-A +A

Beslissing over geldigheid arbitrage is vatbaar voor hoger beroep

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
maa, 10/10/2016

De beslissing over de geldigheid van een arbitragebeding is geen beslissing inzake «bevoegdheid»  maar een beslissing inzake «rechtsmacht» (van een burgerlijke rechter), wat een «eindbeslissing» is, waartegen hoger beroep mogelijk is overeenkomstig art. 1050, eerste lid Ger.W.

Sedert de wet van 24 juni 2013, waarmee art. 1679-oud Ger.W. werd vervangen door art. 1682, § 1 Ger.W. gebruikt de wetgever de term «rechtsmacht» trouwens uitdrukkelijk.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1182
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA R.A. t/ NV C.

...

II. De feiten

De door architect R. uitgevoerde voorstudie mondde uit in een architectuurovereenkomst, gesloten op 12 juni 2007 tussen de NV C., hierna genoemd «de opdrachtgever», en het «architectuurbureau R.A., nog steeds met het oog op het bouwen van een bedrijfsruimte op hetzelfde perceel. De bouwkost werd in de architectuurovereenkomst begroot op «ongeveer +/- 400.000,00 euro zonder btw». Met de hand werd in art. 4, dat handelt over het te betalen ereloon, bijgeschreven «winddicht».

...

Op 23 juli 2007 richtte architect R. een brief aan de Provinciale Raad van de Orde van Architecten te Antwerpen, die medeondertekend werd door de opdrachtgever, waarin bevestigd werd dat de opdracht van de architect ook de controle behelsde «tot de volledige voltooiing van de werken».

...

8. Op 15 mei 2008 sloten de opdrachtgever en BVBA R.A. m.b.t. hetzelfde bouwproject een architectuurovereenkomst, waarbij de tekst van de vorige overeenkomst werd hernomen, inclusief de begroting van de bouwkost op «ongeveer +/- 400.000 euro zonder btw» maar zonder de vermelding «winddicht». Blijkbaar waren de plooien in de samenwerking, die bleken uit de aanmaning van 15 november 2007, gladgestreken. Volgens de architect werd deze tweede overeenkomst gesloten «voor een aanzienlijke vergroting (deze procentuele vergroting geeft een begroting van 535.000 euro)», maar dit blijkt alleszins niet uit de tekst van de overeenkomst (zie verder nr. 22).

...

Op 26 januari 2009 richtte de architect een brief aan de opdrachtgever waarin hij enerzijds herinnerde aan het openstaande ereloonsaldo en hij anderzijds zijn beklag maakte over de eigengereide wijze van handelen van de opdrachtgever bij de uitvoering van de werken (in casu het aluminium-buitenschrijnwerk). Zo schreef hij:

«Een architect kan onmogelijk verantwoordelijkheid nemen over uitvoeringen, waarover hij geenszins wordt ingelicht!»

...

Op 7 mei 2009 volgde dan de brief van de opdrachtgever die de rechtstreekse aanleiding vormt voor de betwisting. De opdrachtgever schreef aan de architect: «Bij deze delen wij u mede dat wij niet langer van uw diensten gebruik wensen te maken. De redenen hiervoor zijn de aanhoudende en ernstige fouten betreffende onze bouw (...)». Volgens de opdrachtgever zijn deze ernstige fouten: funderingen zijn niet correct of ontbreken; onvoldoende staal voorzien voor de sandwichpanelen; dit veroorzaakte vertraging in de werken; door het ontbreken van doorsneden zijn de sandwichpanelen te laat, waardoor het dakoppervlak aan de voorkant hoger uitkomt dan de sandwichpanelen; de technische ruimte werd niet uitgetekend.

De opdrachtgever deelde ook mee dat hij bijgevolg afzag van de betaling van ereloonnota 39/08 van 30 november 2008 en dat hij een creditnota wenste voor deze factuur.

De architect antwoordde op 14 mei 2009 dat de medewerking van de opdrachtgever, noodzakelijk om een behoorlijke conceptie en controle van de architect mogelijk te maken, gebrekkig was en dat de beweerde «fouten», waarnaar de opdrachtgever verwees, uitvoeringsfouten waren. De technische ruimte kon niet worden uitgetekend omdat de opdrachtgever geen inzage verschafte in de door hem gekozen technieken. Hij betwistte niet het recht van de opdrachtgever om de overeenkomst op te zeggen, maar stelde dat, los van de betaling van de geleverde prestaties, dit aanleiding gaf tot het betalen van een vergoeding. Hij verwees ook naar een «aanvangsbegroting» van 535.000 euro. De architect vroeg betaling van 11.235 euro.

