-A +A

beschrijvend beslag inzake namaak na nieuwe feiten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 08/03/2010
A.R.: 
C.08.0549.F

De rechter mag een vordering tot beschrijvend beslag toewijzen die bij eenzijdig verzoekschrift is ingesteld en die betrekking heeft op nieuwe feiten van namaak, of die ertoe strekt de omvang van de aangeklaagde namaak en van de daaruit voortvloeiende schade vast te stellen, wanneer de eisende partij reeds een procedure over de grond van de zaak heeft ingeleid en wanneer een vonnis, waartegen overigens hoger beroep is ingesteld, reeds het bestaan van bepaalde feiten van namaak heeft vastgesteld.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.08.0549.F
COFACE SERVICES BELGIUM, naamloze vennootschap,

tegen
INFOBASE EUROPE, vennootschap naar Luxemburgs recht,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 juli 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel.
...
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert de volgende twee middelen aan.
Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1025 tot 1034, 1369bis, 1395, 1396 en 1498 en, voor zover nodig, 569, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek;
- het algemeen beginsel van het recht van verdediging en van de rechtspleging op tegenspraak ;
- het artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen
Het arrest beslist dat de (verweerster) van het vereiste belang blijk gaf om de eerste rechter te vorderen een deskundige aan te wijzen en dat die rechter bevoegd was om de deskundige te gelasten de voortzetting vast te stellen van de namaak, die reeds door de feitenrechter was vastgesteld, of van het verdoezelen van die namaak.

Het verantwoordt die beslissing om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid, in substantie, om de volgende redenen:
"Nopens het beginsel van het gevorderde beschrijvend beslag
Artikel 1369bis/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt wat volgt:
‘De voorzitter, die uitspraak doet over een vordering tot het verkrijgen van maatregelen tot beschrijving, onderzoekt:
1) of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is;
2) of er aanwijzingen zijn dat inbreuk zou zijn gemaakt op het intellectueel eigendomsrecht of dat een inbreuk dreigt'.
Beide voorwaarden zijn te dezen vervuld.

Gelet op het vonnis van 15 november 2006 van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel en het arrest van 8 juni 2001 van het hof (van beroep) en niettegenstaande het arrest van 8 april 2003 van het hof (van beroep) in het dossier Group V. H., zijn de rechten van (de verweerster) op de gegevensbank InfoBase voldoende waarschijnlijk, hoewel ze worden betwist.

(De eiseres) betwist evenmin dat zij gegevens gebruikt die afkomstig zijn van InfoBase. Zij ontkent daarentegen de namaak, daar zij, volgens het standpunt dat zij verdedigt, rechtmatig eigenaar van die gegevens is, die haar zouden zijn overgedragen door ORT, die ze zelf van Help zou hebben verkregen bij wege van de overeenkomst van 11 september 1990.

Het staat vast dat (de eiseres) haar gegevensbank blijft exploiteren. Zij preciseert voor het overige dat zij haar informatici de opdracht heeft gegeven haar gegevensbank te wijzigen om zich - zonder enige nadelige erkenning - te voegen naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel.
Gelet op de laatstgenoemde verduidelijking, kan niet worden uitgesloten dat (de eiseres), zoals (de verweerster) betoogt, in werkelijkheid beoogde de aanwijzingen van namaak te doen verdwijnen en niet de nagemaakte gegevens uit de databank te wissen en zo tezelfdertijd nieuwe feiten van namaak pleegt.
Aangezien het daarenboven een on line gegevensbank betreft, kan elk gebruik van de originele InfoBase-gegevens opnieuw namaak opleveren.
Bijgevolg moet worden nagegaan hoe de situatie er in 2008 uitzag.

Van degene die een beschrijving vordert, kan niet geëist worden dat hij de namaak, zijn effectieve voortzetting en zijn omvang aantoont. De beschrijving moet integendeel dienen om hem dat bewijs te bezorgen en daarom bepaalt de wet dat een dreiging van namaak op zich al volstaat om die maatregel te verantwoorden.
Er bestaan bijgevolg voldoende aanwijzingen van een actuele inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van (de verweerster).

(De eiseres) werpt hiertegen tevergeefs op dat (de verweerster), via die derde vordering van beschrijvend beslag, in werkelijkheid het bewijs tracht te verkrijgen van het feit dat de eiseres het vonnis van 15 november 2006 niet heeft uitgevoerd; ze leidt hieruit af dat het doel er niet meer in bestaat de namaak zelf aan te tonen, zodat (de verweerster) geen enkel actueel belang heeft om die maatregel te vorderen en dat alleen de executierechter bevoegd is om van het reële voorwerp van de vordering kennis te nemen.

