-A +A

Beslagrechter mag zich niet uit te spreken over een onmogelijkheid van de schuldenaar om aan de hoofdveroordeling te voldoen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 24/01/2017

De beslagrechter kan enkel nagaan of de dwangsommen werkelijk verbeurd zijn wegens het uitvoeren van een rechtens uitvoerbare titel en hij vermag zich niet uit te spreken over een onmogelijkheid van de schuldenaar om (tijdig) aan de hoofdveroordeling te voldoen (art. 1385quinquies Ger.W.).

 

Art. 1385quinquies Ger.W. bepaalt: «De rechter die een dwangsom heeft opgelegd, kan op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen». De in dit artikel bedoelde onmogelijkheid is geen absolute onmogelijkheid, maar een relatieve onmogelijkheid die wordt afgemeten volgens de maatstaf van wat redelijkerwijze onmogelijk is (zie: Wagner K., «Dwangsom» in APR, Mechelen, Story-Scientia, 2003, nrs. 160 e.v.). Het begrip onmogelijkheid mag niet worden verward met overmacht. Wat redelijkerwijze onmogelijk is, levert niet noodzakelijk een situatie van overmacht op.

De beoordeling van overmacht is strenger dan de beoordeling van onmogelijkheid. Opdat er sprake zou zijn van overmacht, is vereist dat de als overmacht ingeroepen gebeurtenis onvoorzienbaar en onontkoombaar was.

Dit is niet het geval voor de boordeling van de onmogelijkheid in de zin van art. 1385quinquies Ger.W. Het volstaat dat de onmogelijkheid op geen enkele wijze te wijten is aan het gedrag van de veroordeelde.

De rechter die bevoegd is om zich uit te spreken over het bestaan van een dergelijke onmogelijkheid is niet de beslagrechter, maar de dwangsomrechter, m.a.w. de rechter die de uitspraak ten gronde heeft gewezen waaraan een dwangsom werd verbonden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
587
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

NV X t/ Vennootschap naar vreemd recht M.C.

...

III. Relevante antecedenten en litigieuze tenuitvoerlegging

3.1. De verweerster M. is een wereldwijd gekende Amerikaanse ontwikkelaar en fabricant van software. De eiseres X is een Belgische vennootschap actief in het ontwerpen en programmeren van computerprogramma’s en in de groothandel van computers, randapparatuur en software.

Om redenen die haar eigen zijn heeft de verweerster op 28 januari 2016 een (eenzijdig) verzoekschrift tot beschrijvend beslag inzake namaak neergelegd bij de voorzitter van de Nederlandstalige Rechtbank van Koophandel te Brussel, gericht tegen de eiseres en tegen de vennootschap BVBA X. Dit verzoek werd ingewilligd bij beschikking van 1 februari 2016 en de h. L.G. werd daarbij als deskundige aangesteld.

De achterliggende oorzaak van deze actie is te vinden in de SPLA-overeenkomst («service provider license agreement») die tussen de partijen werd gesloten, wat de enige licentievorm bij M. is die het mogelijk maakt dat een dealer licenties van M. verhuurt aan zijn klanten en waarbij de dealer maandelijks aan M. dient te rapporteren hoeveel licenties verhuurd/gebruikt werden door zijn klanten opdat M. de factuur zou kunnen opstellen voor het gebruik ervan.

3.2. Op 23 februari 2016 werd overgegaan tot betekening aan de eiseres en aan de BVBA X.I. van een afschrift van het bevelschrift van 1 februari 2016 en vervolgens tot de uitvoering van het beschrijvend beslag inzake namaak.

Er werden geen rechtsmiddelen aangewend tegen het op 1 februari 2016 gewezen bevelschrift.

Op 18 mei 2016 heeft de aangestelde deskundige zijn rapport ter griffie neergelegd.

3.3. Bij exploot van 17 juni 2016 is de verweerster tot dagvaarding ten gronde overgegaan. Naar verluidt werd deze zaak voor pleidooien vastgesteld op de terechtzitting (van de Nederlandstalige Rechtbank van Koophandel te Brussel) van 27 november 2017.

3.4. Op 31 oktober 2016 heeft de verweerster (enkel) aan de eiseres een bevel tot betalen doen betekenen voor de volgens haar verbeurde dwangsommen ten bedrage van 50.000 + 20.000 = 70.000 euro, verhoogd met de kosten van de betekening van het exploot.

