-A +A

Beslagrechter mag de geldigheid van een administratief dwangbevel onderliggend aan het beslag niet in vraag stellen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 03/12/2015
A.R.: 
C.15.0054.N

De beslagrechter die, krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 Gerechtelijk Wetboek, kennisneemt van een vordering betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, beoordeelt de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging; hij kan geen uitspraak doen over andere geschillen betreffende de tenuitvoerlegging en kan behoudens de uitdrukkelijk in de wet bepaalde gevallen, geen uitspraak doen over de zaak zelf (1). (1) Zie concl. OM.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.15.0054.N
VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de per-soon van de minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1,
eiser,
tegen
1. IMMO FELIAN bvcva, met zetel te 1740 Ternat, Gemeentehuisstraat 34/1,
2. M. D. M.,
3. A. D'H.,
verweerders,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 3 april 2012.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Volgens artikel 6.1.47, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen de in artikel 6.1.5 vermelde ambtenaren, agenten of officieren van gerech-telijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen indien zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen, vermeld in artikel 6.1.1, of wanneer niet voldaan is aan de verplichting van artikel 4.7.19, § 4.

Volgens dit artikel, vijfde lid, moet op straffe van verval, het bevel tot staking binnen acht dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde stedenbouwkundig inspecteur, door hem worden bekrachtigd.

Artikel 6.1.49, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, bepaalt dat een admi-nistratieve geldboete wordt opgelegd aan de persoon die handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundig inspecteur be-krachtigd bevel tot staking, vermeld in artikel 6.1.47, vijfde lid.

Krachtens artikel 6.1.50 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt bij gebrek aan voldoening van de administratieve geldboete en toebehoren, door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd (§1). Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging (§3). Bin-nen een termijn van 30 dagen na de betekening van het dwangbevel kan de be-trokkene bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet doen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van het arron-dissement van de plaats waar de goederen gelegen zijn (§4).

Het verzet tegen het dwangbevel kan bijgevolg gebeuren hetzij voor de beslag-rechter, hetzij voor de krachtens artikel 6.1.50, § 4, bevoegde rechtbank van eerste aanleg.

2. De beslagrechter die, krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 Ge-rechtelijk Wetboek, kennisneemt van een vordering betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, beoordeelt de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuit-voerlegging. Hij kan geen uitspraak doen over andere geschillen betreffende de tenuitvoerlegging en kan behoudens de uitdrukkelijk in de wet bepaalde gevallen, geen uitspraak doen over de zaak zelf.

Het staat niet aan de beslagrechter, die kennisneemt van het verzet gedaan tegen het in artikel 6.1.50, § 1, bedoelde dwangbevel uitspraak te doen over de geldig-heid van de bestuurshandeling die aan het dwangbevel ten grondslag ligt, noch over de geldigheid van de administratieve geldboete.

3. Door te oordelen dat "[...] de beslagrechter kan oordelen in welke mate de opgelegde geldboete al dan niet wettig is" en dat het dwangbevel onwettig is om reden dat "de administratieve geldboete niet opgelegd [kan] worden zowel aan de vennootschap, aan de zaakvoerder en aan de uitvoerder van de werken [maar] [...] enkel [...] aan de persoon die de handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundige inspecteur bekrachtigd bevel tot sta-king. [...] [de eiser] niet aan[toont] dat [h]ij zich gehouden heeft aan de regels van de toen geldende wetgeving te weten de artikelen 156 en 154 DORO luidens dewelke de administratieve geldboete enkel kan worden opgelegd aan de personen aan wie een bekrachtigingsbeslissing werd verzonden. [...] niet blijkt dat de verweerders enig werk - waarvoor een vergunning vereist was - zouden hebben uitgevoerd in weerwil van het stakingsbevel", schendt de appelrechter, die uit-spraak doet als beslagrechter in hoger beroep, de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

4. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer


VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Minister-President, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, bus 1,

TEGEN: 1. De burgerlijke vennootschap onder de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen IMMO FELIAN, waarvan de zetel gevestigd is te 1740 Ternat, Ge-meentehuisstraat 34/1, met ondernemingsnummer 0885.557.639,

2. De heer M. D. M.,

3. Mevrouw A. D'H.,

Verweerders in cassatie,

* * *

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser tot cassatie heeft de eer het tegensprekelijk arrest, ge-wezen op 3 april 2012 door de zeventiende kamer van het Hof van Be-roep te Brussel (A.R. nr. 2011/AR/504), aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Eerste verweerster is sinds augustus 2007 eigenaar van een gebouw, gelegen te Ternat.

Op 24 januari 2008 werd bij proces-verbaal vastgesteld dat aan het gebouw uitbreidingswerken werden gestart zonder de vereiste voorafgaande stedenbouwkundige vergunning. De monde-linge staking van de werken werd bevolen. Dit stakingsbevel werd op 6 februari 2008 bekrachtigd door de stedenbouwkundige inspecteur.

Op 26 mei 2009 werd vastgesteld dat de werken in weerwil van het stakingsbevel werden verdergezet, m.n. "door in de voorgevel op de 1ste en de 2de verdieping nieuwe ramen klaar te zetten om geplaatst te worden en in het gebouw zelf werken uit te voeren".

Op 23 juli 2009 legde de rekenplichtige van het Herstel-fonds administratieve geldboetes op van 5.000 EUR aan elk van de verweerders wegens doorbreking van het stakingsbevel op 26 mei 2009.

Bij drie gelijkluidende beslissing van 14 augustus 2009 verminderde de stedenbouwkundige inspecteur, op verzoek van verweerders, de verschillende administratieve geldboetes tot 1.000 EUR elk.

Op 19 november 2009 werden lastens verweerders dwangbevelen opgesteld tot betaling van de geldboeten.

Op 5 januari 2010 dagvaardden verweerders eiser voor de Beslagrechter te Brussel in verzet tegen de dwangbevelen.

Bij vonnis van 8 oktober 2010 verklaarde de Beslag-rechter het verzet ontvankelijk, doch ongegrond.

Ingevolge het hoger beroep van verweerders hervormde het Hof van Beroep te Brussel, bij arrest van 3 april 2012, het be-roepen vonnis, verklaarde de oorspronkelijke vordering van ver-weerders gegrond, willigde het verzet tegen het uitgevaardigde dwangbevel in, besliste voor recht dat de administratieve boeten van 1000 EUR opgelegd aan elke verweerder, onverschuldigd zijn, en veroordeelde eiser tot de gerechtskosten van beide aanleggen (waaronder 1.320 EUR rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg, en 1.320 EUR rechtsplegingvergoeding in beroep).

Tegen dit arrest meent eiser volgende middelen tot cas-satie te kunnen aanvoeren.

EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

- Artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet;
- Artikelen 602, 1°, 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek;
- Artikelen 146, 154, eerste, derde en vijfde lid, 156, §1, en 157, §1, §3, en §4, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organi-satie van de ruimtelijke ordening, hierna afgekort "Stedenbouw-decreet 1999";
- Artikelen 6.1.1, 6.1.47, eerste, derde en vijfde lid, 6.1.49, §1, en 6.1.50, §1, §3 en §4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerders gegrond, hervormt het beroepen vonnis, verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerders gegrond, willigt het verzet van verweerders tegen de uitgevaardigde dwangbevelen in, en beslist voor recht dat de administratieve boetes van 1000 EUR opgelegd aan elke verweerder onverschuldigd zijn, en veroordeelt eiser tot de gerechtskosten van beide aanleggen, en dit op volgende gronden:

"4.
Art..6.1.50 van de (Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) luidt als volgt:
Ԥ 1
Bij gebrek aan voldoening van de administratieve geldboete en toebehoren, wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd.
Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de daartoe door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar.
§2
De betekening van het dwangbevel gebeurt bij gerechtsdeurwaar-dersexploot of bij aangetekend schrijven.
§3
Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.
§4
Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de betrokkene bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet doen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van het arrondissement van de plaats waar de goederen gelegen zijn.
Dit verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.'

(Eiser) laat gelden dat de bevoegdheid van de beslagrechter beperkt is tot het nazicht van de rechtmatigheid van de titel en dat de beslag-rechter zich dienvolgens op risico van machtsoverschrijding, machtsafwending of machtsmisbruik niet mag inlaten met het beoor-delen van de opportuniteit van de beslissing.
(Eiser) houdt voor dat het stakingsbevel zelf kan betwist worden voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg krachtens artikel 6.1.47 in fine van de VCRO.
Het (hof van beroep) merkt op dat een onderscheid moet gemaakt worden tussen de opheffing van het stakingsbevel (artikel 6.1.47 VCRO) en de betwisting van het dwangbevel ter invordering van een administratieve boete zoals voorzien in artikel 6.1.50 VCRO.

Te dezen is enkel de betwisting van het dwangbevel ter invordering van de administratieve geldboete het voorwerp van het geschil zodanig dat de verwijzing naar artikel 6.1.47 VCRO alhier niet dienstig is.

5.
Indien het correct is dat de beslagrechter zich in de regel niet mag in de plaats stellen van de bodemrechter en zich al evenmin mag in de plaats stellen van het bestuur om de opportuniteit van een admini-stratieve sanctie te beoordelen, dan neemt zulks niet weg dat te dezen de wetgever uitdrukkelijk de bevoegdheid van de (beslag)rechter heeft voorzien om een verzet tegen een dwangbevel te beoordelen. Indien de bevoegdheid van de beslagrechter hier beperkt zou zijn tot zijn algemene bevoegdheid voor het geval een dwangbevel wordt betekend, dan was expliciete opname in de wet niet vereist en dan konden de regels van het gemeen recht volstaan.
Indien de wetgever hier uitdrukkelijk de bevoegdheid van de beslag-rechter heeft voorzien dan impliceert dit dat de beslagrechter kan oordelen in welke mate de opgelegde geldboete al dan niet wettig is.

