-A +A

Berusting in een vonnis vereist een duidelijk, vaststaande en ondubbelzinnige uiting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
din, 23/01/2018
A.R.: 
2017/AR/917

Berusting van een partij in een rechterlijke beslissing vereist het vaststaande en ondubbelzinnige voornemen te berusten in het bestreden vonnis.

relevant uittreksel uit het arrest te dezen:

"5. Geïntimeerden voeren aan dat het hoger beroep van appellant onontvankelijk is
omdat hij heeft berust in het bestreden vonnis. Appellant heeft op het webform www.politics.be een discussieonderwerp gestart onder de noemer "gaan wiskunde en recht toch samen"? Op dit forum, dat een publiek forum is, geeft appellant alle details van het geschil en rapporteert hij over de evolutie ervan. Op 5 mei 2017 postte hij het volgende bericht:
"De rechtbank heeft duidelijk niet geantwoord op mijn neergelegde stukken. Daardoor ben ik enkel veroordeeld voor spam (terecht) en kan ik rustig verder handel drijven binnen RES op grond van mijn fiduciaire overdracht en op grond van BW 1690. Daarom ga ik niet in beroep. Dit noemt men een Pirius (onze Griekse haven) overwinning".

Het hof overweegt als volgt ..

Op het eerste gezicht kan uit deze paragraaf worden afgeleid dat appellant heeft berust in het bestreden vonnis. Anderzijds zijn de stellingen die appellant publiceert op de voor het publiek toegankelijke pagina's dermate verwarrend en onsamenhangend, dat eruit niet kan worden afgeleid dat appellant het vaststaande en ondubbelzinnige voornemen had te berusten in het bestreden vonnis.

Het hoger beroep van appellant is ontvankelijk.
"

Publicatie
tijdschrift: 
niet gepubliceerd
Uitgever: 
intersentia
Pagina: 
224
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

Hof van beroep Brussel

Arrest

8e kamer, burgerlijke zaken

VA,wonende te X

appellant,
die niet verschijnt, noch iemand voor hem;

tegen

1. RES CVBA,met maatschappelijke zetel te 3000 LEUVEN, Mercatorpad 9,

2. RES PREPAID BVBA,met maatschappelijke zetel te 3000 LEUVEN, Mercatorpad 9,

geïntimeerden,

Het hoger beroep is gericht tegen een vonnis d.d. 2 mei 2017 dat door de voorzitter van de rechtbank van koophandel-te Leuven, zetelend als kortgedingrechter werd uitgesproken.

Het vonnis werd betekend aan appellant op 15 juni 2017.

Het verzoekschrift tot hoger beroep werd neergelegd op de griffie van het hof op 2 juni 2017.

I.. Relevante feiten

1. De relevante feiten van het geschil worden op oordeelkundige en volledige wijze samengevat in het bestreden vonnis door de eerste rechter. Het hof beaamt deze uiteenzetting die wordt geacht hier te zijn hernomen.

II. Voorwerp van het hoger beroep

2. In het bestreden vonnis van 2 mei 2017 wordt het volgende geoordeeld:

"Verklaren de vordering van (geïntimeerden) toelaatbaar en gegrond zoals hierna bepaald:

Stellen vast dat (appellant) zich schuldig maakt aan een inbreuk op art. V/.100,4° WER, art. Vl.104, art. Vl.105, 1° en 2° WER en X//.13 WER:

waarbij (appellant) de voorstelling geeft dat hij rechtstreeks dan wel voor een op te richten vennootschap diensten kan leveren met betaling gedeeltelijk of volledig in RES 'op grond van art. 1690 B. W.~ hoewel (appellant) geweigerd werd als RES-lid en het voor (appellant) niet toegestaan is om transacties uit te voeren binnen het gesloten netwerk van RES-leden;

door het bewust aanzetten tot het omzeilen van het systeem en het in diskrediet brengen van de werkbaarheid van het RES-systeem, de administratie van (geïntimeerden) en door de integriteit van het volledige RES-ledennetwerk te bedreigen;

door het misleiden van de leden over zijn hoedanigheid ('promotor van ADOPONT') en de mogelijkheid tot betaling van zijn diensten in RES, en door tevens het RES PREPAID product in diskrediet te brengen, evenals het bestuur van (geïntimeerden);

door het doelgericht aanschrijven van RES-leden per elektronische post met reclame van zijn diensten, dit zonder enige toestemming van deze RES-leden of van (geïntimeerden), zonder vermelding van duidelijke gegevens omtrent de onderneming of persoon die : de reclame stuurt, noch vermelding dat de bestemmeling kan vragen om uit de mailing list verwijderd te worden;

Bevelen dienvolgens het stopzetten van deze inbreuken onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro voor iedere inbreuk, gepleegd door (appellant) in strijd met het tussen te komen stakingsbevel, al dan niet rechtstreeks of door gebruik van stromannen en/of vennootschapsstructuren, hetzij telefonisch, hetzij per elektronische drager, per individuele bestemmeling en per dag, dit binnen de 24u vanaf de betekening van huidige beschikking;