Bij exploot van 2 november 2016 werd het huidige verzet aanhangig gemaakt.

...

V. Beoordeling

...

5.1. De eiseres verzet zich tegen het ten hare laste op 31 oktober 2016 betekende bevel tot betalen. Wanneer een schuldeiser overgaat tot tenuitvoerlegging en indien de debiteur dan de verbeurte van de dwangsom betwist, rijst er een executiegeschil waarvoor de beslagrechter bevoegd is (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR 2010, Mechelen, Kluwer, p. 56, nr. 83).

Krachtens art. 1395 Ger.W. worden alle vorderingen m.b.t. middelen van tenuitvoerlegging (waaronder het betekende bevel tot betalen ressorteert) voor de beslagrechter gebracht en worden deze vorderingen ingesteld en behandeld zoals in kort geding.

5.2. De beslagrechter is bevoegd om vast te stellen of de dwangsommen al dan niet verbeurd zijn en met het oog hierop om vast te stellen of de eiseres het bevelschrift van 1 februari 2016, na de voorafgaande betekening ervan, heeft overtreden. Daarbij dient te worden nagegaan of de schuldeiser de niet-naleving van de beschikkingen van het bevelschrift van 1 februari 2016 naar genoegen van recht bewijst.

Een dwangsom kan niet worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij deze dwangsom is vastgesteld (art. 1385bis, derde lid Ger.W.).

De dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd (art. 1385octies Ger.W.).

Een dwangsom kan bovendien enkel verbeurd worden wanneer de gewraakte handelwijze van de eiseres klaarblijkelijk, d.w.z. zonder redelijke discussie, een schending oplevert van de opgelegde verplichting. Enkel in dat geval is er sprake van een overtreding van de opgelegde verplichting en wordt de dwangsom verbeurd.

De veroordeling om iets (niet) te doen, waaraan voor het geval dat aan die hoofdveroordeling niet wordt voldaan, de verbeurte van een dwangsom wordt gekoppeld, moet voldoende nauwkeurig worden geformuleerd. Iedere onduidelijkheid moet worden uitgelegd ten gunste van de veroordeelde.

Als maatstaf voor de toetsing van de beweerde overtredingen dient de beslagrechter het doel en de strekking van het bevelschrift als richtsnoer te nemen, met dien verstande dat het verbod geacht wordt niet verder te strekken dan tot het bereiken van het beoogde doel. Het is daarbij van groot belang dat de bodemrechter het gevraagde verbod, waaraan hij een dwangsom verbindt, zo precies mogelijk omschrijft. De precieze verwoording van het verbod/gebod is essentieel om discussie te vermijden aangaande de vraag wat «niet voldoen aan de hoofdveroordeling» betekent. Bij de beoordeling van deze vraag dient men oog te hebben voor redelijkheid en billijkheid. Bij de interpretatie van het rechterlijke verbod moet het nodige gezond verstand aan de dag gelegd worden. De beslagrechter mag daarbij een onduidelijke beslissing uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen (art. 793, tweede lid Ger.W.).

De beslagrechter kan enkel nagaan of de dwangsommen werkelijk verbeurd zijn wegens het uitvoeren van een rechtens uitvoerbare titel en hij vermag zich niet uit te spreken over een onmogelijkheid van de schuldenaar om (tijdig) aan de hoofdveroordeling te voldoen (art. 1385quinquies Ger.W.). Art. 1385quinquies Ger.W. bepaalt: «De rechter die een dwangsom heeft opgelegd, kan op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen». De in dit artikel bedoelde onmogelijkheid is geen absolute onmogelijkheid, maar een relatieve onmogelijkheid die wordt afgemeten volgens de maatstaf van wat redelijkerwijze onmogelijk is (zie: Wagner K., «Dwangsom» in APR, Mechelen, Story-Scientia, 2003, nrs. 160 e.v.). Het begrip onmogelijkheid mag niet worden verward met overmacht. Wat redelijkerwijze onmogelijk is, levert niet noodzakelijk een situatie van overmacht op. De beoordeling van overmacht is strenger dan de beoordeling van onmogelijkheid. Opdat er sprake zou zijn van overmacht, is vereist dat de als overmacht ingeroepen gebeurtenis onvoorzienbaar en onontkoombaar was. Dit is niet het geval voor de boordeling van de onmogelijkheid in de zin van art. 1385quinquies Ger.W. Het volstaat dat de onmogelijkheid op geen enkele wijze te wijten is aan het gedrag van de veroordeelde. De rechter die bevoegd is om zich uit te spreken over het bestaan van een dergelijke onmogelijkheid is niet de beslagrechter, maar de dwangsomrechter, m.a.w. de rechter die de uitspraak ten gronde heeft gewezen waaraan een dwangsom werd verbonden.

