-A +A

Beroepsgeheim politieagent relatief

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 19/06/2013

Een politieambtenaar is gehouden tot het beroepsgeheim. Maar wanneer een politieagent een voorgenomen alcoholcontrole kenbaar maakt, waarbij hij zelf geen deel van uitmaakt, maakt hij zich niet schuldig aan schending van zijn beroeps- of ambtsgeheim, aangezien dit geheim niet ingesteld is ten voordele van de korpsen waartoe de officieren van gerechtelijke politie behoren of van het gerecht, maar van de rechtsbedeling en dus van de burgers.

Let wel er zou zeker sprake zijn van een schending van het beroepsgeheim indien de politieagent een alcoholcontrole of andere verkeerscontrole kenbaar zou maken waaraan de agent zelf deelneemt, of wanneer de politieagent informatie zou vrijgeven over een voorgenomen onderzoeksdaad of opsporing of vattingsdaad ten aanzien van eenbepaalde persoon.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
141
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie t/ G.M.

Ten laste gelegde feiten

...

Als inspecteur van politie, verbonden aan de Lokale Politie zone X, terwijl hij uit hoofde van zijn staat of beroep kennis droeg van geheimen, deze bekendgemaakt te hebben buiten het geval dat hij geroepen was om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hem verplichtte dit geheim bekend te maken.

...

Uit stuk 28 blijkt dat beklaagde werkzaam was bij de interventieploeg (aanvang dienst 21 uur en einde dienst 7 uur). Hij verzond een sms-bericht tijdens zijn dienst naar veertien bestemmelingen. De tekst van het sms-bericht luidde: “Vandaag is er alcohol- en autocontrole in heel de zone. Het is maar dat je het weet he bobby’s! Nog tot 5 u morgenvroeg”.

Uit het gsm-retro-onderzoek blijkt niet dat beklaagde kennis kreeg van enige WODCA-actie via een aan hem verzonden sms-bericht van om het even welke persoon of instelling.

De zogenaamde WODCA-controle vond plaats van 21 u op 23 januari 2010 tot 5 u op 24 januari 2010. Uit geen enkel element blijkt dat beklaagde deelnam aan de WODCA-controle.

Art. 131 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus is bepaald: “Het statuut van de politieambtenaren waarborgt het beroepsgeheim en het bevat een discretieplicht. Het is de politieambtenaren verboden, zelfs na het beëindigen van hun ambt, die gegevens bekend te maken die betrekking hebben op ’s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privéleven. Dit verbod geldt bovendien voor gegevens die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen”.

Het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten bepaalt in art. III.III.1: “Onverminderd de artikelen 123 tot en met 133 van de wet en onverminderd de wettelijke en reglementaire voorschriften inzake het beroepsgeheim en het geheim van het onderzoek, heeft het personeelslid het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt”.

Art. 33, 34 en 37 van de Deontologische code van 10 mei 2006 (KB van 10 mei 2006) bepalen onder meer:

“D. Recht van meningsuiting – Beroepsgeheim

“Art. 33 Met inachtneming van punt 34, heeft het personeelslid het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan het kennis heeft uit hoofde van zijn ambt.

“Binnen die perken kan het personeelslid vrij spreken en publiceren.

“Art. 34 Bij de uitoefening van hun recht op vrije meningsuiting over de feiten waarvan ze kennis krijgen tijdens de uitoefening van hun functie nemen de personeelsleden de deontologische principes in acht, inzonderheid de algemene en specifieke wettelijke en reglementaire voorschriften inzake het beroepsgeheim, het geheim van het onderzoek en de discretieplicht.

“Het is de personeelsleden verboden, zelfs na het beëindigen van hun ambt, de gegevens bekend te maken die betrekking hebben op ’s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en vrijheden van de burger, en in het bijzonder het privéleven. Dit verbod geldt bovendien voor gegevens die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen.

“Art. 37 Elk personeelslid dat beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek, is tot geheimhouding verplicht. Onverminderd de leer van het gedeeld beroepsgeheim, kan een afwijking ter zake worden toegestaan door de procureur-generaal, de procureur des Konings, de onderzoeksrechter of elke door de wet aangeduide instantie”.

Ten aanzien van het plaatshebben van de WODCA-controle in de nacht van 23 op 24 januari 2010 blijkt uit geen enkel gegeven dat beklaagde deelnam aan die controle. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens is niet aangetoond dat beklaagde kennis had van de zogenaamde WODCA-controle doordat hij tijdens die controleactie als lid van een interventieploeg had moeten tussenkomen.

