-A +A

Berging zeeschip - wie betaalt de kosten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 13/01/2017
A.R.: 
C.16.0219.N-C16.0220.N

Indien de overheid beslist om ambtshalve tot de berging over te gaan, kan zij krachtens artikel 15 Wrakkenwet, vooraf, van de eigenaar of de aansprakelijke derden eisen om de som voor te schieten die zij voldoende acht om de kosten van de berging te dekken; in dat geval mag, volgens artikel 15, tweede lid, het van de eigenaar van het gestrande of gezonken vaartuig gevorderde bedrag niet meer bedragen dan waartoe de eigenaar zijn aansprakelijkheid kan beperken op grond van artikel 18 van de wet.

In geval van aansprakelijkheidsbeperking in overeenstemming met artikel 18 Wrakkenwet, kan de overheid de scheepseigenaar niet verplichten om over te gaan tot de berging van het vaartuig.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.16.0219.N
ONEGO SCHIPPING & CHARTERING B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3161 ED Rhoon (Nederland), Spui 24,
eiseres,
tegen
1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor Be-strijding van de sociale fraude, privacy en Noordzee, met kabinet te 1000 Brussel, Financiëntoren, Kruidtuinlaan 50/155, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, met kantoor te 1000 Brussel,
Financiëntoren, Kruidtuinlaan 50/175,
verweerder,

2. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van haar Voorzitter, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van mo-biliteit, openbare werken, Vlaamse rand, toerisme en dierenwelzijn, met kabi-net te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7,

3. VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse rege-ring, in de persoon van haar voorzitter, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van binnenlands bestuur, inburgering, wonen, gelijke kansen en armoede-bestrijding, met kabinet te 1000 Brussel, Arenbergstraat 7,
verweerders,

in aanwezigheid van
1. FLINTERSTAR III BV, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 2993 LV Barendrecht (Nederland), Krakau 3, met keuze van woonplaats bij mr. André Kegels, advocaat, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechel-sesteenweg 196,
2. FLINTER SHIPPING BV, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 2993 LV Barendrecht (Nederland), Krakau 3, met keuze van woonplaats bij mr. André Kegels, advocaat, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechel-sesteenweg 196,
3. FLINTER GROEP BV, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 2993 LV Barendrecht (Nederland), Krakau 3, met keuze van woonplaats bij mr. André Kegels, advocaat, met kantoor te 2018 Antwerpen, Mechel-sesteenweg 196,
partijen opgeroepen in gemeenverklaring van het tussen te komen arrest.

II
Nr. C.16.0220.N
1. FLINTERSTAR III B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 2993 LV Barendrecht (Nederland), Krakau 3,
2. FLINTER SHIPPING B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 2993 Barendrecht (Nederland), Krakau 3,
3. FLINTER GROEP B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 2993 Barendrecht (Nederland), Krakau 3,
eiseressen,
tegen
1. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor Be-strijding van de Sociale Fraude, Privacy en Noordzee, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/155,
verweerder,
2. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaars-plein 7,
3. VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse rege-ring, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inbur-gering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, met kabinet te 1000 Brussel, Arenbergstraat 7,
verweerders,
in aanwezigheid van
ONEGO SHIPPING & CHARTERING B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3161 ED Rhoon (Nederland), Spui 24,
tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 22 februari 2016.

II. CASSATIEMIDDELEN
In de zaak C.16.0219.N voert de eiseres in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan.
In de zaak C.16.0220.N voeren de eiseressen in hun verzoekschrift dat aan dit ar-rest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Voeging

1. De beide cassatieberoepen zijn gericht tegen hetzelfde arrest zodat zij die-nen te worden gevoegd.

B. Zaak C.16.0219.N

Vijfde middel

Eerste onderdeel

2. Op grond van artikel 13 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeu-ring en uitvoering van diverse internationale akten inzake zeevaart (hierna: Wrakkenwet) kan de overheid, de eigenaar of de bevrachter, van een vaartuig dat aan de grond gelopen of gezonken is, verplichten dit vaartuig vlot te brengen en te verwijderen. De overheid kan hiertoe ook ambtshalve overgaan op risico van de eigenaar en van de aansprakelijke derden in de gevallen bedoeld in artikel 14 van deze wet.

Indien de overheid beslist om ambtshalve tot de berging over te gaan, kan zij krachtens artikel 15 Wrakkenwet, vooraf, van de eigenaar of de aansprakelijke derden eisen om de som voor te schieten die zij voldoende acht om de kosten van de berging te dekken. In dat geval mag, volgens artikel 15, tweede lid, het van de eigenaar van het gestrande of gezonken vaartuig gevorderde bedrag niet meer be-dragen dan waartoe de eigenaar zijn aansprakelijkheid kan beperken op grond van artikel 18 van de wet.

3. Krachtens artikel 18 kan de eigenaar van een zeeschip, die op grond van ar-tikel 16, schuldenaar is van de betaling van de kosten, daarbij zijn aansprakelijk-heid beperken tot de in die bepaling vermelde bedragen. Ingevolge artikel 18, vierde lid, is de aansprakelijke eigenaar niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken als bewezen is dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat zodanige schade er waarschijnlijk zou uit voortvloeien.

4. Uit deze bepalingen volgt dat in geval van aansprakelijkheidsbeperking in overeenstemming met artikel 18, de overheid de scheepseigenaar niet kan ver-plichten om over te gaan tot berging van het vaartuig.

5. De appelrechters die oordelen dat uit artikel 13 voortvloeit dat de scheepsei-genaar kan verplicht worden tot de verwijdering van het vaartuig ook al heeft deze zijn aansprakelijkheid beperkt overeenkomstig artikel 18, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

C. Zaak C.16.0220.N

Eerste onderdeel

6. De grieven komen overeen met deze van het eerste onderdeel van het vijfde middel in de zaak C.16.0219.N zodat het onderdeel gegrond voorkomt.

Dictum

Het Hof,

Voegt de zaken C.16.0219.N en C.16.0220.N.

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.
Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partijen.
Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, en in openbare rechtszitting van 13 januari 2017 uitgesproken 

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR: 1. De vennootschap naar vreemd recht FLINTERSTAR III BV "Care of Flinter Shipping BV" met adres te Krakau 3, 2993 LV, Ba-rendrecht, Nederland,

2. De vennootschap naar vreemd recht FLINTER SHIPPING BV met adres te Krakau 3, 2993 LV, Barendrecht, Nederland,

3. De vennootschap naar vreemd recht FLINTER GROEP BV, met adres te Krakau 3, 2993 LV, Barendrecht, Nederland,

eiseressen in cassatie,

bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan,

 

TEGEN: 1. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatsse-cretaris voor Bestrijding van de Sociale Fraude, Privacy en Noordzee, met kantoor de 1060 Brussel, Victor Hortaplein 40, bus 10,

2. Het VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse rege-ring, voor wie thans optreedt, de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7,

3. De VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie thans optreedt, de Vlaamse Minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke kansen en armoe-debestrijding, met kabinet te 1000 Brussel, Arenbergstraat 7,

verweerders in cassatie,

 

IN AANWEZIGHEID VAN:

de vennootschap naar vreemd recht ONEGO SHIPPING & CHAR-TERING BV, met adres te Spui 24, 3161 ED Rhoon Nederland,

tot bindendverklaring van arrest opgeroepen partij, 

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter van het Hof van Cassatie,

Aan de Dames en Heren Raadsheren in het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseressen hebben de eer een arrest aan Uw beoordeling voor te leggen dat op tegenspraak tussen de partijen op 22 februari 2016 werd uitgesproken door de zevende kamer van het Hof van Beroep te Gent (A.R. nr.2015/RK/41 en 2015/RK/42).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Op 6 oktober 2015, om 03.57 uur LT, heeft zich voor de kust van Zee-brugge ter hoogte van de boei S3 een aanvaring voorgedaan tussen het afvarende ms. Flinterstar en het opvarende ms. Al Oraiq. Het ms. Al Oraiq komt doorvaren naar Zeebrugge. Het ms. Flinterstar daarentegen had teveel averij en werd op een zandbank net buiten de vaarroute neergezet. Onego Shipping & Chartering BV (hierna Onego) was de bevrachter.

2. Op verzoek van verweerders van 7 oktober 2015 tot het stellen van een waarborg hebben eiseressen een beperkingsfonds opgericht. Bij beschikking van 14 oktober 2015 gewezen door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen werden eiseressen toegelaten tot de vorming van een Wrakkenfonds. Bij beschikking van 16 oktober 2015 heeft de voorzitter vervolgens de vorming van het fonds vastgesteld welke beslissing werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 oktober 2015. Deze beschikkingen gingen in kracht van ge-wijsde. De overheid heeft vorderingen in dit limitatiefonds (Wrakkenfonds) ge-steld.

3. Door de eigenaars van het ms. Al Oraiq werd een garantie van ruim euro 40.000.000 verstrekt ten gunste van de Overheid.

4. Bij dagvaarding van 16 oktober 2015 vorderde eerste verweerder dat eiser-essen en Onego zouden worden veroordeeld om het wrak te bergen. Tweede en derde verweerders zijn vrijwillig tussengekomen in deze kort gedingprocedure.

5. Bij beschikking van 8 december 2015 van de afdelingsvoorzitter van de rechtbank van koophandel te Gent, afdeling Brugge, werd het volgende beslist:

"Ontvangt de vordering en verklaart ze gegrond in volgende mate,
beveelt de verwerende partijen: (Eiseressen) en Onego Shipping & Char-tering BV (...) in solidum om over te gaan tot berging van de Ms FLIN-TERSTAR, doch alvorens verder recht te doen,

Nodigt de deskundige Kapitein Marc SEYNAEVE uit ter zitting van dinsdag 15 december 2015 om 15:00 uur, teneinde hem uitleg te horen verschaffen over de stand van de expertiseverrichtingen met betrekking tot de organisatie en de coördinatie van de berging van het zeeschip FLIN-TERSTAR;
houdt inmiddels de beslissing nopens de gedingkosten aan."

6. Tegen deze beschikking werd hoger beroep aangetekend bij verzoekschrift van 14 december 2015, respectievelijk dagvaarding van 17 december 2015, door ONEGO SHIPPING & CHARTERING BV, respectievelijk eiseressen.

7. Bij arrest van 22 februari 2016 verklaart de zevende kamer van het hof van beroep te Gent het hoger principaal en het incidenteel beroep toelaatbaar, maar enkel het incidenteel hoger beroep van eerste verweerder gegrond in de volgende mate:

- bevestigt het bestreden vonnis, voor zover het (eiseressen) en Onego Shipping & Chartering bv, vennootschap naar buitenlands recht, in soli-dum veroordeelt om over te gaan tot berging van het ms. Flinterstar;
- doet verder recht;
- beveelt dat daartoe binnen de twee en een halve maand na de dag van betekening van het huidige arrest een overeenkomst zal gesloten worden met een onderneming, die deze taak kan uitvoeren volgens de regels van de kunst, onder verbeurte van een dwangsom van euro 300.000 per dag ver-traging, te verbeuren ten nadele van (eiseressen en Onego Shipping & Chartering bv) in solidum;
- zegt voor recht dat dit tussenarrest uitgevoerd zal worden onder verdere supervisie en begeleiding van Kapitein Marc Seynaeve van de Nautische Commissie bij de rechtbank van koophandel te Antwerpen;
- alvorens verder een tijdschema van de werkzaamheden en de plaats waar het gelichte schip naartoe gebracht moet worden te bepalen, roept Kapi-tein Marc Seynaeve op om hierover gehoord te worden op de zitting van 14 maart 2016 om 15:40 uur voor een duur van 30 minuten;
- houdt de beslissing omtrent de kosten aan.

