-A +A

Beslag op een zeeschip - Voorwaarde - Zeevordering voor leveranties

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 26/09/2016
A.R.: 
C.16.0107.N

Krachtens artikel 1468 Gerechtelijk Wetboek kan het verzoek om beslag op een zeeschip slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen; volgens littera k) van deze bepaling worden als zeevordering onder meer beschouwd de vorderingen die voortvloeien uit de leveranties, waar ook, van waren of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan; een zeevordering voor leveranties aan het schip moet steunen op een verbintenis aangegaan door de bevrachter of de scheepseigenaar of die hen kan worden toegerekend krachtens de vertrouwensleer; dit gewettigd vertrouwen van de leverancier dient te worden beoordeeld op het ogenblik van het ontstaan van de schuldvordering (

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.16.0107.N
OILCHART INTERNATIONAL nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Plantinkaai 13,
eiseres,
tegen
REDERI AB ÄLTVANK, met zetel te 43082 Donsö (Zweden), Hamnväg 27,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 oktober 2015.

De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 18 juli 2016 verwezen naar de derde kamer.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

1. Volgens artikel 1467, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter toe-staan dat bewarend beslag wordt gelegd op zeeschepen en binnenschepen die zich in het rechtsgebied van de rechtbank bevinden.

2. Krachtens artikel 1468 Gerechtelijk Wetboek kan het verzoek om beslag op een zeeschip slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen. Volgens littera k) van deze bepaling worden als zeevordering onder meer beschouwd de vorderingen die voortvloeien uit de leveranties, waar ook, van waren of materi-aal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan.

Een zeevordering voor leveranties aan het schip moet steunen op een verbintenis aangegaan door de bevrachter of de scheepseigenaar of die hen kan worden toege-rekend krachtens de vertrouwensleer. Dit gewettigd vertrouwen van de leverancier dient te worden beoordeeld op het ogenblik van het ontstaan van de schuldvordering.

3. De appelrechters stellen vast dat:
- de verweerster de eigenaar is van het ms RAMONA;
- de verweerster bunkers bestelde voor haar schip bij de Deense vennootschap OW Bunker & Trading;
- tussen de verweerster en OW Bunker & Trading een koopovereenkomst tot stand kwam;
- OW Bunker & Trading het order heeft doorgegeven aan OW Bunker (Rotter-dam), een Nederlandse vennootschap die de handelsnaam OW Bunker Ara Trading voert en die op haar beurt de brandstof heeft besteld bij de eiseres;
- de bunkers door de eiseres werden geleverd aan boord van het schip op 23 ok-tober 2014;
- de eiseres een factuur zond naar OW Bunker (Rotterdam) die onbetaald is ge-bleven;
- deze factuur als bestemmeling vermeldt: "Masters and/or owners and/or char-terers and/or operators of mv RAMONA and/or OW Bunker Ara Trading" in vrije vertaling: "kapitein/eigenaars en/of bevrachters/operatoren van het ms. RAMONA en/of OW Bunker Ara Trading";
- OW Bunker & Trading op 23 oktober 2014 een factuur zond aan de verweer-ster en deze factuur werd voldaan;
- de eiseres op 6 november 2014 nadat zij kennis had van de betaling door de verweerster aan OW Bunker & Trading, rechtstreeks contact opnam met de verweerster met het verzoek niet aan OW Bunker & Trading te betalen, maar aan de eiseres;
- OW Bunker & Trading op 7 november 2014 werd failliet verklaard door de Deense rechtbank;
- OW Bunker (Rotterdam) op 21 november 2014 failliet werd verklaard;
- de eiseres op 11 december 2014 een verzoekschrift neerlegde tot het leggen van bewarend beslag op het ms RAMONA;
- de eiseres krachtens de beschikking van de Antwerpse beslagrechter van 11 december 2014 op 13 december 2014 te Antwerpen bewarend beslag heeft ge-legd op het ms RAMONA, eigendom van de verweerster.

