-A +A

Beschermde werknemer ontslag motiveringsvereiste paritair comité

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 07/01/2014

Art. 3, § 1 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden (BS 29 maart 1991) (hierna aangeduid als “ontslagwet beschermde werknemers”) bepaalt dat de werkgever die een personeelsafgevaardigde wil ontslaan om economische of technische redenen, de zaak vooraf aanhangig moet maken bij een ter post aangetekende brief bij het bevoegd paritair comité, dat zich over het al dan niet bestaan van economische of technische redenen moet uitspreken binnen twee maanden vanaf de datum van de aanvraag. Voorts regelt het de werkwijze die moet worden gevolgd bij ontstentenis van beslissing binnen deze termijn.

Art. 3, § 2 voegt daaraan toe dat het feit dat de werknemer een personeelsafgevaardigde is, in geen geval de ontslagbeslissing mag beïnvloeden.

Op grond van art. 3, § 3 behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen economische of technische redenen evenals van het feit dat het ontslag niet indruist tegen het bepaalde in § 2.

De rechtsleer aanvaardt de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, zich baserend op het arrest nr. 59.841 van 3 juni 1996 van de Raad van State, mbt de gegrondheid van deze motivering.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
246
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

V. t/ NV P.P. en Belgische Staat, minister van Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg

I. Feiten en rechtspleging

1. De heer V. kwam op 1 januari 2004 in dienst van de NV Uitgeverij D. als sportjournalist.

Op 31 december 2006 werd er een fusie doorgevoerd met NV De P. P. (hierna aangeduid als “De P.”).

2. Bij de sociale verkiezingen van 2008 werd de heer V. verkozen tot plaatsvervangend personeelsafgevaardigde in het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk (hierna: CPBW) van de technische bedrijfseenheid D.

3. Op 3 december 2008 werd een herstelplan voor de krant voorgesteld, bestaande enerzijds uit een reeks bezuinigingsmaatregelen en anderzijds een voornemen tot collectief ontslag van 26 werknemers in de periode van maart tot april 2009.

De procedure van de wet van 13 februari 1998 (de zgn. Wet-Renault) werd opgestart. Vanuit het CPBW werd van werknemerszijde een alternatief plan voorgesteld. De heer V. was bij de uitwerking ervan zeer actief en lichtte op 17 februari 2009 het voorstel aan de werknemers toe.

Op 23 en 24 maart 2009 werd op basis van een synthese van de beide voorgestelde herstelplannen een akkoord bereikt. Dit akkoord werd voorgelegd aan de werknemers, die het met een meerderheid van 84 tegen 6 bij 2 onthoudingen goedkeurden. Het aantal ontslagen werd herleid tot 15 en één overplaatsing.

Op 31 maart werd dit als beslissing van de directie meegedeeld aan het CPBW, zetelend als bijzondere ondernemingsraad. Op 30 april volgde de mededeling van het collectief ontslag van vijftien werknemers aan A.

4. Op 15 mei 2009 werd een bedrijfs-cao gesloten tussen de directie en de enige in het bedrijf vertegenwoordigde vakorganisatie.

Art. 2 voorziet in het ontslag van veertien werknemers, van wie twee beschermde werknemers.

Op grond van art. 7 zullen de ontslagen beschermde werknemers een bijkomende vergoeding ontvangen.

In art. 13 gaan de ondertekenende partijen ervan uit dat de ontslagen gemotiveerd zijn door economische of technische redenen, wat door de vakorganisatie zal worden ondersteund bij de behandeling van het verzoek tot erkenning door het paritair comité in het kader van de wet van 19 maart 1991.

5. Op 28 mei 2009 deed De P. de aanvraag tot erkenning van de economische of technische redenen bij het paritair comité 218. De redenen werden toegelicht. De heren V. en D. werden aangeduid als betrokken beschermde werknemers.

Op 16 juli 2009 erkende het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden het bestaan van deze redenen, met volgende motivering:

– problemen i.v.m. rentabiliteit, structuur en een daling van de reclame;

– inkomsten, daling van de inkomsten uit het tijdschrift “Vacature” en ook uit de “merchandising” (dvd’s, boeken, enz. ...);

– gevaar voor verlies van 3 miljoen euro heeft geleid tot een herstructurering;

– opstellen van een sociaal plan.