8. Tegen dit arrest komen eiseressen op met het volgende middel tot cassatie.

 

 

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

• artikel 149 van de Grondwet;
• de artikelen 1108, 1109, 1111, 1112 en 1134 van het Burgerlijk Wet-boek
• de artikelen 23 tot 28, 584 en 1039 van het Gerechtelijk Wetboek;
• de artikelen 1, 2, 6, 7, 11, 12, 13, 14, 15 van het Internationaal Verdrag betreffende de beperking van aansprakelijkheid inzake zeevorderin-gen, opgemaakt te Londen op 19 november 1976, goedgekeurd bij Wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diver-se internationale akten inzake de zeevaart, hierna het LLMC-Verdrag genoemd;
• de artikelen 12 tot 18 van de Wet van 11 april 1989 houdende goed-keuring en uitvoering van diverse internationale akten inzake de zee-vaart (hierna de Wrakkenwet);
• artikel 47 van de Zeewet die boek II van het Wetboek van Koophandel vormt.

Aangevochten beslissing

De appelrechters bevestigen de beroepen beschikking voor zover deze ei-seressen en Onego Shipping & Chartering bv, vennootschap naar buitenlands recht, in solidum veroordeelt om over te gaan tot berging van het ms. Flinterstar:
- doet verder recht;
- beveelt dat daartoe binnen de twee en een halve maand na de dag van betekening van het huidige arrest een overeenkomst zal gesloten worden met een onderneming, die deze taak kan uitvoeren volgens de regels van de kunst, onder verbeurte van een dwangsom van euro 300.000 per dag vertraging, te verbeuren ten nadele van eiseressen en Onego Shipping & Chartering bv in solidum.

Deze beslissing steunt op de volgende overwegingen:

"De uitspraak bij voorraad

23. Krachtens artikel 1039, eerste lid Ger. Wb. brengen de beschikkingen in kort geding geen nadeel toe aan de zaak zelf.

Het voorlopig karakter van het huidige geding is niet gelegen in de berging op zich, maar wel in de aanduiding van de rechtspersoon die voor de berging instaat, zowel op het vlak van de organisatie en de uitvoering, als op het vlak van de prefinanciering. De rechtspositie van de partijen wordt hier niet definitief bepaald.

Om die reden worden de middelen van Flinter en Onego die op de schen-ding van artikel 1039 Ger. Wb. gebaseerd zijn, verworpen.

De ogenschijnlijke rechten en de belangenafweging

24. Terecht motiveerde de eerste rechter zijn beschikking als volgt:

"Volgende bepalingen van de Wet van 11 april 1989 (B.S., 6 oktober 1989) houdende goedkeuring en uitvoering van diverse internationale Akten inzake de zeevaart zijn relevant

Art. 12:
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° eigenaar van het vaartuig: de eigenaar, de bevrachter en de reder van een vaartuig, alsmede degene in wiens handen de exploitatie daarvan is gelegd.
2° scheepvaartweg: de waterweg die gewoonlijk door de scheepvaart wordt gebruikt.
3° overheid: de openbare overheid of haar gemachtigde zoals vermeld in het politie of scheepvaartreglement voor de scheepvaartweg, de ha-ven of de territoriale zee.

Art. 13:
De eigenaar, de kapitein of de schipper van een vaartuig dat aan de grond gelopen of gezonken is, moet dit vaartuig - met inbegrip van al-les wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, inzonderheid de la-ding - vlot brengen en verwijderen naar de daartoe door de overheid aangewezen plaats.

Het lichten en verwijderen van de lading moet geschieden met inacht-neming van de maatregelen die worden opgelegd door de wetten en reglementen inzonderheid degene die betrekking hebben op de oprui-ming van gevaarlijke of schadelijke stoffen.

De Overheid kan daartoe verplichtingen, ondermeer een termijn op-leggen.
De vorige leden gelden ook ten aanzien van alles wat van op een vaartuig in het water is terecht gekomen.

Wrakken, wrakstukken, gezonken tuigen of voorwerpen moeten volgens dezelfde verplichtingen door hun respectieve eigenaars gelicht en buiten het openbaar domein verwijderd worden.

Bij risico op mogelijke verontreiniging van het maritieme milieu van de territoriale zee of de exclusieve economische zone of in het geval de veiligheid van de scheepvaart in deze mariene zones in gevaar wordt gebracht, heeft de eigenaar van een vaartuig dat aan de grond is gelopen of gezonken is, de verplichting zijn wrak, de wrakstukken, de gezonken tuigen, de lading, de aan boord aanwezige schadelijke stoffen of voorwerpen te lichten en uit het mariene milieu te verwijderen, behoudens indien het achterlaten door de overheid is vergund met toepassing van de artikelen 25 en 26 van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder rechtsbevoegdheid van België.

De uitvoering van de voormelde verplichtingen kan niet worden ver-hinderd door enige beslag- of dwangmaatregel.

Artikel 14:
Als niet voldaan is aan artikel 13 of in spoedgevallen waarover de overheid oordeelt of als de eigenaar, de kapitein of de schipper onbe-kend zijn, kan de overheid ambtshalve en op risico van de eigenaar en van de persoon die aansprakelijk gehouden wordt voor de gebeurtenis waardoor het vaartuig gezonken of gestrand is:

a) een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten vaartuig, daarbij in-begrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, vlot brengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken,

b) de lading van het vaartuig verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken,

c) het reeds geborgen of verwijderde vaartuig, wrak of lading uit de territoriale zee of van het openbaar domein wegruimen,

d) alle andere nodige maatregelen treffen voor de veiligheid, de vrijheid van de scheepvaart, de vrijwaring van het regime van de scheepvaartweg of de instandhouding ervan,

e) alle andere nodige maatregelen treffen ter bescherming van het mariene milieu van de territoriale zee en de exclusieve economische zone tegen mogelijke verontreiniging.

Artikel 15:
Voor elke uitvoering van de in artikel 14 vermelde maatregelen of verrichtingen kan de bevoegde overheid eisen dat de eigenaar of enige persoon van wie de aansprakelijkheid in het geding kan komen of, rechtstreeks, dat de verzekeraar van hun respectieve aansprakelijkheid, haar de som voorschiet die zij voldoende acht om de kosten van die maatregelen of verrichtingen te dekken.

Voor de eigenaar van het gestrande of gezonken vaartuig en voor die van het vaartuig waarvan de aansprakelijkheid in het geding kan ko-men, alsmede voor hun respectieve verzekeraar mag deze som niet meer bedragen dan die waartoe de betrokken eigenaar zijn aanspra-kelijkheid kan beperken op grond van art. 18.

Het voorschieten kan, zonder lasten van de overheid, vervangen wor-den door het stellen van een garantie die de overheid aanvaardbaar en toereikend acht....

De garantie is toereikend ais haar bedrag overeenstemt met de som vermeld in het eerste en het tweede lid...

Artikel 18
De eigenaar van een zeevarend schip, die - op grond van artikel 16 - schuldenaar is van de betaling van de kosten, kan daarbij zijn aan-sprakelijkheid beperken tot de volgende bedragen:..

De verzekeraar van voormelde eigenaar kan zich op dezelfde beper-king beroepen....

Art. 13 Wrakkenwet voorziet, totaal los van elke aansprakelijkheids-verdeling voor de aanvaring dat de eigenaar van het gezonken of ge-strande schip zelf de nodige maatregelen moet treffen om het schip en / of haar lading weer vlot te brengen en te verwijderen. De overheid kan hiervoor zelfs een termijn opleggen. Deze zal veelal veel te kort zijn om inmiddels te laten vaststellen wie uiteindelijk voor het voorval verantwoordelijk was, zodat inmiddels de eigenaar van het gezonken of gestrande vaartuig zelf deze kosten zal dienen voor te schieten (zie o.m. I. DE WEERDT, Zeerecht, deel I, European Transport Law Antwerpen 1998, p. 377, nr. 508).

De Wrakkenwet heeft dus een objectieve aansprakelijkheid ingesteld laste ns de eigenaar van het schip.

Anders dan verweerders [Flinterstar en Onego] het willen doen voor-komen, doet de vraag van de overheid om een garantie te stellen con-form de art. 15 en 18 Wrakkenwet, niets af van de mogelijkheid voor de overheid om alsnog een beroep te doen op art. 13 Wrakken wet.

De vraag tot garantiestelling en het inroepen van art. 13 Wrakkenwet gebeurde trouwens quasi gelijktijdig.

De kortgedingrechter die moet oordelen over de vordering van een overheidsinstantie om de eigenaar van een gezonken schip bevel op te leggen om tot berging over te gaan, hoewel reeds een beperkingsfonds werd gesteld, doet geen uitspraak ten gronde en beoordeelt niet defi-nitief de rechtspositie van partijen (Cass. 23 januari 2014, T.B.H. 2014, 882 , noot F. STEVENS: Beperking van aansprakelijkheid vs. verplichte wrakopruiming: cassatie houdt de boot af).

In de toelichting bij de voorziening in cassatie waartoe het arrest van 23 januari 2014 aanleiding gaf had de eiser in cassatie de vraag ge-steld of een scheepseigenaar nog kan veroordeeld worden in kort ge-ding om over te gaan tot berging van zijn gezonken schip, onder ver-beurte van een dwangsom, nadat hij bij beschikking werd toegelaten om een limitatiefonds te vormen en wanneer, zoals in het voorliggende geval, de kosten van de berging meer bedragen dan het bedrag van het beperkingsfonds. De eiseres was immers van oordeel dat dergelijke beslissing onbestaanbaar is met de bestaande wettelijke regeling inzake het beperkingsfonds.

Deze regeling strekt er precies toe de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar te beperken tot het bedrag van het beperkingsfonds. Een veroordeling in kort geding om over te gaan tot berging van het schip, onder verbeurte van een dwangsom, was dan ook onbestaanbaar met de regelgeving inzake het beperkingsfonds, nu de scheepseigenaar zelfs verplicht kan worden meer te betalen dan het beperkingsfonds. Tevens loopt hij het risico het meer betaalde niet te kunnen verhalen, bijvoorbeeld wanneer de rechter ten gronde oordeelt dat een ander aansprakelijk is voor het zinken van het schip. In die omstandigheden brengt een veroordeling in kort geding wel degelijk nadeel toe aan de grond van de zaak. Door in de gegeven omstandigheden eiseres te veroordelen tot berging, overschrijdt de kortgedingrechter dan ook zijn rechtsmacht.

Dat het Cassatiearrest van 23 januari 2014 betrekking had op een be-trokken binnenschip, belet niet dat de principes ook kunnen toegepast worden op de berging van een zeeschip. Voor de zeevaart werd een specifiek beperkingsregime ingesteld door de Wrakkenwet, voor de binnenvaart verklaart art. 273,61,1° Zeewet het LLMC-verdrag van toepassing, hier uitdrukkelijk met inbegrip van litt. D) en e).

Nu de verplichting om op grond van art. 1 3 Wrakkenwet het vaartuig vlot te brengen en te verwijderen, geen definitieve beoordeling van de rechtspositie van de partijen inhoudt, doet de vorming van een limita-tiefonds in toepassing van art. 15 en 18 Wrakkenwet, daaraan geen afbreuk, aangezien de problematiek van de beperking van de aanspra-kelijkheid, het voorwerp zal zijn van een debat ten gronde.

In die optiek kan ook het gezag van gewijsde (art. 27 Ger. W.) van de beschikkingen tot samenstelling van het garantiefonds, de mogelijkheid om art. 1 3 Wrakkenwet toe te passen bij hoogdringendheid niet verhinderen.".

Het [hof van beroep] maakt deze beoordeling tot de zijne en voegt het vol-gende toe.

25. Onego en Flinter werpen op dat minstens sommige onder hen geen eige-naar zijn in de zin van artikel 12,1° Wrakkenwet en dat de vordering bij-gevolg ongegrond is jegens hen.