5.3. In de op 1 februari 2016 gewezen beschikking, waartegen de eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend, beveelt de voorzitter van de Nederlandstalige Rechtbank van Koophandel te Brussel onder meer het volgende: «Beveelt de beslagenen, hun vertegenwoordigers en hun aangestelden, mee te werken aan de opdracht van de deskundige en hem ieder document of elke informatie te bezorgen die de deskundige relevant zou achten voor de goede vervulling van zijn opdracht, op straffe van een dwangsom van 1.000 euro per dag en per enkelvoudig document dat niet aan deze laatste werd overhandigd binnen een termijn van twee werkdagen en op eenvoudig verzoek van de deskundige, met een maximum van 50.000 euro ...»

Volgens de verweerster heeft de deskundige bepaalde gegevens en facturatie opgevraagd bij de eiseres met een brief van 29 februari 2016 en heeft hij deze vraag moeten herhalen op 11 en 21 maart 2016. Met een brief van 30 maart 2016 heeft de deskundige dan aan de eiseres nog een ultieme datum gegeven voor het leveren van de ontbrekende informatie, namelijk tot 8 april 2016 en vervolgens heeft de eiseres deze ontbrekende informatie (nog steeds) niet verschaft tot het moment van de neerlegging van het verslag van de deskundige, namelijk op 18 mei 2016. De verweerster stelt desbetreffende in het op 31 oktober 2016 betekende bevel tot betalen dat de dwangsommen derhalve verbeurd en opeisbaar zijn ten bedrage van het maximale bedrag van 50.000 euro, aangezien zij beginnen lopen zijn vanaf 2 maart 2016, minstens vanaf 8 april 2016 tot 13 juni 2016 (datum waarop de eiseres alsnog gevraagde informatie betreffende de facturatie rechtstreeks aan de verweerster heeft bezorgd).

Uit het verslag van deskundige G. blijkt dat bij een brief van 29 februari 2016 door de deskundige (en/of deskundige J.) bepaalde gegevens en facturatie werden opgevraagd bij de eiseres en dat deze vraag herhaald werd bij e-mailberichten van 11 en 21 maart 2016. Met een brief van 30 maart 2016 werd een uiterste datum voor het verschaffen van de gevraagde informatie gegeven, namelijk tot 8 april 2016. In het antwoord van de eiseres van 8 april 2016 werd een antwoord op de gestelde vragen gegeven, maar de (eveneens) door de deskundige gevraagde facturatie werd niet meegedeeld, maar louter in het vooruitzicht gesteld voor de week nadien («De vraag inzake facturatie zal ik maandag overmaken, F. is deze week met vakantie, waardoor ik pas maandag aanstaande het nodige hiervoor kan doen ...»). Nochtans is de eiseres nadien op geen enkel ogenblik overgegaan tot het toezenden van een kopie van de door de deskundige gevraagde facturatie en heeft de deskundige zijn verslag op 18 mei 2016 afgerond en neergelegd, zonder over die informatie te beschikken.

Volgens het bevelschrift van 1 februari 2016, dat op dat vlak duidelijk en voor geen enkele andere interpretatie vatbaar is, diende iedere informatie en/of ieder document dat de deskundige relevant zou achten voor de vervulling van zijn opdracht, aan hem te worden bezorgd binnen twee werkdagen, zo niet zou een dwangsom worden verbeurd van 1.000 euro per dag vertraging (en per enkelvoudig document), evenwel met een maximum van 50.000 euro.