6. Op 5 augustus 2009 ontving de heer V. een brief van De P. met bevestiging van een onderhoud van de dag voordien waarin hem de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst werd meegedeeld in het kader van het collectief ontslag en de hierop betrekking hebbende bedrijfs-cao van 15 mei 2009. Hij ondertekende die brief voor ontvangst.

7. Op 22 juli 2010 dagvaardde de heer V. zowel De P. als de Belgische Staat en het A.N.P.C.B. nr. 218 voor de Arbeidsrechtbank te Brussel en vorderde dat zijn hoger beroep tegen de beslissing van 22 juli 2009 van het A.N.P.C.B nr. 218 ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard.

Voorts vorderde hij dat bij de vaststelling van ontstentenis van het bewijs

– van de voor ontslag ingeroepen economische en technische redenen;

– van het feit dat het ontslag van de beschermde werknemer het gevolg is van deze redenen;

– van het feit dat de beslissing de werknemer te ontslaan niet is beïnvloed door de omstandigheid dat de werknemer een (kandidaat-) personeelsafgevaardigde is of dat zijn kandidatuur is ingediend door een welbepaalde representatieve werknemersorganisatie,

zijn ontslag onregelmatig is.

Van De P. vordert hij dan betaling van een provisionele beschermingsvergoeding van 102.453,53 euro, vermeerderd met interesten en kosten.

Op grond van art. 807 Ger.W. vroeg hij in conclusies de nietigverklaring van de beslissing van het paritair comité van 22 juli 2009.

De P. stelde een vordering in tussenkomst en vrijwaring in tegen de Belgische Staat.

8. Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 27 juli 2012 werd de vordering afgewezen als ontvankelijk maar ongegrond. Ook de vordering in tussenkomst en vrijwaring werd afgewezen als ontvankelijk maar ongegrond.

9. Bij verzoekschrift tot hoger beroep tekende de heer V. hoger beroep aan en hernam hij zijn gewijzigde vordering met dien verstande dat de beschermingsvergoeding werd begroot op één euro provisioneel.

...

De P. tekende incidenteel beroep aan en betwistte primair de bevoegdheid van de arbeidsgerechten ten voordele van de Raad van State, minstens de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. Subsidiair vroeg ze de bevestiging van het vonnis wat betreft de afwijzing van de hoofdeis, en nog meer subsidiair de gegrondverklaring van de vordering in vrijwaring (...).

De Belgische Staat vroeg de ongegrondverklaring van het hoofdberoep en van het incidenteel beroep van De P. Tevens werd incidenteel beroep ingesteld en werd de onontvankelijkheid opgeworpen van de vorderingen van de heer V. en van De P., minstens de ongegrondheid van de vordering van De P.

II. Beoordeling

...

De bevoegdheid van de arbeidsgerechten

2. Art. 3, § 1 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden (BS 29 maart 1991) (hierna aangeduid als “ontslagwet beschermde werknemers”) bepaalt dat de werkgever die een personeelsafgevaardigde wil ontslaan om economische of technische redenen, de zaak vooraf aanhangig moet maken bij een ter post aangetekende brief bij het bevoegd paritair comité, dat zich over het al dan niet bestaan van economische of technische redenen moet uitspreken binnen twee maanden vanaf de datum van de aanvraag. Voorts regelt het de werkwijze die moet worden gevolgd bij ontstentenis van beslissing binnen deze termijn.

Art. 3, § 2 voegt daaraan toe dat het feit dat de werknemer een personeelsafgevaardigde is, in geen geval de ontslagbeslissing mag beïnvloeden.

Op grond van art. 3, § 3 behoort het aan de werkgever het bewijs te leveren van de voor het ontslag ingeroepen economische of technische redenen evenals van het feit dat het ontslag niet indruist tegen het bepaalde in § 2.