Deze bepaling definieert "eigenaar" voor de toepassing van het betreffende hoofdstuk van de Wrakkenwet als "de eigenaar, de bevrachter en de reder van een vaartuig, alsmede degene in wiens handen de exploitatie daarvan is gelegd".

Flinterstar III bv is de geregistreerde eigenaar van het schip. Zij is dus de eigenaar in de zin van het geciteerde artikel 12, 1° Wrakkenwet. Het ach-terlaten van het schip ("abandonment") verandert daar niets aan.

Flinter Groep bv is een minderheidsaandeelhouder in Flinterstar III bv. Op basis daarvan is de exploitatie van de gezonken Flinterstar deels in haar handen gelegd, in de zin van het geciteerde wetsartikel.

Flinter Shipping bv is eveneens exploitant in de zin van artikel 12, 1° Wrakkenwet van de gezonken Flinterstar. Het volstaat de openingspagina van haar website erop na te lezen om dit vast te stellen (http://www.ppRproiects.com/directory/flinter-shipping-bv). Zij identificeert zichzelf als de scheepsmanager / commerciële uitbater van 45 schepen. De gezonken Flinterstar behoort daartoe.

Onego, tenslotte, werpt op dat zij de tijdsbevrachter is en daarom niet onder definitie van artikel 12,1° Wrakkenwet valt. De definitie in de Wrakkenwet heeft het over "de bevrachter", zonder een onderscheid te maken naar eventuele soorten bevrachters. De tijdsbevrachter is belast met de commerciële exploitatie van het schip. 

Die is niet uitgesloten van artikel 12,1° Wrakkenwet.

De bepalingen van de bevrachtingsovereenkomst waarnaar Onego verwijst, gelden tussen de partijen en kunnen hier niet aan derden, zoals de Belgische Staat, het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap tegengeworpen worden.

De voorschriften van de Wrakkenwet primeren volgens de hiërarchie der normen op de bepalingen uit het K.B. houdende het Kustvaartreglement, op grond waarvan Onego meent niet bevolen te kunnen worden om het ge-zonken schip te bergen.

Het Bunkerolieverdrag van 23 maart 2001 kan prima facie hoogstens ge-deeltelijk relevant zijn, nu de bunkers nagenoeg volledig verwijderd zijn uit het gezonken schip. Thans dient het schip zelf met de resterende lading verwijderd te worden. Daarop is prima facie de Wrakkenwet van toepas-sing.
Onego argumenteert tenslotte op grond van het Wrakkenverdrag van 18 mei 2007.

Prima facie sluiten de bepalingen van dit Verdrag niet uit dat van Onego, de tijdbevrachter, gevorderd wordt het gezonken schip te lichten en te verwijderen. De opsomming van artikel 1, lid 8 van het Wrakkenverdrag is niet limitatief. Dit artikel vermeldt namelijk: "De exploitant van het schip" is "de eigenaar van het schip of elke andere organisatie of persoon zoals..." (onderlijning door het [hof van beroep]).

Voor zover het [hof van beroep] rechtsmacht zou hebben om na te gaan of artikel 13 Wrakkenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door het omvattende karakter van de term "bevrachter", dient dit niet onderzocht te worden in het kader van het kort geding.
Er is bijgevolg geen enkele grond om de tijdsbevrachter uit te sluiten van het toepassingsgebied van de Wrakkenwet.

Uit dit alles volgt dat het oordeel van de eerste rechter omtrent de aandui-ding van de appellanten als "eigenaar" in de zin van artikel 12,1° Wrak-kenwet terecht is.

26. De aansprakelijkheid voor de schadevaring is hier niet aan de orde, net zo min als de beperking van de aansprakelijkheid. Die betreffen de grond van de zaak. De uitgebreide middelen van Onego en Flinterstar die betrekking hebben op de grond van de zaak worden om die reden niet expliciet be-antwoord.

Hoe dan ook kan op grond van artikel 13 Wrakkenwet van de scheepseige-naar gevorderd worden het gezonken vaartuig vlot te brengen en te ver-wijderen naar een aangewezen plaats. In beginsel kan elke belanghebbende op grond van dit artikel de verwijdering vorderen.

Het laatste lid van artikel 13 Wrakkenwet, dat bepaalt dat de uitvoering van de verplichtingen niet kan worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel, toont de bedoeling van de wetgever aan, om de eigenaar van het schip aansprakelijk te stellen voor het wegruimen van het gezonken vaartuig, ongeacht eventuele maatregelen. Als beslag- of dwangmaat-regelen niet kunnen gelden, dan kunnen argumenten ten gronde, gebaseerd op de aansprakelijkheid en de beperking ervan, dat evenmin.

Een element van de beoordeling is dat niet kan gewacht worden tot over de grond van de zaak (definitief) uitspraak gedaan is, om dan te bepalen wie het wrak moet lichten. Mocht later blijken dat de Belgische Staat en / of het Vlaams Gewest aansprakelijk zouden zijn, dan kan, desgevallend en in kader daarvan of onder de voorwaarden die dan bepaald zouden worden, de gemaakte kosten teruggevorderd worden. Evengoed is het mogelijk dat de kosten dan op een derde verhaald zouden moeten worden. Het is niet aan de kort gedingrechter om aan te geven, laat staan te bepalen op welke rechtsgrond de scheepseigenaar van de overheid of een derde kan terugvorderen.

Krachtens artikel 15, dat verwijst naar artikel 18 van de Wrakkenwet, wordt de beperking van de aansprakelijkheid pas relevant, indien de hypothese van artikel 14 zich stelt. Dit is hier niet het geval; artikel 13 Wrakkenwet is van toepassing.

27. Uit wat voorafgaat (randnummer 26) volgt dat er geen schending van het gezag van gewijsde is van de beslissingen van de Antwerpse fondsenrechter van 14 en 16 oktober 2015.

De bepalingen 13 tot 18 van de Wrakkenwet laten niet toe te besluiten dat de bevoegde overheden, die een waarborg bekomen hebben met het oog op het recupereren van de bergingskosten in geval de scheepseigenaar zelf niet zou overgaan tot het vlot maken en verwijderen, niet meer over de mogelijkheid zouden beschikken om van de scheepseigenaar te vorderen dat zij zelf het gezonken schip licht en verwijdert.

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het stellen van een waarborg of het creëren van een limitatiefonds enerzijds en het daadwer-kelijk beroep doen op de gestelde waarborg anderzijds. Enkel in geval de scheepseigenaar het wrak verwijdert en de bevoegde overheden ook de ge-stelde waarborg opeisen, wordt de scheepseigenaar twee keer aangespro-ken en zou er een schending van het gezag van gewijsde zijn.

Het stellen van een beperkingsfonds is een bewarende financiële maatregel. Deze bewarende maatregel neemt niet weg dat alsnog van de scheeps-eigenaar gevraagd kan worden het gezonken schip vlot te brengen en te verwijderen, ter beveiliging van de scheepvaart en het milieu, in afwachting van een regeling ten gronde omtrent de aansprakelijkheid en dus omtrent de financiële kant van de zaak.

Evenmin wordt afbreuk gedaan aan het beperkingsfonds zelf. De beschik-kingen en het beperkingsfonds blijven bestaan, ongeacht de huidige beslis-sing tot aanduiding van de partij die het wrak dient te bergen.

De verplichting om het gezonken schip te bergen moet niet beperkt worden tot de verplichting om de kost voor de berging te dragen tot wat in het li-mitatiefonds gestort is, nu de beide maatregelen een verschillende wettelijke grondslag hebben: enerzijds artikel 13 Wrakkenwet en anderzijds artikel 18 van dezelfde Wet. Het limitatiefonds op grond van artikel 18 Wrakkenwet kan opgericht worden door de aansprakelijke. zoals bepaald in artikel 16 Wrakkenwet. In het huidige kort geding wordt geen aansprakelijkheid bepaald, zodat met het limitatiefonds geen rekening dient gehouden te worden bij het opleggen van het bergingsbevel.

28. Het argument dat het non bis in idem beginsel geschonden is, is eveneens ongegrond, om de redenen uiteen gezet onder randnummer 27 en zoals hierna samen gevat. Een uitspraak in kort geding en een uitspraak ten gronde hebben een verschillende juridische waarde.

Verder vorderen de Belgische Staat, het Vlaams Gewest en de Vlaamse Gemeenschap geen twee keer hetzelfde door enerzijds een borgstelling te vragen en anderzijds te vorderen dat het wrak gelicht wordt. Beide zijn voorlopige maatregelen, die elkaar niet uitsluiten. Het verzoek om een be-perkingsfonds op te richten volgens de toepasselijke wetgeving is nog geen vraag tot betaling. Uiteindelijk zal een uitspraak over de aansprakelijkheid, met een veroordeling tot betaling, ten gronde moeten volgen, waarbij de voorlopige maatregelen zullen verdwijnen of opgenomen worden in een definitieve regeling.

Terloops (obiter dictum) wordt vermeld dat Flinter en Onego, eens het wrak gelicht en verwijderd is, mogelijks niet zouden dienen te wachten om voor de bevoegde rechter te vorderen dat het gecreëerde fonds opgeheven wordt, met het argument dat het wrak geborgen is.

29. Het vertrouwensbeginsel is evenmin geschonden. De overheid heeft geen rechtmatig vertrouwen gecreëerd, dat zij niets anders zou vorderen, door van Flinter te vorderen dat zij zich borg zou stellen.

Geen enkel stuk van de dossiers laat toe te besluiten dat de Belgische Staat, het Vlaams Gewest of de Vlaamse Gemeenschap hun rechten beperkt zouden hebben, noch dat zij afstand van hun rechten zouden gedaan hebben.

Een persbericht geldt niet als een geschreven afstand van recht. Het volstaat ook niet om een vertrouwen te wekken, waaraan de betrokkene in een aanvaring juridische gevolgen zou kunnen verbinden. In de persmededeling van 16 oktober 2015 van de bevoegde minister is trouwens ook vermeld "Zoals ik reeds meermaals heb gezegd, zullen we als overheid de 'letter of abandonment' van de reder niet klakkeloos aanvaarden. We zullen er alles aan doen om de kosten maximaal te recupereren bij de eigenaar en/of verzekeraar". Verder blijkt nog uit de mededeling dat de overheid enkel haar verantwoordelijkheid genomen heeft om een gevaar voor scheepvaart en milieu zo snel mogelijk te verwijderen, zonder dat daar een beperking van de rechten uit voortvloeit.

De bewoordingen "Mijn opdrachtgevers wensen een borgstelling. Gezien de omvang van de aanvaring en de schadelijke gevolgen ervan, dient de borgstelling gelijk te zijn aan de maximale aansprakelijkheidsdekking van het ms Flinterstar" impliceren niet dat de Belgische Staat, het Vlaams Ge-west en/of de Vlaamse Gemeenschap hun vordering zouden beperken. De overheden hebben onder druk van de omstandigheden gehandeld om de rechten en de belangen van mens en milieu, die zij moet vrijwaren, te handhaven. Een borgstelling behoort daartoe, net als de vraag om het wrak te lichten en net als de waarborg die zij van de "Al Oraiq" vroeg en bekwam voor een euro 40.000.000,00.

Het kan de overheden niet ten kwade geduid worden dat zij onmiddellijk na het incident alle juridische opties open gelaten heeft en gebruikt heeft om te komen tot de opruiming van het schip, de lading en alles wat in zee terecht gekomen is. Zij heeft hierbij niet getalmd.

Om dezelfde redenen is ook het beginsel van de rechtszekerheid niet ge-schonden.

30. Het middel genomen uit de schending van artikel 16, lid 1 Wrakkenwet wordt als ongegrond verworpen.

Artikel 16, lid 1 Wrakkenwet bepaalt:
"Degene die aansprakelijk is voor de gebeurtenis waardoor het vaar-tuig is gezonken of gestrand en - bij gebreke van zulke aansprakelijke - de eigenaar vermeld in artikel 13, is aan de overheid de betaling verschuldigd van de kosten die voor deze overheid voortvloeien uit de ambtshalve, krachtens artikel 14 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen.".

