-A +A

Beslag op een zeeschip - Voorwaarde - Zeevordering voor leveranties - Vertrouwensleer

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 30/06/2016
A.R.: 
C.16.0107.N

Krachtens artikel 1468 Gerechtelijk Wetboek kan het verzoek om beslag op een zeeschip slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen; volgens littera k) van deze bepaling worden als zeevordering onder meer beschouwd de vorderingen die voortvloeien uit de leveranties, waar ook, van waren of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan; een zeevordering voor leveranties aan het schip moet steunen op een verbintenis aangegaan door de bevrachter of de scheepseigenaar of die hen kan worden toegerekend krachtens de vertrouwensleer.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1025
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 26 oktober 2015.

...

Beslissing van het Hof

Beoordeling

1. Volgens art. 1467, eerste lid Ger.W. kan de rechter toestaan dat bewarend beslag wordt gelegd op zeeschepen en binnenschepen die zich in het rechtsgebied van de rechtbank bevinden.

2. Krachtens art. 1468 Ger.W. kan het verzoek om beslag op een zeeschip slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen. Volgens littera k) van deze bepaling worden als zeevordering onder meer beschouwd de vorderingen die voortvloeien uit de leveranties, waar ook, van waren of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan.

Een zeevordering voor leveranties aan het schip moet gebaseerd zijn op een verbintenis aangegaan door de bevrachter of de scheepseigenaar of die hen kan worden toegerekend krachtens de vertrouwensleer.

3. De appelrechters stellen vast dat:

– de verweerster de eigenaar is van het ms A.E.;

– de verweerster via haar scheepsagent bunkers bestelde voor haar schip bij de vennootschap O.W.B. G.;

– tussen de verweerster en O.W.B. G. een koopovereenkomst tot stand kwam;

– O.W.B. G., een Duitse vennootschap, het order heeft doorgegeven aan O.W.B. (Rotterdam), een Nederlandse vennootschap, die op haar beurt de bunkers heeft besteld bij de eiseres;

– de eiseres een orderbevestiging stuurde aan O.W.B. (Rotterdam) en daarin de O.W.B. (Rotterdam) «uitdrukkelijk [...] beschouwde als «koper»»;

– de bunkers werden geleverd aan boord van het schip op 9 oktober 2014 tegen aflevering van een ontvangstbewijs «bunker delivery receipt»;

– O.W.B. G. een factuur zendt aan de verweerster die op 22 oktober 2014 wordt voldaan;

– de eiseres op 10 oktober 2014 een factuur zendt naar O.W.B. (Rotterdam) die onbetaald blijft;

– deze factuur als bestemmeling vermeldt: «mv. A.E. and/or owners/charters/O.W.B. R. BV» (in vrije vertaling: «ms. A.E. en/of eigenaar/bevrachters/O.W.B. R. BV»);

– O.W.B. (Rotterdam) op 21 november 2014 failliet wordt verklaard;

– de eiseres op 11 december 2014 een verzoekschrift neerlegt tot het leggen van bewarend beslag op het ms A.E.;

– de eiseres krachtens een beschikking van de Antwerpse beslagrechter van 11 december 2014 dezelfde dag bewarend beslag heeft gelegd op het ms A.E., eigendom van de verweerster.

4. De appelrechters die vervolgens oordelen dat uit de orderbevestiging en de facturatie blijkt dat de eiseres uitsluitend O.W.B. (Rotterdam) als haar wederpartij beschouwde en dat het loutere feit van de fysieke levering aan boord van het ms A.E. onvoldoende is voor het aannemen van een zeevordering als bedoeld in art. 1468, k), Ger.W. en op die gronden de beschikking van 11 december 2014 tot het leggen van het bewarend beslag intrekken, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Conclusie van advocaat-generaal A. Van Ingelgem

1. Het derdenverzet van verweerster tegen de machtiging tot bewarend beslag op haar zeeschip door eiseres, wordt door het bestreden arrest gegrond verklaard en de intrekking en opheffing ervan worden bevolen.

2. Bewarend beslag op een zeeschip is enkel mogelijk wanneer de schuldeiser over een zeevordering beschikt.

3. Als zodanig houdt art. 1468 Ger.W. een specifiek – van art. 1413 Ger.W. afwijkend – stelsel in in zoverre het bepaalt welke de zeeschulden zijn die wettelijk tot bezwarend beslag op een zeeschip aanleiding kunnen geven.

4. Wanneer het verzoek om beslag een zeeschip betreft, kan het volgens deze bepaling slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen. Deze vorderingen worden limitatief opgesomd in art. 1468 Ger.W. en betreffen o.m. (cf. littera k) leveranties, waar ook, van waren of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan.

5. In zoverre de schuldvordering moet gebaseerd zijn op een verbintenis die aan de bevrachter en/of de eigenaar is toe te rekenen, kan deze toerekening van de gebondenheid aan het schip, volgens de rechtsleer en rechtspraak (E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 489) ook gebeuren op grond van de vertrouwensleer, bv. wanneer deze leveringen werden besteld via tussenpersonen en de leverancier erop mocht vertrouwen dat deze bestelling voor rekening van het schip gebeurde.