De stelling van (eiser) luidens dewelke vanaf het ogenblik dat er een bevel tot staking is betekend de eigenaars zelfs geen onderhouds-werken of instandhoudingswerken zou mogen uitvoeren of laten uit-voeren kan niet gevolgd worden.
Werken waarvoor geen vergunning vereist is kunnen niet door een bevel van een ambtenaar aan vergunning onderhevig gemaakt worden.
Het standpunt als zou de bekrachtigingsbeslissing van 2 juni 2009 waarin gesteld wordt dat bevel wordt gegeven tot staking van alle werken regelmatig zijn, maakt een schending uit van de algemene principes van vrije beschikking van de eigenaar over zijn goed waarbij het beperken van dit beschikkingsrecht afwijkt van het vrije be-schikkingsrecht van de eigenaar zodanig dat de beperkingen op een restrictieve wijze moeten uitgelegd worden. Er anders over oordelen leidt tot de situatie dat het eigendomsrecht niet enkel door de wet kan ingeperkt worden maar dat het eigendomsrecht ook zou kunnen ingeperkt worden door een beslissing van ‘een' ambtenaar.
Ook bij ontstentenis van een uitdrukkelijke bepaling, kan de in het geding zijnde sanctie niet worden opgelegd zonder dat aan de be-trokkene vooraf de mogelijkheid wordt geboden zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen. De beginselen van behoorlijk bestuur die de hoorplicht omvatten, vereisen immers dat de betrokkene wordt ingelicht over de feitelijke en juridische grondslag van de ad-ministratieve sanctie die ten aanzien van hem wordt overwogen, dat hij over een voldoende termijn beschikt om zijn verweer voor te bereiden en dat hij kennis kan nemen van het volledige dossier dat werd samengesteld met het oog op het nemen van de beslissing. Die beginselen vereisen eveneens dat de maatregel wordt gemotiveerd. Wat de bewijslast betreft, staat het aan de ambtenaar die beslist om de administratieve sanctie op te leggen, de werkelijkheid van de feiten die aan de in het geding gestelde persoon worden verweten, te bewijzen, alsook diens schuld (...).
Te dezen komt de administratieve geldboete in de plaats van een strafrechtelijke sanctie (de regeling hoort thuis in het handhavingsbe-leid van de VCRO).
Dit heeft als gevolg dat de rechter aan wiens beoordeling de toepas-sing van een administratieve sanctie wordt voorgelegd, vermag deze sanctie (die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 E.V.R.M.) te toetsen door de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen: dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van administratieve geldboete van zodanige omvang: hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld (...).

6.
Zoals (verweerders) terecht (laten) gelden kan de administratieve geldboete niet opgelegd worden zowel aan de vennootschap, aan de zaakvoerder en aan de uitvoerder van de werken.
De administratieve geldboete kan enkel worden opgelegd aan de persoon die de handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundige instructeur bekrachtigd bevel tot staking.
Overigens toont (eiser) niet aan dat zij zich gehouden heeft aan de regels van de toen geldende wetgeving te weten de artikelen 156 en 154 DORO luidens dewelke de administratieve geldboete enkel kan worden opgelegd aan de personen aan wie een bekrachtigingsbe-slissing werd verzonden. Alleen reeds om deze redenen is het uitge-vaardigde dwangbevel onwettig.

7.
Zoals hiervoor gesteld blijkt overigens niet dat (verweerders) enig werk - waarvoor een vergunning vereist was - zouden hebben uitge-voerd in weerwil van het stakingsbevel. Integendeel, uit het verslag blijkt dat de beweerde inbreuk er in zou bestaan ‘door in de voorgevel op de 1ste en de 2de verdieping nieuwe ramen klaar te zetten om geplaatst te worden en in het gebouw zelf werken uit te voeren'.
Het ‘klaarzetten' van ramen is geen bouwwerk, het uitvoeren van werken ‘binnen in' het gebouw is niet vergunningplichtig. Ook om die reden is het dwangbevel ten onrechte uitgevaardigd, de beweerde inbreuk houdt geen stand ten overstaan van de door het (hof van be-roep) uitgevoerde wettigheidscontrole" (arrest pp. 4-8).

Grieven

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 154, eerste lid, van het Stedenbouw-decreet 1999, en het met ingang van 1 september 2009 geldend artikel 6.1.47, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen de bevoegde ambtenaren, agenten of officieren van gerechte-lijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen indien zij vast-stellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146, en sinds 1 september 2009, arti-kel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Dit bevel tot staking dient, naar luid van artikel 154, vijfde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.47, vijfde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, op straffe van verval binnen 8 dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde steden-bouwkundig inspecteur, door hem worden bekrachtigd.

Naar luid van artikel 156, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.49, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt een administratieve geldboete opgelegd aan de persoon die handelin-gen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de steden-bouwkundig inspecteur bekrachtigd bevel tot staking, zoals bedoeld in artikel 154, vijfde lid, Stedenbouwdecreet 1999 (artikel 6.1.47, vijfde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).

Bij gebrek aan voldoening van de administratieve geld-boete en toebehoren wordt, luidens artikel 157, §1, van het Steden-bouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijklui-dend voorschrift van artikel 6.1.50, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, door de met de invordering belaste ambtenaar een dwang-bevel uitgevaardigd.

Naar luid van artikel 157, §3, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.50, §3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zijn op het dwangbevel de bepalingen van toepassing van deel V van het Ge-rechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuit-voerlegging.

Krachtens artikel 157, §4, van het Stedenbouwdecreet, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.50, §4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan de be-trokkene, binnen een termijn van 30 dagen na de betekening van het dwangbevel, bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen om-kleed verzet doen, houdende dagvaarding van het Vlaams Gewest, bij de rechtbank van het arrondissement van de plaats waar de goederen gelegen zijn.

Het verzet tegen het dwangbevel kan bijgevolg gebeuren hetzij voor de beslagrechter, hetzij voor de krachtens artikel 157, §4, van het Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.50, §4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, bevoegde rechtbank van eerste aanleg.

2. De beslagrechter die, krachtens de artikelen 1395, eer-ste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, kennis neemt van een vordering betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, beoordeelt de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging. Hij is niet bevoegd om uitspraak te doen over andere geschillen betreffende de tenuitvoerlegging en kan behoudens de uitdrukkelijk in de wet bepaal-de gevallen, geen uitspraak doen over de zaak zelf.

Het staat niet aan de beslagrechter, die kennisneemt van het verzet gedaan tegen het in artikel 157, §1, van het Stedenbouw-decreet 1999 en artikel 6.1.50, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde-ning bedoelde dwangbevel, noch aan het hof van beroep dat krachtens artikel 602, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek kennis neemt van het hoger beroep tegen de beslissing van de beslagrechter, met toe-passing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet uitspraak te doen over de geldigheid van de bestuurshandeling die aan het dwangbevel ten grondslag ligt, noch over de geldigheid van de admi-nistratieve geldboete.

3. Te dezen werd op 23 juli 2009 door de rekenplichtige van het Herstelfonds aan elk van de verweerders een administratieve geldboete van 5.000 EUR opgelegd wegens doorbreking, op 26 mei 2009, van het stakingsbevel van 24 januari 2008, bekrachtigd op 6 februari 2008, en werden de geldboetes, bij drie gelijkluidende be-slissingen van 14 augustus 2009, op verzoek van verweerders, door de stedenbouwkundige inspecteur verminderd tot 1.000 EUR. Bij af-wezigheid van vrijwillige betaling werden op 19 november 2009 lastens verweerders dwangbevelen opgesteld tot betaling van de geldboeten.

Verweerders tekenden middels dagvaarding van 5 januari 2010 voor de Beslagrechter Brussel verzet aan tegen de drie dwangbevelen.

4. Het bestreden arrest oordeelt dat de wetgever in artikel 6.1.50 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening uitdrukkelijk de bevoegdheid van de beslagrechter heeft voorzien, dat dit impliceert "dat de beslagrechter kan oordelen in welke mate de opgelegde geldboete al dan niet wettig is", en dat "de rechter aan wiens be-oordeling de toepassing van een administratieve sanctie wordt voor-gelegd, deze sanctie (die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 EVRM) (vermag) te toetsen door de wettelijkheid van die sanctie (te) onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechts-beginselen".

Het bestreden arrest besluit vervolgens dat de admini-stratieve geldboetes die op 23 juli 2009 door de rekenplichtige van het Herstelfonds aan elk van de verweerders werden opgelegd, en die bij de beslissing van 14 augustus 2009 door de stedenbouwkundige inspecteur verminderd werden, onwettig zijn, waarbij het in aanmerking neemt
- dat de administratieve geldboete niet kan opgelegd worden zowel aan de vennootschap, aan de zaakvoerder en aan de uitvoerder van de werken;
- dat de administratieve geldboete enkel kan worden opgelegd aan de personen aan wie een bekrachtigingsbeslissing werd verzonden;
- dat niet blijkt dat verweerders enig werk waarvoor een vergunning vereist was, zouden hebben uitgevoerd in weerwil van het sta-kingsbevel.

Aldus weerhoudt het bestreden arrest ten onrechte de be-voegdheid van de beslagrechter en het hof van beroep, n.a.v. van een verzet tegen de dwangbevelen gebracht voor de beslagrechter, tot het beoordelen van de geldigheid van de bestuurshandeling die aan het dwangbevel ten grondslag ligt, en van de geldigheid van de administratieve geldboete.

Besluit

Door aan te nemen dat artikel 6.1.50 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening aan de beslagrechter de bevoegdheid verleent de wettigheid van de administratieve geldboetes te toetsen, en ver-volgens te besluiten tot inwilliging van het verzet van verweerders tegen de dwangbevelen omwille van de onwettigheid van de geld-boetes, miskent het bestreden arrest dan ook artikel 159 van de ge-coördineerde Grondwet, de artikelen 602, 1°, 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 154, eerste en vijfde lid, 156, §1, en 157, §1, §3, en §4, Stedenbouwdecreet 1999, en de arti-kelen 6.1.47, eerste en vijfde lid, 6.1.49, §1, en 6.1.50, §1, §3 en §4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, evenals, voor zoveel als nodig, artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Tweede onderdeel

5. Krachtens artikel 154, eerste lid, van het Stedenbouw-decreet 1999, en het met ingang van 1 september 2009 geldend artikel 6.1.47, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen de bevoegde ambtenaren, agenten of officieren van gerechte-lijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen indien zij vast-stellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146, en sinds 1 september 2009, arti-kel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Naar luid van artikel 154, derde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het met ingang van 1 september 2009 geldend artikel 6.1.47, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt het proces-verbaal van de vaststelling binnen 8 dagen bij aangetekende brief met bericht van ontvangst of bij gerechtsdeurwaardersexploot ter kennis gebracht van de opdrachtgever, de architect en de persoon of aannemer die de werken of handelingen uitvoert.