Dit artikel neemt de verplichting van artikel 13 niet weg, net zo min als de mogelijkheid van een belanghebbende, zoals de drie overheden in dit ge-ding, om de toepassing van artikel 13 te vorderen. Dit artikel verwijst naar de hypothese van artikel 14 Wrakkenwet.

31. Door de gegrond verklaring van de vordering tot het vlot brengen en ver-wijderen van de gezonken Flinterstar is er prima facie geen schending van artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. Het huidige bevel vormt geen (quasi-)onteigening.

Ook de toegang tot de rechter van artikel 6.1 EVRM is hier gewaarborgd.
Tenslotte betreft het middel op grond van Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade prima facie de grond van de zaak.

32. Tenslotte en ten overvloede wijst het [hof van beroep] op het volgende in de belangenafweging. Onego en Flinter verwijzen, soms impliciet, naar economische argumenten. Die moeten in evenwicht gebracht worden met het economisch argument dat de scheepvaart, meer bepaald de scheepsei-genaren in dit geval, ook het voordeel van de scheepvaart hebben, bij elke vaart die goed verloopt.

De vordering tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof

33. Prima facie zijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet geschonden. Terecht heeft de eerste rechter beslist dat de tijdsdruk in deze zaak het stellen van prejudiciële vragen niet toelaat.

De gevorderde maatregelen

34. Terecht heeft de eerste rechter de huidige appellanten in solidum het bevel gegeven de Flinterstar vlot te brengen en te verwijderen, gelet op de defi-nitie van "eigenaar" in artikel 12, 1° Wrakkenwet, waaronder alle appel-lanten vallen. De bevoegde overheden kunnen in beginsel alle appellanten aanspreken of ervoor kiezen één van hen het bevel tot vlot brengen en verwijderen te betekenen en pas één of meerdere andere aan te spreken in geval de eerste in gebreke blijft.

35. Er is thans geen grond om de overlegging te bevelen van de overeen-komst(en) die gesloten zijn tussen Flinter of één van deze vennootschappen en de scheepseigenaar(s) van de "Al Oraiq". Aangezien een voorbehoud geen vordering uitmaakt in de zin van de artikelen 12 tot 14 Ger. Wb., wordt dit niet verleend.

36. Teneinde de kans op een volledige berging voor de volgende winter zo hoog mogelijk te houden, gelet op de tijdsdruk en gelet op de reeds uitgevoerde werkzaamheden van Kapitein Seynaeve (stuk 34 van het dossier van Belgische Staat, met zijn e-mail van 22 januari 2016), wordt Kapitein Seynaeve niet voorafgaand aan het opleggen van de hierna bevolen maat-regelen gehoord.

Kapitein Seynaeve wordt wel opgeroepen om zoals hierna bepaald gehoord te worden, alvorens een verder tijdsschema van de werkzaamheden zelf met een dwangsom op te leggen.

37. Om de naleving van de huidige beslissing te waarborgen is het gepast een dwangsom op te leggen zoals hierna bepaald."
(bestreden arrest, blz 16 tot 26, randnummers 23 tot 37)
Aangevoerde grieven

Overeenkomstig artikel 584, 2de lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan de Voorzitter van de Rechtbank van Koophandel bij voorraad uitspraak doen in ge-vallen die hij spoedeisend acht in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel behoren. Overeenkomstig het vierde lid van datzelfde artikel vermag hij onder meer alle nodige maatregelen te bevelen tot vrijwaring van de rechten van hen die de nodige voorzieningen niet kunnen treffen, met inbegrip van de verkoop van roerende goederen die heerloos of verlaten zijn. De rechter in kort geding heeft aldus de rechtsmacht om maatregelen tot bewaring van recht te bevelen indien er een schijn van rechten is die het nemen van een beslissing verantwoordt op voorwaarde dat hij zich ertoe beperkt de ogenschijnlijke rechten van de partijen na te gaan en daarbij geen rechtsregels betrekt die door de door hem bevolen voorlopige maatregel niet redelijk kunnen schragen en mits hij niet onredelijk weigert rechtsbanden te betrekken in zijn redenering. Overeenkomstig artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek brengen de beschikkingen in kort geding geen nadeel toe aan de zaak zelf. Dit houdt in dat de rechter in kort geding zijn rechtsmacht overschrijdt wanneer hij maatregelen beveelt waardoor de rechten van partijen op een definitieve en onherroepelijke wijze worden aangetast.

Eerste onderdeel

Luidens artikel 47 van de Zeewet kan de scheepseigenaar zijn aansprake-lijkheid beperken overeenkomstig de bepalingen van het Vedrag betreffende de beperking van aansprakelijkheid inzake zeevorderingen (LLMC-Vedrag). Over-eenkomstig artikel 1, 1° van het LLMC-Verdrag kunnen scheepseigenaren en red-ders hun aansprakelijkheid beperken voor de in artikel 2 genoemde vorderingen overeenkomstig de regels van dat Verdrag.

Overeenkomstig artikel 2, 1.d zijn vatbaar voor beperking de vorderingen met betrekking tot het volbrengen, verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van een geschonken, vergaan, ge-strand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden en overeenkomstig lid e van datzelfde artikel zijn vatbaar voor beperking, vorderingen met betrekking tot het verwijderen, vernietigen of het onschadelijk maken van de lading van het schip terwijl overeenkomstig het lid f van datzelfde artikel vorderingen van een andere persoon dan de aansprakelijke persoon met betrekking tot maatregelen die zijn genomen ter voorkoming of vermin-dering van schade, waarvoor de aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid overeenkomstig dit verdrag kan beperken, als mede verder door zulke maatregelen veroorzaakte schade, eveneens vatbaar voor beperking.

Overeenkomstig artikel 2.2 van het LLMC-Verdrag zijn de in het eerste lid genoemde vorderingen vatbaar voor beperking van aansprakelijkheid zelfs indien zij, al dan niet op grond van een overeenkomst, worden ingesteld bij wijze van verhaal of vrijwaring.

Overeenkomstig artikel 11 van het LLMC-Verdrag kan iedere persoon, die aansprakelijk gehouden wordt, een fonds vormen bij de rechterlijke of andere bevoegde autori-teit in iedere bij dit verdrag partij zijnde staat waarin een rechtsgeding aanhangig wordt gemaakt met betrekking tot voor beperking vatbare vorderingen. Het fonds wordt gevormd ten belope van de in de artikelen 6 en 7 genoemde bedragen ver-meerderd met de rente daarover te rekenen vanaf de datum van het voorval dat tot de aansprakelijkheid heeft geleid, tot aan de datum waarop het fonds wordt gevormd.

Elk aldus gevormd fonds is uitsluitend bestemd voor de voldoening van vorderingen met betrekking waartoe beperking van aansprakelijkheid kan worden ingeroepen. Overeenkomstig artikel 13, eerste lid, van het LLMC-Verdrag is het, wanneer een beperkingsfond is gevormd overeenkomstig artikel 11, een persoon die een vordering tegen het fonds heeft ingediend niet toegestaan enig recht met betrekking tot een zodanige vordering uit te oefenen ten aanzien van enige andere activa van een persoon door of namens wie het fonds is gevormd.

Overeenkomstig artikel 14 van het LLMC-Verdrag worden, behoudens de bepalingen van dit hoofdstuk, de regels betreffende de vorming en de verdeling van een beperkingsfonds, alsmede alle daarmee verband houdende procedureregels, beheerst door de wet van de staat, die partij is bij dit verdrag en waarin het fonds wordt gevormd.

De Wetgever maakte bij Wet van 11 april 1989 gebruik van de verdrags-rechtelijke mogelijkheid voorzien in het goedgekeurde Internationale Verdrag (LLMC) om het beperken van aansprakelijkheid onder de bepalingen van dat LLMC-Verdrag uit te sluiten voor zover het betreft:

- d- vorderingen m.b.t. het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of on-schadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden en

- e- een vordering m.b.t. het verwijderen, vernietigen of onschadelijk ma-ken van de lading van het schip betreft.
(art. 18 LLMC, (het Verdragsrechtelijk recht om reserves in te bouwen) juncto art. 2 d en e van het LLMC)

Overeenkomstig het LLMC-Verdrag bestaat er naar Belgisch recht geen beperking van aansprakelijkheid voor het bergen van een zeeschip. De Wetgever besliste evenwel uitdrukkelijk met de Wrakkenwet dat voor wat betreft scheepvaartongevallen een bijzonder regime wordt uitgewerkt voor wat betreft zeeschepen. Er wordt met name voorzien in een afzonderlijk limitatiefonds voor de Wraklichting van Zeeschepen.

De voorbereidende werken bij de wet van 11 april 1989 maken duidelijk dat de Wetgever gekant was tegen deze onbeperkte aansprakelijkheid t.a.v. de overheid.

De voorbereidende werken tot de Wrakkenwet verduidelijken:
"Art. 18, 1e lid van het Llmc-verdrag laat de Staten toe bij de ratificatie één enkel voorbehoud te formuleren. Daardoor worden de vorderingen vermeld in art. 2, 1e lid littera d en e van de toepassing van de aansprakelijkheidsbeperking zoals die door dat Verdrag geregeld is, uitgesloten. Sommige toetredende landen, o.m. Frankrijk, hebben dit gedaan. Zo dan in de Nationale Wet geen mildering ter zake wordt ingevoerd vallen deze vorderingen onder de onbeperkte aansprakelijkheid.

Zulks is niet de bedoeling van de Regering, wat overigens ook de com-merciële aantrekkelijkheid van de Belgische Havens in het gedrang zou brengen. Art. 18, 1e lid van het Verdrag geeft ons de mogelijkheid om de belangen van de scheepvaart te verzoenen met die van de Overheid die instaat voor het vrijmaken of vrijhouden van de openbare wateren in het algemeen belang van de vrijheid en de veiligheid van de scheepvaart.

Dit belang van de Overheid bestaat voornamelijk in het feit dat diegene die aansprakelijk gehouden wordt voor de gebeurtenissen waarbij zijn schip of dat van een andere eigenaar gezonken of gestrand is, hetzij dat schip zelf verwijdert, hetzij de kosten voorschiet en betaalt van de maat-regelen en verrichtingen - uit te voeren of te bevelen door de Overheid - waardoor het openbaar vaarwater zo snel mogelijk vrij en veilig wordt gemaakt in het algemeen belang van de scheepvaart. "

Zie tevens voorbereidende werken 536/2 - 1988 p. 12

"De artikelen 12 tot 18 van het voorliggende ontwerp bepalen onder an-dere dat hij die aansprakelijk wordt gesteld voor een gebeurtenis tenge-volge waarvan zijn eigen schip of dat van een andere eigenaar aan de grond gelopen is of gezonken is, voortaan verplicht is hetzij dat vaartuig zelf uit het water te halen, hetzij de kosten te dragen of voor te schieten welke voortvloeien uit de maatregelen die de bevoegde overheid neemt om de openbare scheepsroutes vrij te maken.

Artikel 18 van de Wrakkenwet bepaalt aldus dat de eigenaar van een zee-schip die op grond van artikel 16 van die Wet schuldenaar is van de betaling van de kosten daarbij zijn aansprakelijkheid kan beperken tot de bedragen vermeld in artikel 18 Wrakkenwet.

Nu artikel 18 van de Wet aldus voorziet in een beperking van aansprakelijkheid voor zover het de verantwoordelijkheid t.a.v. de "Overheid" betreft, het duidelijk gaat om "De vorderingen m.b.t. het vlotbren-gen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van een gezonken, vergaan, gestrand of verlaten schip daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden" (zoals omschreven in art. 2 d van het LLMC-verdrag)

Het was aldus geenszins te bedoeling van de wetgever om deze beper-kingsmogelijkheid te kunnen omzeilen door de scheepseigenaar te verplichten, onder verbeurte van een dwangsom, om zelf zijn zeeschip te bergen ongeacht de kostprijs daarvan.

