-A +A

Bestaan van contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit geen schade uit in de zin van art. 1384 BW

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 07/01/2016
A.R.: 
C.15.0231.N

Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit het bestaan niet uit van een schade in de zin van artikel 1384 Burgerlijk Wetboek, voor zover uit de inhoud of uit de draagwijdte van de overeenkomst, de wet of het reglement niet blijkt dat de uitgaven of prestaties die moeten worden gedaan, definitief ten laste moeten blijven van degenen die zich daartoe hebben verbonden of die daartoe door de wet of het reglement worden verplicht.

Uit artikel 135, §2, Nieuwe Gemeentewet blijkt niet dat de uitgaven die de gemeenten op grond van deze wettelijke verplichting moeten doen, definitief ten hunne laste moeten blijven.

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018-1
Pagina: 
21
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0231.N
1. L. V.,
2. M. P.,
eisers,
tegen
GEMEENTE LINT, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoren te 2547 Lint, Koning Albertstraat 41,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 november 2014.

II. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, is de bewaarder van een zaak aansprakelijk voor de schade die door het gebrek van de zaak wordt ver-oorzaakt.

Het bestaan van een contractuele, wettelijke of reglementaire verplichting sluit het bestaan niet uit van schade in de zin van artikel 1384 Burgerlijk Wetboek, voor zover uit de inhoud of uit de draagwijdte van de overeenkomst, de wet of het re-glement niet blijkt dat de uitgaven of prestaties die moeten worden gedaan, definitief ten laste moeten blijven van degenen die zich daartoe hebben verbonden of die daartoe door de wet of het reglement worden verplicht.

2. Krachtens artikel 135, § 2, Nieuwe Gemeentewet hebben de gemeenten tot taak, ten behoeve van de inwoners, te voorzien in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen. Meer bepaald, en voor zover de aangelegen-heid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de vol-gende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd: "alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken".

Uit deze wetsbepaling blijkt niet dat de uitgaven die de gemeenten op grond van deze wettelijke verplichting moet doen, definitief ten hunne laste moeten blijven.

3. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:

- de eisers verbouwingen uitvoerden aan hun woning vooraleer de verweerster hen een bouwvergunning verleende;
- door de graafwerken in en achter het hoofdgebouw zich ernstige problemen van stabiliteit en veiligheid voordeden voor de woning van de eisers en de aanpalende woningen waarbij instortingsgevaar ontstond;
- de verweerster dringende schorings- en instandhoudingswerken liet uitvoeren;
- de totaal onvakkundige wijze waarop de eisers met hun eigendom zijn omge-gaan bij het afbreken ervan, hiervan een gebrekkige zaak maakte;
- zonder het gebrek de gemeente geen kosten had moeten maken om de instor-ting van de gebrekkige zaak alsmede van de aanpalende woningen te voorkomen.

4. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de eisers ten onrechte betwisten dat de verweerster als rechtstreeks slachtoffer in de zin van artikel 1384, eerste lid, Burgerlijk Wetboek lastens de eisers vergoeding kan vorderen voor haar uitgaven om de instorting van de woning van de eisers en de aanpalende wo-ningen te voorkomen, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

eenparig beslissend,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.657,18 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer,  en in openbare rechtszitting van 7 januari 2016 uitgesproken

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: 1. de heer V. L., en zijn echtgenote
2. mevrouw P. M.,

eisers in cassatie,

TEGEN: de GEMEENTE LINT, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2547 LINT, Koning Albertstraat 41,

verweerster in cassatie, die in het exploot van betekening van 2 maart 2015 keuze van woonst heeft gedaan ten kantore van ge-rechtsdeurwaarder Jan Wouters, Schuttersvest 42 te 2800 Meche-len,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eisers hebben de eer een arrest aan Uw beoordeling voor te leggen dat op tegenspraak tussen de partijen op 25 november 2014 werd uitgesproken door de eerste kamer van het Hof van Beroep te Brussel (A.R. nr. 2011/AR/857).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Eisers zijn eigenaar van een woning/taverne te Lint, Koning Albertstraat 19, waarvoor zij belangrijke verbouwingswerken hebben uitgevoerd en waarvan de werkzaamheden gestart zijn vooraleer ze hiervoor een bouwvergunning hadden gekregen.