4. De appelrechters die niet vaststellen dat de eiseres noch bij de bestelling, noch bij de facturatie, OW Bunker (Rotterdam) als uitsluitende schuldenaar heeft beschouwd met betrekking tot de op 23 oktober 2014 geleverde brandstof en die hun beslissing hierop steunen dat, nadat de eiseres kennis had gekregen van de betaling door de verweerster aan OW Bunker (Rotterdam) omstreeks 5 november 2014, zij "prima facie dus wist of behoorde te weten dat zij op 11 december over geen afdoende zeevordering beschikte", verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum
Het Hof,
eenparig beslissend,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer,  en in openbare rechtszitting van 26 september 2016

Verzoekschrift
VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: De naamloze vennootschap OILCHART INTERNATIONAL, met vennootschapszetel te 2000 Antwerpen, Plantinkaai 13, en ondernemingsnummer 0422.481.520,

Eiseres in cassatie,

TEGEN: De vennootschap naar buitenlands recht REDERI AB ÄLTVANK, met vennootschapszetel te Donsö Hamnväg 27, 43082 Donsö, Zweden,

Verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

1. Eiseres dient cassatieberoep in tegen het arrest door het hof van beroep te Antwerpen (vierde kamer) uitgesproken op 26 oktober 2015 (2015/AR/125).

2. Als appelrechter van de beslagrechter te Antwerpen oordeelt het hof van beroep over het bewarend beslag op het zeeschip ms. Ramona door eiseres in cassatie.

3. Eiseres heeft op 13 december 2014 krachtens een beschikking van de beslagrechter te Antwerpen bewarend beslag gelegd op het zeeschip ms. Ramona tot zekerheid van een zeevordering wegens levering van scheepsbrandstof (fysisch door eiseres zelf) aan boord van het zeeschip.
Deze brandstof werd door OW Bunker (Netherlands) BV besteld bij eiseres.

Verweerster is de eigenaar van het zeeschip ms. Ramona en had de scheepsbrandstof besteld bij de Deense vennootschap OW Bunker & Trading A/S, die die bestelling op haar beurt plaatste bij OW Bunker (Netherlands) BV.

Eiseres leverde de scheepsbrandstof op 23 oktober 2014 aan boord van het ms. Ramona en zond diezelfde dag haar factuur aan OW Bunker (Netherlands) BV. Diezelfde dag zond OW Bunker & Trading A/S haar factuur aan verweerster.

Aangespoord door berichten over het faillissement van de OW-vennootschappen verzocht eiseres op 6 november 2014 om rechtstreekse betaling van de openstaande factuur door verweerster, die op 12 november 2014 antwoordde dat zij de betaling aan OW Bunker & Trading A/S gedaan niet meer had kunnen tegenhouden (cf. stuk C.01 door eiseres bijgebracht in de procedure voor het hof van beroep en stuk 6 door verweerster bijgebracht in de procedure voor het hof van beroep).

OW Bunker (Netherlands) BV werd op 21 november 2014 door de rechtbank te Rotterdam failliet verklaard.

Niet betwist is dat OW Bunker (Netherlands) BV aan eiseres betaling verschuldigd is van de geleverde scheepsbrandstof. Volgens eiseres staat ook verweerster in voor die betaling, wat verweerster betwist.

De machtiging tot bewarend beslag op het zeeschip ms. Ramona werd door eiseres gevorderd ten aanzien van OW Bunker (Netherlands) BV en verweerster.

Op derdenverzet van verweerster trok de beslagrechter te Antwerpen bij beschikking van 18 december 2014 de machtiging tot bewarend scheepsbeslag in en werd de opheffing van het beslag bevolen.

Het bestreden arrest wijst het hoger beroep van eiseres tegen die beschikking af als ongegrond.

4. Tegen dit arrest voert eiseres één cassatiemiddel aan.

 

MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

- De art. 1.1 littera k), 2 en 3 van het internationaal verdrag tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen, ondertekend te Brussel op 10 mei 1952 en goedgekeurd bij wet van 24 maart 1961 (hierna het Verdrag Scheepsbeslag);

- Het algemeen rechtsbeginsel tot voorrang van de internationaalrechtelijke regels in geval van conflict met regels van nationaal recht;

- De art. 1413, 1415, 1467, 1468 en 1469 Ger.W.;

Aangevochten beslissing:

Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van eiseres ontvankelijk maar ongegrond en bevestigt de opheffing van het bewarend beslag op het zeeschip ms. Ramona, met verwijzing van iedere partij in haar gedingkosten en omslag van de rechtsplegingsvergoedingen in beide aanleggen, op basis van de volgende overwegingen:

"V. Beoordeling

A. De eerste rechter stelde vast dat de levering van de brandstof door (verweerster) correct werd betaald aan OW Bunker & Trading A/S (eerste schakel in de ketting), die werd gecontacteerd door (verweerster).

