-A +A

Beslag op de goederen van de medebewoners van de schuldenaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 27/10/2016
A.R.: 
16/402/A,

Op grond van de alhier geciteerde rechtspraak is de inboedel van de personen die met de schuldenaar samenwoont niet zomaar vatbaar voor beslag. Deze goederen worden beschermd door artikel 2279 burgerlijk wetboek. Daar waar dit artikel vroeger tegen de medebewoners werd gebruikt, door te stellen dat de goederen vermoed werden eigendom te zijn van de schuldenaar omdat hij er in het bezit van was, wordt vandaag gesteld dat dit zelfde vermoeden ook speelt in het voordeel van de medebewoners, die vanzelfsprekend ook mee in het bezit zijn van deze goederen. De vroegere rechtspraak die uitging van een vermoeden van collusie in hoofde van de schuldenaar wordt thans omgedraaid, waarbij thans wordt gesteld dat collusie in hoofde van de schuldenaar niet vermoed wordt maar dient bewezen.

Waar de beslaglegger zich kan beroepen op het voordeel van art. 2279 B.W., kan ook de derde-bezitter dit, al was het maar omdat art. 2279 B.W. geen voordeel voorziet voor de derde-beslaglegger maar enkel voor de bezitter zelf:

"Met betrekking tot roerende goederen geldt het bezit als titel.

Niettemin kan hij die een zaak verloren heeft of aan wie een zaak ontstolen is, gedurende drie jaren, te rekenen van de dag waarop het verlies of de diefstal heeft plaatsgehad, de zaak terugvorderen van degene in wiens handen hij ze vindt; behoudens het verhaal van de laatstgenoemde op degene van wie hij ze bekomen heeft.

Dit recht van terugvordering geldt evenwel niet voor biljetten van de Nationale Bank van België, noch voor biljetten uitgegeven krachtens de wet van 12 juni 1930, wanneer de bezitter te goeder trouw is."

Het is de bezitter die zich op het voordeel van art. 2279 B.W. kan beroepen en het beroep van de beslaglegger op dit artikel is slechts een van het aan de bezitter toegekende recht afgeleid recht. Het beroep van de beslaglegger op art. 2279 B.W. is immers niet gericht tegen de beslagene - tegenover hem heeft de beslaglegger inzake de titel van het bezit geen conflict en de beslagene heeft consequenterwijze geen vorderingsrecht of -macht6 - maar tegen de met de beslagene concurrerende derden. Het beroep van de beslaglegger op art. 2279 B.W. is dus van rechtstreekse7, minstens van zijdelingse en bij fraude of collusie per hypothese zelfs van Pauliaanse aard.8

Art. 2279 B.W. regelt enkel de situatie tussen bezitter en enige derde en is dus voor de beslaglegger enkel dienstig wanneer het bezit "op een andere plaats" wordt uitgeoefend dan het eigendom. Dit is niet de hypothese die zich stelt. Waar er twee bezitters zijn, kunnen zij zich tegenover derden allebei op gelijke wijze op art. 2279 B.W. beroepen. Art. 2279 B.W. geeft op zich geen enkel uitsluitsel wie van de beide de voorkeur verdient, laat staan aangaande de exclusiviteit van het eigendomsrecht: dit uitsluitsel moet voortkomen uit de deugdelijkheid van het bezit", dit wil zeggen uit het vervuld-zijn van de inroepingsvoorwaarden van het gezegde artikel in hoofde van de bezitter. Deze deugdelijkheid van het bezit is de andere bron of het andere principe waar de rechtbank op doelt.

Van de kwestie van het vermoeden moet de kwestie van de bewijslast met zorg onderscheiden worden.

De kwestie van de bewijslast, die op de revindicant rust, geeft de beslaglegger het strategische voordeel dat het niet aan hem is om aan te tonen wie de eigenaar is van de beslagen goederen. Dit is evenwel niet hetzelfde als een vermoeden ten voordele van de beslaglegger - het is zoals onder vorige randnummer besloten een vermoeden ten voordele van de bezitter dat door de beslaglegger op rechtstreekse dan wel zijdelingse en in geval van fraude/collusie Pauliaanse wijze kan worden uitgeoefend - en als het al een dergelijk vermoeden zou zijn, is het een uiterst relatief vermoeden precies omdat het tegenbewijs met alle middelen rechtens kan worden geleverd.