De procespartij die voorhoudt titularis van een subjectief recht te zijn heeft, ook al wordt het betwist, het belang en de hoedanigheid om de vordering in te stellen; het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het aangevoerde subjectief recht betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering (Cass., 26 februari 2004, C.01.0402.N).

(De verweerster) beschikt niet over de beschrijving van de door haar als namaak aangeklaagde gegevens in hun huidige vormgeving. Het kan echter niet worden uitgesloten dat (de eiseres) zich baseert op het nieuwe uiterlijk van haar gegevensbank, die zij beweert te hebben gewijzigd, om tot de afwezigheid van namaak te besluiten.

Die maatregel moet (de verweerster) ook in staat stellen om voor de feitenrechter de omvang van de aangevoerde namaak en de daaruit voortvloeiende schade aan te tonen.

Aangezien (de eiseres) de aangevoerde namaak betwist, heeft (de verweerster) nog steeds een actueel belang.
Haar belang is ook gewettigd, daar het reële voorwerp van de vordering wel degelijk ertoe strekt een deskundige-beschrijver te doen aanwijzen en zodoende het bewijs van de namaak en van de voortzetting ervan te verkrijgen.

De beschuldigingen van (de eiseres) inzake bedrijfsspionage berusten, wat dat betreft, op geen enkel bewijs.
Noch de grootte van (de verweerster), noch het aantal beschrijvende beslagen - die overigens zijn toegestaan door de rechtscolleges waarvoor die vorderingen zijn ingesteld - kunnen het vermoeden wekken dat (de verweerster) een dergelijk beleid voert.

Wat dat betreft dienen twee opmerkingen te worden gemaakt.
Enerzijds mag niet uit het oog worden verloren dat het aanvankelijk (de verweerster) was die, in het kader van de beëindiging van de overeenkomst van 11 september 1990, aanvoerde dat haar gegevensbank was nagemaakt.

Anderzijds heeft de wetgever het zakengeheim op grond van artikel 1369bis/6 van het Gerechtelijk Wetboek willen beschermen, hetgeen hierna zal worden onderzocht.

Om dezelfde redenen betoogt (de verweerster) vergeefs dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel niet bevoegd was en is om uitspraak te doen over het reële voorwerp van die vordering.

Het feit dat (de verweerster) dankzij de gevorderde maatregel, in voorkomend geval, voor de beslagrechter zou kunnen aantonen dat (de eiseres) het vonnis van 15 november 2006 niet heeft uitgevoerd, betekent evenmin dat zij niet het vereiste belang heeft om in rechte op te treden en dat zij geen recht heeft op de gevorderde beschrijvingsmaatregel.

Het feit dat er eerst een procedure over de grond van de zaak, die zich thans overigens in het stadium van het hoger beroep bevindt, is ingeleid, belet als dusdanig evenmin dat de gevorderde maatregel bevolen wordt, aangezien de wet zulks niet verbiedt".

Grieven
(...)
Tweede onderdeel
Artikel 1369bis/1, §1, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "de personen die, op grond van een wet betreffende de uitvindingsoctrooien, aanvullende beschermings-certificaten, kwekerscertificaten, topografieën van halfgeleiderproducten, tekeningen en modellen, merken, geografische aanduidingen, benamingen van oorsprong, auteursrecht, naburige rechten of het recht van producenten van databanken een vordering inzake namaak kunnen instellen, met de toestemming van de voorzitter van de rechtbank van koophandel en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, verkregen op verzoekschrift, door een of meerdere deskundigen die deze magistraat benoemt, overal kunnen laten overgaan tot de beschrijving van alle voorwerpen, elementen, documenten of werkwijzen die van aard zijn de beweerde namaak alsook de oorsprong, de bestemming en de omvang ervan aan te tonen". Het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dus dat een beschrijvend beslag ertoe strekt de bewijzen te verzamelen waarmee namaak kan worden aangetoond.
Nr. C.08.0549.F

COFACE SERVICES BELGIUM, naamloze vennootschap,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

INFOBASE EUROPE, vennootschap naar Luxemburgs recht,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 juli 2008 gewezen door het hof van beroep te Brussel.

De zaak is bij beschikking van 28 januari 2010 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean-Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert de volgende twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1025 tot 1034, 1369bis, 1395, 1396 en 1498 en, voor zover nodig, 569, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen beginsel van het recht van verdediging en van de rechtspleging op tegenspraak ;

- het artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat de (verweerster) van het vereiste belang blijk gaf om de eerste rechter te vorderen een deskundige aan te wijzen en dat die rechter bevoegd was om de deskundige te gelasten de voortzetting vast te stellen van de namaak, die reeds door de feitenrechter was vastgesteld, of van het verdoezelen van die namaak.