3. In deze bepaling wordt niet voorzien in een mogelijkheid van jurisdictioneel beroep tegen de tijdige beslissing van afwijzing of aanvaarding van de door de werkgever ingeroepen economische of technische redenen. Dit was oorspronkelijk ook de uitdrukkelijke wil van de wetgever (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 1990-91, nr. 1105/1, p. 8; Commissieverslag Parl.St. Kamer 1990-91, nr. 1471/3, p. 17). Men beschouwde de grondslag voor de bescherming niet als een bescherming van de werknemer als persoon, maar wel als bescherming van het behoorlijk functioneren van de overlegorganen, waarbij de sociale partners het best geplaatst waren om met kennis van zaken een beslissing te nemen.

Het toenmalige Arbitragehof lichtte in overweging B.3.2 van het arrest 57/93 van 8 juli 1993 deze regeling als volgt toe: “Het wettelijk stelsel, in de opeenvolgende stadia ervan, komt voort uit de idee dat het ontslag van een beschermde werknemer verdacht is. Het gevolg is het principiële verbod voor een dergelijk ontslag, onder voorbehoud van uitdrukkelijke instemming. Bovendien is die toestemming slechts in een beperkt aantal gevallen mogelijk; tevens moet zij bijna altijd voorafgaandelijk worden gegeven; ten slotte moet zij worden gegrond ofwel op een “dringende reden”, ofwel op een reden die niets te maken heeft met de houding van de werknemer, ”economische of technische reden” genoemd.

4. Hetzelfde arrest verwierp de ongelijkheden, waarover het Hof in de prejudiciële vragen werd bevraagd, met één uitzondering uitgelegd in overweging B.13.2: “Er bestaat echter een onevenredigheid doordat tegen de binnen de wettelijke termijn genomen beslissing van het paritair orgaan in geen enkel jurisdictioneel beroep is voorzien. Aldus wordt op discriminerende wijze afbreuk gedaan aan het recht waarover eenieder krachtens art. 6 EVRM beschikt, om een beslissing waarbij zijn burgerlijke rechten worden vastgesteld, aan een rechter te kunnen voorleggen”.

5. Deze laatste situatie doet zich hier voor en de beslissing tot erkenning van de economische of technische redenen sluit dan ook af met: “In verband met de mogelijkheden van beroep tegen de bovengenoemde beslissing wordt verwezen naar het arrest nr. 57/93 van 8 juli 1993 van het Arbitragehof (BS van 28 augustus 1993)”.

6. Hierdoor wordt nog niet verduidelijkt wie de rechter is aan wie de beslissing kan worden voorgelegd en welk jurisdictioneel beroep openstaat tegen de beslissing van het paritair comité.

De rechtsleer aanvaardt de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, zich baserend op het arrest nr. 59.841 van 3 juni 1996 van de Raad van State (JTT 1996, 438, met verslag auditeur Haubert) en op de rechtspraak van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 16 november 1993 (JTT 1994, 294) en 9 juni 1995 (JTT 1995, 497).

Gelet op de uitdrukkelijke betwisting van de bevoegdheid van de arbeidsgerechten door De P., dienen de in de rechtspraak naar voor gebrachte argumenten opnieuw te worden bekeken.

7. In het arrest van de Raad van State van 3 juni 1996 wordt enkel geponeerd dat uit het arrest van het Arbitragehof nr. 57/93 volgt dat een beroep bij de arbeidsgerechten mogelijk is, zodat de Raad van State niet bevoegd is.

Ook in het gelijkluidend verslag van het auditoraat wordt deze stelling voorgebracht, zij het dat men daar zegt dat men niet ziet welke de directe weerslag is van het arrest van het Arbitragehof op de bevoegdheidsproblematiek zoals behandeld in het schorsingsarrest.

In het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 16 november 1993 wordt eveneens zonder meer aangenomen dat, gelet op het arrest van het Arbitragehof, de arbeidsrechtbank bevoegd is als beroepsinstantie tegen de beslissing van het paritair comité.

Anders dan deze rechtspraak beslist, wordt in de overwegingen van het arrest van het Arbitragehof, zoals aangehaald in randnr. 5, niet verduidelijkt dat de arbeidsgerechten bevoegd zijn.

8. Het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 9 juni 1995 is het eindvonnis in één van de zaken die aan het Arbitragehof werden voorgelegd. De kwestie van de bevoegdheid wordt daarin niet behandeld, gelet op het feit dat die volgde uit het verwijzingsvonnis van 15 oktober 1992 (JTT 1992, 425). Uit dit laatste vonnis blijkt dat de vordering betrekking had op het verkrijgen van een beschermings- en beëindigingsvergoeding.