Beklaagde had wel kennis van het plaatshebben van de WODCA-controle uit hoofde van zijn beroep, met name doordat hij daarvan kennis had als lid van een interventieploeg.

Art. 28quinquies, § 1, eerste lid Sv. bepaalt: “§ 1. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het opsporingsonderzoek geheim. Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het opsporingsonderzoek, is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek”.

Het loutere feit van het kennis dragen van het gegeven dat een WODCA-controle plaatsheeft, zonder aan die controle deel te nemen, en het plaatsvinden van deze controle doorgeven aan derden, die geen lid zijn van de politie, schendt het geheim van een opsporingsonderzoek niet. Uit niets blijkt dat met betrekking tot die WODCA-controle een gerechtelijk onderzoek gaande was.

Art. 458 Sw. beschermt geen principes, maar concrete belangen van individuele rechtssubjecten. Bij gebrek aan rechtssubjecten die rechtstreeks door de betwiste uitlatingen in hun belangen worden gekrenkt, kan geen schending van het beroepsgeheim worden vastgesteld. Slechts de bekendmaking van persoonsgebonden informatie kan worden bestraft via art. 458 Sw.

Een politieambtenaar die interne niet-persoonsgebonden informatie bekendmaakt, is niet strafbaar wegens een schending van zijn beroeps- of ambtsgeheim, aangezien dit geheim niet ingesteld is ten voordele van de korpsen waartoe de officieren van gerechtelijke politie behoren, of van het gerecht, maar van de rechtsbedeling en dus van de burgers.

Het feit dat beklaagde de voormelde gegevens meedeelde in een sms-bericht aan enkele van zijn kennissen, maakt eventueel een schending uit van zijn discretieplicht, waarover het hof evenwel niet te oordelen heeft.

Beklaagde dient te worden vrijgesproken.

...

Noot: 

Luc HuybrechtsInformatie over de door de politie voorgenomen auto- of alcoholcontrole: beroepsgeheim of discretieplicht? (not onder de publicatie van voormeld arrest in het RW 2014-2015, 141

Overige rechtsleer

• J. Leclercq, “Secret professionnel” Novelles, Droit pénal, IV, Brussel, Larcier, 1989

• L. Huybrechts, “Het ambtsgeheim van de politieman en het publiek feit” (noot onder Brussel 20 december 1988), RW 1988-89, 1333-1335

• G. Bourdoux en O. Mazy, “Secret professionnel et police: questions choisies”, Rev.dr.pén. 2010

• A. Pavoncelli, Het politioneel tuchtrecht. Noot in een hervorming of nood aan hervorming, lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/.../RUG01-002060892_ 2013_0001_AC.pdf

Aanvullende commentaar

• Art. 28quinquies, § 1 en art. 57, § 1 Sv. bepalen dat zowel het opsporings- als het gerechtelijk onderzoek, behalve de wettelijk bepaalde uitzonderingen, geheim zijn en dat eenieder die hieraan beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen, tot geheimhouding is verplicht; hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in art. 458 Sw. De wet slaat op elke persoon die uit hoofde van hun beroep betrokken worden bij het strafrechtelijk vooronderzoek, onder wie vanzelfsprekend ook de politiebeambten (R. Verstraeten, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, nr. 746; C. Van den Wyngaert, m.m.v. S. Vandromme en B. De Smet, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2011, 562; M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 448; H. Bosly, D. Vandermeersch en M. Beernaert, Droit de la procédure pénale, Brugge, La Charte, 2010, 324-325).

Het geheim van het strafrechtelijk vooronderzoek heeft als doel:

– de facilitering van het onderzoek en de vrijwaring van de bescherming ervan tegen de druk van de openbare opinie;

– de bescherming van de verdachte tegen laster;

– de bescherming tegen de schandaal- en sensatiezucht van een bepaalde pers, van het publiek tegen de sensatiepers en de schandaalzucht,(M. Franchimont, A. Jacobs en A. Masset, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012., 447).

Het geheim van het strafrechtelijk vooronderzoek is brederveel dan het beroepsgeheim ( 458 Sw)

Bron: Luc Huybrechts, o.c. in hogervermelde noot.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 22/09/2014 - 21:53
Laatst aangepast op: ma, 22/09/2014 - 21:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.