Het bevel tot staking dient, naar luid van artikel 154, vijfde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.47, vijfde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, op straffe van verval binnen 8 dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde stedenbouwkundig inspecteur, door hem te worden bekrachtigd, en die bekrachtiging dient binnen twee werkdagen per aangetekende brief verzonden te worden naar de opdrachtgever, de architect en de persoon of aannemer die de werken of handelingen uitvoert.

Naar luid van artikel 156, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.49, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt een administratieve geldboete opgelegd "aan de persoon die hande-lingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de ste-denbouwkundig inspecteur bekrachtigd bevel tot staking", zoals be-doeld in artikel 154, vijfde lid, Stedenbouwdecreet 1999 (artikel 6.1.47, vijfde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).

6. De administratieve geldboete kan worden opgelegd aan eenieder die wetens en willens "handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundig inspecteur bekrachtigd bevel tot staking", weze het natuurlijke personen dan wel rechtspersonen.

Eenzelfde inbreuk op een stakingsbevel kan worden ge-sanctioneerd middels administratieve geldboetes lastens onder-scheiden natuurlijke personen of rechtspersonen, in zoverre in hoofde van elkeen is aangetoond dat ze wetens en willens gehandeld hebben in strijd met het stakingsbevel. Het "voortzetten" van "handelingen, werken of wijzigingen" betekent geenszins dat alleen de uitvoerder van de "handelingen, werken of wijzigingen" door een geldboete kan gesanctioneerd worden. Niet alleen de uitvoerder, maar ook de opdrachtgever, of andere betrokkenen kunnen middels de admini-stratieve geldboete gesanctioneerd worden, in zoverre vaststaat dat zij wetens en willens gehandeld hebben in strijd met het stakingsbevel. De opsomming van de personen aan wie het stakingsbevel en de bekrachtigingsbeslissing ter kennis moet worden gebracht, bevestigt overigens dat niet alleen de uitvoerder (de aannemer) wordt gevi-seerd, maar ook de opdrachtgever en de architect.

Artikel 156, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.49, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, noch enige andere wetsbepaling, onderwerpen de administratieve geldboete aan enige voorwaarde van betekening aan de persoon aan wie de geldboete wordt opgelegd, van het doorbroken bevel tot staking of van de be-krachtigingsbeslissing van de stedenbouwkundige inspecteur.

7. Te dezen werd op 23 juli 2009 door de rekenplichtige van het Herstelfonds aan elk van de verweerders een administratieve geldboete van 5.000 EUR opgelegd wegens doorbreking, op 26 mei 2009, van het stakingsbevel van 24 januari 2008, bekrachtigd op 6 februari 2008, en werden de geldboetes, bij drie gelijkluidende beslissingen van 14 augustus 2009, op verzoek van verweerders, door de stedenbouwkundige inspecteur verminderd tot 1.000 EUR.

Naar het bestreden arrest "(kan) de administratieve geldboete niet opgelegd worden zowel aan de vennootschap, aan de zaakvoerder en aan de uitvoerder van de werken; (kan) de admini-stratieve geldboete enkel worden opgelegd aan de persoon die de handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundige instructeur bekrachtigd bevel tot staking, (en) toont (eiser) niet aan dat (hij) zich gehouden heeft aan de regels van de toen geldende wetgeving te weten de artikelen 156 en 154 DORO luidens dewelke de administratieve geldboete enkel kan worden opgelegd aan de personen aan wie een bekrachtigingsbeslissing werd verzonden". De appelrechters besluiten "(dat) alleen reeds om deze redenen het uitgevaardigde dwangbevel onwettig (is)".

8. Het bestreden arrest sluit aldus op onwettige wijze uit dat de geldboete kan worden opgelegd aan zowel de vennootschap, de zaakvoerder als de uitvoerder van de werken, nu immers eenzelfde vastgestelde inbreuk op een stakingsbevel aanleiding kan geven tot geldboetes in hoofde van onderscheiden personen, en de geldboete bovendien niet alleen kan worden opgelegd aan de uitvoerder van de "handelingen, werken of wijzigingen", maar ook aan de opdrachtgever, de architect, of andere betrokkenen, in zoverre zij wetens en willens in strijd met het stakingsbevel hebben gehandeld.

Het bestreden arrest sluit aldus ook op onwettige wijze uit dat de geldboete kan worden opgelegd aan zowel de vennootschap, de zaakvoerder als de uitvoerder van de werken, nu het ook nalaat in feite na te gaan of verweerders, weze het als vennootschap, zaakvoerder of uitvoerder, wetens en willens gehandeld hebben in strijd met het bekrachtigd stakingsbevel van 24 januari 2008.

Door bovendien te oordelen dat de administratieve geld-boete enkel kan worden opgelegd aan de personen aan wie een be-krachtigingsbeslissing werd verzonden, onderwerpt het bestreden ar-rest de geldboete aan een voorwaarde die het Stedenbouwdecreet 1999, thans de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, niet bevat.

Besluit

Door op voornoemde gronden te besluiten dat de lastens ver-weerders opgelegde geldboeten onverschuldigd zijn en dat de lastens verweerders uitgevaardigde dwangbevelen onwettig zijn, miskent het bestreden arrest dan ook de artikelen 154, eerste en vijfde lid, en 156, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999, en de artikelen 6.1.47, eerste en vijfde lid, 6.1.49, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, evenals, voor zoveel als nodig, de artikelen 146 en 154, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, en de artikelen 6.1.1 en 6.1.47, derde lid Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Derde onderdeel

9. Krachtens artikel 154, eerste lid, van het Stedenbouw-decreet 1999, en het met ingang van 1 september 2009 geldend artikel 6.1.47, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen de bevoegde ambtenaren, agenten of officieren van gerechte-lijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van "het werk, van de handelingen of van het gebruik" bevelen indien zij vast-stellen dat "het werk, de handelingen of de wijzigingen" een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999, en sinds 1 september 2009, artikel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening.

Het stakingsbevel dient, naar luid van artikel 154, vijfde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.47, vijfde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, op straffe van verval binnen 8 dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde steden-bouwkundig inspecteur, door hem te worden bekrachtigd.

Naar luid van artikel 156, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.49, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt een administratieve geldboete opgelegd aan de persoon die hande-lingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de ste-denbouwkundig inspecteur bekrachtigd bevel tot staking, zoals be-doeld in artikel 154, vijfde lid, Stedenbouwdecreet 1999 (artikel 6.1.47, vijfde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).

10. De omstandigheid dat bij vaststellen van inbreuken bedoeld in artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, de staking wordt bevolen van "het werk, van de handelingen of van het gebruik", betekent niet dat toch nog werken zouden kunnen uitgevoerd worden die op zich geen inbreuk vormen op artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Het stakingsbevel is immers een preventieve maatregel met een dubbele finaliteit. Enerzijds beoogt het inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 (thans artikel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening), te voorkomen. Anderzijds strekt het ertoe het tot stand komen van moeilijk herstelbare situaties en latere zware herstelmaatregelen te vermijden, waardoor het de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig stelt.

Deze tweede finaliteit brengt met zich dat de bevolen staking van alle werken bij de vaststelling van inbreuken, bedoeld in artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 6.1.1, Vlaamse Co-dex Ruimtelijke Ordening, eveneens de werken viseert die op zich niet vergunningsplichtig zijn. Ook deze werken kunnen immers een later te bevelen herstelmaatregel meer bezwarend maken.

11. Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt
- dat op 24 januari 2008 door de bevoegde verbalisant mondeling de staking werd bevolen van niet vergunde werken die verweerders uitvoerden aan het gebouw gelegen te Ternat, en dat het stakingsbevel op 2 februari 2008 werd bekrachtigd door de ste-denbouwkundige inspecteur;
- dat n.a.v. van de bevolen staking werd vastgesteld: "Er werden werken uitgevoerd zonder te beschikken over een stedenbouw-kundige vergunning. Aan de achterzijde van het gebouw op de 1 ste verdieping wordt een uitbreiding gemaakt. Er is reeds een overtreding vastgesteld, nl. het terras werd groter uitgevoerd. Blijkbaar is men ook van plan twee woongelegenheden te maken";
- dat op 26 mei 2009 werd vastgesteld dat werken werden uitgevoerd na het stakingsbevel van 24 januari 2008: "In de voorgevel op de 1ste en 2de verdieping staan nieuwe ramen klaar om geplaatst te worden. Ook in het gebouw zelf worden werken uitgevoerd".

Naar het bestreden arrest betekent de bevolen staking van de werken niet dat geen onderhoudswerken of instandhoudingswerken meer zouden mogen uitgevoerd worden, waarbij het in aanmerking neemt
- dat werken waarvoor geen vergunning vereist is niet door een bevel van een ambtenaar aan vergunning onderhevig kunnen worden gemaakt;
- dat de afwijkingen van het algemene principe van vrije beschikking van de eigenaar over zijn goed, op restrictieve wijze moeten worden uitgelegd, en er anders over oordelen zou leiden tot de situatie dat het eigendomsrecht niet enkel door de wet kan ingeperkt worden, maar dat het eigendomsrecht ook zou kunnen ingeperkt worden door een beslissing van "een" ambtenaar.

De appelrechters besluiten "(dat) de beweerde inbreuk geen stand (houdt) ten overstaan van de door het (hof van beroep) uitge-voerde wettigheidscontrole", op grond van de overwegingen
- "(dat niet) blijkt dat (verweerders) enig werk - waarvoor een ver-gunning vereist was - zouden hebben uitgevoerd in weerwil van het stakingsbevel";
- "(dat) integendeel, uit het verslag blijkt dat de beweerde inbreuk er in zou bestaan ‘door in de voorgevel op de 1ste en de 2de verdie-ping nieuwe ramen klaar te zetten om geplaatst te worden en in het gebouw zelf werken uit te voeren'";
- "(dat) het ‘klaarzetten' van ramen geen bouwwerk (is), het uitvoeren van werken ‘binnen in' het gebouw niet vergunningplichtig (is)".