9. De vorderingen van de heer V. zijn tweeërlei en afzonderlijk gericht tegen twee tegenpartijen:

– enerzijds vraagt hij ten laste van de Belgische Staat de vernietiging van de beslissing van het paritair comité;

– anderzijds vordert hij van De P. een beschermingsvergoeding.

10. De Belgische Staat voert ten onrechte aan dat een paritair comité in deze zaak geen administratief orgaan is, verwijzend naar RvS 22 april 1996, Soc.Kron. 1997, 344, noot J. Jacqmain, die een kritische vergelijking maakt met Arbitragehof 8 juli 1993, nr. 57/93. Deze zaak betrof de arbitrale rol van een paritair comité bij verschil van mening over de inhoud van een arbeidsreglement (zie ook: RvS 25 januari 2010, nr. 199.861).

Bij de erkenning van de door de werkgever voorgelegde economische of technische redenen treedt het paritair comité niet op als scheidsrechter, maar beslist het tot erkenning van de voorgedragen redenen uitgaande van zijn discretionaire bevoegdheid (lees hierover: overweging B.4 van Arbitragehof, van 8 juli 1993, nr. 57/93).

Terecht beschouwen de rechtspraak en rechtsleer het paritair comité in dezen als administratief orgaan (I. Plets, S. Demeestere, J. Hofkens en A. Vandenbergen, 20 jaar Wet ontslagregeling personeelsafgevaardigden, Antwerpen, Intersentia, 2011, nr. 210, met verdere verwijzingen in de voetnoten 477 en 478).

11. Op grond van art. 144 Gw. behoren de geschillen over burgerlijke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken. Op grond van art. 145 Gw. behoren geschillen over politieke rechten tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.

Art. 146 Gw. bepaalt dat geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet.

Op grond van art. 14 RvS-Wet is de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd voor de beroepen tot nietigverklaring van akten van de administratieve overheden.

12. Het beroep tegen een handeling van een administratieve overheid is een objectief beroep, d.w.z. een beroep dat niet de inachtneming van een subjectief recht maar wel van het objectief recht beoogt, m.a.w. van de rechtsregel van de legaliteit. Aldus kan toezicht worden gehouden op de legaliteit van de handelingen en reglementen van de administratieve overheid en worden de burgers beschermd wegens de discretionaire macht waarover de overheid beschikt. Het betreft hier dus objectieve geschillen waarop art. 144 en 145 Gw. niet van toepassing zijn, maar die een wet, namelijk de RvS-Wet, krachtens art. 146, aan een met eigenlijke rechtspraak belast orgaan (de Raad van State) heeft toegewezen (conclusie J. Velu voor Cass. 10 april 1987, Arr.Cass. 1986-87, p. 1043, nr. 14).

De bevoegdheid van de Raad van State wordt door het werkelijk en rechtstreeks onderwerp van het verzoek tot nietigverklaring bepaald. De omstandigheid dat de nietigverklaring van een administratieve handeling repercussies zou kunnen hebben op enig politiek of burgerlijk recht is niet voldoende om de bevoegdheid van de Raad van State uit te sluiten (Cass. 10 april 1987, Arr.Cass. 1986-87, 1043, conclusie advocaat-generaal J. Velu; Cass. 8 november 1996, Arr.Cass. 1996, nr. 425).

13. Het onderzoek naar het werkelijke onderwerp van het beroep impliceert dat niet moet worden uitgegaan van de formele bewoordingen in de procedurestukken (conclusie J. Velu voor Cass. 10 april 1987, Arr.Cass. 1986-87, p. 1043, nr. 18).

De heer V. vordert de veroordeling van De P. tot betaling van de beschermingsvergoeding. Dit betreft een vordering wegens een subjectief recht, dat enkel door de gewone rechtbanken kan worden beoordeeld. De arbeidsrechtbank was op dit punt alleszins bevoegd. Maar dit betreft de vordering tegen De P., die ten onrechte een exceptie van onbevoegdheid wil doen gelden ten voordele van de rechtbank van eerste aanleg, omdat het Gerechtelijk Wetboek geen uitdrukkelijke bevoegdheid van de arbeidsgerechten zou bepalen. Dit laatste is wel degelijk het geval in art. 582, 1o, 2o en 3o Ger.W. (J. Petit, Sociaal procesrecht, Brugge, die Keure, 2000, p. 591, nr. 565).