De vraag tot het bezorgen van deze documenten en informatie werd voor het eerst uitdrukkelijk geformuleerd op maandag 29 februari 2016. Dit betekent dat de gevraagde informatie uiterlijk op woensdag 2 maart 2016 (tegen middernacht) had moeten zijn aangeleverd, wat niet het geval is geweest, met als gevolg dat er met ingang van donderdag 3 maart een dwangsom werd verbeurd van (minstens) 1.000 euro per dag. Hoewel de verweerster hierop niet aandringt, wijst de beslagrechter erop dat de dwangsom verbeurd werd per dag en per enkelvoudig (niet geleverd) document, maar aangezien het dossier onvoldoende gegevens bevat om uit te maken of er meer dan een document, diende te worden geleverd en omdat de omschrijving van «één document» niet noodzakelijk betekent dat het slechts om «één bladzijde» kan/moet gaan, wordt hierop niet verder ingegaan.

In alle geval blijkt uit het bovenstaande dat de dwangsom liep vanaf 3 maart 2016. Het eindpunt van deze looptijd dient noodzakelijkerwijze te zijn het ogenblik waarop de deskundige zijn verslag heeft neergelegd zonder rekening te kunnen houden met de opgevraagde informatie en stukken, zijnde op 18 mei 2016. Ten onrechte tracht de verweerster aan te voeren dat de dwangsommen zouden zijn blijven verbeuren tot wanneer de eiseres dan toch nog de gevraagde facturatie heeft bezorgd (namelijk op 13 juni 2016), aangezien het verslag van de deskundige op dat ogenblik reeds bijna een maand was neergelegd ter griffie, zodat deze alsnog door de eiseres toegezonden facturen daarop geen enkele invloed meer konden hebben.

De dwangsom werd met andere woorden (in theorie) verbeurd van 3 maart tot en met 18 mei 2016, zijnde gedurende 77 dagen. Berekend aan 1.000 euro per dag geeft dit een totaal bedrag van 77.000 euro, dat derhalve overeenkomstig de beschikking van 1 februari 2016 dient te worden beperkt tot 50.000 euro.

Hierbij dient onmiddellijk te worden opgemerkt dat wanneer de rechter een maximum oplegt, de dwangsom niet meer wordt verbeurd na het bereiken van het maximum, zodat in dat geval de verjaring zes maanden na het bereiken van het maximum verstreken is, behoudens in geval van schorsing en stuiting (zie hierover: K. Wagner, Dwangsom in APR, Mechelen, Kluwer, 2003, nrs. 35, 36, 184 en 189). Dit betekent concreet dat de dwangsom in casu (slechts) verbeurd werd in de periode van 3 maart 2016 tot en met 21 april 2016 (en dat – uiterlijk – vanaf dan de verjaringstermijn van zes maanden is beginnen te lopen).

5.4. Hier tegenover voert de eiseres aan dat deze (bij exploot van 31 oktober 2016 ingevorderde) dwangsom van 50.000 euro grotendeels verjaard is, gelet op art. 1385octies Ger.W., dat bepaalt dat dwangsommen verjaren door verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd. Het bevel tot betalen van 31 oktober 2016 zou deze verjaring slechts stuiten voor de dwangsommen die verbeurd zijn in de periode van 30 april 2016 tot 31 oktober 2016. De dwangsommen daterend van vóór 30 april 2016 zouden onherroepelijk verjaard zijn, zodat er (maximum) slechts dwangsommen verbeurd zijn gedurende negentien dagen, wat overeenstemt met een bedrag van 19.000 euro (en niet van 15.000 euro, zoals de eiseres ten onrechte tracht te beweren, daarbij misbruik makend van de in het bevelschrift van 1 februari 2016 omschreven «respijttermijn» van twee dagen).

Zoals hiervoor reeds aangegeven, houdt de eiseres hierbij ten onrechte geen rekening met het juridische feit dat er geen dwangsommen meer zijn verbeurd vanaf het ogenblik dat het maximum van 50.000 euro werd bereikt en dat de verjaringstermijn van zes maanden dus – uiterlijk – beginnen lopen is op 22 april 2016 en derhalve bereikt was op 21 oktober 2016. De door de eiseres gemaakte redenering dat er dus maximum 15.000 euro aan dwangsommen verbeurd kan zijn (wat dus volgens een correcte berekening 19.000 euro zou dienen te zijn), kan dus niet kloppen.