Op grond van deze vaststellingen en overwegingen kon het be-streden arrest niet wettig oordelen dat het stakingsbevel van 24 ja-nuari 2008, zoals bekrachtigd op 6 februari 2008, ingevolge de vast-stellingen op 26 mei 2009 niet doorbroken was:
- de staking van alle werken beoogt eveneens onderhoudswerken of instandhoudingswerken;
- dat het klaarzetten van nieuwe ramen geen "bouwwerken" zou zijn, sluit niet uit dat het "werken" betreft aan de niet-vergunde constructie, en derhalve een miskenning van het stakingsbevel oplevert;
- de omstandigheid dat "het uitvoeren van werken ‘binnen in' het gebouw niet vergunningplichtig (is)", sluit evenmin uit dat deze werken het stakingsbevel miskennen.

Besluit

Door, op de gronden die het bevat, te oordelen dat de vaststellin-gen op 26 mei 2009 niet toelaten te besluiten tot het doorbreken van het stakingsbevel van 24 januari 2008, bekrachtigd op 6 februari 2008, miskent het bestreden arrest dan ook de artikelen 146, 154, eerste en vijfde lid, en 156, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999, en de artikelen 6.1.1., 6.1.47, eerste en vijfde lid, 6.1.49, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, evenals, voor zoveel als nodig, artikel 146 Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

TOELICHTING

1. Wat het eerste onderdeel betreft kan verwezen wor-den naar het arrest van Uw Hof van 18 maart 2010 (A.R. C.09.0149.N, met conclusie van Advocaat-Generaal DUBRULLE, www.juridat.be), waaruit blijkt dat een onderscheid moet gemaakt worden tussen het verzet tegen het dwangbevel (m.b.t. de administratieve geldboete wegens miskenning van een stakingsbevel) ingeleid voor de beslagrechter (art. 6.1.50, §3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening), en het verzet dat krachtens artikel 6.1.50, §4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voor de rechtbank van eerste aanleg kan worden ingeleid.

In zoverre het verzet tegen het dwangbevel werd ingeleid voor de beslagrechter, gelden de beperkingen aangaande de bevoegdheid van de beslagrechter onverkort: de beslagrechter neemt kennis van de vordering betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging en beoordeelt de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging, doch hij is niet bevoegd om uitspraak te doen over andere geschillen betreffende de tenuitvoerlegging en kan, behoudens de uitdrukkelijk in de wet bepaalde gevallen, geen uitspraak doen over de zaak zelf (Cass. 18 maart 2010, A.R. C.09.0149.N, gecit.; zie o.m. ook Cass. 12 januari 2012, A.R. C.10.0660.N, met conclusie Advocaat-Generaal Dubrulle, www.juridat.be; Cass. 1 december 2005, C.03.0030.N, www.juri-dat.be).

2. Wat betreft het tweede onderdeel.

2.1. De mogelijkheid om de onmiddellijke staking te be-velen gaat terug tot de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de wet van 29 maart 1962, houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, waarbij artikel 68 van de Steden-bouwwet van 1962 werd gewijzigd.

Het Stedenbouwdecreet 1999 voorzag, naast de reeds bestaande strafsanctie bij miskenning van het stakingsbevel, voor het eerst ook een administratieve geldboete. De wetgever verantwoordde deze geldboete als volgt: "Omwille van het belang om een aan de gang zijnd misdrijf zo snel mogelijk te stoppen en te vermijden dat bouwwerken of andere handelingen worden verdergezet ondanks een uitdrukkelijk bevel tot staking, dient de geldboete voldoende hoog te zijn om een afschrikkend en dus preventief karakter te hebben" (MvT., Gedr.St. Vl.Parl., 1998-99, nr. 1332/1, p. 73; zie ook Verslag TY-BERGHIEN-VANDENBUSSCHE en TIMMERMANS Gedr.St. Vl.Parl., 1998-99, nr. 1332/8, p, p. 13).

2.2. Artikel 156, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999 (thans artikel 6.1.49, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) voor-ziet dat een administratieve geldboete wordt opgelegd "aan de per-soon die handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundig inspecteur bekrachtigd bevel tot staking". Deze bepaling, noch enige andere, bevat enige beperking aangaande personen aan wie de geldboete kan worden opgelegd:
- de geldboete kan worden opgelegd aan eenieder die wetens en willens handelt in strijd met het stakingsbevel;
- niet alleen de daadwerkelijke uitvoerder van de werken (de aan-nemer) wordt geviseerd, maar ook de opdrachtgever, de architect, of andere in de werken betrokken personen (overigens voorziet de decreetgever zelf de kennisgeving van het stakingsbevel en de be-krachtigingsbeslissing aan "de opdrachtgever, de architect en de persoon of aannemer die de werken of handelingen uitvoert": art. 6.1.47, derde en vijfde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).

2.3. De omstandigheden dat artikel 154, derde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999 (thans artikel 6.1.47, derde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) voorziet dat het proces-verbaal van vaststelling met stakingsbevel ter kennis moet worden gebracht van "de opdrachtgever, de architect en de persoon of aannemer die de werken of handelingen uitvoert", en dat artikel 154, vijfde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999 (thans artikel 6.1.47, vijfde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) voorziet dat de bekrachtigingsbeslissing van het stakingsbevel door de stedenbouwkundig inspecteur, dient verzonden te worden naar "de opdrachtgever, de architect en de persoon of aannemer die de werken of handelingen uitvoert", betekent geenszins dat de geldboete slechts zou kunnen worden opgelegd aan de personen aan wie het proces-verbaal en de bekrachti-gingsbeslissing ter kennis werd gebracht.

De tekst van de wet bevat geenszins dergelijke beperking aangaande de personen aan wie de geldboete kan worden opgelegd, en die beperking kan evenmin worden afgeleid uit de doelstellingen van het stakingsbevel, dat in-rem werkt (zie FRANSSEN, F., "Wie kan een bekrachtigd stakingsbevel doorbreken", noot bij RvSt. 29 april 2014, TMR, 2014, 460 e.v.).

Zoals herhaaldelijk bevestigd door Uw Hof, is het bevel tot staking een preventieve maatregel die niet alleen ertoe strekt de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen, maar ook bedoeld is om inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (art. 146 Stedenbouwdecreet 1999) te voorkomen (zie o.m. Cass. 8 februari 2013, A.R. C.11.0617.N, met conclusie van Advocaat-Generaal Vandewal, www.juridat.be; Cass 1 maart 2010, A.R. C.09.0392.N, met conclusie Advocaat-Generaal MORTIER, www.juridat.be; Cass. 16 januari 2009, AR. C.06.0480.N, www.juridat.be).

Weliswaar is een opzet vereist in hoofde van de betrok-kene: het opzet omvat een kennis-element, m.n. het "wetens" hande-len, wat impliceert dat de betrokkene wist of diende te weten dat hij handelde in strijd met een stakingsbevel, en een wilselement, m.n. het "willens" handelen, wat impliceert dat hij de gedraging gewild heeft (cf. VAN DEN WYNGAERT, P., Strafrecht strafprocesrecht & internatio-naal strafrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2006, 277).

Een formele voorafgaande kennisgeving van het sta-kingsbevel en de bekrachtigingsbeslissing aan de persoon aan wie de geldboete werd opgelegd, vormen geen bijkomende voorwaarden van de administratieve geldboete.

De doorbreker diende dus kennis te hebben of geacht worden te hebben van het stakingsbevel op het ogenblik dat hij de doorbreking pleegt. Deze kennis hoeft niet noodzakelijk het gevolg te zijn van een kennisgeving conform artikel 6.1.47 VCRO, al staat ze dan ontegensprekelijk vast, maar kan ook voortvloeien uit andere fei-telijkheden (FRANSSEN, F., "Wie kan een bekrachtigd stakingsbevel doorbreken", noot bij RvSt. 29 april 2014, TMR, 2014, (460), 461; zie ook VAN DEN BERGHE, J., "Dwangmaatregelen", in Zakboekje Ruimtelijke Ordening, 2014, Mechelen, Kluwer, (677), 680 en noot 94).

Overigens oordeelde Uw Hof ook reeds dat de voorziene kennisgeving van het proces-verbaal van vaststelling en de bekrachti-gingsbeslissing van het door de bevoegde ambtenaren gegeven sta-kingsbevel, niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven (zie Cass. 14 februari 1997, A.R. C.95.0382.N, Arr. Cass. 1997, nr. 87; Cass. 10 september 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 298).

De Raad van State oordeelde reeds, in het kader van een annulatieberoep tegen een beslissing van de stedenbouwkundige in-specteur aangaande het verzoek tot kwijtschelding - vermindering van de administratieve geldboete, dat de kennisgeving van het stakings-bevel en de bekrachtigingsbeslissing geen voorwaarde zijn van de administratieve geldboete, op grond van volgende overwegingen:
"9. De persoon die handelingen voortzet in strijd met een bekrach-tigd stakingsbevel wordt enerzijds in artikel 6.1.1, 5°, VCRO strafbaar gesteld met een gevangenisstraf en/of een geldboete en wordt ander-zijds - onverminderd deze strafbaarstelling - bij toepassing van artikel 6.1.49, § 1, eerste lid, VCRO een administratieve geldboete van 5.000 euro opgelegd.
De blootstelling van een persoon aan een administratieve geldboete wordt in artikel 6.1.49 VCRO niet onderworpen aan enige voorwaarde van voorafgaande betekening aan deze persoon van het doorbroken bevel tot staking of van de bekrachtigingsbeslissing bedoeld in artikel 6.1.47 VCRO.
De regeling in artikel 6.1.47 VCRO wat betreft de kennisgeving van het ‘proces-verbaal van de vaststelling' aan de opdrachtgever, de ar-chitect en de persoon of aannemer die de werken of handelingen uit-voert en de persoon die het goed gebruikt, doet aan het bepaalde in artikel 6.1.49 VCRO niets af.
De stelling van verzoekster dat enkel aan de persoon aan wie over-eenkomstig artikel 6.1.47 VCRO kennis werd gegeven van het be-krachtigd stakingsbevel, bij toepassing van artikel 6.1.49 VCRO een administratieve geldboete kan worden opgelegd, kan niet worden aangenomen.
Artikel 6.1.49 VCRO maakt voor het opleggen van een administra-tieve geldboete geen onderscheid tussen personen aan wie het voor-afgaande bekrachtigde stakingsbevel wel of niet werd kennis gegeven.
10. Voor het opleggen van een administratieve geldboete met toe-passing van artikel 6.1.49 VCRO volstaat het desbewust of het wetens en willens voortzetten van handelingen in strijd met een bekrachtigd bevel tot staking." (RvSt. 29 april 2014, nr. 227.216, TMR, 2014, 457, met noot FRANSSEN, F., "Wie kan een bekrachtigd stakingsbevel doorbreken").