14. Daarenboven vordert hij ten aanzien van de Belgische Staat de “nietigverklaring” van de beslissing van het paritair comité.

Terecht beschouwt de Belgische Staat dit als een gescheiden en afzonderlijke rechtsverhouding. Hij verbindt daaraan echter de verkeerde conclusie dat deze vordering daardoor onontvankelijk is; in werkelijkheid zijn de arbeidsgerechten niet bevoegd voor dit objectief beroep, gebaseerd op de discretionaire beoordeling door het paritair comité.

Ten onrechte acht de Belgische Staat de arbeidsrechtbank voor deze afzonderlijke vordering bevoegd. Wanneer de eiser t.a.v. de Belgische Staat geen subjectief recht in zijn voordeel kan inroepen, omdat de aangevochten akte uitgaat van een discretionaire bevoegdheid van de administratie m.b.t. de aanvraag door de werkgever van de erkenning van economische en technische redenen, is de Raad van State bevoegd (B. Lombaert, F. Tulkens en A. van der Haegen, “Cohérence et incohérences de la théorie de l’objet véritable et direct du recours” in H. Dumont, P. Jadoul en S. Van Droogenbroeck, La protection juridictionnelle du citoyen face à l’administration, Brugge, die Keure, 2007, p. 30, nr. 8).

De omstandigheid dat de nietigverklaring van een administratieve handeling repercussies zou kunnen hebben op enig politiek of burgerlijk recht, is immers niet voldoende om de bevoegdheid van de Raad van State uit te sluiten. Hieruit vloeit voort dat de arbeidsrechtbank enkel bevoegd was voor de beoordeling van de vordering m.b.t. de beschermingsvergoeding tegen de werkgever.

15. Maar terecht betogen de auteurs B. Lombaert, F. Tulkens en A. van der Haegen dat de demarcatielijn van de objectieve wettigheidcontrole niet scherp te trekken is, omdat gewone rechtbanken met toepassing van art. 159 Gw. de besluiten enkel dienen toe te passen in zoverre ze met de wetten overeenstemmen. De auteurs zien hierin een vorm van “samenwoning” tussen de macht van de administratieve en de gewone rechter (B. Lombaert, F. Tulkens en A. van der Haegen, o.c., p. 36, nr. 12).

Gelet op het vereiste dat de werkgever als gevolg van art. 3, § 1 van de Ontslagwet beschermde werknemers vooraf de erkenning van de economische of technische redenen moet aanvragen bij het paritair comité alvorens tot ontslag te kunnen overgaan en gelet op het feit dat een jurisdictionele controle van de beslissing van het paritair comité mogelijk moet zijn, izijns de rechtmatigheid van het ontslag en de eruit voortvloeiende vordering tot betaling van de beschermingsvergoeding geconditioneerd door de toetsing van de erkenning van de ingeroepen redenen, uitgaande van art. 159 Gw.

De erkenning van de ingeroepen redenen door het paritair comité

16. De heer V. betwist de geldigheid van de erkenningbeslissing van het paritair comité, omdat deze niet formeel gemotiveerd zou zijn in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (BS 12 september 1991) (hierna aangeduid als de “formele motiveringswet bestuurshandelingen”).

Op grond van art. 2 van deze wet moeten de bestuurshandelingen van de besturen uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Art. 3 voegt daaraan toe dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Ze moeten afdoende zijn.

Met bestuurshandeling wordt bedoeld: de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur.

Met bestuur wordt bedoeld: de administratieve overheden als bedoeld in art. 14 RvS-Wet.

Met bestuurde wordt bedoeld: de natuurlijke persoon of rechtspersoon in zijn betrekkingen met het bestuur.

