
§ 3. Er is geen vermoeden van fout in de zin van § 2, eerste lid, indien de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, van faillissement of van gerechtelijke ontbinding.

§ 4. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon kan slechts worden ingeroepen voor de betaling, in hoofdsom en toebehoren, van de schulden inzake btw.

§ 5. De rechtsvordering tegen aansprakelijke bestuurders is slechts ontvankelijk indien ze wordt ingesteld na het verstrijken van een termijn van één maand te rekenen vanaf een door de ontvanger bij ter post aangetekende brief verzonden kennisgeving, waarin de geadresseerde verzocht wordt de nodige maatregelen te treffen om de tekortkoming te verhelpen of aan te tonen dat deze niet het gevolg is van een door hen begane fout.

Deze bepaling verhindert evenwel niet dat de met de invordering belaste ambtenaar, binnen voormelde termijn, bewarende maatregelen vordert ten laste van het vermogen van de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of rechtspersoon aan wie een kennisgeving is toegezonden.”

Verweerder in hoger beroep vordert op grond van artikel 93undecies C WBTW eiser in hoger beroep als hoofdelijk aansprakelijke te horen veroordelen tot betaling van de achterstallige btw in hoofdsom en toebehoren die NV Firma J.D. niet heeft betaald (maanden januari, februari, maart en april 2009) te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsinteresten conform artikel 91 WBTW.

Artikel 93undecies C WBTW en de hierin bepaalde hoofdelijke gehoudenheid van bestuurders voor de btw verschuldigd door de vennootschap houdt in dat de bedoelde bestuurder, van rechtswege, hoofdelijk mede gehouden is de door de vennootschap verschuldigde btw te voldoen (vgl. Cass. 19 september 2014, F.12.0206.N, www.cass.be).

Overeenkomstig artikel 1200 BW houdt hoofdelijkheid tussen schuldenaars in dat zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeiser bevrijdt.

Krachtens artikel 1203 BW kan de schuldeiser van een hoofdelijke verbintenis van de schuldenaars diegene aanspreken die hij verkiest, zonder dat deze het voorrecht van de schuldsplitsing tegen hem kan inroepen.

Krachtens artikel 1204 BW belet de vervolging tegen een van de schuldenaars gericht, de schuldeiser niet om ook tegen de andere vervolgingen in te stellen.

De Belgische Staat is gelet op voormelde bepalingen niet verplicht om eerst of samen met eiser in hoger beroep eveneens een andere bestuurder of gedelegeerd bestuurder (J.D.) aan te spreken op basis van artikel 93undecies C WBTW in betaling van de openstaande btw-schuld.

De administratie is op basis van artikel 93undecies C WBTW verplicht de bestuurder ten wiens laste ze de hoofdelijke gehoudenheid wil inroepen, te verwittigen vooraleer de rechtsvordering wordt ingesteld, door middel van een ter post aangetekende brief.

De rechtsvordering tot hoofdelijke gehoudenheid is slechts ontvankelijk in zoverre ze wordt ingeleid na het verstrijken van één maand te rekenen vanaf de verzending van de kennisgeving door de ontvanger. Enkel bestuurders aan wie de kennisgeving is verzonden, kunnen rechtsgeldig worden gedagvaard.

Te dezen blijkt uit de overgelegde stukken dat de ontvanger wel degelijk aan eiser in hoger beroep op 8 juli 2009 een voorafgaande kennisgeving stuurde en dit voor de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie en faillissement, waarin hij in kennis gesteld werd van de bedragen die door de vennootschap verschuldigd bleven en dat hij als bestuurder van de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk gesteld werd bij herhaalde niet-betaling, die vermoed werd voort te vloeien uit een fout bij het bestuur van de vennootschap begaan door de bestuurder die belast is met de dagelijkse leiding. Tevens werd meegedeeld dat eiser in hoger beroep de mogelijkheid had de noodzakelijke maatregelen te nemen om deze tekortkoming alsnog te verhelpen of om aan te tonen dat deze tekortkoming niet te wijten was aan enige fout van hem.

De rechtsvordering werd te dezen ingeleid ruim na het verstrijken van één maand te rekenen vanaf de verzending van de kennisgeving door de ontvanger.