6. De vraag is dus of de leverancier (in casu eiseres) – die niet altijd precies weet wie de opdrachtgever is, maar ervan uitgaat dat de bestelling met het fiat van de scheepsleiding gebeurt – erop mocht vertrouwen met «het schip» als zodanig te doen te hebben dan wel met een (onafhankelijk) tussenpersoon van wie het insolvabiliteitsrisico dient gedragen te worden.

7. Hoewel overeenkomstig de verschillende onderdelen van art. 1469 Ger.W. (steeds en o.m.) beslag kan worden gelegd op het schip waarop de zeevordering betrekking heeft, onverschillig of de eigenaar of een andere persoon instaat voor de zeeschuld in de zin van art. 1468 Ger.W. (cf. Cass. 1 okt. 1993, Arr.Cass. 1993, nr. 391) en het middel gebaseerd is op het principe dat het beslag mogelijk is «onverschillig of de eigenaar schuldenaar is», is die regel inderdaad juist, maar neemt dit m.i. niet weg dat er in die context wel degelijk dient gekeken te worden naar iemand die «het schip» verbindt of de schijn wekt namens het schip op te treden.

8. In het bestreden arrest stellen de appelrechters vast dat verweerster, als scheepseigenaar, bewijst dat zij de bunkers betaald heeft aan hun wederpartij (O.W.B. G.), die haar voor de levering ervan ook onmiddellijk een factuur heeft verzonden, waaraan door verweerster werd voldaan. Zij stellen voorts vast dat eiseres een orderbevestiging verzond aan O.W.B. R. (die deze bunkers op haar beurt bij eiseres had doorbesteld) waarin uitdrukkelijk vermeld werd dat zij deze als koper beschouwde.

9. Daar het aan de beslagrechter toekomt om te oordelen of het bestaan van de zeevordering voldoende zeker en aannemelijk is en of de beslagrechter wel degelijk beschikt over een invordering tegen de eigenaar en/of de bevrachter van het zeeschip waarop de levering betrekking heeft, komt het mij in deze voor dat – door op voormelde basis te oordelen dat eiseres O.W.B. R. uitsluitend als haar wederpartij beschouwde en het loutere feit van de fysieke levering aan boord daaraan geen afbreuk kon doen, zodat een en ander niet kon worden beschouwd als een onbeperkt, onverminderd en/of onaangetast recht op een zeevordering – de appelrechters hun beslissing naar recht verantwoorden en dat het middel derhalve niet kan worden aangenomen.

10. Ik concludeer tot verwerping

 

Noot: 

• J. Van Doninck, De zeevordering vereist voor bewarend scheeps­beslag: een koerswijziging, RW 2017-2018, 1022

• Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] VAN SCHEL, Stijn; Noot 'Bewarend beslag op zeeschepen: naar een nuancering van de beruchte Omala-doctrine?' 2016, nr. 17-18, p. 1336-1344.

• SV Schuldeiser bij bewarend beslag: wees op uw hoede! NJW 237, 140

• E. Dirix, «Bewarend beslag op zeeschepen en op scheepsdocumenten. Actuele ontwikkelingen» in De bank en de zee, Brussel Bruylant, 1998, 46

• C. Van Aerde, «Art. 1468 Ger.W.» in P. Dauw et al. (eds.), Burgerlijk Procesrecht, Deel 2, Wet & Duiding, Gent, Larcier, 2011, p. 707, nr. 13;

• F. Stevens, «Beslag op zeeschepen: over bunkerleveranciers, bewijslast, revindicatie en derdenverzet», TBH 2014, 905

• G. Van Haegenborgh, «Over de draagwijdte van artikel 9 Verdrag Scheepsbeslag» (noot onder Cass. 1 oktober 1993), TBH 1994, 545

• E. Dirix en K. Broeckx, Beslag in APR, Mechelen, Kluwer, 339;

• C. Van Aerde, «Art. 1469 Ger.W.» in P. Dauw et al. (eds.), Burgerlijk Procesrecht, Deel 2, Wet & Duiding, Gent, Larcier, 2011, 710

• W. Den Haerynck en T. Van Achter, «Scheepsbeslag is een dwangmiddel», IHT 2015, (143) 151-152;

• M. Cornette en V. Beeckx, «Het beslag op het schip waarop de vordering betrekking heeft», IHT 2015, 346 e.v.;

• F. Stevens, «Beslag op zeeschepen: over bunkerleveranciers, bewijslast, revindicatie en derdenverzet», TBH 2014, 904

Rechtspraak:

• Cass. 10 mei 1976, Arr.Cass. 1976, 1008 (ms Omala);

• Cass. 1 oktober 1993, Arr.Cass. 1993, 788, conclusie advocaat-generaal D’Hoore (ms Heinrich);

• Cass. 23 mei 2003, Arr.Cass. 2003, 1253 (ms Atlantic Island);

• Cass. 31 oktober 2008, Arr.Cass. 2008, 2450 (ms Blanc

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 22/02/2018 - 16:49
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:45

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.