17. In de rechtsleer wordt aangenomen dat de formele motiveringswet bestuurshandelingen van toepassing is op de beslissingen van het paritair comité (I. Plets, S. Demeestere, J. Hofkens en A. Vandenbergen, o.c., nr. 210, met verdere verwijzingen in voetnoot 480; J. Steyaert, F. Dorssemont, C. De Ganck en M. De Gols, Paritair overleg in de onderneming in APR, Mechelen, Kluwer, 2009, p. 456, nr. 821; L. Eliaerts, Beschermde werknemers. Ondernemingsraad en comité voor preventie en bescherming op het werk, Brussel, De Boeck & Larcier, 2002, p. 186, nr. 486; D. Votquenne en C. Wantiez, Beschermde werknemer. 10 jaar toepassing van de wet van 19 maart 1991, Bousval, EDS, 2001, p. 107, nr. 78).

18. De beslissing van 16 juli 2009 van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden bevat volgende motivering m.b.t. de vraag van De P. tot erkenning van de economische en technische redenen:

– problemen i.v.m. rentabiliteit, structuur en een daling van de reclame;

– inkomsten, daling van de inkomsten uit tijdschrift “Vacature” en ook uit de “merchandising” (DVD’s, boeken, enz.);

– gevaar voor verlies van 3 miljoen euro heeft geleid tot een herstructurering;

– opstellen van een sociaal plan.

De heer V. meent dat deze motivering niet afdoende is, omdat ze niet aangeeft wat het causaal verband is tussen deze redenen en zijn ontslag en omdat ze ook geen elementen geeft in verband met het in het in art. 3, § 2 van de Ontslagwet beschermde werknemers vermelde discriminatieverbod.

19. De afdoende motivering, voorgeschreven in art. 3 van de formele motiveringswet bestuurshandelingen impliceert echter niet dat men moet vervallen in overdreven formalisme. Dit houdt in dat er geen verwijzing nodig is naar gegevens die de bestuurde reeds kent, noch een verwijzing naar evidenties, noch een overname van de motieven van voorbereidende handelingen (I. Opdebeek en A. Coolsaet, Formele motivering van bestuurshandelingen in Administratieve rechtsbibliotheek, nr. 7, Brugge, die Keure, 1999, p. 167-168, nrs. 210-212; D. Cuypers, “

Beginselen van behoorlijk bestuur en Wet motivering administratieve beslissingen in sociale zekerheid”

in J. Van Steenberghe en A. Van Regenmortel, Actuele problemen van sociale zekerheid, 1, Brugge, die Keure, 1995, p. 18, nr. 28).
De bestuurde is de natuurlijke of rechtspersoon die in betrekking staat met het bestuur, hier De P. die de aanvraag tot erkenning deed bij het paritair comité.

20. Wat betreft de verplichting tot motivering in de beslissing zelf is een motivering door verwijzing niet uitgesloten, mits de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen gekend is, zelf afdoende gemotiveerd is, bijgevallen wordt door de beslissende overheid en niet tegenstrijdig is met andere stukken (I. Opdebeek en A. Coolsaet, o.c., p. 132-137, nrs. 165-170).

Aan deze criteria is in dat geval voldaan in de zin dat de motivering verwijst naar het sociaal plan, dat volledig als bijlage bij de aanvraag van De P. was gevoegd. Ook naar deze aanvraag wordt in de beslissing tot erkenning verwezen.

In de bedrijfs-cao van 15 mei 2009 wordt verwezen naar het door de directie op 3 december 2008 ingediende voornemen tot collectief ontslag van 26 werknemers, waarna de werknemersafgevaardigden een alternatief plan hebben voorgesteld. Na synthese van deze voorstellen werd een definitief akkoord bereikt op 23 maart 2009, waarbij de werknemersvertegenwoordigers verklaarden geen opmerkingen te hebben over de informatie- en consultatieprocedure, dat vervolgens op 24 maart door de werknemers zelf werd goedgekeurd met 84 tegen 6 stemmen bij 2 onthoudingen (cf. preliminaria bij de CAO, die in art. 13 voorziet in het ontslag van twee beschermde werknemers).

Bij de aanvraag aan het paritair comité werd ter verduidelijking van het sociaal plan tevens als bijlage gevoegd de mededeling van de directie van 31 maart 2009 m.b.t. het collectief ontslag, dat naast de uitleg over de economische omstandigheden melding maakt van vijftien ontslagen en één overplaatsing met aanduiding van de spreiding van de ontslagen naar gelang geslacht, leeftijd en afdelingen (redactionele functies -12 en ondersteunende afdeling -3).