Luidens artikel 13 van de Wrakkenwet heeft de scheepseigenaar weliswaar de principiële verplichting om zijn gezonken schip te bergen, doch slechts binnen de grenzen van, en met respect voor de aansprakelijkheidsbeperking waarop hij zich kan beroepen overeenkomstig artikel 18 van diezelfde Wet.

Uit de samenlezing van deze bepalingen van de Wrakkenwet, de Zeewet en van het LLMC-Verdrag volgt dat de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar van een zeeschip beperkt is tot het bedrag van het beperkingsfonds en dat de scheepseigenaar derhalve tot niets anders kan gehouden zijn dan tot het bedrag van het beperkingsfonds.

Hieruit vloeit voort dat, eenmaal dat de scheepseigenaar bij beschikking werd toegelaten om een beperkingsfonds te vormen, van de scheepseigenaar niets meer kan gevorderd worden en hij niet meer kan veroordeeld worden, ook niet in kort geding bij wijze van voorlopige maatregel, tot de berging van het zeeschip. Immers, een dergelijke veroordeling tot het bergen van het schip zou de scheepseigenaar verplichten tot het maken van kosten, zoals in het voorliggende geval, welke het bedrag van het beperkingsfonds overschrijden, waardoor de beperking van de aansprakelijkheid die de wetgever voor ogen had met het instellen van de mogelijkheid van het beperken van de aansprakelijkheid door het vormen van een beperkingsfonds, wordt doorbroken.

Aan deze beperking van aansprakelijkheid wordt geen afbreuk gedaan door de Wrakkenwet nu artikel 15, alinea 2 van deze wet uitdrukkelijk het vol-gende bepaalt: "Voor de eigenaar van het gestrande of gezonken vaartuig en voor die van het vaartuig waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang kan komen, alsmede voor hun respectieve verzekeraar mag deze som niet meer bedragen dan die waartoe de betrokken eigenaar zijn aansprakelijkheid kan beperken op grond van artikel 18".

Hieruit vloeit voort dat, door het hoger beroep van eiseressen ongegrond te verklaren en te oordelen dat de kort geding rechter de gevorderde maatregel kon opleggen op grond van artikel 13 van de Wrakkenwet welke de eigenaar van een vaartuig dat gezonken is verplicht om dat vaartuig met inbegrip van de lading te lichten en te verwijderen en dat deze maatregel geen definitieve wijziging inhoudt van de rechtspositie van partijen ook niet ingevolge de vorming van het limitatie-fonds nu de problematiek van de beperking der aansprakelijkheid voorwerp zal zijn van een debat ten gronde zodat met het limitatiefonds geen rekening dient te worden gehouden, en te oordelen dat enkel in geval de scheepseigenaar het wrak verwijdert en de bevoegde overheden ook de gestelde waarborg opeisen er een schending van het gezag van gewijsde zou zijn, het Hof van Beroep te Gent, uitspraak doende in kort geding dan ook zijn rechtsmacht als kort geding rechter overschrijdt (schending van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek en van de in de hoofding van het middel aangehaalde artikelen van De Zeewet en de Wrak-kenwet en van het LLMC-Verdrag) en brengt het tevens nadeel toe aan de grond van de zaak (schending van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, en van de in de hoofding van het middel aangeduide artikelen van de Zeewet, de Wrakken-wet en het LLMC-Verdrag).

Door aldus te beslissen schenden de appelrechters tevens het gezag (en de kracht) van gewijsde van de beslissingen van 14 en 16 oktober 2015 van de Voor-zitter van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen waarbij eiseressen werden toegelaten tot het vormen van een beperkingsfonds nu de appelrechters het voor-deel van deze beschikkingen ongedaan maken en er aldus op terugkomen (schen-ding van de artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek).

Tweede onderdeel

Artikel 13 van de Wrakkenwet legt aan de eigenaar van een gezon-ken/vastgelopen zeeschip de verplichting op om dat voertuig, met inbegrip van al-les wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, inzonderheid de lading, vlot te brengen en te verwijderen naar de daartoe door de overheid aangewezen plaats. Dit artikel geeft evenwel niet aan welke de gevolgen zijn voor een niet lichten door de eigenaar. Geen enkele sanctie wordt aldaar vermeld. De Wet bepaalt ech-ter in haar art. 14 e.v. uitdrukkelijk welke rechten de ‘overheid' heeft indien de scheepseigenaar niet overgaat tot lichting van het wrak: indien door de scheepsei-genaar niet voldaan is aan artikel 13 Wrakkenwet of in spoedeisende gevallen waarover de overheid oordeelt, kan de overheid ambtshalve beslissen om tot ber-ging over te gaan (art. 14, lid 1 Wrakkenwet).

De sanctie op het niet vervullen door de scheepseigenaar van de verplichtingen onder artikel 13 Wrakkenwet be-staat erin dat de overheid ambtshalve en op risico van de eigenaar en van de per-soon die aansprakelijk gehouden wordt voor de gebeurtenis waardoor het vaartuig gezonken of gestrand is, dit gezonken, vergaan, gestrand of verlaten vaartuig, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, mag vlot brengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken. De wet bevat geen an-dere sanctie en/of mogelijkheid voor de overheid om de scheepseigenaar te ver-plichten het wrak te lichten.

Het besluit van de overheid om, ten aanzien van een vaartuig, gebruik te maken van de prerogatieven vermeld in het eerste lid van artikel 14, wordt be-kendgemaakt overeenkomstig het politiereglement betreffende de scheepvaart-weg, de haven of de territoriale zee (art. 14, lid 3 Wrakkenwet).

In spoedgevallen waarover de overheid oordeelt, kan deze bekendmaking evenwel achterwege gelaten worden (art. 14, lid 4 Wrakkenwet). In dergelijke ge-vallen kan het besluit van de overheid om zelf over te gaan tot berging o.a. afge-leid worden uit haar handelen, mededelingen in de pers, e.d.

De overheid is, slechts zo zij gebruik maakt van haar prerogatieven over-eenkomstig artikel. 14 Wrakkenwet en dus zelf overgaat tot wraklichting, gerech-tigd om een borgstelling te eisen van de scheepseigenaar overeenkomstig artikel 15, lid 1 & 2 Wrakkenwet. Deze borgstelling mag echter niet hoger zijn dan het-geen bepaald werd in art. 18 Wrakkenwet.

Eerste subonderdeel

In haar derde conclusie, tevens syntheseconclusie, heeft ONEGO SHIP-PING & CHARTERING B.V., thans tot bindendverklaring van arrest opgeroepen partij, wiens belangen op dat punt gelijklopend zijn met deze van eiseressen, uit-drukkelijk als verweermiddel gesteund op artikel 14 van de Wrakkenwet aange-voerd:

"(d)oordat de Ministerraad op 16 oktober 2015 heeft beslist dat de Belgi-sche Staat zelf het schip zal bergen en doordat deze beslissing bekend werd gemaakt, onder meer bij de persberichten van 16 oktober 2015b (stukken 2 Onego), kan de Belgische Staat niet meer eisen dat de eigenaar of derde partijen overgaan tot berging en is zijn vordering tot berging zonder meer ongegrond"
(derde conclusie, tevens syntheseconclusie, van ONEGO SHIPPING & CHARTERING B.V., pag. 63)

Ook eiseres beriep zich op deze bepalingen onder punt VIII.6 van haar syntheseconclusie onder de hoofding ‘Schending van art. 14 Wrakkenwet' in de overwegingen met randnummers 53 en 54.

Dit verweermiddel gesteund op artikel 14 van de Wrakkenwet waarin werd aangevoerd dat eenmaal de Belgische Staat beslist heeft om zelf het schip te ber-gen en vanwege de eigenaar cq. bevrachter van het schip een waarborg te eisen onder de vorm van enerzijds een beperkingsfonds en anderzijds een bankgarantie tot dekking van de bergingskosten hij vervolgens niet meer kan overgaan tot dag-vaarding in kort geding van de eigenaar c.q. bevrachter om de veroordeling te be-komen tot berging van het schip, wordt door de appelrechters niet beantwoord zo-dat het arrest is aangetast door een motiveringsgebrek (schending artikel 149 van de Grondwet).

De motieven vervat in het randnummer 29 van het arrest handelen weliswaar over de persberichten van 16 oktober 2015, maar enkel in het licht van de beoordeling van het verweer dat was aangevoerd door eiseressen dat er een schending was van het vertrouwensbeginsel en het rechtzekerheidsbeginsel en de Belgische Staat aldus afstand van recht had gedaan.

Tweede subonderdeel

Uit artikel 14 van de Wrakkenwet volgt dat de overheid ambtshalve het vaartuig kan bergen als niet voldaan is aan artikel 13 of in spoedgevallen of als de eigenaar, de kapitein of de schipper onbekend zijn. Eenmaal het besluit van de overheid bekend is gemaakt is het overeenkomstig het laatste lid van artikel 14 verboden het op te ruimen vaartuig, de voorwerpen of goederen te verwijderen zonder vergunning van de overheid. Uit de samenlezing van enerzijds artikel 14 en anderzijds de artikelen 15-18 vloeit voort dat de artikelen 15-18 van de Wrak-kenwet enkel van toepassing zijn in het geval de overheid gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 14 haar biedt.

Zodra de overheid dergelijke beslissing heeft genomen, kan zij op deze be-slissing niet meer terugkomen, daar zij op dat moment ambtshalve in de plaats treedt van de eigenaar of de mogelijk aansprakelijke derde. Zo stellen de voorbe-reidende werken Wrakkenwet (Kamerstukken 536/1-1988, p.13):

"Dit artikel (artikel 14 Wrakkenwet) geeft de overheid de macht om ambtshalve in de plaats te treden op kosten en risico van de in gebreke zijnde eigenaar of van de eventuele aansprakelijke derde."

Te dezen heeft de ministerraad op 16 oktober 2015 beslist dat de Belgische Staat zelf het schip zal bergen en werd deze beslissing bekend gemaakt via pers-berichten op 16 oktober 2015.

Tevens blijkt uit de vaststellingen van het arrest dat de overheid overeenkomstig artikel 15 van de Wrakkenwet enerzijds eiseressen heeft aangesproken die vervolgens een beperkingsfonds hebben opgericht na daar-toe de toelating te hebben bekomen van de ter zake bevoegde rechtbank van koophandel te Antwerpen (in welk fonds de overheid reeds aangiftes deed) en dat zij anderzijds van "Al Oraiq" een waarborg vroeg en bekwam voor een bedrag van euro 40.000.000. Overeenkomstig het tweede lid van artikel 15 van de Wrakkenwet mag voor de eigenaar van het gestrande of gezonken vaartuig en voor die van het vaartuig waarvan de aansprakelijkheid in het geding kan komen alsmede voor hun respectieve verzekeraar de som niet meer bedragen dan die waartoe de betrokken eigenaar zijn aansprakelijkheid kan beperken op grond van artikel 18. Overeenkomstig het achtste lid van dat zelfde wetsartikel zijn de voorgeschoten som en de garantie uitsluitend bestemd voor de voldoening van de vorderingen van de overheid betreffende de kosten vermeld in artikel 16 en zijn zij niet vatbaar voor beslag op verzoek van andere schuldeisers.