De politiecommissaris van de gemeente Lint stelde op 23 september 1998 enerzijds deze bouwovertreding vast en anderzijds dat door de graafwerken in en achter het hoofdgebouw ernstige problemen van stabiliteit en veiligheid ontstaan waren zowel met betrekking tot de woning van uw cliënten als aangaande de aan-palende woningen.

De politiecommissaris beval de stopzetting van de werken. Er werd beroep gedaan op een ingenieur-architect van IGEAN en een brandweer-commandant die allebei van oordeel waren dat er inderdaad instortingsgevaar was. De bewoners van de aanpalende eigendommen kregen het bevel om hun woning te verlaten.

Verweerster gaf aan Travhydro de opdracht om dringende herstellingswer-ken uit te voeren waarna de bewoners van de aanpalende panden opnieuw huw woning mochten betreden.

Op 26 en 27 september 1998 deden er zich opnieuw instortingen, verzak-kingen en wateropstuwingen voor waarna er op bevel van de gemeente op 28 sep-tember 1998 nogmaals werken werden uitgevoerd.

In aanwezigheid van de architect van eisers werd op de zitting van 28 sep-tember 1998 van het college van burgemeester en schepenen beslist dat verdere werken noodzakelijk waren om de stabiliteit te garanderen van de woonst van ei-sers en van de aanpalende eigendommen en dat deze werken door de gemeente zouden worden uitgevoerd op kosten van de bouwheer. Voorts werd beslist dat na de uitvoering van die werken zou worden overgegaan tot het uitvaardigen van een bouwvergunning waarna eisers zelf de werken zouden kunnen verderzetten.

2. Eisers hebben vervolgens verweerster gedagvaard in kort geding teneinde een deskundige te horen aanstellen. Bij beschikking van 2 oktober 1998 werd de heer B. Clauwaert als deskundige aangesteld. Hij beval bijkomende werken die andermaal door Travhydro werden uitgevoerd. Verweerster betaalde voor deze werken een bedrag van 29.492, 49 euro. Eisers weigerden deze kosten terug te be-talen alsmede de kosten van het deskundigenonderzoek.

3. De oorspronkelijk eis van verweerster strekte ertoe eisers te horen veroor-delen, in hoofdorde tot het betalen van een bedrag van 29.492, 49 euro plus intres-ten sedert de data van ingebrekestellingen en in ondergeschikte orde tot betaling van een bedrag van 1.152.820 BEF plus intresten sedert de data van de ingebreke-stellingen.

Eisers vroegen in hoofdorde de vordering niet ontvankelijk minstens on-gegrond te verklaren, in ondergeschikte orde een deskundige te horen aanstellen met een welomschreven opdracht en uiterst ondergeschikt om de vordering slechts gedeeltelijk gegrond te verklaren en hen toe te laten tot het voordeel van de afkor-tingen van 10.000 euro per maand.

4. De 12de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen veroor-deelde eisers bij vonnis van 25 oktober 2001 tot het betalen aan verweerster van een bedrag van 1.189.724 BEF plus de gerechtelijke intresten.

5. Eisers tekenden hoger beroep aan tegen dit vonnis en verweerster inciden-teel beroep waarbij beide partijen hun oorspronkelijke standpunten herhaalden.

Daarenboven vorderde verweerster eisers te horen veroordelen tot de som van 1.240 euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

6. De eerste kamer van het hof van beroep te Antwerpen verklaarde in het ar-rest van 9 mei 2005 het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Het bestreden vonnis werd hervormd en de oorspronkelijke hoofdvorde-ring alsook de incidentele vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding we-gens tergend en roekeloos hoger beroep werden ongegrond verklaard. Verweerster werd veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen.

7. Dit arrest werd evenwel op voorziening van verweerster gedeeltelijk ver-nietigd bij arrest van Uw Hof van 15 december 2006. Uw Hof oordeelde dat uit de inleidende dagvaarding en de appelconclusie bleek dat verweerster haar vorde-ring steunde op zaakwaarneming en artikel 1384 lid 1 Burgerlijk Wetboek en dat het arrest door te beslissen dat de vordering enkel steunde op zaakwaarneming, de bewijskracht van de conclusie miskende. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.

De zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Brussel.

8. Eisers vroegen in de procedure voor het hof van beroep te Brussel om de vordering van verweerster af te wijzen als ongegrond, minstens te verminderen zoals uiteengezet en de intresten te beperken en om de vordering tot het verkrijgen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding af te wijzen als ongegrond.