Als derde document in verband met het sociaal plan was bij de aanvraag van De P. van 28 mei 2009 de brief van 7 mei 2009 aan A. gevoegd, die nog meer gedetailleerde informatie inhield. De verwijzing in de beslissing van het paritair comité naar het sociaal plan voldoet derhalve aan de afdoende motivering. Ze is uiteraard aan de bestuurde (de aanvragende werkgever) bekend, is voldoende gemotiveerd en wordt bijgevallen door het paritair comité.

Ze is niet tegenstrijdig met andere stukken, integendeel. De mededeling van de directie van 31 maart 2009 over het akkoord is in overeenstemming met het verslag van de uitvoerige besprekingen in het CPBW, zitting houdende als bijzondere ondernemingsraad van 23 maart 2009, waaraan de heer V. als werknemersvertegenwoordiger actief deelnam.

Op p. 12 en 13 van dit verslag werd de personeelsreductie besproken, waarbij de heer V. actief en persoonlijk tussenkwam. De directie duidde daarbij aan dat er een reductie zou zijn op het vlak van de advertenties, economie en sport; dit laatste is de afdeling waarin de heer V. als journalist werkte.

21. Uit de formele verwijzing naar het sociaal plan in de erkenningbeslissing van het paritair comité volgt dat in de akte een afdoende motivering is opgenomen, omdat uit dit plan volgt en de feitelijke gegevens van de zaak aantonen:

– dat de economische of technische redenen bestaan en er hierover trouwens een akkoord was inhoudende de ontslagen van twee personeelsafgevaardigden;

– dat het ontslag van de heer V. verband houdt met dit plan, omdat het de reductie van de sportredactie impliceerde, waar hij als sportjournalist werkzaam was; het belang van deze redactie verminderde doordat gebruik gemaakt werd van de samenwerking met een zusterkrant, zodat de overgebleven sportjournalist(en) verbindingsperso(o)n(en) was/waren met de zusterredactie en daardoor geen autonome kritische sportjournalistiek meer aan bod kwam, wat de kernopdracht was van de heer V. bij D.;

– zodat er geen discriminatie plaatsvond ten nadele van hem als beschermde werknemer en er geen verband was met zijn mandaat.

22. De overige aangevoerde argumenten en middelen kunnen aan deze beoordeling geen afbreuk doen.

Uit de verslagen van het CPBW, zitting houdende als bijzondere ondernemingsraad, volgt inderdaad dat de sportredactie geviseerd werd bij de herstructurering. De criteria voor de keuze van de ontslagen werknemers volgden uit deze optie, die aan de heer V. als onderhandelaar volkomen bekend was.

De mutaties en opdrachten van de collega(’s) op de sportredactie bij de implementatie van het plan, doen daaraan geen afbreuk, omdat de functie van de heer V. als chef voornamelijk bestond in de kritische verslaggeving, die niet meer tot de core business van de krant behoorde. Het is dan ook overbodig om over de andere opdrachten en activiteiten van deze meer uitvoerende collega’s een getuigenverhoor te houden.

Zijn ontslag volgde uit het plan en maakte geen discriminatie uit op basis van zijn mandaat.

Hieruit vloeit voort dat De P. op rechtmatige en regelmatige gronden tot ontslag van de heer V. als beschermde werknemer is overgegaan, zodat zijn vordering tot betaling van een beschermingsvergoeding terecht ongegrond werd verklaard.

23. Maar zelfs indien men zou aannemen dat de motivering van de beslissing tot erkenning van de economische of technische redenen voor wat hem betreft, niet afdoende zou zijn, dan nog moet zowel in de procedures tot nietigverklaring voor de Raad van State als in de procedures voor de gewone rechter worden nagegaan of het slachtoffer van de gebrekkige motivering belangenschade lijdt (I. Opdebeek en A. Coolsaet, o.c., 303 e.v., nrs. 401 e.v. en p. 318, nr. 419).