De omstandigheid dat (eiseres) (derde schakel in de ketting) niet zou zijn betaald door haar opdrachtgeefster OW Bunker Trading (tweede schakel in de ketting) neemt niet weg dat (verweerster) zich correct kweet van haar schuld ten aanzien van haar verkoper/leverancier en dat (verweerster) geen tweede maal kan of mag worden aangesproken voor dezelfde levering waarvan de factuur werd voldaan aan de medecontractant van (verweerster), met name OW Bunker & Trading A/S, aldus de eerste rechter.

Gelet op deze betaling door (verweerster) aan OW Bunker & Trading A/S, aldus de eerste rechter, doorstaat de vordering van (eiseres) de prima facie beoordeling omtrent het zeker, vaststaand en opeisbaar karakter van de schuldvordering in het kader van het derdenverzet niet.

B. (Eiseres) betwist de beschikking op tegenspraak in zake het verzet, stellende dat:

• Het is op de eerste plaats (eiseres') schuldvordering die een zeevordering is die betrekking heeft op het zeeschip Ramona omdat zij en niemand anders fysiek de bunkers aan boord van dit zeeschip heeft geleverd
• De zeevordering van (eiseres) blijft bestaan zolang zij niet betaald werd en is niet uitgedoofd door de betaling van (verweerster) aan OW Bunker & Trading A/S
• De betaling door (verweerster) aan OW Bunker & Trading A/S ontneemt het karakter van zeevordering van (eiseres) niet
• De zeevordering van (eiseres) kan onmogelijk uitgedoofd zijn door de betaling die (verweerster) heeft verricht aan OW Bunker & Trading A/S

C. Naar luid van art. 1468 1ste lid Ger.W. kan het verzoek om bewarend beslag, wanneer het een zeeschip betreft, slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen.

(Eiseres) beroept zich op een inschuld of recht met als oorzaak de levering van brandstof, waar ook, aan een schip, voor het beheer of onderhoud (art. 1468 2de lid, k Ger.W.).

Het louter aanvoeren (de zgn. allegatie) van een zeevordering volstaat in principe bij het indienen van een verzoekschrift tot het leggen van bewarend beslag op zeeschip.

Na derdenverzet oefent de beslagrechter een marginaal toetsingsrecht uit, in die zin dat het beslag kan worden gehandhaafd wanneer de (zee)vordering prima facie voldoende zeker is.

De beslagrechter laat bij deze toetsing de bevoegdheid van de bodemrechter om te oordelen over het bestaan van de schuldvordering onverlet.

Leveranciers van bunkers gaan er van uit dat zij (slechts) bereid zijn om aan schepen te leveren wanneer zij de zekerheid hebben verhaal te kunnen nemen op de scheepseigenaar of bevrachter, minstens dat zij gerechtigd zijn om op het schip waaraan geleverd werd onder bewarend beslag te mogen leggen.

Ter zake dient te worden vastgesteld dat (eiseres), onder-onderverkoper en/of onder-onderleverancier, zich op deze zekerheid in casu niet kan beroepen, nu (eiseres) perfect wist dat OW Bunker & Trading A/S, met wie (verweerster) gecontracteerd had in zake de aankoop en de levering van de brandstof, op 5 november 2014, minstens 6 november 2014 betaling had ontvangen van (verweerster) met betrekking tot de bestelde en op 23 oktober 2014 te Antwerpen geleverde brandstof.

(Eiseres) is in de keten van opeenvolgende koop-verkopen/leveringen de derde schakel en nam op 6 november 2014 rechtstreeks contact op met (verweerster) met verzoek niet aan OW Bunker & Trading A/S te betalen, maar aan (eiseres) te betalen zulks onder bedreiging van een beslagmaatregel op het zeeschip (stuk 6/3 bundel geïntimeerde, zijnde een e-mail van de raadsman van (eiseres) van 17:40h, nadat er al betaald was door (verweerster) aan OW Bunker & Trading A/S).