Bovendien wordt de verjaring op grond van art. 2260 BW gerekend bij dagen en niet bij uren. Het aanvangspunt van de verjaring is steeds de dag na die waarop een dwangsom verbeurd is. Indien dwangsommen dus verbeurd worden per dag vertraging, dan verjaart de dwangsom verbeurd ingevolge een bepaalde dag vertraging na verloop van zes maanden. De dwangsom verbeurd ingevolge een overtreding begaan de volgende dag, zal een dag later verjaren, enz. (Gent 10 november 2000, TMR 2001, 196). Enkel de op 21 april 2016 verbeurde dwangsom van 1.000 euro is dus verjaard op 21 oktober 2016 om middernacht. De dwangsom die op 20 april 2016 werd verbeurd, is reeds verjaard sinds de dag tevoren enz.

De termijn van zes maanden vervat in art. 1385octies Ger.W. is echter een bevrijdende verjaringstermijn die vatbaar is voor schorsing en stuiting (K. Wagner, o.c., nr. 178). Het voorwerp van de verjaring, zoals geregeld in art. 1385octies Ger.W., is het recht van de schuldeiser om verbeurde dwangsommen in rechte op te eisen (zgn. ius agendi).

Terecht tracht de verweerster dan ook de principes van de stuiting van de verjaringstermijn op de huidige casus toe te passen, aanvoerende dat zij op 17 juni 2016 tot dagvaarding ten gronde van de eiseres is overgegaan, waardoor volgens haar de lopende verjaringtermijn van de (intussen verbeurde) dwangsommen werd gestuit, zodat zij op 31 oktober 2016 nog perfect is kunnen overgaan tot de invordering van het maximumbedrag van 50.000 euro.

De op 17 juni 2016 aan het adres van de eiseres betekende dagvaarding ten gronde maakt melding van de handelwijze van de eiseres die (volgens de verweerster) in strijd was met de beschikking van 1 februari 2016 en aldus aanleiding heeft gegeven tot het verbeuren van dwangsommen. Bovendien heeft de verweerster in deze dagvaarding uitdrukkelijk om een voorlopige maatregel verzocht, ertoe strekkende om alsnog de ontbrekende facturatie voorgelegd te krijgen. Terwijl het nu net (o.m.) het ontbreken van deze stukken is geweest dat aanleiding heeft gegeven tot het verbeuren van de dwangsommen van 1.000 euro per dag vertraging.

Krachtens art. 2244, § 1 BW vormt deze dagvaarding ten gronde een geldige daad van (burgerlijke) stuiting waarvan de effecten overeenkomstig art. 2244, § 1, tweede lid BW verder duren tot er een definitieve beslissing ten gronde zal worden uitgesproken. De wil om zijn rechten te laten gelden kan geen krachtiger vorm aannemen dan een dagvaarding en daarom wordt aan de dagvaarding een stuitend effect gehecht, ongeacht haar vorm en ongeacht haar gevolgen. Het is absoluut niet noodzakelijk dat de dagvaarding uitdrukkelijk zou vermelden dat zij wordt betekend om de verjaring van de dwangsommen te stuiten (zie hierover: R. Dekkers en E. Dirix, Handboek burgerlijk recht, II, Intersentia, 2005, nrs. 1223-1227). Bovendien stuit een dagvaarding de verjaring voor de vordering die ze instelt maar ook voor de vordering waarvan het voorwerp virtueel begrepen is in de dagvaarding (Cass. 11 april 2014, C.12.0242.F, Arr.Cass. 2014, 968).

Van bevrijdende verjaring kan dan ook geen sprake zijn. Het litigieuze en in casu door de eiseres aangevochten bevel tot betalen van 31 oktober 2016 is dan ook in alle geval rechtmatig betekend voor wat het door de eiseres verschuldigde bedrag van 50.000 euro aan verbeurde dwangsommen betreft.

...

5.6. De overige door de eiseres aangevoerde middelen kunnen niet tot een andere conclusie leiden. Het verzet van de eiseres kan dan ook in geen enkel opzicht slagen.

Er is bijgevolg geen enkele reden om aan de regelmatigheid en rechtmatigheid van het op 31 oktober 2016 aan de eiseres betekende bevel tot betaling te twijfelen.

...

Noot: 

K. Wagner, Dwangsom, uitvoeringstermijn, respijttermijn: het Benelux-Gerechtshof trancheert, noot onder vonnis zoals gepubliceerd in het RW

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 05/12/2017 - 09:55
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 09:55

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.