Er is geen belangenschade wanneer de betrokkene kennis had van de motieven, wat kan blijken uit het administratief dossier; wanneer deze kennis zodanig is dat hij zijn recht om zich in rechte te verdedigen overeind blijft. Hiervoor moet hij de werkelijke motieven kennen en volledig geïnformeerd zijn (I. Opdebeek en A. Coolsaet, o.c., p. 304-306, nrs. 403-405 en p. 318, nr. 419).

Wanneer de arbeidsgerechten met toepassing van het arrest 57/93 van 8 juli 1993 van het Arbitragehof als beroepsinstantie oordelen, moeten ze dit doen op dezelfde wijze als het paritair comité en beschikken ze over een volle beroepsbevoegdheid (I. Plets, S. Demeestere, J. Hofkens en A. Vandenbergen, o.c., nr. 226; M. De Vos, “Het Arbitragehof en het arbeidsrecht” in M. Rigaux en P. Humblet, Actuele problemen van het arbeidsrecht 6, Antwerpen, Intersentia, 2001, 126; D. Votquenne en C. Wantiez, o.c., p. 108-109, nr. 81).

De rechter dient de legaliteit en niet de opportuniteit van de werkgeversbeslissing te beoordelen (Cass. 4 mei 1992, JTT 1992, 433, noot Ph. De Keyser en S. Fabry; Cass. 19 april 1993, JTT 1993, 305, noot H.F. Lenaerts; J.P. Lacomble en M.E. Comblen, “La notion de raisons d’ordre économique ou technique au sens de la loi du 19 mars 1991” in H. Deckers en L. Dear, La protection des représentants du personnel, Limal, Anthémis, 2011, 146-147). De legaliteitstoets beperkt zich tot art. 3 van de Ontslagwet beschermde werknemers en betreft niet de andere sociaalrechtelijke verplichtingen (Cass. 10 april 1995, Soc.Kron. 1995, 511; L. Eliaerts en J. Buelens “Ontslagbescherming en vertegenwoordiging van werknemers” in Actuele Problemen arbeidsrecht, 8, p. 641-642, nrs. 139 tot 141).

24. De heer V. kan niet ernstig beweren dat hij de gegevens, vermeld in randnr. 21 niet kende, daar hij zelf het sociaal plan mee onderhandelde op 10 en 23 maart 2009. Hij betwist overigens niet dat hij m.b.t. het alternatieve plan van de werknemers woordvoerder naar het personeel is geweest op 17 februari 2009.

Hij voert overigens bijzonder beperkte materiële motiveringsgronden aan, wat hij ook bezwaarlijk ernstig kan doen, gelet op het akkoord van de werknemersvertegenwoordigers en het personeel met het sociaal plan en zijn persoonlijke bijdrage hieraan.

Dit brengt met zich mee dat het bestaan van de economische of technische redenen moet worden aangenomen, waarbij De P. door de inkrimping van de sportredactie bewijst dat er een verband is tussen de redenen en het ontslag, zodat de heer V. niet gediscrimineerd werd wegens zijn mandaat.

Zijn hoger beroep tot het verkrijgen van een beschermingsvergoeding is daardoor ongegrond.

De vordering in vrijwaring van De P. en de subsidiaire vorderingen zijn dan ook zonder voorwerp.

...

Noot: 

• Beschermings personeelsafgevaardigde, NJW 246, 497

• O. Wouters, Beschermde werknemer kan afstand doen van beschermingsvergoeding, De juristenkrant, 232, 29 juni 2011, pagina 3.

• M.Demedts, Afstand van een beschermingsvergoeding door een (kandidaat-)personeelsafgevaardigde, RABG, 2012/3, 160

• Wet 19 maart 1991 ontslagregeling beschermde werknemers (ontslagregeling personeelsafgevaardigden).

• J. Buelens en I. Van Puyvelde, Het moment van opeisbaarheid bij afstand van beschermingsvergoeding van beschermde aerknemers, oont onder Arbeidshof Antwerpen, 14/12/2009, RW 2010-2011, 1062-1065.

• W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium Arbeidsrecht, 2011-2012, band 2, nr. 3077 en 4828

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/10/2016 - 12:52
Laatst aangepast op: di, 11/10/2016 - 12:52

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.