3. Wat betreft het derde onderdeel.

Het bevel tot staking is een preventieve maatregel met een dubbele finaliteit: enerzijds het voorkomen van inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (art. 146 Stedenbouwde-creet 1999), en anderzijds het veilig stellen van de macht van de rechter om het herstel te bevelen (zie o.m. Cass. 8 februari 2013, A.R. C.11.0617.N, met conclusie van Advocaat-Generaal Vandewal, www.juridat.be; Cass 1 maart 2010, A.R. C.09.0392.N, met conclusie Advocaat-Generaal MORTIER, www.juridat.be; Cass. 16 januari 2009, AR. C.06.0480.N, www.juridat.be).

Ook al kan de loutere uitvoering van niet-vergunningsplichtige inrichtingswerkzaamheden aan een zonder ver-gunning afgewerkt gebouw, zelfs al werd het gebouwd zonder steden-bouwkundige vergunning, niet het voorwerp uitmaken van een sta-kingsbevel (zie Cass. 8 februari 2013, A.R. C.10.0585.N, met conclu-sie Advocaat-Generaal Vandewal, www.juridat.be), treft de bevolen staking van vergunningsplichtige doch niet vergunde werken in uit-voering, ook de werken aan deze constructie die op zich niet vergun-ningsplichtig zijn.

Dit volgt uit de tweede doelstelling van het stakingsbevel, m.n. het veilig stellen van de macht van de rechter om het herstel te bevelen. Dit betekent dat moet vermeden worden dat werken, on-geacht of ze op zich al dan niet vergunningsplichtig zijn, aan de niet vergunde onafgewerkte constructie worden verdergezet, en dat de rechter die over de herstelmaatregel moet oordelen, voor voldongen feiten zou worden gesteld (zie conclusie Advocaat-Generaal Vandewal voor Cass. 8 februari 2013, A.R. C.10.0585.N, gecit.).

Zodra derhalve vaststaat dat het stakingsbevel ingrijpt in een aan de gang zijnde inbreuk op de wettelijke regels inzake ruimte-lijke ordening, zoals bedoeld in artikel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimte-lijke Ordening, kan de staking bevolen worden van alle werken aan de wederrechtelijke constructie in oprichting. De omstandigheid dat bepaalde werken die na het stakingsbevel worden uitgevoerd op zich niet vergunningsplichtig zijn, sluit niet uit dat de staking ervan ertoe kan strekken de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen. Immers kunnen alle werken, die worden uitgevoerd aan de wederrechtelijke constructie, ongeacht of ze vergunningsplichtig zijn, een later te bevelen afbraak meer bezwarend maken voor de betrokkene.

TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden bepalingen

- Artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet;
- Artikelen 1017, 1018, 6°, 1395, eerste lid, en 1498 van het Ge-rechtelijk Wetboek ;
- Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 "tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties";
- Artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 3 van de wet van 21 februari 2010 "tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties";
- Artikelen 149, 154, 156, en 157, §1, §3 en §4, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna afgekort Stedenbouwdecreet 1999);
- Artikelen 6.1.43, 6.1.47, 6.1.49, 6.1.50, §1, §3 en §4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
- Artikelen 5, 7 en 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat;
- Artikel 3, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering ingevolge de totstandkoming van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
- Artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel, zowel in de versie vóór als na de wijziging bij artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering ingevolge de totstandkoming van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Bestreden beslissing

Na het hoger beroep van verweerders gegrond te hebben ver-klaard, het bestreden vonnis te hebben hervormd, de oorspronkelijke vordering van verweerders gegrond te hebben verklaard, het verzet tegen de uitgevaardigde dwangbevelen gegrond te hebben verklaard, en voor recht te hebben gezegd dat de administratieve geldboetes van 1.000 EUR opgelegd aan elke verweerder bij beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur van 14 augustus 2009, onverschuldigd is, verwijst het bestreden arrest eiser in de kosten van beide aanleggen, omvattende, in eerste aanleg, 277,44 EUR kosten dagvaarding en 1.320 EUR rechtsplegingvergoeding, en in beroep 186 EUR rolrechten en 1.320 EUR rechtsplegingvergoeding.

Grieven

1. Overeenkomstig artikel 154 van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.47 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening,
- kunnen de bevoegde ambtenaren en agenten of officieren van ge-rechtelijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking bevelen van het werk, van de handelingen of van het gebruik indien zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen, zoals bedoeld in artikel 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
- kunnen de bevoegde ambtenaren en agenten of officieren van ge-rechtelijke politie, als ze ter plaatse niemand aantreffen, een schriftelijke bevel tot onmiddellijke staking op een zichtbare plaats aanbrengen;
- dient het proces-verbaal van de vaststelling binnen acht dagen bij aangetekende brief met bericht van ontvangst of bij gerechts-deurwaardersexploot ter kennis te worden gebracht van de op-drachtgever, de architect en de persoon of aannemer die de werken of handelingen uitvoert, en wordt tegelijkertijd bij aangetekende brief een afschrift van het proces-verbaal overgemaakt aan de burgemeester van de gemeente op wier grondgebied deze werken of handelingen werden uitgevoerd en naar de stedenbouwkundige inspecteur;
- moet het bevel tot staking, op straffe van verval, binnen acht dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde stedenbouwkundig inspecteur, door hem worden bekrachtigd, en wordt die bekrachtiging binnen twee werkdagen per aangetekende brief verzonden naar de opdrachtgever, de architect en de persoon of aannemer die de werken of handelingen uitvoert;
- kan de betrokkene in kort geding, voor de voorzitter van de recht-bank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan het werk en de handelingen werden uitgevoerd, de opheffing van de maatregel vorderen tegen het Vlaamse Gewest.

Dit bevel tot staking is een preventieve maatregel in het algemeen belang van de goede ruimtelijke ordening, die niet alleen ertoe strekt de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen, maar ook bedoeld is om inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 146 van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van 6.1.1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, te voorkomen.

De stedenbouwkundige inspecteur die een bevel tot sta-king bekrachtigt, bezit ter zake een eigen beoordelingsbevoegdheid, en oefent derhalve een vorm van administratief toezicht uit, in zoverre het bevel tot staking niet van hemzelf uitgaat. Zijn tussenkomst als stedenbouwkundig inspecteur bij het geven van het bevel tot staking staat borg voor de eenvormigheid in het handhavingsbeleid.

2. Krachtens artikel 156, §1, eerste lid, van het Steden-bouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijklui-dend voorschrift van artikel 6.1.49, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt, onverminderd de voorziene strafsancties, een administratieve geldboete van 5.000 euro opgelegd aan de persoon die handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundige inspecteur bekrachtigd bevel tot staking, bedoeld in artikel 6.1.47 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Naar luid van artikel 156, §2, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.49, §2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt de administratieve geldboete opgelegd door de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel, in de versies aangehaald in de aanhef van het middel, legt de rekenplichtige van het Herstelfonds de in het proces-verbaal vermelde persoon of personen die handelingen, werken of wijzigingen heeft of hebben voortgezet in strijd met het stakingsbevel, een administratieve geldboete van 5000 euro op.

Krachtens artikel 156, §3, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.49, §3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, beslissen de ambtenaren, daartoe aangewezen door de Vlaamse Regering, over de gemotiveerde verzoeken om kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de geldboeten, vermeld in § 1, die de betrokkene bij aangetekende brief tot hen richt. Krachtens artikel 156, §4, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van 6.1.49, §4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, worden de verzoeken, vermeld in § 3, binnen vijftien dagen, te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de aangetekende brief, vermeld in § 2, tweede lid, gericht aan de daartoe door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren.

Naar luid van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel, in de versies aangehaald in de aanhef van het middel, worden de gemotiveerde verzoeken om kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling, bedoeld in artikel 156, §3 en §4, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.49, § 3 en § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Orde-ning, gericht aan de stedenbouwkundige inspecteur die bevoegd is voor het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest, en mag deze stedenbouwkundige inspecteur niet de persoon zijn die het stakings-bevel heeft bekrachtigd.

3. Bij gebrek aan voldoening van de administratieve geld-boete en toebehoren wordt, luidens artikel 157, §1, van het Steden-bouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijklui-dend voorschrift van artikel 6.1.50, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, door de met de invordering belaste ambtenaar een dwang-bevel uitgevaardigd.

Naar luid van artikel 157, §3, van het Stedenbouwdecreet 1999, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.50, §3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zijn op het dwangbevel de bepalingen van toepassing van deel V van het Ge-rechtelijk Wetboek, houdende bewarend beslag en middelen tot ten-uitvoerlegging.

Krachtens artikel 157, §4, van het Stedenbouwdecreet, en het sinds 1 september 2009 geldend gelijkluidend voorschrift van artikel 6.1.50, §4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan de be-trokkene, binnen een termijn van 30 dagen na de betekening van het dwangbevel, bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen om-kleed verzet doen, houdende dagvaarding van het Vlaams Gewest, bij de rechtbank van het arrondissement van de plaats waar de goederen gelegen zijn.

Het verzet tegen het dwangbevel kan bijgevolg gebeuren hetzij voor de beslagrechter, hetzij voor de krachtens artikel 157, §4, van het Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.50, §4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, bevoegde rechtbank van eerste aanleg.

De beslagrechter neemt, krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, kennis van een vor-dering betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, en beoordeelt de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging.

4. De administratieve geldboete deelt in het preventief karakter van het stakingsbevel dat het beoogt te waarborgen, en wordt dan ook opgelegd in het algemeen belang van de goede ruimtelijke ordening.

Eiser die optreedt als verweerder in een geschil waarbij de door de administratieve geldboete getroffenen, op grond van de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, en artikel 157, §3 en §4, van het Stedenbouwdecreet 1999 en het sinds 1 september 2009 geldend voorschrift van artikel 6.1.50, §3 en §4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, opkomt tegen het dwang-bevel uitgevaardigd tot inning de lastens hem opgelegde administra-tieve geldboete, m.b.t. dewelke ook zijn verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel, geheel of gedeeltelijk werd verworpen door de stedenbouwkundig inspecteur, verdedigt hierbij het algemeen belang van de goede ruimtelijke ordening.