Leggen in toepassing van artikel XV/1.9 WER aan (appellant) het verbod op om op enige wijze in de toekomst RES-leden te benaderen zonder hun voorafgaandelijke toestemming en om reclame te maken voor diensten waarbij betaling in RES, al dan niet rechtstreeks, zou worden toegestaan, dan wel om RES-leden aan te sporen tot inbreuken op de wet of het huishoudelijk reglement van de CVBA RES, dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro voor iedere inbreuk, gepleegd door (appellant) in strijd met het tussen te komen stakingsbevel, al dan niet rechtstreeks of door het gebruik van stromannen en/of vennootschapsstructuren, hetzij telefonisch, hetzij per elektronische drager, per individuele bestemmeling en per dag, dit binnen 24u van de betekeningen van huidige beschikking;

Beveelt, in toepassing van artikel XV/1.6 WER, door toedoen van de griffier, de mededeling van deze uitspraak aan de Minister van Economie en Consumenten;

Veroordelen (appellant) tot betaling van de gerechtskosten in hoofde van geïntimeerden( ... )"

3. In zijn conclusies neergelegd ter griffie op 7 augustus 2017 vordert appellant het bestreden vonnis te hervormen, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en hen ervan af te wijzen, in ondergeschikte orde te "motiveren waarom eiser in hoger beroep niet kan gebruik maken van art 60 W. Venn.11, en geïntimeerden te veroordelen in de kosten van het geding, aan de zijde van appellant begroot op 210 euro rolrecht hoger beroep.

In zijn "conclusies 748bis GER.W." neergelegd_ ter griffie op 27 november 2017 vordert appellant "de oorspronkelijke vordering onontvankelijk te verklaren omdat het kort geding enkel tussen handelaars kan gaan".

4. Geïntimeerden verzoeken het hoger beroep van appellant onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

Zij stellen incidenteel beroep in in zoverre het bestreden vonnis in hoofde van appellant geen inbreuk heeft weerhouden op artikel 111.17 WER.

Tevens stellen zij een vordering in wegens tergend en roekeloos hoger beroep en vragen zij appellant te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 15.000 euro.

III. Beoordeling

5. Geïntimeerden voeren aan dat het hoger beroep van appellant onontvankelijk is

omdat hij heeft berust in het bestreden vonnis. Appellant heeft op het webform www.politics.be een discussieonderwerp gestart onder de noemer "gaan wiskunde en recht toch samen"? Op dit forum, dat een publiek forum is, geeft appellant alle details van het geschil en rapporteert hij over de evolutie ervan. Op 5 mei 2017 postte hij het volgende bericht:

"De rechtbank heeft duidelijk niet geantwoord op mijn neergelegde stukken. Daardoor ben ik enkel veroordeeld voor spam (terecht) en kan ik rustig verder handel drijven binnen RES op grond van mijn fiduciaire overdracht en op grond van BW 1690. Daarom ga ik niet in beroep. Dit noemt men een Pirius (onze Griekse haven) overwinning".

Het hof overweegt als volgt ..

Op het eerste gezicht kan uit deze paragraaf worden afgeleid dat appellant heeft berust in het bestreden vonnis. Anderzijds zijn de stellingen die appellant publiceert op de voor het publiek toegankelijke pagina's dermate verwarrend en onsamenhangend, dat eruit niet kan worden afgeleid dat appellant het vaststaande en ondubbelzinnige voornemen had te berusten in het bestreden vonnis.

Het hoger beroep van appellant is ontvankelijk.

6. Appellant voert aan dat hij als promotor van een maatschappij in oprichting heeft gehandeld, meer bepaald de commerciële maatschap Adopont. Deze commerciële maatschap is opgericht op 9 mei 2017 en heeft alle verbintenissen en handelingen die appellant als promotor sinds 1 januari 2017 heeft aangegaan, overgenomen. Artikel 60 W. Venn. vindt toepassing. De terugwerkende kracht van de overname heeft tot gevolg dat de vennootschap retroactief procespartij wordt vanaf het begin van de procedure. Bijgevolg heeft de eerste rechter de verkeerde persoon veroordeeld. ·

7. Het hof overweegt als volgt.

Artikel 60 W. Venn. luidt als volgt: "Tenzij anders is overeengekomen, zijn zij die in naam van een vennootschap in oprichting en vooraleer deze rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, in enigerlei hoedanigheid een verbintenis hebben aangegaan, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk, behalve wanneer de vennootschap binnen twee jaar na het ontstaan van de verbintenis het in artikel 68 bedoelde uittreksel heeft neergelegd en zij bovendien die verbintenis binnen twee maanden na voormelde neerlegging heeft overgenomen. In dit laatste geval, wordt de verbintenis geacht van het begin af door de vennootschap te zijn aangegaan."