Gezien deze vermoedens van eigendom ten voordele van de medebewoners van de beslage is het aan de beslaglegger om collusie - met andere woorden: kwaadwilligheid - of toch op zijn minst een beweerd ondeugdelijk karakter van het bezit van eiseres aan te tonen.

 

Publicatie
tijdschrift: 
P&B
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/5-6
Pagina: 
230
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Beslagr. Oost-Vlaanderen (afd. Dendermonde) 27 oktober 2016, 16/402/A, 230

 

( ... )

EN VELT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS:

1.1 Eiseres is de moeder van D.D.

1.2 D.D. is voormalig zelfstandige in eigen naam.

Zij heeft haar zelfstandige activiteit stopgezet, volgens eiseres omdat zij de schulden niet aankon.

Vervolgens is D.D. toegelaten tot de collectieve schuldenregeling maar deze toelating werd herroepen omdat D.D. onvoldoende inspanningen zou leveren om een inkomen - desgevallend een vervangingsinkomen - te verwerven.

1.3 Vast staat dat D.D. nog schulden heeft.

Zo heeft de beslaglegger aangifte gedaan bij de schuldbemiddelaar.' Waarom de beslaglegger dan uitvoerig argumenteert dat niet zou vast staan dat er schulden zouden zijn2 is de rechtbank onduidelijk nu collectieve schuldenregeling een burgerlijke samenloop uitmaakt, daar waar faillissement een handelsrechtelijke samenloop uitmaakt. Er zijn tal van rechtsordes waar tussen deze beide procedures geen onderscheid wordt gemaakt en in se is het ook goed mogelijk dat dit onderscheid weinig zinvol is.

De schuldbemiddelaar noch de Arbeidsrechtbank hebben beweerd dat de aangiften van schuldvorderingen onterecht zouden geweest zijn, wat trouwens net zo goed geldt voor de aangifte die verweerster heeft uitgevoerd.

1 .4 D.D. is - volgens eiseres uiteindelijk - bij eiseres, haar moeder, ingetrokken, dit volgens het Rijksregister op 16 januari 2012.

Thans benaarstigt verweerster de uitvoering van haar schuldvordering op de goederen die zich op het adres van eiseres bevinden.

1.5 Eiseres beweert dat deze goederen haar eigendom zijn. Hiertegen laat verweerster gelden dat de boedels vermengd moeten zijn en de beslagene wel degelijk een inkomen moet gehad hebben dat haar toeliet om (de) goederen te verwerven.

Van een aantal goederen erkent verweerster dat deze het eigendom van eiseres moeten uitmaken. Of verweerster al vrijwillig handlichting verleend heeft, is onbekend.

Il Vorderingen

2.1 Eiseres vordert als volgt:

"De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:

Te zeggen voor recht dat concluante eigenaar is van alle roerende goederen die werden beslagen d.m.v. het beslagexploot dd. 02.10.2015.

Dienvolgens voor recht te zeggen dat het uitvoerend beslag op die roerende goederen, toebehorende aan concluante, gelegd door gerechtsdeurwaarder De Beider, als opgeheven dient te worden beschouwd.

Dienvolgens de beslaglegger te horen veroordelen om binnen de 24 uur na de tussengekomen beschikking handlichting te geven en voor recht te zeggen dat bij gebreke hieraan vrijwillig te voldoen, de tussengekomen beschikking als rechtsgeldige handlichting zal gelden.

De beslaglegger te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van concluante begroot als volgt:

- Dagvaarding 436,44 Euro

-RPV 1.320,00 Euro"

2.2 Verweerster vordert als volgt:

"De vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren voor wat betreft de goederen waarvoor eiseres geen bewijs van eigendom voorlegt.

Te oordelen naar vrijheid omtrent de goederen waarvoor wel een bewijs wordt voorgelegd,

Alle gerechtskosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 1.320,00 EUR ten Jaste te leggen van de beslagene of de teviiidicante."

III Gronden van het vonnis

III.1 Ontvankelijkheid van de vorderingen

3.1 Verweerster bevestigt dat de vordering van eiseres ontvankelijk is en de rechtbank ziet geen ambtshalve te onderzoeken elementen die zich tegen ontvankelijkverklaring verzetten.

De vorderingen van eiseres zijn ontvankelijk.