Uit de samenlezing van deze artikelen van de Wrakkenwet vloeit voort dat, wanneer de overheid beslist om zelf tot berging van het schip over te gaan en van de eigenaar van het vaartuig cq. de bevrachter overeenkomstig artikel 15 vraagt de sommen voor te schieten tot dekking van de bergingskosten en daaraan vervolgens door de aangesprokenen gevolg werd gegeven door enerzijds het oprichten van een beperkingsfonds en anderzijds het stellen van een bankgarantie van euro 40.000.000, de overheid vervolgens niet gerechtigd is te vorderen dat de eigenaar cq. de bevrachter in kort geding toch nog zou worden veroordeeld om over te gaan tot berging van het schip en tot het afsluiten van een overeenkomst daartoe onder verbeurte van een dwangsom. Een cumul van de verplichting voor de eige-naar cq. bevrachter om het schip zelf te bergen op grond van artikel 13 en van de mogelijkheid voor de overheid overeenkomstig artikel 14 om het schip zelf te bergen op kosten van de eigenaar cq. bevrachter door het eisen van en het stellen van een waarborg overeenkomstig artikel 15, is strijdig met de doelstelling van de wetgever.

Hieruit vloeit voort dat, door het hoger beroep van eiseressen ongegrond te verklaren en te oordelen dat de kort geding rechter de gevorderde maatregel kon opleggen op grond van artikel 13 van de Wrakkenwet welke de eigenaar van een vaartuig dat gezonken is verplicht om dat vaartuig met inbegrip van de lading te lichten en te verwijderen, dat de overheid niet ten kwade geduid kan worden dat zij onmiddellijk na het incident alle juridische opties open gelaten heeft en ge-bruikt heeft om te komen tot de opruiming van het schip, de lading en al wat in zee terecht gekomen is en dat artikel 16, lid 1 Wrakkenwet de verplichting van ar-tikel 13 niet weg neemt, net zomin als de mogelijkheid van een belanghebbende, zoals de drie overheden in dit geding, om de toepassing van artikel 13 te vorderen, het Hof van Beroep te Gent, uitspraak doende in kort geding dan ook zijn rechts-macht als kort geding rechter overschrijdt (schending van artikel 584 van het Ge-rechtelijk Wetboek en van de artikelen 13 en 14 tot 18 van de Wrakkenwet) en brengt het tevens nadeel toe aan de grond van de zaak nu de rechtspositie van par-tijen op onherstelbare wijze wordt gewijzigd (schending van artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek, en van de in de hoofding van het middel aangeduide artikelen van de de Wrakkenwet, de Zeewet en het LLMC-Verdrag).

Derde onderdeel

Overeenkomstig artikel 1039 van het Gerechtelijk Wetboek brengen de be-schikkingen in kort geding geen nadeel toe aan de zaak zelf. Dit houdt in dat de rechter in kort geding zijn rechtsmacht overschrijdt wanneer hij maatregelen be-veelt waardoor de rechten van partijen op een definitieve en onherroepelijke wijze worden aangetast.

Overeenkomstig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek strekt een over-eenkomst de partijen tot wet. Door de verplichting op te leggen onder verbeurte van een dwangsom om een overeenkomst af te sluiten met een onderneming die de berging van het schip kan uitvoeren volgens de regels van de kunst, wordt dan ook aan de veroordeelde een maatregel opgelegd die zijn rechtspositie op defini-tieve en onherroepelijke wijze vastlegt.

Het beginsel van de contractvrijheid verzet er zich bovendien tegen dat een rechter, ook een rechter in kort geding, aan een partij zou bevelen een overeen-komst met een derde af te sluiten. Uit de artikelen 1108, 1109, 1111 en 1112 van het Burgerlijk Wetboek vloeit verder voort dat een overeenkomst pas geldig tot stand komt met instemming van de partij die zich verbindt en dat die instemming vrij moet zijn en niet onder geweld (dwang) mag worden bekomen. De artikelen 13-18 van de Wrakkenwet voorzien evenmin in de mogelijkheid voor de overheid om de eigenaar cq. bevrachter van het zeeschip te verplichten dergelijke bergings-overeenkomst af te sluiten.

Door eiseressen te veroordelen om binnen de twee en een halve maand na de dag van betekening van het arrest een overeenkomst af te sluiten met een on-derneming die de bergingsopdracht kan uitvoeren volgens de regels van de kunst, onder verbeurte van een dwangsom van euro 300.000 per dag vertraging, te verbeu-ren ten nadele van eiseressen en de tot bindendverklaring van arrest opgeroepen partij in solidum, overschrijden de appelrechters dan ook hun rechtsmacht nu de opgelegde maatregel de kosten van eiseressen op definitieve en onherroepelijke wijze aantast (schending van artikelen 584 en1039 van het Gerechtelijk Wetboek juncto de artikelen 1108, 1109, 1111, 1112 en 1134 van het Burgerlijk Wetboek).

TOELICHTING

Het middel stelt de vraag aan de orde of een scheepseigenaar nog kan ver-oordeeld worden in kort geding om over te gaan tot berging van zijn gezonken schip en daartoe een overeenkomst af te sluiten, onder verbeurte van een dwang-som, nadat de overheid, in casu de Ministerraad, zelf heeft beslist tot berging over te gaan en zij op 7 oktober 2015 de eigenaar cq. bevrachter verzocht om een borg-stelling "gelijk aan de maximale aansprakelijkheidsdekking" waarna de eigenaars op 14 oktober 2015 een beschikking bekwamen waarbij zij toegelaten werden een limitatiefonds op te richten en door de eigenaar van de "Al Oraiq" een bankgaran-tie werd verleend van 40.000.000 EURO tot dekking van de bergingskosten.

Eiseres is van oordeel dat een dergelijke beslissing onbestaanbaar is met de bestaande wettelijke regeling in de Wrakkenwet.

Deze zaak dient onderscheiden te worden van de zaak die aanleiding gaf tot Uw arrest van 23 januari 2014 die een binnenschip betrof. Het regime dat van toepassing is op de zeeschepen is fundamenteel verschillend van het regime dat van toepassing is op de binnenschepen.

De Wrakkenwet voorziet in zijn artikel 14 en volgende ten aanzien van de eigenaar of enig persoon van wie de aansprakelijkheid in het geding kan komen, van een zeeschip in:
- de mogelijkheid voor de overheid om een Fonds of garantie te vorde-ren (artikel 15 Wrakkenwet);
- de mogelijkheid voor de scheepseigenaar om een separaat Wrakken-Fonds te stellen ten gunste van de overheid.

Een dergelijke mogelijkheid is niet voorzien onder het regime voor de bin-nenschepen nu de bepalingen van artikel 14 tot en met 18 Wrakkenwet slechts zeeschepen betreffen (zie artikel 273 § 1, 3 Zeewet).

Deze regeling strekt er precies toe de aansprakelijkheid van de scheepsei-genaar te beperken tot het bedrag van het beperkingsfonds. Eenmaal de overheid heeft beslist om zelf tot berging over te gaan en de eigenaar cq. bevrachter om een waarborg heeft verzocht en de eigenaar vervolgens een beschikking bekomt hou-dende toelating tot het stellen van een Limitatiefonds en tevens door de eigenaar van het ander betrokken schip een bankgarantie wordt verstrekt (in casu van 40.000.000 EURO) kan de scheepseigenaar niet meer tot meer of iets anders wor-den aangesproken. De eigenaar van een zeeschip kan immers de beperking van zijn aansprakelijkheid inroepen (zie STEVENS, F., Beperking van aansprakelijkheid, Zee- en binnenvaart, blz. 193-199). De Wrakkenwet van 11 april 1989 doet daaraan geen afbreuk nu artikel 15, alinea 2 van de Wrakkenwet de aansprakelijk-heid precies beperkt tot het bedrag waartoe de betrokken eigenaar zijn aansprakelijkheid kan beperken.

In Uw arrest van 23 januari 2014, dat een binnenschip betrof, werd geoor-deeld dat "de vorming van het limitatiefonds met toepassing van het Verdrag be-treffende de beperking van aansprakelijkheid inzake zeevorderingen, opgemaakt te Londen op 19 november 1976, daaraan geen afbreuk doet, aangezien de pro-blematiek van de beperking van de aansprakelijkheid, het voorwerp zal zijn van een debat ten gronde."

De oprichting van een LLMC-fonds is evenwel in geen geval gelijk te stel-len met de oprichting van een Wrakkenfonds.

Ook Procureur-generaal J.F. LECLERCQ erkende uitdrukkelijk in zijn conclusie bij het arrest dd. 23.01.2014 dat artikel 15 Wrakkenwet voorziet in de doorwerking van het limitatiefonds, waarbij hij het volgende stelde:

"In tegenstelling tot artikel 15 van de Wrakkenwet dat uitdrukkelijk naar artikel 14 verwijst en in een doorwerking van het limitatiefonds voorziet wanneer de overheid ambtshalve tot berging van het schip overgaat en een voorschot ter dekking van de kosten van de eigenaar, de aansprakelijke of hun verzekeraars vordert, dient te worden vastgesteld dat artikel 15 niet verwijst naar artikel 13, hetzij naar het geval wanneer de overheid aan de eigenaar, de kapitein of de schipper beveelt om (binnen een bepaalde ter-mijn) over te gaan tot berging van het vaartuig en/of de lading, en dat ar-tikel 13 evenmin stipuleert dat de eigenaar, de kapitein of de schipper zich in dat geval (van bevel van de overheid) op het limitatiefonds kan beroepen om te weigeren tot berging van het vaartuig en/of de lading over te gaan."

Een veroordeling in kort geding om over te gaan tot berging van het schip en daartoe een overeenkomst af te sluiten, onder verbeurte van een dwangsom, is dan ook onbestaanbaar met de regelgeving in de Wrakkenwet nu bij een dergelijke veroordeling, zoals in casu, de scheepseigenaar verplicht wordt eerst een Limita-tiefonds te stellen en om vervolgens toch nog op eigen kosten tot berging over te gaan hetgeen erop neerkomt dat hij meer moet betalen dan het bedrag van het be-perkingsfonds. Tevens loopt hij het risico het meer betaalde niet te kunnen verha-len. Dit klemt in casu des te meer nu uit het deskundig onderzoek bleek dat het ongeval zijn oorzaak vond in fouten van de loods van het andere schip, de "Al Oraiq".

In die omstandigheden brengt een veroordeling in kort geding wel degelijk nadeel toe aan de grond van de zaak. Door in de gegeven omstandigheden eiser-essen te veroordelen tot berging en tot het afsluiten van een overeenkomst daartoe onder verbeurte van een dwangsom, overschrijdt de kort geding rechter dan ook zijn rechtsmacht en schendt hij alle in het middel aangeduide artikelen van de Wrakkenwet en van het LLMC-Verdrag. Tevens miskent hij het gezag van ge-wijsde dat toekomt aan de beschikking waarbij eiseressen toegelaten werden een beperkingsfonds te vormen nu daar aldus wordt op teruggekomen en het voordeel dat eiseres bekwam met die beschikkingen aldus ongedaan wordt gemaakt.

Het beginsel van de contractvrijheid verzet er zich tegen dat een rechter, ook een rechter in kort geding, aan een partij zou bevelen een overeenkomst met een derde af te sluiten (vgl. I. Claeys en P. Taelman, Contract en kort geding, in Actuele ontwikkelingen inzake Verbintenissenrecht, p. 198, nr. 63). In elk geval wordt daardoor de rechtspositie van partijen definitief vastgelegd en wordt een onomkeerbare situatie gecreëerd hetgeen onbestaanbaar is met het kort geding.

 

Op deze gronden en overwegingen besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie voor eisers dat het U, hooggeachte Dames en Heren, moge behagen het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep en uitspraak te doen over de kosten als naar recht.

Antwerpen, 24 mei 2016

Bijlagen:

1. Eensluidend verklaard afschrift van de beschikking van 14 oktober 2015;
2. Eensluidend verklaard afschrift van de beschikking van 16 oktober 2015;
3. Exploot van betekening van deze voorziening;
4. Pro fisco verklaring.
 