Dit artikel is enkel van toepassing op vennootschappen met rechtspersoonlijkheid. Een commerciële maatschap is een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (artikel 46 V.Venn.). Aangezien de vennootschap Adopont een commerciële maatschap is - in zoverre deze maatschap al daadwerkelijk bestaat-, kan artikel 60 W. Venn. in onderhavig geding niet worden toegepast. Het is dan ook zinloos te onderzoeken of de voorwaarden voor de toepassing ervan zijn voldaan. Het is evenmin ter zake dienend om uit te wijden over de draagwijdte en de gevolgen van een overname van ~en verbintenis als bedoeld in artikel 60 W. Venn.

Adopont heeft als commerciële maatschap gèen rechtspersoonlijkheid. Zij is geen rechtspersoon. Alle middelen van appellant die uitgaan van de verkeerde premisse dat Adopont een rechtspersoon is, dienen derhalve te worden verworpen.

7. Zelfs indien de door appellant aangegane verbintenissen op de een of andere grond zouden zijn overgenomen door een persoon in wiens naam appellant optrad, dan nog blijft appellant persoonlijk aansprakelijk voor de verbintenissen die in onderhavig geding aan de orde zijn. Geïntimeerden verwijten appellant immers inbreuk te hebben begaan op de eerlijke marktpraktijken en derhalve zich schuldig: te hebben gemaakt aan onrechtmatige daad. Voor deze onrechtmatige daden die appellant heeft begaan, blijft hij persoonlijk aansprakelijk ten aanzien van geïntimeerden, ook al zou dit onrechtmatig handelen aan een persoon in wiens naam appellant optrad, kunnen worden toegerekend. Toerekening impliceert immers niet de opslorping van de aansprakelijkheid.

8. Appellant voert zelf aan dat hij is opgetreden als zaakwaarnemer en dat zijn daden een commercieel karakter hadden (conclusies 748bis Ger.W. van appellant). Hij had dan ook een inschrijving moeten nemen in de Kruispuntbank van Ondernemingen (artikel 111.49 WER). Dit heeft hij echter nagelaten te doen. Dat hij ook bediende/gepensioneerde zou zijn geweest ten tijde van het stellen van de commerciële daden, doet geen afbreuk aan deze verplichting.

Het incidenteel beroep van geïntimeerden is derhalve gegrond in zoverre zij vorderen vast te stellen dat appellant zich schuldig maakt aan het drijven van handel en het maken van reclame zonder enige inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen en aldus handelt in strijd met artikel 111.17 WER.

9. In het dispositief van hun aanvullende en syntheseconclusie in beroep hernemen geïntimeerden hun vordering zoals ingesteld in eerste aanleg.

Deze vordering werd in het bestreden vonnis grotendeels toegekend. Wat de afgewezen vordering betreffende de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen betreft, beslist het hof het vonnis te hervormen.

Geïntimeerden hernemen ook de dwangsom van 5.000 euro per vastgestelde inbreuk en· de vordering tot publicatie van het tussen te komen 'vonnis'. In het bestreden vonnis wordt de dwangsom vastgesteld op 1.000 euro per inbreuk en wordt de vordering tot publicatie afgewezen. Aangezien geïntimeerden geen enkel middel aanvoeren waarom het bestreden vonnis op deze twee punten dient te worden hervormd, wijst het hof geïntimeerden op dit vlak af van hun vordering.

10. Wat de vordering van geïntimeerden inzake tergend en roekeloos hoger beroep

betreft, overweegt het hof als volgt.

Het instellen van een rechtsmiddel is een recht dat slechts foutief wordt uitgeoefend indien dit op een kwaadwillige of lichtzinnige wijze gebeurt, of met het oogmerk om te schaden.

In voorliggend geval is dit niet zo, zelfs indien het hoger beroep ongegrond wordt bevonden. Bovendien heeft dit aan geïntimeerden de mogelijkheid geboden om zelf incidenteel beroep in te stellen.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk,

Verklaart het hoger beroep volledig ongegrond,

Verklaart het incidenteel beroep gedeeltelijk gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis enkel in die mate dat het geen inbreuk in hoofde van appellant heeft weerhouden op artikel 111.17 WER, en bevestigt het voor het overige,

Stelt vast dat appellant zich schuldig maakt aan het drijven van handel en het maken van reclame zonder enige inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen en aldus handelt in strijd met artikel 111.17 WER,

Beveelt appellant de -staking van deze inbreuk onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro voor iedere inbreuk vanaf de betekening van onderhavig arrest,

Verklaart de vordering van geïntimeerden wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep vastgesteld in zijn hoofde op 210 euro + 20 euro begrotingsfonds,

Veroordeelt appellant tot het betalen aan geïntimeerden van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro voor de procedure in graad van hoger beroep.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke achtste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 23 januari 2018 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 01/02/2018 - 14:50
Laatst aangepast op: do, 01/02/2018 - 14:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.