III.2 Gegrondheid van de vorderingen

3.2 Waar verweerder niet aantoont vrijwillig handlichting verleend te hebben voor de goederen waarvan hij niet betwist dat deze eigendom van eiseres zijn, blijkt de vordering van eiseres alvast gegrond te zijn voor die goederen.

Het gaat om volgende goederen:

- Eetplaats met rechthoekige eettafel, 4 stoelen, wandkast en salontafel

- TV flatscreen SONY

- Koffiezet HOBBS

- Waterkoker HOBBS

- Diepvrieskoffer.

Deze vaststelling heeft op zich al gevolgen voor de procedurekosten.

3.3 Verweerster vordert dat de rechtbank de vordering van eiseres zou afwijzen voor zover eiseres "geen bewijs van eigendom voorlegt".

Ofwel formuleert verweerster haar vordering op dubbelzinnige wijze, ofwel begrijpt verweerster de bewijslast van eiseres verkeerd.

Eiseres is vrij om het even welk bewijs aan te brengen: ook vermoedens volstaan.

Door het gebruik van het werkwoord "voorleggen" suggereert verweerder dat eiseres titels moet aanwenden als bewijs. Ten onrechte.

3.4 Waar de beslagen goederen zich op een gemeenschappelijk adres van de beslagene en van een derde bevinden, moeten deze goederen vermoed worden aan één van hen of aan hen beiden toe te behoren. Dit is evident en wordt door verweerster ook niet in twijfel getrokken. Identieke oorzaken moeten logischerwijze identieke gevolgen voortbrengen. Het feit dat de beslagene op het gezegde adres woont is dus niet voldoende opdat alle goederen vermoed zouden kunnen worden uitsluitend aan de beslagene toe te behoren.5 Dergelijk vermoeden moet uit een andere bron of een ander principe voortkomen.

Nochtans is het precies dat wat verweerster als beslaglegger beweert: het feit dat de beslagene op het adres woont is voldoende om een vermoeden te creëren dat de goederen op dat adres het (exclusieve) eigendom van de beslagene uitmaken. Waar de beslaglegger zich kan beroepen op het voordeel van art. 2279 B.W., kan ook de derde-bezitter dit, al was het maar omdat art. 2279 B.W. geen voordeel voorziet voor de derde-beslaglegger maar enkel voor de bezitter zelf:

"Met betrekking tot roerende goederen geldt het bezit als titel.

Niettemin kan hij die een zaak verloren heeft of aan wie een zaak ontstolen is, gedurende drie jaren, te rekenen van de dag waarop het verlies of de diefstal heeft plaatsgehad, de zaak terugvorderen van degene in wiens handen hij ze vindt; behoudens het verhaal van de laatstgenoemde op degene van wie hij ze bekomen heeft.

Dit recht van terugvordering geldt evenwel niet voor biljetten van de Nationale Bank van België, noch voor biljetten uitgegeven krachtens de wet van 12 juni 1930, wanneer de bezitter te goeder trouw is."

Het is de bezitter die zich op het voordeel van art. 2279 B.W. kan beroepen en het beroep van de beslaglegger op dit artikel is slechts een van het aan de bezitter toegekende recht afgeleid recht. Het beroep van de beslaglegger op art. 2279 B.W. is immers niet gericht tegen de beslagene - tegenover hem heeft de beslaglegger inzake de titel van het bezit geen conflict en de beslagene heeft consequenterwijze geen vorderingsrecht of -macht6 - maar tegen de met de beslagene concurrerende derden. Het beroep van de beslaglegger op art. 2279 B.W. is dus van rechtstreekse7, minstens van zijdelingse en bij fraude of collusie per hypothese zelfs van Pauliaanse aard.8

Art. 2279 B.W. regelt enkel de situatie tussen bezitter en enige derde en is dus voor de beslaglegger enkel dienstig wanneer het bezit "op een andere plaats" wordt uitgeoefend dan het eigendom. Dit is niet de hypothese die zich stelt. Waar er twee bezitters zijn, kunnen zij zich tegenover derden allebei op gelijke wijze op art. 2279 B.W. beroepen. Art. 2279 B.W. geeft op zich geen enkel uitsluitsel wie van de beide de voorkeur verdient, laat staan aangaande de exclusiviteit van het eigendomsrecht: dit uitsluitsel moet voortkomen uit de deugdelijkheid van het bezit", dit wil zeggen uit het vervuld-zijn van de inroepingsvoorwaarden van het gezegde artikel in hoofde van de bezitter. Deze deugdelijkheid van het bezit is de andere bron of het andere principe waar de rechtbank op doelt.