Het verantwoordt die beslissing om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd en inzonderheid, in substantie, om de volgende redenen:

"Nopens het beginsel van het gevorderde beschrijvend beslag

Artikel 1369bis/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt wat volgt:

‘De voorzitter, die uitspraak doet over een vordering tot het verkrijgen van maatregelen tot beschrijving, onderzoekt:

1) of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is;

2) of er aanwijzingen zijn dat inbreuk zou zijn gemaakt op het intellectueel eigendomsrecht of dat een inbreuk dreigt'.

Beide voorwaarden zijn te dezen vervuld.

Gelet op het vonnis van 15 november 2006 van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel en het arrest van 8 juni 2001 van het hof (van beroep) en niettegenstaande het arrest van 8 april 2003 van het hof (van beroep) in het dossier Group V. H., zijn de rechten van (de verweerster) op de gegevensbank InfoBase voldoende waarschijnlijk, hoewel ze worden betwist.

(De eiseres) betwist evenmin dat zij gegevens gebruikt die afkomstig zijn van InfoBase. Zij ontkent daarentegen de namaak, daar zij, volgens het standpunt dat zij verdedigt, rechtmatig eigenaar van die gegevens is, die haar zouden zijn overgedragen door ORT, die ze zelf van Help zou hebben verkregen bij wege van de overeenkomst van 11 september 1990.

Het staat vast dat (de eiseres) haar gegevensbank blijft exploiteren. Zij preciseert voor het overige dat zij haar informatici de opdracht heeft gegeven haar gegevensbank te wijzigen om zich - zonder enige nadelige erkenning - te voegen naar het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel.

Gelet op de laatstgenoemde verduidelijking, kan niet worden uitgesloten dat (de eiseres), zoals (de verweerster) betoogt, in werkelijkheid beoogde de aanwijzingen van namaak te doen verdwijnen en niet de nagemaakte gegevens uit de databank te wissen en zo tezelfdertijd nieuwe feiten van namaak pleegt.

Aangezien het daarenboven een on line gegevensbank betreft, kan elk gebruik van de originele InfoBase-gegevens opnieuw namaak opleveren.

Bijgevolg moet worden nagegaan hoe de situatie er in 2008 uitzag.

Van degene die een beschrijving vordert, kan niet geëist worden dat hij de namaak, zijn effectieve voortzetting en zijn omvang aantoont. De beschrijving moet integendeel dienen om hem dat bewijs te bezorgen en daarom bepaalt de wet dat een dreiging van namaak op zich al volstaat om die maatregel te verantwoorden.

Er bestaan bijgevolg voldoende aanwijzingen van een actuele inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van (de verweerster).

(De eiseres) werpt hiertegen tevergeefs op dat (de verweerster), via die derde vordering van beschrijvend beslag, in werkelijkheid het bewijs tracht te verkrijgen van het feit dat de eiseres het vonnis van 15 november 2006 niet heeft uitgevoerd;  ze leidt hieruit af dat het doel er niet meer in bestaat de namaak zelf aan te tonen, zodat (de verweerster) geen enkel actueel belang heeft om die maatregel te vorderen en dat alleen de executierechter bevoegd is om van het reële voorwerp van de vordering kennis te nemen.

De procespartij die voorhoudt titularis van een subjectief recht te zijn heeft, ook al wordt het betwist, het belang en de hoedanigheid om de vordering in te stellen; het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het aangevoerde subjectief recht betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering (Cass., 26 februari 2004, C.01.0402.N).

(De verweerster) beschikt niet over de beschrijving van de door haar als namaak aangeklaagde gegevens in hun huidige vormgeving. Het kan echter niet worden uitgesloten dat (de eiseres) zich baseert op het nieuwe uiterlijk van haar gegevensbank, die zij beweert te hebben gewijzigd, om tot de afwezigheid van namaak te besluiten.

Die maatregel moet (de verweerster) ook in staat stellen om voor de feitenrechter de omvang van de aangevoerde namaak en de daaruit voortvloeiende schade aan te tonen.

Aangezien (de eiseres) de aangevoerde namaak betwist, heeft (de verweerster) nog steeds een actueel belang.

Haar belang is ook gewettigd, daar het reële voorwerp van de vordering wel degelijk ertoe strekt een deskundige-beschrijver te doen aanwijzen en zodoende het bewijs van de namaak en van de voortzetting ervan te verkrijgen.

De beschuldigingen van (de eiseres)  inzake bedrijfsspionage berusten, wat dat betreft, op geen enkel bewijs.