Verweerster vroeg om eisers te veroordelen dat betaling van de som van 29.492, 49 euro, ondergeschikt 28.577. 66 euro, plus de verwijlintresten vanaf de data van de ingebrekestellingen en plus de gerechtelijke intresten en een schade-vergoeding van 1.240 euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

De eerste kamer van het hof van beroep te Brussel verklaart in het arrest van 25 november 2014 het hoger beroep ontvankelijk en slechts deels gegrond. De conclusie van verweerster neergelegd op 9 en 10 oktober 2014 wordt uit de debatten geweerd alsmede de stukken ter griffie neergelegd op 9 oktober 2014 met uitzondering van stuk 12. Het bestreden vonnis wordt bevestigd met de wijzigingen dat de vordering van verweerster gegrond wordt verklaard op grond van artikel 1384, lid 1 Burgerlijk Wetboek en de hoofdsom die aan verweerster toekomt, begroot wordt op 29.042, 56 euro in hoofdsom.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wettelijke bepalingen

 Artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek

Aangevochten beslissing

De appelrechters verklaren het hoger beroep van eisers ontvankelijk doch slechts gedeeltelijk gegrond, bevestigen het bestreden vonnis mits de enkele wij-zigingen dat de vordering van verweerster ontvankelijk en gegrond wordt ver-klaard op grond van artikel 1384, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek en dat de hoofdsom die aan verweerster toekomt begroot wordt op euro 29.042,56 in hoofd-som. De appelrechters oordelen dat eisers aansprakelijk zijn voor het schadegeval op grond van artikel 1384,lid 1, B.W. en dat eisers op die grondslag gehouden zijn tot betaling aan verweerster van de kosten die verweerster heeft gemaakt om de instorting van de gebrekkige zaak alsmede van de aanpalende woningen te voor-komen. Deze beslissing steunt op de volgende redengeving:

"4.3. Bijgevolg dient thans enkel nog nagegaan te worden of de vordering zoals ingesteld door [verweerster] gegrond is in zoverre gesteund op artikel 1384 B.W.

Volledigheidshalve wordt onderlijnd dat het [Uw Hof] in het geciteerde arrest duidelijk stelt dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, zoals de inleidende dagvaarding en de appelconclusies, blijkt dat [verweerster] haar vordering stoelde, zowel op de zaakwaarneming als op artikel 1384 B.W.

De middelen aangewend door [eisers] m.b.t de artikelen 1382 en 1383 B.W. zijn in het licht van de bewoordingen van voornoemd cassatiearrest derhalve evenmin dienend.

4.4.1. Deskundige CLAUWAERT kwam in zijn verslag tot o.a. hierna volgende bevindingen:

- Na per zeer grote hoogdringendheid ter plaatse te zijn geweest op 1 oktober 1998 te 19.30u deed hij de nodige vaststellingen en werd de toestand in detail beschreven;
- Hij stelde alsdan vast dat de panden van de buren vooraan gevaar liepen tot de door hem verplicht gestelde werken in het pand Koning Albertstraat 19 te Lint gerealiseerd werden, namelijk de op-schoringswerken van de scheimuren en dat het onderzoek naar de werkelijke oorzaak eerst kon starten nadat het gevaar op instorten weggenomen werd;
- De werken die bij hoogdringendheid werden uitgevoerd hadden be-trekking op het instandhouden van het gebouw vooraan, gecombi-neerd met het volledig vrijwaren van de naburen bij afbraak van de totaal vervallen en niet meer te redden achtergevel van het onder-zochte gebouw;
- Op 3 oktober 1998 kwam de deskundige opnieuw ter plaatse en werd gemeld aan de beide bewoners en gebruikers dat de panden weer vrij konden worden gebruikt en dat zij verwittigd zouden wor-den wanneer er nog riskante ondervangwerken zouden worden uit-gevoerd op het getroffen gebouw;
- Diezelfde dag heeft de deskundige nog aanvullende maatregelen getroffen maar deze werken konden op een rustiger tempo worden uitgevoerd;
- Eerst op 15 oktober 1998 kon een installatievergadering worden gehouden omdat eerst het gevaar van instorting van het pand van [eisers] alsmede van de naburen verholpen moest worden.