Uit de voorbereidende werken blijkt dat het een verplichte voorafgaande verwittiging betreft met als doel een voorafgaandelijk overleg in te stellen tussen de bestuurders waarvan de aansprakelijkheid kan worden ingeroepen en de bevoegde ontvanger teneinde die bestuurders de mogelijkheid te geven de omstandigheden van het vastgestelde gebrek te verduidelijken, hetzij om aan te tonen dat het niet betalen te wijten is aan andere omstandigheden en dat zij geen fout hebben begaan, hetzij om er over te waken dat de vennootschap of de rechtspersoon het gebrek aan betaling oplost. Het is in dat kader dat in voorkomend geval een afbetalingsplan voor de fiscale schuld kan worden afgesloten. Deze preventieve maatregel is een verplichte voorafgaande voorwaarde tot het instellen van de in artikel 93undecies C WBTW voorziene vordering (stukken Kamer, 12 juni 2006, ontwerp van programmawet, Doc. 51-2517/002).

Het komt aan de administratie toe te bewijzen dat de bestuurder, wiens hoofdelijke gehoudenheid in het gedrang komt, de fout in het beheer van de onderneming heeft begaan.

Dat er te dezen sprake is van herhaalde niet-betaling in de zin van artikel 93undecies C WBTW, staat niet ter discussie.

De herhaalde niet-betaling door de vennootschap van de verschuldigde belasting wordt vermoed voort te vloeien uit een fout zoals bedoeld in § 1, eerste lid, zijnde een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die de bestuurder of bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon die belast zijn met de dagelijkse leiding van de vennootschap of van de rechtspersoon, hebben begaan bij het besturen van de vennootschap of de rechtspersoon.

Het weerlegbaar vermoeden van fout bij herhaalde niet-betaling van de belastingschuld slaat op de fout begaan door de bestuurders belast met het dagelijks bestuur.

Uit deze verwijzing leidt het hof af dat het weerlegbaar vermoeden van fout bij herhaalde niet-betaling van de btw enkel kan slaan op de fout begaan door de bestuurders belast met het dagelijks bestuur. Indien de wetgever had gewild dat het weerlegbaar vermoeden van fout zou spelen voor alle bestuurders ongeacht of zij belast zijn met het dagelijks bestuur of niet, dan had hij verwezen naar § 1, zonder meer. Bovendien werd in het advies van de Raad van State gesteld dat het vermoeden alleen betrekking mag hebben op de “in § 1, eerste lid, bedoelde fout”. “Men kan zich immers herhaalde tekortkomingen indenken waarvoor alleen de bestuurder belast met de dagelijkse leiding aansprakelijk is.” (advies van de Raad van State, nr. 40.559/2, Kamer, 4de zitting van de 51ste zittingsperiode, Doc. 51-2517/002, opmerking bij § 2 en 3 van art. 442quater WIB 1992, diezelfde opmerkingen gelden ook voor het ontworpen art. 93undecies C WBTW). Het voorontwerp vermeldde immers in § 1, eerste lid enkel “zijn de bestuurders van de vennootschap of van de rechtspersoon hoofdelijk gehouden” en in § 2 “wordt het gebrek aan betaling behoudens tegenbewijs, verondersteld voort te vloeien uit een bestuursfout van de bestuurders van de vennootschap of de rechtspersoon”. In de verantwoording bij het wetsontwerp werd uitdrukkelijk gesteld dat met alle opmerkingen van de Raad van State in voormeld advies gemaakt rekening werd gehouden behalve met de opmerking dat de tekortkoming betrekking moet hebben op de verplichting tot betaling van ingekohierde bedrijfsvoorheffing (art. 442quater WIB 1992) binnen een termijn voorgeschreven op het aanslagbiljet.

Uit de bijgebrachte publicaties in het Belgisch Staatsblad blijkt wel degelijk dat eiser in hoger beroep bestuurder was van de NV Firma J.D.

Eiser in hoger beroep moet de eventuele gevolgen dragen van zijn “engagement” als bestuurder.

Te dezen kan eiser in hoger beroep echter niet aanzien worden als een bestuurder die belast is/was met de dagelijkse leiding van de vennootschap in de zin van artikel 93undecies C WBTW. De aanvoeringen desbetreffende (bezit van 20 van de 100 aandelen van de vennootschap, de mogelijkheid de vennootschap afzonderlijk te vertegenwoordigen voor alle bankverrichtingen) vanwege de Belgische Staat zijn onvoldoende om te concluderen dat eiser in hoger beroep de bevoegdheid had om de vennootschap alleen te vertegenwoordigen binnen het dagelijks bestuur. Het blijkt niet dat eiser in hoger beroep in de periode van niet-betaling van btw in realiteit belast was met het dagelijks bestuur.