De stedenbouwkundig inspecteur, die o.m. gelet op zijn bekrachtigingsbevoegdheid van de stedenbouwkundige stakingsbe-velen en zijn bevoegdheid een herstelmaatregel na te streven, door het Stedenbouwdecreet 1999 en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening belast is met het handhavingsbeleid, dient, in alle on-afhankelijkheid, vergelijkbaar met het openbaar ministerie, zonder rekening te houden met het financieel risico verbonden aan een pro-ces, te kunnen oordelen over de herstelmaatregel, over een sta-kingsbevel, en ook over de verzoeken tot vrijstelling, vermindering of uitstel van de administratieve geldboete die wegens overtreding van het stakingsbevel wordt opgelegd.

5. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wet-boek, verwijst, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, ieder eind-vonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kos-ten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.

Naar luid van artikel 1018, 6° van het Gerechtelijk Wet-boek, zoals vervangen bij artikel 5 van de wet van 21 april 2007 be-treffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, omvatten de kosten de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van hetzelfde Wetboek.

Naar luid van artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, is de rechtsplegings-vergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Wanneer op grond van artikel 157, §3 en §4, van het Stedenbouwdecreet 1999 en het sinds 1 september 2009 geldend voorschrift van artikel 6.1.50, §3 en §4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, verzet wordt aangetekend tegen het dwangbevel tot voldoening van de administratieve geldboete, treedt eiser op als partij, en kan hij in het ongelijk gesteld worden, en is hij een "in het ongelijk gestelde partij" in de zin van artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, die in de kosten kan verwezen worden, waarin, in principe, ook de rechtsplegingsvergoeding begrepen is.

6. Overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de geco-ordineerde Grondwet zijn de Belgen gelijk voor de wet. Luidens artikel 11 van de gecoördineerde Grondwet moet het aan de Belgen toegekend genot van de rechten en vrijheden zonder discriminatie verzekerd worden.

De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een ver-schil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van dat onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat.

In strafzaken beperkt artikel 162bis Wetboek van Straf-vordering, zoals ingevoerd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten ver-bonden aan de bijstand van een advocaat de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding, in de versie aangehaald in de aanhef van het middel, de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding, tot de verhoudingen tussen eensdeels de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, anderdeels de burgerlijke partij.

Het was de uitdrukkelijke wil van de wetgever van 21 april 2007 om het nieuwe systeem van de rechtsplegingsvergoeding niet toe te passen op het openbaar ministerie, nu het openbaar ministerie, door vervolging in te stellen, het algemeen belang vertegenwoordigt en derhalve niet op één lijn kan worden gesteld met een burgerlijke partij die de strafvordering alleen in gang zou zetten om een privébelang te verdedigen.

Wegens de opdracht van algemeen belang die aan de stedenbouwkundige inspecteur is toegewezen, geldt de uitsluiting van de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding eveneens voor de herstelvordering voor de strafrechter. Wanneer de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur, ingeleid voor de strafrechter, derhalve ongegrond wordt verklaard, kan hij niet veroordeeld worden tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de beklaagde, om reden dat het optreden van de stedenbouwkundige inspecteur, die een wettelijke opdracht in het algemeen belang uitoefent en geen particulier belang nastreeft, niet kan worden gelijkgesteld met het optreden van een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, in de versie aangehaald in de aanhef van het middel.

De wetgever van 21 april 2007 heeft evenwel geen uit-zondering voorzien als het openbaar ministerie in een loutere civiele rechtspleging handelt bij wege van rechtsvordering en alzo optreedt als daadwerkelijke procespartij.

Het Grondwettelijk Hof besliste bij arrest nummer 43/2012 van 8 maart 2012 voor recht dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van het Vlaamse Gewest kan worden gelegd wanneer de stedenbouwkundig inspecteur in het ongelijk wordt gesteld bij zijn op grond van artikel 6.1.43 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (voorheen artikel 149 Ste-denbouwdecreet 1999) voor de burgerlijke rechtbank ingestelde her-stelvordering.

Uit het arrest nummer 57/2003 van 25 april 2013 van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de overheid die zich verweert tegen een vordering in opheffing van een stedenbouwkundig stakingsbevel, zoals voorzien in 6.1.47 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, optreedt in het algemeen belang ter vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, waardoor het niet verantwoord is dat zij in de rechtsple-gingsvergoeding kan worden verwezen.

Om dezelfde redenen vereist het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat de overheid die zich verweert tegen het verzet tegen een dwangbevel in voldoening van de bij artikel 156 van het Stedenbouwdecreet 1999 en het sinds 1 september 2009 geldend voorschrift van artikel 6.1.49 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening voorziene administratieve geldboete, wegens beweerde on-wettigheid van de opgelegde geldboete, aldus optreedt in het al-gemeen belang ter vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, niet in de rechtsplegingsvergoeding kan worden verwezen. Aldus wordt de onafhankelijkheid gewaarborgd van de stedenbouwkundige inspecteur die bevoegd is voor het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest, om, zonder rekening te houden met het financieel risico verbonden aan een proces, uitspraak te doen over verzoeken tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de geldboete.

7. Nu het bestreden arrest uitspraak doet over het verzet van verweerders tegen de lastens hen uitgevaardigde dwangbevelen in betaling van de administratieve geldboetes wegens doorbreking van het bekrachtigd stakingsbevel, kon het, na inwilliging van dit verzet, eiser niet wettig veroordelen tot betaling van de rechtspleging-vergoeding in eerste aanleg en in beroep.

Aldus miskent het bestreden arrest het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel (schending van artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet), de artikelen 1018, 6° en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek in de versie aan-gehaald in de aanhef van het middel, de artikelen 5 en 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, evenals de aard van de administratieve geldboete en de beoordelingsbevoegdheid die de stedenbouwkundige inspecteur die bevoegd is voor het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest, over de verzoeken tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de administratieve geldboete heeft (schending van de artikelen 154 en 156 Stedenbouwdecreet 1999, de artikelen 6.1.47 en 6.1.49 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en de artikelen 3, eerste lid, en 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 28 april 2000 betreffende de administratieve geldboete voor het overtreden van een bekrachtigd stakingsbevel, in de versies aangehaald in de aanhef van het middel), en miskent het, voor zoveel als nodig, bovendien de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 149 en 157, §1, §3 en §4, Stedenbouwdecreet 1999, de artikelen 6.1.43 en 6.1.50, §1, §3 en §4, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, artikel 162bis Wetboek van Strafvordering in de versie aangehaald in de aanhef van het middel, en artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding.

Naar luid van artikel 26, §1, enig lid, 3°, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, doet dit Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet (...) van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten" (...) van de Grondwet, waartoe de artikelen 10 en 11 behoren.

Naar luid van artikel 26, §2, eerste lid, van dezelfde Bij-zondere Wet op het Grondwettelijk Hof, moet het rechtscollege waarvoor een dergelijke vraag wordt opgeworpen, behoudens in de hier niet toepasselijke uitzonderingsgevallen, het Grondwettelijk Hof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen.

Aldus verzoekt eiser Uw Hof eerbiedig, bij wege van tussenarrest, de in het dispositief van deze voorziening geformuleerde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof teneinde de schending van artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet te horen vaststellen in zoverre de artikelen 5 en 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en de artikelen 1018, 6° en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechtsplegingsvergoeding ten laste van het Vlaamse Gewest leggen wanneer dit op het verzet van de betrokkene tegen het dwangbevel tot invordering van de bij artikel 6.1.49, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (voorheen artikel 156, §1, eerste lid, Stedenbouwdecreet) voorziene administratieve geldboete, in het ongelijk wordt gesteld.

 

 

TOELICHTING

De overheid kan, naar aanleiding van het optreden van de ste-denbouwkundig inspecteur in het algemeen belang van de goede ruimtelijke ordening, niet veroordeeld worden tot de rechtsplegings-vergoeding.

Aldus is een veroordeling tot rechtsplegingsvergoeding niet mogelijk
- bij afwijzing van de herstelvordering van de stedenbouwkundig in-specteur voor de strafrechter (art. 6.1.41, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) (zie Cass. 24 mei 2011, A.R. P.10.2052.N, met conclusie van Procureur-Generaal toenmalig Eerste Advocaat-Generaal Duinslaeger, www.juri-dat.be; idem Cass. 7 juni 2011, A.R. P.10.2041.N, niet gepubliceerd),
- bij de afwijzing van de vordering van de stedenbouwkundig in-specteur om met een latere rechterlijke beslissing een dwangsom te horen opleggen ter eerbiediging van een eerdere hoofdveroor-deling tot herstel (art. 6.1.41, §3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening) (Cass. 14 mei 2013, P.12.1218.N, met conclusie van Pro-cureur-Generaal, toenmalig Eerste Advocaat-Generaal Duinslaeger. www.juridat.be);
- na afwijzing van de herstelvordering van de stedenbouwkundig in-specteur voor de burgerlijke rechter (art. 6.1.43 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; GwH 8 maart 2012, nr. 43/2012, www.grondwettelijkhof.be; zie tevens GwH 7 maart 2013, nr. 36/2013, www.grondwettelijkhof.be, m.b.t. het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw),
- na inwilliging van een vordering in opheffing van een stedenbouw-kundig stakingsbevel (art. 6.1.47, zesde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) (GwH 25 april 2013, nr. 57/2003, www.grondwettelijkhof.be).

Uit de hiervoor geciteerde rechtspraak blijkt dat zowel bij het re-pressief optreden middels een herstelvordering, als bij het preventief optreden middels een stakingsbevel, de stedenbouwkundig inspecteur uitsluitend optreedt ter vrijwaring van het algemeen belang van de goede ruimtelijke ordening, en dit in een positie vergelijkbaar met deze van het openbaar ministerie.

De administratieve geldboete wegens doorbreking van een stakingsbevel ondersteunt het preventief karakter van het sta-kingsbevel (cf. Verslag TYBERGHIEN-VANDENBUSSCHE en TIM-MERMANS, Gedr.St. Vl.Parl., 1998-99, nr. 1332/8, p. 13; DE-BERSAQUES, G. en VAN LANDEGHEM, H., "Handhaving", in Handboek Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw, HUBEAU, B., VANDEVYVERE, W. en DEBERSAQUES, G., Brugge, die Keure, 2010, (857), 921, nr. 125).