4.4.2. De deskundige zal verder nog stellen:

"Het belangrijkste van de opdracht is dan ook de kwaliteit en de noodzake-lijkheid van de werken na te gaan en een raming te geven van de kostprijs van de uitgevoerde werken of uit te voeren werken om een inzicht te geven van wat er diende te gebeuren en wat er nog dient te gebeuren.

Uit de lezing van de documenten blijken er initiële misvattingen te zijn en principiële foutieve beslissingen door de bouwheer zelf. Zo contacteert hij diverse mensen die reeds werken starten en hij zelf vertrekt reeds met de uitvoering van de werken alvorens zelfs een bouwplan is opgesteld en een bouwdossier bij de gemeente werd ingediend.

Ik noteer dat in augustus de afbraakwerken volledig afgewerkt zijn en dat ook alle funderingen van oudere gebouwen verwijderd zijn zodat enkel en alleen nog grond diende afgevoerd te worden. Op dat ogenblik gaat het fout door het uitvoeren van niet geregistreerde personen en onbekwame mensen. Er is, behoudens mijn visie, nooit een werk geweest door een erkende aannemer.

...

Feit is dat vanaf het ogenblik dat de werken starten men de gemeentedien-sten steeds maar vraagt of er wijzigingen mogen komen ondanks het feit dat er nog geen effectieve bouwaanvraag is ingediend.

...

Om 9.00 (d.i. op 12 september) barst het huis.

Het is dus overduidelijk dat de ontoereikende ondermetsing van de achter-gevel en het niet nemen van maatregelen de beweging van het gebouw in de hand heeft gewerkt.

...

Het is dus overduidelijk dat we niet te maken hebben met een volledige op de grond staande fundering, m.a.w. een ontoereikende uitvoering.

Ik heb dan ook, rekening houdende met alle gegevens en elementen, enkel en alleen kunnen vaststellen dat men startte met de bouwwerken zonder over een valabele vergunning te beschikken, men zelfs nog geen deugdelijke en degelijke gesprekken had gevoerd met de betrokken diensten en dat de uitvoering op eigen hand en op eigen initiatief door de heer V. geschiedde en gelukkig door de gemeentelijke diensten gestopt is geworden.

Wanneer men dit niet had gedaan, dan zouden de mogelijke problemen van instorting van het volledige gebouw met beschadiging van de naburen bijna onvermijdelijk geweest zijn.

De genomen maatregelen per hoogdringendheid konden dan ook niet an-ders om de huidige toestand te stabiliseren om verdere schade te voorko-men.

Verder zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk."

4.4.3. M.b.t., de weersomstandigheden tijdens de afbraakwerken stelt de deskundige het volgende:

"De invloed van de overvloedige regenval op de stevigheid van het gebouw was enorm en werd veroorzaakt door de totaal onstabiele werkwijze en het ontoereikend opvangen van de ondermetste muren en het niet voorzien van dwarsschoren in het gebouw door uitvoerder V. persoonlijk.

De vraag of de overvloedige regenval de stevigheid van het gebouw heeft aangetast is positief te beantwoorden maar er dient onmiddellijk aan toe-gevoegd te worden, en deze zin mag niet afzonderlijk gelezen worden, dat de invloed ervan voornamelijk in verband staat met het onvakkundig uit-gevoerd werk en het onvoldoende en onvakkundig opvolgen van de werf door de heer V. persoonlijk. M.a.w. wanneer de werken vakkundig uitge-voerd geweest zouden zijn met ondersteuningen en opvangingen van de scheidingsmuren en de eigen achtergevel tot op de vaste grond, wat tijdens het onderzoek duidelijk niet het geval was, dan had het al of niet aanwezig zijn van water geen enkele invloed gehad. Het is juist omdat de muren niet gesteund stonden op de volledige draagkrachtige grond dat de problemen zich hebben voorgedaan.

Deze problemen zouden zich anders ook hebben voorgedaan, zelfs zonder overvloedige regen, maar op een mindere mate en in de tijd moeilijk te schatten. Feit is wel dat tengevolge van een ontoereikende uitgevoerde fundering er evenzeer problemen en zettingen hadden voorgekomen tijdens de oprichting van het gebouw wanneer dit verder zou gezet zijn op de totaal onvolledige, onvakkundige en onjuist uitgevoerde fundering" (onderstreping toegevoegd).