Noch de grootte van (de verweerster), noch het aantal beschrijvende beslagen - die overigens zijn toegestaan door de rechtscolleges waarvoor die vorderingen zijn ingesteld - kunnen het vermoeden wekken dat (de verweerster) een dergelijk beleid voert.

Wat dat betreft dienen twee opmerkingen te worden gemaakt.

Enerzijds mag niet uit het oog worden verloren dat het aanvankelijk  (de verweerster) was die, in het kader van de beëindiging van de overeenkomst van 11 september 1990, aanvoerde dat haar gegevensbank was nagemaakt.

Anderzijds heeft de wetgever het zakengeheim op grond van artikel 1369bis/6 van het Gerechtelijk Wetboek willen beschermen, hetgeen hierna zal worden onderzocht.

Om dezelfde redenen betoogt (de verweerster) vergeefs dat de voorzitter van de rechtbank van koophandel niet bevoegd was en is om uitspraak te doen over het reële voorwerp van die vordering.

Het feit dat (de verweerster) dankzij de gevorderde maatregel, in voorkomend geval, voor de beslagrechter zou kunnen aantonen dat (de eiseres) het vonnis van 15 november 2006 niet heeft uitgevoerd, betekent evenmin dat zij niet het vereiste belang heeft om in rechte op te treden en dat zij geen recht heeft op de gevorderde beschrijvingsmaatregel.

Het feit dat er eerst een procedure over de grond van de zaak, die zich thans overigens in het stadium van het hoger beroep bevindt, is ingeleid, belet als dusdanig evenmin dat de gevorderde maatregel bevolen wordt, aangezien de wet zulks niet verbiedt".

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

Artikel 1369bis/1, §1, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat "de personen die, op grond van een wet betreffende de uitvindingsoctrooien, aanvullende beschermings-certificaten, kwekerscertificaten, topografieën van halfgeleiderproducten, tekeningen en modellen, merken, geografische aanduidingen, benamingen van oorsprong, auteursrecht, naburige rechten of het recht van producenten van databanken een vordering inzake namaak kunnen instellen, met de toestemming van de voorzitter van de rechtbank van koophandel en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, verkregen op verzoekschrift, door een of meerdere deskundigen die deze magistraat benoemt, overal kunnen laten overgaan tot de beschrijving van alle voorwerpen, elementen, documenten of werkwijzen die van aard zijn de beweerde namaak alsook de oorsprong, de bestemming en de omvang ervan aan te tonen". Het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dus dat een beschrijvend beslag ertoe strekt de bewijzen te verzamelen waarmee namaak kan worden aangetoond.

De artikelen 1025 tot 1034 van hetzelfde wetboek bepalen in welke mate een rechtscollege kennis kan nemen van een eenzijdig verzoekschrift. Het staat vast dat deze procedure, die indruist tegen het algemeen beginsel van het recht van verdediging  en het algemeen rechtsbeginsel van de rechtspleging op tegenspraak, slechts in de bij de wet uitdrukkelijk bepaalde gevallen mag worden aangewend.

Daarenboven regelt artikel 1369bis van het Gerechtelijk Wetboek de procedure van het beschrijvend beslag vanuit de doelstelling dat die procedure moet dienen om namaak, en in het bijzonder zijn herkomst, zijn doel en zijn omvang aan te tonen, wat, voor het overige, voor de feitenrechter nog moet worden bewezen. Die procedure, die van weinig respect getuigt voor het recht van verdediging en voor het beginsel van de rechtspleging op tegenspraak, kan dus niet worden ingeleid wanneer de namaak reeds is bewezen. De wet voorziet immers niets in een dergelijk geval.

Het arrest, dat beslist dat "het feit dat er eerst een procedure over de grond van de zaak, die zich thans overigens in het stadium van het hoger beroep bevindt, is ingeleid, belet als dusdanig evenmin dat de gevorderde maatregel bevolen wordt, aangezien de wet zulks niet verbiedt", heeft geen oog voor de omstandigheid - die heel erg verschilt van het feit dat er een rechtsvordering is ingesteld - dat er over de grond van de zaak reeds een vonnis is gewezen, met name dat van 15 november 2006, dat de namaak vaststelt en zodoende de gerechtelijke realiteit vastlegt waarnaar de twee partijen zich moeten voegen.