De opdrachtgever reageerde niet op deze aanmaning en ook niet op de ingebrekestelling van de advocaat van de architect van 6 juli 2009.

10. De tussen de partijen ondertekende architectuurovereenkomsten bevatten in hun art. 8.2 een arbitragebeding dat als arbiter aanduidt in geval van geschil: «de arbitragecommissie, gevestigd te (...)».

De advocaat van de architect heeft op 6 juli 2009 deze commissie aangeschreven met verzoek het procedurereglement en de lijst van arbiters te willen meedelen.

De Raad van de Orde van Architecten van de Provincie Antwerpen, gevestigd te (...), antwoordde op 12 juli 2009 dat de Orde «op gezamenlijk verzoek van de architect en zijn opdrachtgever» het bedrag van het ereloon kan vaststellen. Hiertoe moest het bijgevoegde formulier worden ingevuld.

Op 22 juli 2009 bezorgde de advocaat van de architect dit formulier aan de opdrachtgever, met verzoek dit formulier in te vullen en te ondertekenen. Hierop kwam geen reactie van de opdrachtgever, laat staan een constructieve.

III. De vorderingen en de bestreden beslissing

...

b) Hoger beroep

13. Na een (tweede) poging om toch het geschil voor te leggen aan de arbitragecommissie aangeduid in de architectuurovereenkomst (zie verder, nr. 14), stelde de architect hoger beroep in op 11 maart 2014. Hij herneemt in hoger beroep zijn initiële vordering en initieel geformuleerde verweer op de tegenvordering van de opdrachtgever.

De opdrachtgever besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. «Indien het hof zich bevoegd zou verklaren», besluit hij tot de niet-toelaatbaarheid of minstens de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, minstens tot de ongegrondheid ervan. Hij stelt, subsidiair, incidenteel hoger beroep in en herneemt zijn initiële tegenvordering.

IV. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

De feiten tussen het bestreden vonnis en het hoger beroep

14. Het bestreden vonnis is van 13 april 2010.

Met een brief van 16 juni 2010 richtte de advocaat van de architect zich tot de «Arbitragecommissie» (...). Hij schetste de omstandigheden van het geschil en verwees naar art. 8 van de architectuurovereenkomst en het vonnis van 13 april 2010. Hij verzocht de «Arbitragecommissie» of zij al dan niet bevoegd was om uitspraak te doen over het geschil.

De Raad van de Orde van Architecten van de Provincie Antwerpen antwoordde op 16 september 2010 dat er geen enkele wettelijke bepaling is die de Orde van Architecten bevoegd maakt om als arbitraal college geschillen op te lossen tussen een architect en zijn opdrachtgever en dat er in de schoot van de Orde geen «Arbitragecommissie» bestaat.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

15. Het hof onderzoekt eerst de excepties van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep. Indien deze immers gegrond zijn, kan het hof zich niet uitspreken over de toepasselijkheid van het arbitragebeding.

16. De opdrachtgever is van mening dat krachtens art. 1050, tweede lid Ger.W. (zoals het van kracht was op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep) tegen het bestreden vonnis geen hoger beroep kan aangetekend worden.

Deze procedureregel bepaalt dat tegen een beslissing inzake «bevoegdheid» slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.

Er zou in deze zaak nooit een «eindvonnis» zijn geveld, aangezien de eerste rechter geen bevoegde rechter heeft aangewezen. Hieruit blijkt dat een beslissing over de geldigheid van een arbitragebeding geen beslissing inzake «bevoegdheid» uitmaakt, maar een beslissing inzake «rechtsmacht» (van een burgerlijke rechter), wat een «eindbeslissing» is, waartegen hoger beroep mogelijk is overeenkomstig art. 1050, eerste lid Ger.W. Sedert de wet van 24 juni 2013, waarmee art. 1679-oud Ger.W. werd vervangen door art. 1682, § 1 Ger.W. gebruikt de wetgever de term «rechtsmacht» trouwens uitdrukkelijk.

...