Zelfs al zou aan de oorsprong een zeevordering liggen die propter rem tegen de scheepseigenaar zou kunnen worden ingeroepen om een bewarend beslag op het zeeschip te vragen of te verzoeken, kan hieruit niet noodzakelijk worden besloten dat deze zeevordering zeker is of gebleven is zolang (eiseres) niet betaald is in de keten van opeenvolgende koop-verkopen/leveranties.

Het hof is van oordeel dat, in de gegeven omstandigheden, (eiseres), de derde schakel in de keten van koop-verkoop/levering, op 6 november 2014, met zekerheid en met kennis van zaken was dat (verweerster) haar medecontractant OW Bunker & Trading A/S rechtmatig had betaald, prima facie dus wist of behoorde te weten dat zij op 11 december 2014 over geen afdoende zeevordering meer beschikte om alsdan het bewarend beslag op het desbetreffend schip te rechtvaardigen, dus zich op dat ogenblik niet met reden op het gewekt vertrouwen kon beroepen ten aanzien van de scheepseigenaar, die zijn medecontractant had betaald, dit naar kennis van (eiseres), zoals hoger aangegeven.

Het loutere feit van de fysieke levering van brandstof aan boord van een zeeschip kan in voorkomend geval niet worden beschouwd als een onbeperkt, onverminderd en/of onaangetast recht op een zekere zeevordering.

Prima facie doorstaat de aanname op een zeevordering ten aanzien van de scheepseigenaar door (eiseres) in de gegeven omstandigheden dan ook de toets van het gewekt vertrouwen op een zekere zeevordering niet.

De eerste rechter heeft dan ook terecht de machtiging d.d. 11 december 2014 ingetrokken en het beslag op het ms. Ramona opgeheven. De bestreden beslissing wordt bevestigd wat dit onderdeel betreft."

(cf. p. 6-8 van het arrest).

Grief: schending van de art. 1.1 littera k), 2 en 3 van het Verdrag Scheepsbeslag, van het algemeen rechtsbeginsel tot voorrang van de internationaalrechtelijke regels in geval van conflict met regels van nationaal recht en van de art. 1413, 1415, 1467, 1468 en 1469 Ger.W.

1. Volgens art. 1467, eerste lid Ger.W. kan de rechter toestaan dat bewarend beslag wordt gelegd op zeeschepen die zich in het rechtsgebied van de rechtbank bevinden.

Schuldeiser voor de doeleinden van het bewarend scheepsbeslag is volgens art. 1.4 van het Verdrag Scheepsbeslag een persoon die het bestaan van een zeevordering te zijnen gunste inroept.

Volgens art. 1468, eerste lid Ger.W., dat de eerste zin van art. 2 van het Verdrag Scheepsbeslag omzet, kan het verzoek om beslag op zeeschip slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen.
Zeevordering betekent volgens het tweede lid van art. 1468 Ger.W. de inschuld of het recht uit een van de in die bepaling limitatief opgesomde oorzaken.

Volgens art. 1.1., littera k) van het Verdrag Scheepsbeslag, omgezet in art. 1468, tweede lid, littera k) Ger.W. vormt één van die oorzaken leveranties aan een schip van goederen of materiaal ten behoeve van de exploitatie of het onderhoud van het schip, ongeacht de plaats van levering.

Volgens art. 1469, § 1 Ger.W., dat art. 3.1 van het Verdrag Scheepsbeslag omzet, kan het beslag worden gelegd hetzij op het schip waarop de vordering betrekking heeft, hetzij op enig ander schip, toebehorend aan hem die op het ogenblik van het ontstaan van de zeevordering eigenaar was van het schip waarop de inschuld betrekking heeft.

Uit de art. 1468 en 1469 Ger.W. volgt dat beslag kan worden gelegd op het schip waarop de zeevordering betrekking heeft, onverschillig of de eigenaar of een andere persoon instaat voor die zeevordering.

Het Verdrag Scheepsbeslag kent voor de erin opgenomen zeevorderingen een recht van bewarend beslag toe dat volledig losstaat van het bestaan van een persoonlijk vorderingsrecht tegen de scheepseigenaar.