C.16.0219.N - C.16.0220.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Na een aanvaring voor de Belgische kust, waarbij een zeeschip zonk, werden de eiseressen in de respectievelijke cassatieberoepen door verweerders gedagvaard tot het lichten en bergen (met inbegrip van de lading) van het schip.

2. Het bestreden arrest bevestigt de beroepen beschikking van de rechtbank van koophandel in kort geding tot de berging van het schip, en beveelt tot het sluiten daartoe van een overeenkomst met een aannemer, onder verbeuring van een dwangsom.

3. Tegen deze beslissing voeren eiseressen respectievelijk vijf middelen (cf. C.16.0219.N) en een enig middel (cf. C.16.0220.N) tot cassatie aan.

4. Waar deze beide cassatieberoepen tegen hetzelfde arrest gericht zijn, dienen zij m.i. gevoegd te worden.

II. BESPREKING VAN DE MIDDELEN.

1. Het eerste middel van de zaak C.16.0219.N en het tweede onderdeel (eerste en tweede subonderdeel) van het enig middel in de zaak C.16.0220.N verwijten het bestreden arrest een gebrek aan antwoord op de conclusies van eiseressen i.v.m. artikel 14 van de Wrakkenwet(1). Door het onbeantwoord laten van dat verweer zou het arrest ook artikel 584 Ger. W., wegens overschrijding van rechtsmacht, schenden.

1.1. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt m.i. evenwel dat de appelrechters, met opgave van redenen en inzonderheid de bespreking van de door eiseressen ter zake ingeroepen persmededeling, het standpunt van eiseressen dat de overheid zou hebben beslist ambtshalve zelf het wrak te lichten verwerpen en beantwoorden in die zin dat de hypothese van artikel 14 van de Wrakkenwet zich niet stelt, en bijgevolg artikel 13 van deze wet van toepassing is.

1.2. Beide middelen lijken mij dan ook feitelijke grondslag te missen en zijn voor het overige afgeleid uit het daarin tevergeefs aangevoerde motiveringsgebrek, en in zoverre niet ontvankelijk.

2. Het tweede middel (C.16.0219.N) en het derde onderdeel van het enig middel (C.16.0220.N) gaan ervan uit dat de bestreden beslissing tot de berging van het schip en het daartoe afsluiten van een overeenkomst, niet kan worden beschouwd als een beding bij voorraad, en derhalve met miskenning van de artikelen 584 en 1039 Ger. W. de subjectieve rechten van eiseressen hun rechtspositie definitief en onherstelbaar aantast.

2.1. Het komt mij evenwel voor dat het bestreden arrest in deze geenszins definitief de rechtspositie van partijen regelt, nu het geen uitspraak doet over de aansprakelijkheid voor het ongeval, noch over de vraag welke partij definitief de kosten van de berging zal moeten dragen(2).

2.2. De middelen lijken mij dan ook niet te kunnen aangenomen worden.

3. Het derde middel verwijt de appelrechters hun rechtsmacht te hebben overschreden door voor de zeer ingrijpende maatregel van het bergen van het schip geen sterke schijn van recht langs de zijde van de verweerders te hebben vastgesteld (schending van art. 584 Ger. W.). Het arrest zou in ieder geval niet hebben geantwoord op eiseres' verweer dat zij als tijdsbevrachter geen zulke overeenkomst kon afsluiten.

3.1. In zoverre de rechter in kort geding maatregelen tot vrijwaring van de rechten van de eisende partij kan bevelen als er een schijn van recht is die een dergelijke beslissing verantwoordt, maar hij de beperkingen van zijn bevoegdheden overschrijdt als hij bij het onderzoeken van de ogenschijnlijke rechten van de partijen steunt op rechtsregels die de door hem bevolen voorlopige maatregelen niet redelijkerwijs kunnen ondersteunen(3), komt het mij in deze voor dat de appelrechters op grond van de vaststellingen en overwegingen die het arrest bevat, te kennen geven waarom er een schijn van rechten is in hoofde van verweerders lastens eiseres, en waarom deze, ook al is zij geen eigenaar, tot berging kan veroordeeld worden.

3.2. Waar de beslissing aldus het verweer van eiseres in conclusie met opgave van redenen verwerpt, mist het in het middel voorgehouden gebrek aan antwoord m.i. dan ook feitelijke grondslag. Nu niet kan worden voorgehouden dat de rechtsregels die het arrest in zijn beoordeling betrekt de lastens eiseres bevolen maatregel niet redelijk kunnen schragen, overschrijden de appelrechters m.i. evenmin hun rechtsmacht en is de beslissing derhalve ook naar recht verantwoord, zodat het middel van het overige niet kan worden aangenomen.

4. Het vierde middel van de zaak C.16.0219.N en het derde onderdeel van het enig middel in de zaak C.16.0220.N voert aan dat het beginsel van de contractsvrijheid zich er tegen verzet dat een rechter aan een partij beveelt een overeenkomst met een derde te sluiten (tenzij de wet een contractdwang zou hebben voorzien), en dat ook de rechter in kort geding in redelijkheid niet van dit beginsel kan afwijken zonder zijn rechtsmacht te overschrijden.

4.1. Zoals reeds hoger m.b.t. het tweede middel in overweging genomen kan de rechter in kort geding als de zaak spoedeisend is maatregelen tot bewaring van recht bevelen indien er een schijn van rechten is die het nemen van een dergelijke beslissing verantwoordt; hij mag hierbij weliswaar geen declaratoir van rechten doen, noch de rechtspositie van de partijen definitief regelen(4). Waar, zoals in die context reeds eerder gesteld, het bestreden arrest geenszins definitief de rechtspositie van partijen regelt (nu het geen uitspraak doet over de aansprakelijkheid voor het ongeval, noch over de vraag welke partij definitief de kosten van de berging zal moeten dragen) en bovendien door eiseres (en de andere opgeroepen partijen) niet werd betwist dat de berging niet door hemzelf kon worden uitgevoerd, maar enkel door een bergingsfirma, lijkt het mij - in het belang van de wet (cf. art. 13 van de Wrakkenwet) - voor de hand te liggen dat het bestreden arrest, zonder schending van de in het middel aangevoerde wetsbepalingen, het sluiten van een overeenkomst onder verbeurte van een dwangsom binnen een bepaalde termijn kon opleggen.

4.2. De middelen lijken mij dan ook niet te kunnen aangenomen worden.

5. In het eerste onderdeel van het vijfde middel (van de zaak C.16.0219.N) en het eerste onderdeel van het enig middel (van de zaak C.16.0220.N) voeren eiseressen aan dat uit de samenlezing van de artikelen 12 tot 18 van de Wrakkenwet, artikel 47 van de Zeewet en de artikelen 1, 2, 6, 7, 11 t.e.m. 15 van het LLMC-Verdrag(5) volgt dat de aansprakelijkheid van de eigenaar van het zeeschip beperkt is tot het bedrag van het beperkingsfonds en dat de scheepseigenaar derhalve tot niets anders kan gehouden zijn dan het bedrag van het beperkingsfonds. Eenmaal de scheepseigenaar bij beschikking werd toegelaten tot het vormen van dergelijk fonds zou volgens eiseressen van betrokkene niets meer kunnen gevorderd worden en kan hij, ook niet in kort geding bij wijze van voorlopige maatregel, niet meer veroordeeld worden tot het bergen van het zeeschip. Door het aan eiseres opgelegde bergingsbevel zou de kortgedingrechter in deze dan ook zijn rechtsmacht overschrijden, nadeel toebrengen aan de grond van de zaak zelf en het gezag van gewijsde van de rechterlijke beslissingen tot toelating van het aanleggen van een beperkingsfonds miskennen.

5.1. Principieel kan de scheepseigenaar overeenkomstig artikel 2, 1, d) en c) van het LLMC-Verdrag zijn aansprakelijkheid voor de kosten van wrakopruiming beperken. Artikel 18.1 van dat Verdrag laat de verdragsluitende staten evenwel uitdrukkelijk toe om de toepassing van die artikelen uit te sluiten. België heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, maar heeft - zowel voor de zeevaart als voor de binnenvaart - een eigen nationaalrechtelijk beperkingsregime gecreëerd. Voor de zeevaart werd een dergelijk specifiek beperkingsregime ingesteld door de zogenaamde wrakkenwet.

5.2. Deze wrakkenwet voorziet echter niet alleen in een specifiek beperkingsregime voor de zeevaart, maar legt ook een principiële bergingsplicht op aan de scheepseigenaar. Wat de berging van schepen en hun lading betreft heeft de wetgever in artikel 13 van de Wrakkenwet voorzien dat de eigenaar(6), de kapitein of de schipper van een vaartuig dat aan de grond gelopen of gezonken is, dit vaartuig - met inbegrip van alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, inzonderheid de lading - vlot moet brengen en verwijderen naar de daartoe door de overheid aangewezen plaats(7).

5.3. Naast de bergingsplicht bepaalt de wrakkenwet ook wie finaal de bergingskosten moet dragen. Zo stelt artikel 16, eerste lid, dat degene die aansprakelijk is voor de gebeurtenis waardoor het vaartuig is gezonken of gestrand en - bij gebreke van zulke aansprakelijke - de eigenaar vermeld in artikel 13, aan de overheid de betaling verschuldigd is van de kosten die voor deze overheid voortvloeien uit de ambtshalve, krachtens artikel 14 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen.

5.4. De door het middel opgeworpen rechtsvraag houdt dan ook verband met de verhouding tussen de principiële verplichting van de eigenaar (en de bevrachter) tot het bergen van het schip (conform art. 13 Wrakkenwet) en de voorschriften aangaande de beperking van de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar van een zeeschip voor de bergingskosten (art. 18 Wrakkenwet). Het spanningsveld ter zake is evident: waar enerzijds uitdrukkelijk beperking van aansprakelijkheid voor wrakopruiming is toegelaten, zou anderzijds de scheepseigenaar via de bergingsplicht van de wrakkenwet gedwongen kunnen worden om, bovenop het beperkingsfonds, ook nog eens de opruimingskosten te betalen(8).

5.5. Zowel wat zeeschepen als binnenschepen betreft, bestaat er een regeling waarbij scheepseigenaren hun aansprakelijkheid voor de bergingskosten kunnen beperken(9).

5.6. Bij arrest van 23 januari 2014(10) deed uw Hof uitspraak over de wettigheid van een in kort geding gewezen beslissing waarbij de scheepseigenaar van een binnenschip, op vordering van de overheid met toepassing van artikel 13 van de Wrakkenwet, werd verplicht tot lichting van het schip en de lading onder verbeurte van een dwangsom, ondanks de omstandigheid dat de scheepseigenaar een beperkingsfonds had gevormd, en de uiteindelijke bergingskosten meer bedroegen dan het beperkingsfonds.

5.7. In zijn voorziening in cassatie voerde de scheepseigenaar dezelfde grieven aan als deze die thans het voorwerp van de huidige betwisting uitmaken. Ook daar was aldus de vraag aan de orde of een scheepseigenaar nog kan veroordeeld worden in kort geding om over te gaan tot berging van zijn gezonken schip, onder verbeurte van een dwangsom, nadat hij bij beschikking werd toegelaten om een limitatiefonds te vormen, en wanneer, zoals in het voorliggend geval, de kosten van de berging meer bedragen dan het bedrag van het beperkingsfonds.