Het arrest, dat beslist dat de wet niet verbiedt om een beschrijvend beslag te bevelen wanneer er over de grond van de zaak reeds een voorlopig uitvoerbare beslissing is gewezen, en de namaak als bewezen aanmerkt, schendt bijgevolg artikel 1369bis/1, §3, krachtens hetwelk de procedure van beschrijvend beslag ertoe strekt bewijzen te verzamelen waarmee namaak kan worden aangetoond, wat in dit geval reeds is geschied. Het arrest, dat de artikelen 1025 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek, die het eenzijdige verzoekschrift regelen, ten onrechte toepast, schendt tevens die wetsbepalingen.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

(...)

Tweede onderdeel

Geen van de in het middel bedoelde bepalingen verbiedt de rechter om een vordering tot beschrijvend beslag toe te wijzen, die bij eenzijdig verzoekschrift is ingesteld en die betrekking heeft op nieuwe feiten van namaak, of die ertoe strekt de omvang van de aangeklaagde namaak en van de daaruit voortvloeiende schade vast te stellen wanneer, zoals te dezen, de eisende partij reeds een procedure over de grond van de zaak heeft ingeleid en wanneer een vonnis, waartegen overigens hoger beroep is ingesteld, reeds het bestaan van bepaalde feiten van namaak heeft vastgesteld.

Het onderdeel, dat het tegendeel betoogt, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Mathieu, de raadsheren Christine Matray, Martine Regout, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 8 maart 2010 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem.

De griffier,                                                           De raadsheer,

De artikelen 1025 tot 1034 van hetzelfde wetboek bepalen in welke mate een rechtscollege kennis kan nemen van een eenzijdig verzoekschrift. Het staat vast dat deze procedure, die indruist tegen het algemeen beginsel van het recht van verdediging en het algemeen rechtsbeginsel van de rechtspleging op tegenspraak, slechts in de bij de wet uitdrukkelijk bepaalde gevallen mag worden aangewend.
Daarenboven regelt artikel 1369bis van het Gerechtelijk Wetboek de procedure van het beschrijvend beslag vanuit de doelstelling dat die procedure moet dienen om namaak, en in het bijzonder zijn herkomst, zijn doel en zijn omvang aan te tonen, wat, voor het overige, voor de feitenrechter nog moet worden bewezen. Die procedure, die van weinig respect getuigt voor het recht van verdediging en voor het beginsel van de rechtspleging op tegenspraak, kan dus niet worden ingeleid wanneer de namaak reeds is bewezen. De wet voorziet immers niets in een dergelijk geval.
Het arrest, dat beslist dat "het feit dat er eerst een procedure over de grond van de zaak, die zich thans overigens in het stadium van het hoger beroep bevindt, is ingeleid, belet als dusdanig evenmin dat de gevorderde maatregel bevolen wordt, aangezien de wet zulks niet verbiedt", heeft geen oog voor de omstandigheid - die heel erg verschilt van het feit dat er een rechtsvordering is ingesteld - dat er over de grond van de zaak reeds een vonnis is gewezen, met name dat van 15 november 2006, dat de namaak vaststelt en zodoende de gerechtelijke realiteit vastlegt waarnaar de twee partijen zich moeten voegen.
Het arrest, dat beslist dat de wet niet verbiedt om een beschrijvend beslag te bevelen wanneer er over de grond van de zaak reeds een voorlopig uitvoerbare beslissing is gewezen, en de namaak als bewezen aanmerkt, schendt bijgevolg artikel 1369bis/1, §3, krachtens hetwelk de procedure van beschrijvend beslag ertoe strekt bewijzen te verzamelen waarmee namaak kan worden aangetoond, wat in dit geval reeds is geschied. Het arrest, dat de artikelen 1025 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek, die het eenzijdige verzoekschrift regelen, ten onrechte toepast, schendt tevens die wetsbepalingen.
(...)
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
(...)
Tweede onderdeel
Geen van de in het middel bedoelde bepalingen verbiedt de rechter om een vordering tot beschrijvend beslag toe te wijzen, die bij eenzijdig verzoekschrift is ingesteld en die betrekking heeft op nieuwe feiten van namaak, of die ertoe strekt de omvang van de aangeklaagde namaak en van de daaruit voortvloeiende schade vast te stellen wanneer, zoals te dezen, de eisende partij reeds een procedure over de grond van de zaak heeft ingeleid en wanneer een vonnis, waartegen overigens hoger beroep is ingesteld, reeds het bestaan van bepaalde feiten van namaak heeft vastgesteld.
Het onderdeel, dat het tegendeel betoogt, faalt naar recht.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel,

Noot: 
Aansprakelijkheid voor beslag inzake namaak, Jan Diederik Lindemans en Anke De Boeck, RABG 2011/0116
Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 17/12/2011 - 09:20
Laatst aangepast op: vr, 23/05/2014 - 15:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.