Bij overtreding van het stakingsbevel legt de rekenplich-tige van het herstelfonds een geldboete op. Hij beschikt terzake over geen opportuniteitsoordeel (zie VAN ACKER, F., "Staking van de werken en administratieve geldboete", in Handhavingszakboekje Ruimtelijke ordening 2010, Mechelen, Kluwer, (105), 111, sub 5.2).

De stedenbouwkundige inspecteur beschikt daarentegen wel over een oppportuniteitsoordeel over de administratieve geldboete, nu hij uitspraak doet over verzoeken tot kwijtschelding, vermindering, of uitstel van betaling.

Zijn bevoegdheid kadert in het door hem te voeren handhavingsbeleid dat, gelet op zijn bevoegdheid over de herstel-vordering en het stakingsbevel, vergelijkbaar is met het optreden van het openbaar ministerie. De stedenbouwkundige inspecteur, die aldus in het algemeen belang van de goede ruimtelijke ordening optreedt, dient in alle onafhankelijkheid, zonder rekening te houden met het financieel risico, verbonden aan een proces, te kunnen optreden, ook bij de beoordeling van de verzoeken tot kwijtschelding, vermindering, of uitstel van betaling van de geldboete.

Gelet op deze positie van de stedenbouwkundige in-specteur, en zijn bevoegdheid over de administratieve geldboete, kan het Vlaamse Gewest niet veroordeeld worden tot een rechtsple-gingsvergoeding wanneer het in het ongelijk wordt gesteld op het verzet van de betrokkene tegen het dwangbevel tot invordering van de geldboete.

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN

Besluit voor eiser ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U behage, hooggeachte Dames en Heren, de be-streden beslissing te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht.

Minstens, alvorens verder recht te doen over het tweede middel, overeenkomstig artikel 26, §2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, volgende prejudiciële vraag te stellen aan dit Hof:

"Schenden de artikelen 5 en 7 van de wet van 21 april 2007 betref-fende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en de artikelen 1018, 6° en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (laatstgenoemde bepaling zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van het Vlaamse Gewest kan worden gelegd wanneer dit in het ongelijk wordt gesteld op het bij artikel 6.1.50, §3 en §4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (voorheen artikel 157, §3 en §4, van het Stedenbouwdecreet 1999) voorziene verzet van de betrokkene tegen het dwangbevel uitgevaardigd tot inning van de bij artikel 6.1.49, §1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (voorheen artikel 156, §1, eerste lid Stedenbouwdecreet 1999), voorziene geldboete, terwijl (1) op grond van artikel 162bis van het Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, geen enkele rechtsplegingsvergoeding van de stedenbouwkundig inspecteur kan worden geëist wanneer deze in het ongelijk wordt gesteld op zijn overeenkomstig artikel 6.1.41. §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor de strafrechter ingeleide herstelvordering, (2) overeenkomstig het arrest van het Grondwettelijk Hof van 8 maart 2012 (nr. 43/2012), ook geen rechtsplegingsvergoeding van de stedenbouwkundige inspecteur kan worden geëist wanneer hij op zijn op grond van artikel 6.1.43 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voor de burgerlijke rechter ingeleide vordering, in het ongelijk wordt gesteld, en (3) overeenkomstig het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 april 2003 (nr. 57/2003), van het Vlaamse Gewest, na inwilliging van de vordering in opheffing van een stedenbouwkundig stakingsbevel zoals voorzien in artikel 6.1.47, zesde lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, evenmin een rechtsplegingsvergoeding kan worden geëist."

Vervolgens de bestreden beslissing te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht.


C.15.0054.N
Conclusie van advocaat-generaal Vandewal:

Feiten en procedurevoorgaanden

1. Blijkens de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan is eerste verweerster eigenaar van een gebouw gelegen te T. Zij liet aan dit gebouw renovatie- en uitbreidingswerken uitvoeren.

Op 24 januari 2008 werd bij proces-verbaal vastgesteld dat aan het gebouw uitbreidingswerken werden uitgevoerd zonder stedenbouwkundige vergunning. De staking van de werken werd mondeling bevolen en op 6 februari 2008 werd dit stakingsbevel bekrachtigd door de stedenbouwkundige inspecteur bevoegd voor het grondgebied van de provincie Vlaams-Brabant.

Op 26 mei 2009 werd vastgesteld dat de werken in weerwil van het stakingsbevel werden verdergezet, met name "door in de voorgevel op de 1ste en de 2de verdieping nieuwe ramen klaar te zetten om geplaatst te worden en in het gebouw zelf werken uit te voeren".

Op 23 juli 2009 legde de rekenplichtige van het Herstelfonds aan elk van de verweerders een administratieve geldboete van 5.000 EUR op wegens die doorbreking van het stakingsbevel op 26 mei 2009.

Op verzoek van verweerders verminderde de stedenbouwkundig inspecteur bij drie gelijkluidende beslissingen van 14 augustus 2009 de administratieve geldboetes tot een bedrag van telkens 1.000 EUR.

Bij gebreke aan betaling liet de rekenplichtige van het Herstelfonds op 7 december 2009 aan de drie verweerders een dwangbevel betekenen tot betaling van die geldboetes, door hem opgesteld op 19 november 2009 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de stedenbouwkundige inspecteur op 19 november 2009.

2. Verweerders dagvaardden hierop eiser op 5 januari 2010 voor de beslagrechter te Brussel in verzet tegen dit dwangbevel.
Bij beschikking van 8 oktober 2010 verklaarde de beslagrechter te Brussel het verzet ontvankelijk doch ongegrond.

3. Op het hoger beroep van verweerders hervormde het hof van beroep te Brussel bij het bestreden arrest van 3 april 2012 het beroepen vonnis, verklaarde het de oorspronkelijke vordering van verweerders gegrond, willigde het het verzet tegen het uitgevaardigde dwangbevel in, besliste het voor recht dat de administratieve geldboeten van 1.000 EUR opgelegd aan elke verweerder onverschuldigd zijn, en veroordeelde het eiser tot de kosten van beide aanleggen.

De appelrechter oordeelde als beslagrechter in hoger beroep dat indien het correct is dat de beslagrechter zich in de regel niet mag in de plaats stellen van de bodemrechter en zich al evenmin mag in de plaats stellen van het bestuur om de opportuniteit van een administratieve sanctie te beoordelen, zulks niet wegneemt dat de wetgever uitdrukkelijk de bevoegdheid van de (beslag)rechter heeft voorzien om een verzet tegen een dwangbevel te beoordelen. Indien de bevoegdheid van de beslagrechter hier beperkt zou zijn tot zijn algemene bevoegdheid voor het geval een dwangbevel wordt betekend, dan was expliciete opname in de wet niet vereist en dan konden de regels van het gemeen recht volstaan. Indien de wetgever hier uitdrukkelijk de bevoegdheid van de beslagrechter heeft voorzien, dan impliceert dit dat de beslagrechter kan oordelen in welke mate de opgelegde geldboete al dan niet wettig is.

De appelrechter stelde verder dat de rechter aan wiens beoordeling de toepassing van een administratieve sanctie wordt voorgelegd, deze sanctie (die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 van het EVRM) vermag te toetsen door de wettelijkheid van die sanctie te onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang: hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld.

De appelrechter oordeelde vervolgens dat het uitgevaardigde dwangbevel onwettig is omdat:
- De administratieve geldboete niet kan worden opgelegd zowel aan de vennootschap, aan de zaakvoerder en aan de uitvoerder van de werken, maar enkel aan de persoon die de handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundige inspecteur bekrachtigd bevel tot staking;
- eiser niet aantoont dat hij zich gehouden heeft aan de regels van de toen geldende regels van het Stedenbouwdecreet 1999, luidens dewelke de administratieve geldboete enkel kan worden opgelegd aan de persoon aan wie een bekrachtigingsbeslissing werd verzonden;
- niet blijkt dat verweerders enig werk - waarvoor een vergunning vereist was - zouden hebben uitgevoerd in weerwil van het stakingsbevel.

4. Het cassatieberoep van eiser tegen dit bestreden arrest maakt het voorwerp uit van huidige procedure.
Het eerste onderdeel van het eerste cassatiemiddel

5. In het eerste onderdeel van zijn eerste cassatiemiddel voert eiser schending aan van artikel 159 van de Grondwet, van de artikelen 602, 1°, 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 154, eerste en vijfde lid, 156, §1, en 157, §1, §3 en §4, van het Stedenbouwdecreet 1999, en de artikelen 6.1.47, eerste en vijfde lid, 6.1.49, §1, en 6.1.50, §1, §3 en §4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, evenals, voor zoveel als nodig, artikel 146 van het Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Eiser voert daarin aan dat het verzet tegen het dwangbevel kan gebeuren hetzij voor de beslagrechter, hetzij voor de krachtens artikel 157, §4, van het Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.50, §4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevoegde rechtbank van eerste aanleg.

Eiser voert verder aan dat de beslagrechter, die krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, kennis neemt van een vordering betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging beoordeelt maar niet bevoegd is om uitspraak te doen over andere geschillen betreffende de tenuitvoerlegging en behoudens de uitdrukkelijk in de wet bepaalde gevallen geen uitspraak kan doen over de zaak zelf.

Het staat volgens eiser dan ook niet aan de beslagrechter, die kennisneemt van het verzet gedaan tegen het in artikel 157, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.50, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde dwangbevel, noch aan het hof van beroep dat krachtens artikel 602, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, kennis neemt van het hoger beroep tegen de beslissing van de beslagrechter, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet uitspraak te doen over de geldigheid van de bestuurshandeling die aan het dwangbevel ten grondslag ligt, noch over de geldigheid van de administratieve geldboete.

Eiser besluit dat het bestreden arrest, dat oordeelt dat de opgelegde administratieve geldboetes onwettig zijn, aldus ten onrechte de bevoegdheid van de beslagrechter en het hof van beroep, naar aanleiding van een verzet tegen de dwangbevelen, gebracht voor de beslagrechter, tot het beoordelen van de geldigheid van de bestuurshandeling die aan het dwangbevel ten grondslag ligt, en van de geldigheid van de administratieve geldboete weerhoudt.