5.8. In zijn conclusie kwam procureur-generaal Leclercq tot het besluit dat het bestreden arrest, door te oordelen dat de gevorderde en bevolen maatregel geen definitieve wijziging van de rechtspositie van partijen inhoudt, ook niet ingevolge de vorming van het limitatiefonds, nu de problematiek van de beperking van de aansprakelijkheid voorwerp zal zijn van een debat ten gronde, geen onredelijke toepassing van de ogenschijnlijke rechten (en verplichtingen) van partijen heeft gemaakt. Hij overwoog daarbij inzonderheid dat in tegenstelling tot artikel 15 van de Wrakkenwet dat uitdrukkelijk naar artikel 14 verwijst en in een doorwerking van het limitatiefonds voorziet wanneer de overheid ambtshalve tot berging van het schip overgaat en een voorschot ter dekking van de kosten van de eigenaar, de aansprakelijke of hun verzekeraars vordert, dient te worden vastgesteld dat artikel 15 niet verwijst naar artikel 13, hetzij naar het geval wanneer de overheid aan de eigenaar, de kapitein of de schipper beveelt om (binnen een bepaalde termijn) over te gaan tot berging van het vaartuig en/of de lading, en dat artikel 13 evenmin stipuleert dat de eigenaar, de kapitein of de schipper zich in dit geval (van bevel van de overheid) op het limitatiefonds kan beroepen om te weigeren tot berging van het vaartuig en/of de lading over te gaan.

5.9. Uw Hof besloot eveneens tot verwerping van het cassatieberoep, oordelend dat de beslissing van de kortgedingrechter die de ogenschijnlijke rechten van de partijen nagaat zonder ten gronde uitspraak te doen over de rechten van partijen, geen schending inhoudt van het materiële recht dat de rechter in zijn beoordeling betrekt; deze beslissing is eerst dan niet naar recht verantwoord wanneer hierin rechtsregels worden betrokken die de bevolen maatregel niet redelijk kunnen schragen.

5.10. In zijn arrest beperkt uw Hof zich aldus tot de beoordelingsmarge van de rechter in kort geding en de cassatiecontrole daarop. Aangezien de uitspraak van de rechter in kort geding de rechter ten gronde niet bindt, kan de beslissing in kort geding in principe geen schending zijn van het materieel recht, en kan er dus ook geen censuur zijn door het Hof van Cassatie. Enkel wanneer de rechter in kort geding zijn beslissing laat steunen op materiële regels die zijn beslissing kennelijk niet kunnen schragen, is ingrijpen door het Hof mogelijk(11).

5.11. Wat de zeeschepen betreft, bestaat er een analoge regeling aangaande de vorderingen betreffende de berging van het schip en zijn lading.

5.12. De beperking van de aansprakelijkheid van de scheepseigenaar voor zeeschepen is voorzien in artikel 47 van de Zeewet.

5.13. Zoals reeds hoger aangegeven maakt België gebruik van de door het LLMC-Verdrag voorziene mogelijkheid (art. 18.1) om de beperking van de aansprakelijkheid voor vorderingen m.b.t. het bergen van het schip of de lading (art. 2, 1, d) en c) uit te sluiten , maar de wetgever voorzag evenwel in artikel 18 van de Wrakkenwet in een eigen beperkingsregime t.v.v. scheepseigenaars, waarvan hij aangaf dat dit de mogelijkheid geeft om de belangen van de scheepvaart te verzoenen met die van de overheid die instaat voor het vrijmaken of vrijhouden van de openbare vaarwateren in het algemeen belang van de vrijheid en de veiligheid van de scheepsvaart. Dit belang van de overheid bestaat er volgens de wetgever voornamelijk in dat degene die aansprakelijk gehouden wordt voor de gebeurtenis waarbij zijn schip of dat van een ander eigenaar gezonken of gestrand is, hetzij dat schip zelf verwijdert, hetzij de kosten voorschiet en betaalt van de maatregelen en verrichtingen - uit te voeren of te bevelen door de overheid - waardoor het openbare vaarwater zo snel mogelijk vrij en veilig wordt gemaakt in het algemeen belang van de scheepvaart(12).

5.14. Zoals voor binnenschepen(13) is het recht op aansprakelijkheidsbeperking evenwel uitgesloten als bewezen werd dat de schade het gevolg is van het persoonlijk handelen of nalaten van de aansprakelijke eigenaar, begaan hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat zodanige schade er waarschijnlijk zou uit voortvloeien(14).

5.15. Waar ook voor de eigenaar (of de bevrachter)(15) van zeeschepen aldus de principiële bergingsplicht van schip en lading bestaat, kan de overheid overeenkomstig artikel 14 van de Wrakkenwet, als niet voldaan is aan artikel 13 of in spoedgevallen waarover de overheid oordeelt of als de eigenaar, de kapitein of de schipper onbekend zijn, ambtshalve en op risico van de eigenaar en van de persoon die aansprakelijk gehouden wordt voor de gebeurtenis waardoor het vaartuig gezonken of gestrand is, de nodige voorziene maatregelen treffen(16).

5.16. Vóór elke uitvoering van de in artikel 14 vermelde maatregelen of verrichtingen kan de bevoegde overheid eisen dat de eigenaar of enige persoon van wie de aansprakelijkheid in het geding kan komen of, rechtstreeks, dat de verzekeraar van hun respectieve aansprakelijkheid, haar de som voorschiet die zij voldoende acht om de kosten van die maatregelen of verrichtingen te dekken. Voor de eigenaar van het gestrande of gezonken vaartuig en voor die van het vaartuig waarvan de aansprakelijkheid in het geding kan komen, alsmede voor hun respectieve verzekeraar mag deze som niet meer bedragen dan die waartoe de betrokken eigenaar zijn aansprakelijkheid kan beperken op grond van artikel 18(17).

5.17. Ingevolge de zeer grote economische belangen die in dergelijke omstandigheden op het spel staan, is het duidelijk dat de actie van de overheid om de vaarweg vrij te maken niet mag worden opgehouden door gebrek aan voldoende kredieten op de begroting of door betwistingen zoals bijvoorbeeld over de verdeling van de aansprakelijkheid voor de schadeverwekkende gebeurtenis. Daarom laat de wet de overheid toe de eigenaar, samen met degene die zij voor de schadeverwekkende gebeurtenis aansprakelijk acht, te verplichten de door haar geraamde kosten voor te schieten. Niettegenstaande artikel 18 van de Wrakkenwet als dusdanig de verplichtingen inzake het voorschieten en betalen in de artikelen 15 en 16 matigt, biedt dit hoofdstuk volgens de wetgever toch een groter voordeel voor de overheid die instaat voor de veiligheid van de scheepvaartuigen, dan het LLMC-Verdrag, nu de formulering van het voormelde voorbehoud voor gevolg heeft dat de overheid een eigen fonds tot haar beschikking krijgt om er haar kosten van opruiming van gezonken of gestrande schepen op te verhalen(18).

5.18. Waar de regeling voor zeeschepen en binnenschepen mij aldus op het vlak van de bergingsplicht en de aansprakelijkheidsbeperking analoog lijkt te zijn, is het m.i. in deze, in navolging van de hierboven toegelichte beschouwingen, dan ook niet uitgesloten dat de overheid in kort geding lastens de scheepseigenaar de uitvoering van de bij artikel 13 van de Wrakkenwet voorziene bergingsplicht (onder verbeurte van een dwangsom) vordert, ondanks de wettelijk voorziene aansprakelijkheidsbeperking en de vorming van een limitatiefonds.

5.19. In zoverre er geen doorwerking van het limitatiefonds is wanneer de overheid op grond van artikel 13 van de Wrakkenwet aan de eigenaar beveelt om (binnen een bepaalde termijn) tot berging van het vaartuig en/of de lading over te gaan, en de beperking alleen aan de orde is in de, in deze niet toepasselijke, hypothese dat de overheid (conform art. 14 Wrakkenwet) ambtshalve tot berging overgaat, nu artikel 15 van de Wrakkenwet slechts verwijst naar artikel 14 en niet naar artikel 13 van dezelfde wet, komt het mij dan ook voor dat (zoals voor de binnenschepen) ook voor zeeschepen niet kan voorgehouden worden dat de eigenaar slechts tot berging zou gehouden zijn in de mate dat de kosten ervan niet hoger liggen dan het bedrag van het beperkingsfonds (of dat de scheepseigenaar niet meer zou kunnen veroordeeld worden tot berging van het schip zodra hij overgaat tot een beperkingsfonds).

5.20. Er bestaat m.i. dan ook geen reden om de in casu opgeworpen rechtsvraag anders te beslechten dan deze die het voorwerp uitmaakte van het arrest van uw Hof van 23 januari 2014.

5.21. De respectieve onderdelen lijken mij derhalve niet te kunnen aangenomen worden.

6. Waar in het tweede onderdeel van het vijfde middel (van de zaak C.16.0219.N) eiseres ervan uit gaat dat eerste verweerder zou hebben beslist zelf tot lichting van het wrak over te gaan, en de appelrechters aldus hun rechtsmacht als kortgedingrechter zouden hebben overschreden en tevens nadeel zouden hebben toegebracht aan de grond van de zaak, mist het onderdeel m.i., gelet op het antwoord op het eerste middel van de zaak C.16.0219.N (en het tweede onderdeel van het enig middel in de zaak C.16.0220.N), evenwel feitelijke grondslag.

III. CONCLUSIE: VERWERPING in de beide zaken van het cassatieberoep en van de vordering tot bindendverklaring.
___________________
(1) Wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse internationale akten inzake de zeevaart, BS 6 oktober 1989.
(2) Cass. 2 maart 2012, AR C.11.0089.F, AC 2012, nr. 146; Cass. 23 januari 2014, AR C.12.0603.N, AC 2014, nr. 61, met concl. van procureur-generaal LECLERCQ.
(3) Cass. 23 januari 2014, AR C.12.0063.N, AC 2014, nr. 61, met concl. van procureur-generaal LECLERCQ; Cass. 24 juni 2013, AR C.12.0450.F, AC 2013, nr. 392, met concl. van advocaat-generaal GENICOT in Pas. 2013, nr. 392.
(4) Cass. 2 maart 2012, AR C.11.0089.F, AC 2012, nr. 146; Cass. 8 september 2008, AR C.07.0263.N, AC 2008, nr. 455.
(5) Convention on Limitation of Liability for Maritime Claims, ondertekend te Londen op 19 november 1976, en door België goedgekeurd bij wet van 11 april 1989, BS 6 oktober 1989.
(6) Zie ook art. 12, 1° Wrakkenwet: onder eigenaar van het vaartuig wordt verstaan: de eigenaar, de bevrachter en de reder van een vaartuig, alsmede degene in wiens handen de exploitatie daarvan is gelegd.
(7) Die verplichting bestaat ook voor binnenschepen: zie art. 273, § 1, 3°, Zeewet.
(8) F. Stevens, Beperking van aansprakelijkheid vs. verplichte wrakopruiming: cassatie houdt de boot af, T.B.H. 2014/9 - november 2014, 887-888.
(9) Cass. 9 juni 2016, AR C.15.0433.N, met concl. OM.
(10) Cass. 28 juni 2014, AR C.12.0603.N, AC 2014, nr. 61, met concl. van procureur-generaal LECLERCQ.
(11) F. STEVENS, Beperking van aansprakelijkheid vs. verplichte wrakopruiming: cassatie houdt de boot af, T.B.H. 2014/9 - nov. 2014, 887.
(12) Memorie van Toelichting, Gedr. St. Kamer, 1988, nr. 563/1, p. 11.
(13) Art. 4 LLMC-Verdrag.
(14) Art. 18, vierde lid, Wrakkenwet.
(15) Art. 12, 1°, Wrakkenwet.
(16) Art. 14, eerste lid, a) t.e.m. e).
(17) Art. 15, eerste en tweede lid, Wrakkenwet.
(18) Memorie van Toelichting, Gedr. St. Kamer, 1988, nr. 563/1, p. 12 en 14.
 

Noot: 

Dit arrest werd ook gepubliceerd in het RW 2017-2018, 1217.

zie ook:

• Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht [T.B.H.] STEVENS, Frank; Noot 'Beperking van aansprakelijkheid vs. verplichte wrakopruiming (bis)' 2017, nr. 6, p. 596-599.

• Wet van 11/04/1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart. (wrakkenwet)

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 09/12/2017 - 12:40
Laatst aangepast op: zo, 25/03/2018 - 12:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.