Die bepalingen van internationaal recht hebben krachtens het genoemd algemeen rechtsbeginsel voorrang op afwijkende bepalingen van nationaal beslagrecht zoals de art. 1413 en 1415 Ger.W., die enkel voor zekere schuldvorderingen op het vermogen van de schuldenaar beslag toelaten.

2. Het arrest stelt vast dat eiseres zich te dezen beriep op art. 1468, tweede lid, littera k) Ger.W. "leveranties, waar ook, van waren of materiaal aan een schip voor het beheer of het onderhoud ervan", i.h.b. de fysieke levering van brandstof door eiseres aan boord van het ms. Ramona (cf. p. 5, onder nr. 3, p. 7, onder littera c) en p. 8, derde alinea van het arrest).

Het hof van beroep stelt niet vast dat wat eiseres onder verwijzing naar art. 1468, tweede lid, littera k) Ger.W. als zeevordering aanvoerde niet aan die kwalificatie beantwoordt.

Het hof oordeelt enkel dat die fysieke levering van brandstof aan boord van het zeeschip ms. Ramona niet kan worden beschouwd als een onbeperkt, onverminderd en/of onaangetast recht op een zekere zeevordering, omdat eiseres op het tijdstip van de machtiging tot bewarend beslag op dat zeeschip wist dat verweerster als eigenares van dat zeeschip haar medecontractant OW Bunker & Trading A/S rechtmatig had betaald.

Volgens het hof wist eiseres dus prima facie of behoorde zij te weten dat zij op dat tijdstip over geen afdoende zeevordering meer beschikte om het bewarend beslag op het desbetreffend schip te rechtvaardigen (cf. i.h.b. p. 7, voorlaatste alinea en p. 8, tweede alinea van het arrest).

3. Dat verweerster als eigenares van het zeeschip haar medecontractant rechtmatig heeft betaald en dat eiseres dat wist op het tijdstip van de machtiging tot bewarend scheepsbeslag, verantwoordt niet naar recht de opheffing van het bewarend scheepsbeslag bij gebrek aan een onbeperkt, onverminderd en/of onaangetast recht op een zekere zeevordering.

Uit de art. 1468 en 1469 Ger.W. volgt immers dat het recht van de schuldeiser die de zeevordering inroept tot bewarend beslag op het zeeschip waarop de zeevordering betrekking heeft, losstaat van de vraag wie aansprakelijk is voor de betaling van de op het zeeschip betrekking hebbende zeevordering.

De loutere vaststelling dat de beslagen scheepseigenaar zijn medecontractant heeft betaald, verantwoordt niet naar recht de gevolgtrekking dat eiseres als beslaglegger niet meer over een afdoende zeevordering beschikt.

Door te oordelen dat de machtiging tot beslag op het zeeschip ms. Ramona terecht werd ingetrokken en het scheepsbeslag opgeheven, schendt het arrest dan ook de art. 1.1 littera k), 2 en 3 van het Verdrag Scheepsbeslag, het algemeen rechtsbeginsel tot voorrang van de internationaalrechtelijke regels in geval van conflict met regels van nationaal recht en de art. 1413, 1415, 1467, 1468 en 1469 Ger.W.

Toelichting:

Volgens art. 1468 Ger.W. kan het verzoek om beslag op zeeschip slechts worden toegestaan om een zeevordering te waarborgen. Zeevordering betekent volgens die bepaling inschuld of recht uit een van de in die bepaling limitatief opgesomde oorzaken.

Volgens art. 1469, § 1 Ger.W. kan het beslag worden gelegd hetzij op het schip waarop de vordering betrekking heeft, hetzij op enig ander schip, toebehorend aan hem die op het ogenblik van het ontstaan van de zeevordering eigenaar was van het schip waarop de inschuld betrekking heeft.

Die bepalingen, die de omzetting vormen van de art. 1 tot 3 van het Verdrag van 10 mei 1952 tot het brengen van eenheid in sommige bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen, goedgekeurd bij wet van 24 maart 1961 (hierna het Verdrag Scheepsbeslag), worden door het Hof van Cassatie zo geïnterpreteerd dat beslag kan worden gelegd op het schip waarop de vordering betrekking heeft, onverschillig of de eigenaar of een andere persoon instaat voor de zeeschuld in de zin van art. 1468 Ger.W. (cf. Cass. 10 mei 1976, Arr.Cass. 1976, 1008 (ms. Omala); Cass. 1 oktober 1993, Arr.Cass. 1993, 788, concl. D'Hoore (ms. Heinrich); Cass. 23 mei 2003, Arr.Cass. 2003, 1253 (ms. Atlantic Island); Cass. 31 oktober 2008, Arr.Cass. 2008, 2450 (ms. Blanc)).