Op het ogenblik dat (de advocaat van) de architect zich na het bestreden vonnis richtte tot de Orde van Architecten deelde hij ook in een brief aan (de advocaat van) de opdrachtgever zijn twijfel mee of de Arbitragecommissie bevoegd was om uitspraak te doen over het geschil, dan wel haar bevoegdheid enkel beperkt was tot het verlenen van ereloonadvies. Het betrof dus uitsluitend een poging, onder voorbehoud, om uitvoering te geven aan het arbitragebeding. Hieruit kan alleszins geen berusting worden afgeleid. Integendeel, hieruit blijkt de ontegensprekelijke wil van de architect om het geschil te laten beslechten. Bijgevolg kan ook uit het louter langdurig stilzitten van de architect, nadat hij van de Orde vernam dat geen arbitrage mogelijk was, niet worden afgeleid dat hij berustte in het bestreden vonnis. Berusting kan immers slechts worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing, en deze akten of feiten mogen voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

Het arbitragebeding

18. De eerste rechter ging ervan uit dat het arbitragebeding uitvoerbaar was («De rechtbank stelt vast dat [de architect] de arbitrageprocedure zoals omschreven in art. 8.2 van de overeenkomst met [de opdrachtgever] niet gevolgd heeft»). Thans, in hoger beroep, staat vast dat het arbitragebeding onuitvoerbaar was omdat een arbitrage-instantie werd aangewezen in de overeenkomst die onbestaande is (zie supra, nr. 14). De opdrachtgever erkent dat een deel van het beding geen uitwerking kan hebben. De architect betoogt dat dit leidt tot de ongeldigheid van het beding, omdat, bij gebrek aan overeenstemming over een bevoegde arbitrage-instantie of over de wijze waarop deze instantie kan worden gekozen, hij zonder instemming van de opdrachtgever het geschil niet aanhangig kan maken bij een andere arbitrage-instantie, waardoor hij zijn rechtsvordering niet kan laten behandelen door een rechterlijke instantie, laat staan binnen een redelijke termijn (zie art. 6 EVRM). Men zou kunnen stellen dat het arbitragebeding vervallen is of dat het voorwerp van de overeenkomst onmogelijk uitvoerbaar is.

In het licht van de houding die de opdrachtgever in het dossier heeft aangenomen sedert het ontstaan van de betwisting, komt het standpunt van de architect zeker niet louter hypothetisch voor. De omstandigheid dat hij in hoger beroep plots aanvoert dat «de architect» een beroep had kunnen of moeten doen op andere instanties, «bijvoorbeeld de Kamer van Arbitrage en Bemiddeling en de Raad voor Arbitrage», zonder te vermelden dat hij het daarmee eens zou zijn geweest, is in ieder geval niet geruststellend, evenmin als de niet-constructieve houding van de opdrachtgever daarvoor.

Het arbitragebeding in kwestie is ongeldig. De burgerlijke rechter beschikt en beschikte over de rechtsmacht om het geschil te behandelen.

Het hoger beroep van de architect is, op dit onderdeel van het geschil, gegrond.

De ontbinding van de architectuurovereenkomst in het nadeel van de architect

19. De opdrachtgever voert aan dat hij terecht de architectuurovereenkomst verbrak zonder betaling van een vergoeding of het naleven van een opzegtermijn wegens de ernstige contractuele wanprestaties van de architect (art. 1184 BW).

De architect betoogt terecht dat de opdrachtgever geen bewijs levert van enige contractuele wanprestatie, toerekenbaar aan de architect, laat staan van de voldoende zwaarwegendheid ervan om de ontbinding uit te spreken. Zo bevat het dossier geen (ernstige) ingebrekestelling voor de beweerde gebreken op het ogenblik dat ze zouden zijn opgemerkt door de opdrachtgever. Integendeel, de architect bewijst dat hij tijdens de werken zijn beklag moest maken over het feit dat hij, bij gebrek aan informatie door de opdrachtgever, moeilijkheden ondervond om de werken adequaat te volgen en te sturen waar nodig, en om zijn controletaak naar behoren uit te voeren.

Het incidenteel hoger beroep van de opdrachtgever is, op dit onderdeel van de betwisting, ongegrond.

...
 

Noot: 

R. Steennot, exceptie van gebrek aan rechtsmacht, noor onder rb. Kh Tongeren 22 oktober 2013, NJW 2014/312, 903, bevestigend dat de exceptie van gebrek aan rechtsmacht voor elk verweer dient ingeroepen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 21/03/2018 - 19:55
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 19:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.