Voor de bestuurder die niet belast is met de dagelijkse leiding geldt er geen vermoeden van fout omwille van de herhaalde niet-betaling van de btw.

Wat de bestuurder betreft die niet belast was met de dagelijkse leiding van de vennootschap, dient de fiscus te bewijzen dat de tekortkoming namelijk de niet-betaling van de verschuldigde btw, te wijten is aan een fout van eiser in hoger beroep in de zin van artikel 1382 BW.

In tegenstelling tot hetgeen eiser in hoger beroep beweert kan ook een nalatigheid in het bestuur wel degelijk een fout zijn in de zin van artikel 93undecies C WBTW. Wanneer men een mandaat van bestuurder op zich neemt, veronderstelt dit dat men een zekere mate van toezicht uitoefent op de manier waarop de actieve bestuurder zijn taken vervult.

De bestuurder kan echter enkel hoofdelijk gehouden zijn indien in zijn hoofde een fout wordt aangetoond die heeft bijgedragen tot de niet-betaling van de btw.

Het hof is van oordeel dat de Belgische Staat deze bewijslast te dezen evenwel niet invult.

Er ligt geen bewijs voor van een precieze fout bij het bestuur van de vennootschap in hoofde van eiser in hoger beroep die bijgedragen heeft tot de niet-betaling van de btw.

De afwezigheid van betaling van fiscale schulden alleen volstaat immers niet als bewijs van een fout in hoofde van te dezen eiser in hoger beroep.

De verplichting tot betaling van de fiscale schulden rust immers op de vennootschap.

Er wordt niet bewezen dat de niet-betaling van de fiscale lasten een bewust gekozen financieringsmiddel is noch dat er sprake is van een onredelijke voortzetting van een verlieslatende activiteit. Bijgevolg blijkt niet dat er sprake is van een gebrek aan toezicht, minstens blijkt niet dat de niet-betaling van de verschuldigde btw hieraan te wijten zou zijn.

Rekening houdende met de concrete gegevens van het dossier is het verantwoord dat er in hoofde van de bestuurder een legitiem vertrouwen was dat het niet naleven van de wettelijke verplichtingen van de vennootschap enkel van korte duur was en er een redelijk objectief vooruitzicht was dat de betalingen slechts met een geringe vertraging zouden plaatsvinden. Dit geldt des te meer nu blijkt dat de verschuldigde btw door de vennootschap slechts gedurende een korte periode niet werd betaald. Nadien (in de periode van 3 juni 2009 tot 1 december 2009) betaalde de vennootschap nog de verschuldigde btw met betrekking tot de periodieke btw-aangiften voor de maanden juni, juli, augustus en oktober 2009. Op 7 april 2009 werd er nog een betaling gedaan van een bedrag van 4.954,08 EUR betreffende de periodieke btw-aangifte van de maand februari 2009.

Het hof stelt tevens vast dat de nodige stappen ondernomen werden om de procedure van gerechtelijke reorganisatie te openen en bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 13 oktober 2009 werd de verlenging van opschorting met het oog op gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord toegekend voor een periode eindigend op 13 april 2010.

Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 11 februari 2010 werd de vennootschap op bekentenis failliet verklaard en werd de voortijdige beëindiging van de procedure gerechtelijke reorganisatie bevolen.

Het betreft hier gelet op voorgaande (het hervatten van de betalingen van de verschuldigde btw, de opening van de procedure gerechtelijke reorganisatie en de uiteindelijke tijdige aangifte van faillissement) in de korte periode van niet betaling van de verschuldigde btw dan ook niet de voortzetting van een ernstig verlieslatende activiteit die het redelijke overschrijdt of die noopte tot ingrijpen van eiser in hoger beroep in het kader van zijn toezichtstaak.

De Belgische Staat faalt te dezen in de op hem berustende bewijslast.

Het hoger beroep van eiser in hoger beroep is derhalve gegrond.

De vordering van de Belgische Staat is ongegrond.

(…)

3. Beslissing
(…)

Noot: 

Roseleth, J., « De aansprakelijkheid voor btw-schulden in hoofde van een bestuurder die niet belast is met het dagelijks bestuur », R.A.B.G., 2017/9, p. 768-770

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 22/07/2017 - 18:48
Laatst aangepast op: za, 22/07/2017 - 18:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.