Het Verdrag Scheepsbeslag kent voor de erin opgenomen zeevorderingen een recht van bewarend beslag toe dat volledig losstaat van het bestaan van een persoonlijk vorderingsrecht tegen de scheepseigenaar (cf. L. Delwaide, Scheepsbeslag, Antwerpen, Kluwer, 1988, 141; G. Van Haegenborgh, "Over de draagwijdte van artikel 9 Verdrag Scheepsbeslag", noot onder Cass. 1 oktober 1993, TBH 1994, 548; E. Dirix, "Bewarend beslag op zeeschepen en op scheepsdocumenten. Actuele ontwikkeling", in X (ed.), De bank en de zee, Brussel, Bruylant, 1998, 51; E. Dirix en K. Broeckx, Beslag, in APR, Mechelen, Kluwer, 339; verder C. Van Aerde, "Art. 1469 Ger.W.", in P. Dauw et al. (eds.), Burgerlijk Procesrecht, Deel 2, Wet & Duiding, Gent, Larcier, 2011, 710 en de verwijzingen daar opgenomen).

Weliswaar werd die opvatting door bepaalde auteurs recent geproblematiseerd (cf. W. Den Haerynck en T. Van Achter, "Scheepsbeslag is een dwangmiddel", IHT 2015, 143 et seq., i.h.b. 151-152; M. Cornette en V. Beeckx, "Het beslag op het schip waarop de vordering betrekking heeft", IHT 2015, 346 et seq.; cf. ook F. Stevens, "Beslag op zeeschepen: over bunkerleveranciers, bewijslast, revindicatie en derdenverzet", TBH 2014, 904, die zonder meer stelt dat "voor een uitgedoofde zeevordering uiteraard geen beslag meer gelegd (kan) worden"), maar er is geen enkele aanwijzing van een koerswijziging door uw Hof.

Te dezen stelt het hof van beroep niet vast dat wat eiseres onder verwijzing naar art. 1468, tweede lid, littera k) Ger.W. als zeevordering aanvoerde niet aan die kwalificatie beantwoordt.

Het hof oordeelt enkel dat de aanname van zeevordering in hoofde van eiseres niet kan behouden blijven nu blijkt dat de scheepseigenaar zijn medecontractant betaald heeft voor de geleverde bunkers.

Die vaststelling verantwoordt niet naar recht de opheffing van het bewarend scheepsbeslag, nu uit de art. 1468 en 1469 Ger.W. volgt dat het recht tot bewarend scheepsbeslag losstaat van de vraag wie aansprakelijk is voor de betaling van de op het zeeschip betrekking hebbende zeevordering.

Het arrest haalt het propter rem karakter van de zeevordering vereist voor het bewarend scheepsbeslag en de verbintenisrechtelijke gehoudenheid van de scheepseigenaar dooreen (cf. E. Dirix, "Bewarend beslag op zeeschepen en op scheepsdocumenten. Actuele ontwikkeling", in X (ed.), De bank en de zee, Brussel, Bruylant, 1998, 51).

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, voor eiseres, dat het u, Hooggeachte Dames en Heren, behage, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, over de kosten uitspraak te doen als naar recht.

Brussel, 16 maart 2016

Bijgevoegd stuk:

Origineel van de "pro fisco" verklaring van de waarde van de vordering voor het vaststellen van het bedrag van het rolrecht: niet in geld waardeerbaar

Noot: 

• Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] VAN SCHEL, Stijn; Noot 'Bewarend beslag op zeeschepen: naar een nuancering van de beruchte Omala-doctrine?' 2016, nr. 17-18, p. 1336-1344.
• Gerechtelijk Wetboek / 1967-10-09 / Artt. 1467, eerste lid, en 1468 / /

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 05/12/2017 - 06:22
Laatst aangepast op: di, 05/12/2017 - 06:24

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.