4.4.4. M.b.t. de werken uitgevoerd op initiatief van de gemeente vooraleer de deskundige een aanvang nam met zijn opdracht zal hij het volgende stellen:

"Ik had als deskundige identiek dezelfde uitvoering gekozen zoals de firma Pyramid deze heeft afgesproken samen met de firma Travhydro.

...

Ik heb als deskundige aanvullende werken bevolen om de achtergevel van het pand L. V. te kunnen opvangen en om het huis van instorting te vrijwa-ren bij het uitvoeren van de verbetering - en opvangwerken van de achter-gevel in het bijzonder. Deze was het zwaarst getroffen door de onstabiele structuur door bouwheer L. V. zelf gerealiseerd. Ik heb als deskundige geen andere werken bevolen maar noodzakelijke aanvullende schoringen opgelegd in functie van het uitvoeren van werken tot instandhouding. De eerste uitgevoerde werken op verzoek van de firma Pyramid konden hier-mee geen rekening houden en hadden tot doel de omgeving te vrijwaren."

4.5.1. Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroor-zaakt door zijn eigen daad, maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft (= 1384, lid 1 B.W.).

4.5.2. De bewaker van de zaak is degene die er voor eigen rekening ge-bruik van maakt of het genot ervan heeft met recht van leiding en toezicht.

[Eisers] zijn eigenaar van de bewuste woning. Zij zijn derhalve de be-waarder van de zaak.

4.5.3. Een gebrek maakt de zaak ongeschikt tot het gebruik waartoe de zaak bestemd is. Wanneer het normaal gebruik van een zaak verhinderd wordt en daardoor een abnormale gesteldheid heeft, is de zaak door een gebrek aangetast.

Het gebrek in de zaak is niet uitsluitend een blijvend element dat inherent is aan de zaak en dat bestaat of zich voordoet buiten elke tussenkomst van de mens. De bewaarder blijft aansprakelijk als het gebrek veroorzaakt is door het gebruik dat hij van die zaak heeft gemaakt.

Uit het deskundigenverslag - en de hieruit hier voren geciteerde passages - blijkt afdoend dat de totale onvakkundige wijze waarmede [eisers] zijn omgegaan met hun eigendom bij het afbreken ervan, hiervan een gebrek-kige zaak heeft gemaakt.

4.5.4. Zonder het gebrek van deze zaak had de schade zich niet kunnen voordoen zoals deze zich in concreto heeft voorgedaan. Elke andere oor-zaak dan een gebrek is in deze uitgesloten, dus ook een vreemde oorzaak. De schade zou bijgevolg zonder het gebrek waarmee de zaak behept is niet zijn ontstaan zoals zij zich heeft voorgedaan.

[Eisers] betwisten derhalve ten onrechte dat de gemeente geen rechtstreeks slachtoffer zou zijn van de gebrekkige zaak. Zonder het gebrek had de gemeente geen kosten moeten maken om de instorting van de gebrekkige zaak alsmede van de aanpalende woningen te voorkomen.

4.5.5. Er is in deze evenmin sprake van overmacht in hoofde van [eisers], zoals voorgehouden. Er wordt verwezen naar de passage in het deskundi-genverslag die het heeft over de hevige regenval die zich voordeed op 13 en 14 september 1998 en die volledig hernomen werd in punt 4.4.3. van huidig arrest.

De deskundige stelt derhalve duidelijk en niet voor enige interpretatie vat-baar dat "wanneer de werken vakkundig uitgevoerd geweest zouden zijn met ondersteuningen en opvangingen van de scheidingsmuren en de eigen achtergevel tot op de vaste grond, wat tijdens het onderzoek duidelijk niet het geval was, dan had het al of niet aanwezig zijn van water geen enkele invloed gehad. Het is juist omdat de muren niet gesteund stonden op de volledige draagkrachtige grond dat de problemen zich hebben voorge-daan." (onderstreping toegevoegd).

4.5.6. [Eisers] beweren nu dat een gebrekkige straatriolering de oorzaak was van de wateroverlast in de bouwput en dat dit pas gebleken is na het deskundigenverslag - dat opgesteld werd op 27 april 2000 - n.a.v. water-overlast die zich zou hebben voorgedaan in juli 2000.