3.5 Van de kwestie van het vermoeden moet de kwestie van de bewijslast met zorg onderscheiden worden.

De kwestie van de bewijslast, die op de revindicant rust, geeft de beslaglegger het strategische voordeel dat het niet aan hem is om aan te tonen wie de eigenaar is van de beslagen goederen. Dit is evenwel niet hetzelfde als een vermoeden ten voordele van de beslaglegger - het is zoals onder vorige randnummer besloten een vermoeden ten voordele van de bezitter dat door de beslaglegger op rechtstreekse dan wel zijdelingse en in geval van fraude/collusie Pauliaanse wijze kan worden uitgeoefend - en als het al een dergelijk vermoeden zou zijn, is het een uiterst relatief vermoeden precies omdat het tegenbewijs met alle middelen rechtens kan worden geleverd.

3.6 Eiseres werpt terecht op dat daarenboven kan vermoed worden dat haar woning al ingericht was voordat haar dochter bij haar is ingetrokken;"

3.7 Gezien deze vermoedens van eigendom ten voordele van eiseres, is het aan verweerster om collusie - met andere woorden: kwaadwilligheid - of toch op zijn minst een beweerd ondeugdelijk karakter van het bezit van eiseres aan te tonen.

Op dit punt laat verweerster gelden zich te zullen gedragen naar de wijsheid van de rechtbank 11, hetgeen inhoudt dat zij zich niet akkoord verklaart met deze vordering - wel integendeel - maar geen concreet antwoord naar voren schuift.12 Verwijzing naar de wijsheid houdt geen verdere onderzoeksplicht zijdens de rechtbank in, nu anders de betrokken partij zou worden vrijgesteld van haar stelplicht.

3.8 De vordering van eiseres is gegrond.

IV Negenproef: antwoord op de overeenkomstig art. 744 Ger.W. uiteengezette middelen

4.1 Art. 780 Ger.W. vereist dat de rechtbank de genummerde middelen van partijen beantwoordt maar zegt niet dat de rechtbank hiertoe dezelfde structuur dient aan te wenden als partijen."

De rechtbank is dus vrij in de wijze waarop zij antwoordt, zo lang zij maar antwoordt.

In het andere geval zou zij in haar vonnissen verschillende hoofdstukken moeten opnemen waarin zij telkens opnieuw haar vonnis motiveert maar telkens volgens een andere door één van de partijen gehanteerde structuur. Dit komt quasi neer op het zoveel keren schrijven van een vonnis als er partijen zijn, vermeerderd met het eigen beeld van de rechter dat alle opvattingen samenbrengt. De wetgever heeft partijen niet verplicht onderling dezelfde structuur te hanteren.

V Andere middelen

5.1 De rechtbank beoordeelt de door partijen ingeroepen middelen die niet uitdrukkelijk besproken zijn als irrelevant voor de beoordeling van het geschil, dan wel als impliciet beantwoord.

( ... )

 

Noot: 

Rechtspraak in zelfde zin



• Brussel, 8 januari 1974, Pas, 1974, Il, 68, titel 1, al. 4

• Beslagr. Doornik, 6 november 1987, JLMB, 1988, 300, al. 3-4;

Rechtsleer:



• DIRIX, E, BROECKX, K, "Beslag" in APR, 2010, RN 653.

• VAN HERREWEGHE. V, Beslagzakboekje 2016, 2016, Mechelen, Kluwer, RN 540. In dit werk stelt de auteur dat huisgenoot-niet-schuldenaar zich niet op art. 2279 BW zou kunnen beroepen. De auteur vergist zich hierbij want hij steunt zich hierbij op rechtspraak die het tegendeel stelt (Brussel, 8 januari 1974, Pas, 1974, Il, 68, titel 1, al. 4 en Beslagr. Doornik, 6 november 1987, JLMB, 1988, 300, al. 3-4)

• VAN GERVEN, W, COVEMAEKER, 5, Verbintenissenrecht, 3' uitg, 2010, pp. 227,236 en 242.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 23/06/2018 - 13:48
Laatst aangepast op: za, 23/06/2018 - 13:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.