Bespreking van het eerste onderdeel van het eerste cassatiemiddel

6. Krachtens artikel 154, eerste lid, van het Stedenbouwdecreet, thans met ingang van 1 september 2009 artikel 6.1.47, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kunnen de bevoegde ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen indien zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 146 van het Stedenbouwdecreet 1999, thans 6.1.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Krachtens het vijfde lid van deze artikelen moet het bevel tot staking op straffe van verval binnen 8 dagen na de kennisgeving van het proces-verbaal aan de bevoegde stedenbouwkundig inspecteur, door hem worden bekrachtigd.

Krachtens artikel 156, §1, van het Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 6.1.49, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt, onverminderd de bepalingen van afdeling 1, een administratieve geldboete opgelegd aan de persoon die handelingen, werken of wijzigingen voortzet in strijd met een door de stedenbouwkundige inspecteur bekrachtigd bevel tot staking, zoals bedoeld in artikel 154, vijfde lid, van het Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 6.1.47, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Krachtens artikel 157, §1 van het Stedenbouwdecreet 1999, thans 6.1.50, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wordt, bij gebrek aan voldoening van de administratieve geldboete en toebehoren, door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd.

Krachtens §3 van deze artikelen zijn op het dwangbevel de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging.

Krachtens §4 van deze bepalingen kan de betrokkene binnen een termijn van 30 dagen na de betekening van het dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet doen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van het arrondissement van de plaats waar de goederen gelegen zijn.

7. Het verzet tegen het dwangbevel kan bijgevolg gebeuren
- hetzij voor de beslagrechter, dit op grond van artikel 157, §3 van het Stedenbouwdecreet 1999, thans 6.1.50, §3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening,
- hetzij op grond van artikel 157, §4, van het Stedenbouwdecreet 1999 en artikel 6.1.50, §4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor de volgens deze artikelen bevoegde rechtbank van eerste aanleg.

De draagwijdte van de bevoegdheid van deze beide rechtscolleges is echter verschillend naargelang de geadieerde rechter.

8. In casu werd geopteerd voor de beslagrechter, alhoewel verweerders hun verzet blijkbaar steunden op artikel 6.1.50, §4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke

Ordening.

9. In het kader van de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, beoordeelt de beslagrechter de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging. Hij is echter niet bevoegd om uitspraak te doen over andere geschillen betreffende de tenuitvoerlegging en kan, zoals het middel stelt, behoudens de uitdrukkelijk in de wet bepaalde gevallen, geen uitspraak doen over de zaak zelf.

10. De vraag die thans aan de orde is, is aldus niet de vraag of een rechter met volle rechtsmacht de wettigheid en de regelmatigheid van de administratieve geldboete zoals bepaald in artikel 156, §1 van het Stedenbouwdecreet 1999, thans artikel 6.1.49, §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, kan toetsen, maar wel of de beslagrechter dit kan doen.

11. Uit de vaste rechtspraak van het Hof is af te leiden dat hij dit niet kan.

Volgens deze rechtspraak oordeelt de beslagrechter of het beslag rechtmatig en regelmatig is, doch mag hij geen kennis nemen van geschillen die wel verband houden met de tenuitvoerlegging, maar niet de rechtmatigheid of de regelmatigheid ervan betreffen; hij mag aldus geen uitspraak doen over de zaak zelf, behalve in de uitzonderingen die de wet uitdrukkelijk bepaalt; de beslagrechter die geadieerd is om kennis te nemen van middelen tot tenuitvoerlegging op de goederen van de schuldenaar, mag aldus geen uitspraak doen over de rechten van de partijen waarover reeds is beslist in de titel op grond waarvan het betwist uitvoerend beslag is gelegd(1).

12. Zo besliste het arrest van Uw Hof van 9 november 2000(2) dat de beslagrechter niet bevoegd is om te oordelen over de vraag of de partij die veroordeeld is bij het vonnis dat aanleiding heeft gegeven tot het beslag, achterstallig onderhoudsgeld verschuldigd is, daar dit geschil niet gaat over de rechtmatigheid of de regelmatigheid van het beslag.

13. Ook in fiscale betwistingen oordeelde het Hof in zijn arresten van 3 november 1995(3), 10 juni 1999(4) en 1 december 2005(5) dat de beslagrechter, op het verzet van de belastingplichtige tegen het bevel tot betaling (dwangbevel) dat hem is betekend met het oog op de invordering van de belasting, niet bevoegd is om uitspraak te doen over de geldigheid van de aanslag, en derhalve, van de titel die eraan ten grondslag ligt.

14. Specifiek met betrekking tot dwangbevelen ter invordering van de administratieve geldboete wegens doorbreking van het stakingsbevel in stedenbouwzaken, zoals in deze, oordeelde Uw Hof in zijn arrest van 18 maart 2010(6) als volgt:

"De beslagrechter, die krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, kennis neemt van een vordering betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, beoordeelt de wettigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging. Hij is niet bevoegd om uitspraak te doen over andere geschillen betreffende de tenuitvoerlegging en kan behoudens de uitdrukkelijk in de wet bepaalde gevallen geen uitspraak doen over de zaak zelf.

Het staat niet aan de beslagrechter, die kennisneemt van het verzet gedaan tegen het in artikel 157, §1 ?van het Stedenbouwdecreet 1999? bedoelde dwangbevel uitspraak te doen over de geldigheid van de bestuurshandeling die aan het dwangbevel ten grondslag ligt, noch over de geldigheid van de administratieve geldboete."

15. De beslagrechter vermag aldus enkel uitspraak te doen over de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging, maar niet over de wettigheid, de geldigheid en de regelmatigheid van de opgelegde administratieve geldboete.

16. Artikel 157, §4, van het Stedenbouwdecreet 1999, thans 6.1.50, §4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, bepaalt weliswaar dat de betrokkene de wettelijkheid van de administratieve boete kan betwisten voor een rechter met volle rechtsmacht, namelijk de rechtbank van eerste aanleg, maar dit geldt niet evenzeer voor de beslagrechter aan wie een uitvoeringsgeschil met betrekking tot die boete wordt voorgelegd.

17. De appelrechter die aanneemt dat artikel 6.1.50 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening aan de beslagrechter de bevoegdheid verleent de wettigheid van de administratieve geldboetes te toetsen en vervolgens besluit tot inwilliging van het verzet van verweerders tegen het dwangbevel omwille van de onwettigheid van de administratieve geldboetes, heeft naar mijn mening aldus de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek geschonden.

18. Het onderdeel lijkt mij in zoverre gegrond te zijn.

De overige onderdelen van het eerste cassatiemiddel

19. De overige grieven van het eerste cassatiemiddel lijken mij niet tot ruimere cassatie te kunnen leiden en derhalve geen antwoord te behoeven.
Het tweede cassatiemiddel - omvang van de vernietiging

20. In het tweede cassatiemiddel komt eiser op tegen de beslissing die hem veroordeelt tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep.

21. De vernietiging van de beslissing over het verzet van verweerders tegen het dwangbevel dwangbevelen brengt tevens de vernietiging mee van de beslissing die eiser veroordeelt tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding voor beide aanleggen.

22. Het tweede middel behoeft aldus geen verder antwoord.

Conclusie:

23. Vernietiging en verwijzing naar een ander hof van beroep.
_______________________
(1) Cass. 18 maart 2010, AR C.09.0149.N, AC 2010, nr. 199, met concl. van advocaat-generaal DUBRULLE; Cass. 1 december 2005, AR C.03.0030.N, AC 2005, nr. 637; Cass. 9 november 2000, AR C.99.0252.F, AC 2000, nr. 610; Cass. 10 juni 1999, AR C.98.0509.F, AC 1999, nr. 348; Cass. 11 mei 1998, AR C.95.0106.N, AC 1998, nr. 233; Cass. 3 november 1995, AR C.95.0020.F, AC 1995, nr. 471; Cass. 3 juni 1994, AR C.93.0016.N, AC 1994, nr. 286; Cass. 28 september 1990, AR 6925, AC 1990-91, nr. 46.
(2) Cass. 9 november 2000, AR C.99.0252.F, AC 2000, nr. 610.
(3) Cass. 3 november.1995, AR C.95.0020.F, AC 1995, nr. 471.
(4) Cass. 10 juni 1999, AR C.98.0509.F, AC 1999, nr. 348.
(5) Cass. 1 december 2005, AR C.03.0030.N, AC 2005, nr. 637.
(6) Cass. 18 maart 2010, AR C.09.0149.N, AC 2010, nr. 199, met concl. van advocaat-generaal DUBRULLE.
 

 

Noot: 

Voor de beoordeling van de kwaliteit van de schuldvordering heeft de beslagrechter slechts een marginaal toetsingsrecht, waarbij deze dient na te gaan of de aanspraken van de verzoekende, dan wel, ingeval van verzet, beslagleggende partij, voldoende schijn van gegrondheid hebben of niet voor ernstige betwisting vatbaar zijn (E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p.317, nr.455).

Er mag worden aangenomen dat een schuldvordering de vereiste zekerheid mist wanneer de vordering het voorwerp is van ernstige betwisting voor de bodemrechter of afhangt van de uitslag van een deskundigenonderzoek (Antwerpen 21.06.2000, P.&B. 2001, 138),

Bewarend beslag kan slechts gelegd worden wanneer sprake is van spoedeisendheid (artikel 1413 van het gerechtelijk wetboek). Vereist wordt dat de solvabiliteit van de debiteur in het gedrang komt zodat de latere uitwinning gevaar loopt. Het bewarend beslag is gewettigd telkens wanneer naar objectieve maatstaven de financiële positie van de debiteur in het gedrang komt. De bewijslast van de urgentie rust op de beslaglegger. Hij moet concrete gegevens aanbrengen (E. DIRIX en K. BROECKX, "Beslag", in APR, Mechelen, Kluwer, 2010, p, 312, nr. 449).

De urgentie dient te bestaan zowel op het tijdstip waarop het beslag wordt gelegd als op het ogenblik waarop de rechter over de handhaving van het beslag dient te oordelen (Cass. 22.06.2000, RW 00-01, 1166).

Hoewel zoals gezegd de bewijslast van de urgentie op de beslaglegger rust, dient opgemerkt dat in het kader van de verzetsprocedure beide procespartijen moeten meewerken aan de bewijsvoering. Zo kan ondermeer het voorleggen van jaarrekeningen gevorderd worden of andere fonanciële gegevens.

 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 03/12/2016 - 17:38
Laatst aangepast op: za, 03/12/2016 - 17:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.