De expert is in alle spoed ter plaatse moeten komen op 1 oktober 1998 ge-zien het dreigend instortingsgevaar. Hij heeft alsdan niet vastgesteld dat er enig probleem was met de riolering. Hij heeft enkel vastgesteld dat het al of niet aanwezig zijn van water geen invloed had op het instortingsgevaar dat toen dreigde.

Feiten die zich voorgedaan hebben bijna 2 jaar na het slopen en bijna 1 jaar na het verkrijgen van een bouwvergunning (= op 12 oktober 1999) m.b.t. het verder afwerken van de bouw kunnen niet in rekening gebracht worden om een toestand te beoordelen die zich voordeed in 1998 wanneer er nog geen sprake was van enige vorm van "nieuwbouw".

4.5.7. [Eisers] zijn derhalve aansprakelijk voor het schadegeval op grond van artikel 1384, lid 1 B.W.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre hierin [eisers] veroordeeld worden tot betaling aan [verweerster] maar hervormd in zoverre het de vordering steunt op de zaakwaarneming en van oordeel is dat de vordering enkel op die rechtsgrond is gesteund gezien de gemeente wel artikel 1384 vermeldt, maar niet verder ontwikkelt."
(bestreden arrest, bladzijden 7-12, randnummer 4.3 tot 4.5)

 

Aangevoerde grieven

Overeenkomstig artikel 1384,lid 1, B.W. is men aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad, maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daden van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft.

Het vermoeden van aansprakelijkheid dat bij die wetsbepaling wordt inge-steld wil de personen die schade hebben geleden door toedoen van zaken die men onder zijn bewaring heeft een meer doeltreffende bescherming bieden. Het bestaat slechts ten voordele van de personen die rechtstreeks schade hebben geleden en kan alleen door die personen worden aangevoerd.

De appelrechters vermochten derhalve verweerster niet van dat vermoeden van aansprakelijkheid te laten genieten.

Immers, uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat verweerster geen rechtstreekse schade heeft geleden, maar enkel kosten heeft gemaakt om de instorting van de gebrekkige zaak alsmede van de aanpalende woningen te voor-komen. Verweerster heeft deze kosten gemaakt in uitvoering van de op haar rus-tende wettelijke verplichting, voortvloeiende uit artikel 135, par. 2 van de Nieuwe Gemeentewet, om de openbare veiligheid te waarborgen en dit ter voorkoming van instorting.

De appelrechters verantwoorden dan ook hun beslissing niet naar recht en schenden zodoende artikel 1384, lid 1, B.W.

 

TOELICHTING

Eisers mogen verwijzen naar de arresten van Uw Hof van 5 december 1997 (Arr. Cass. 1997, 1297) en 2 september 1976 (Pas. 1977,I, 2).

 

Op deze gronden en overwegingen besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eisers dat het U, hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Bijlage: bij de indiening ter griffie wordt bij deze voorziening het exploot van be-tekening aan verweerster gevoegd

Noot: 

Tijdschrift voor Belgisch Burgerlijk Recht [TBBR] BORUCKI, C.; Noot 'Kostenverhaal door de gemeente: de veiligheidsverplichting uit artikel 135, § 2 Nieuwe Gemeentewet en de leer van de juridisch zelfstandige oorzaak' 2018, nr. 1, p. 21-29 [Juradossier in bibliotheek].

• T. ROBERT, “De nieuwe cassatierechtspraak over de doorbreking van het oorzakelijk verband door een eigen juridische oorzaak: samen met de doorbrekingsleer ook het secundariteitscriterium definitief verworpen?” (noot onder Cass. 10 december 2001), TBBR 2003, (523) 525-526; I. BOONE, supra vn. 2, 237-245;

• B. DUBUISSON, V. CALLEWAERT, B. DE CONINCK en G. GATHEM, La responsabilité civile. Chronique de jurisprudence 1996-2007, I, Le fait générateur et le lien causal, Brussel, Larcier, 2009, 387-412;

• S. STIJNS, Verbintenissenrecht. Ibis, Brugge, die Keure, 2013,115-116

zie ook: Cass. 5 november 2010, AR C.09.0486.N, AC 2010, nr. 658, met concl. van advocaat-generaal Vandewal.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 06/06/2018 - 23:24
Laatst aangepast op: do, 07/06/2018 - 11:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.