-A +A

Beperking van de rechtsplegingsvergoeding is gemotitveerd ter vrijwaring van de toegang tot de rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
woe, 31/08/2011

De mogelijkheid tot beperking door de rechter van het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat aan de in het gelijk gestelde partij kan worden toegekend, is gemotiveerd door de bekommernis van de wetgever om de toegang tot de rechter van de minst bemiddelde personen te vrijwaren.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1600
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

P. t/ Belgische Staat, Ordre des barreaux francophones et germanophone en Orde van Vlaamse Balies

Arrest nr. 214.910

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 8 januari 2008, strekt tot de nietigverklaring van het KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

...

V. Onderzoek van de middelen

...

D. Vierde middel

...

Beoordeling

...

37. In zoverre de schending wordt aangevoerd van het eigendomsrecht, doordat het in het bestreden besluit gehuldigde criterium van de waarde van de vordering het niet mogelijk maakt om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op een bedrag dat aansluit bij het bedrag van de werkelijk gedragen kosten, moet allereerst worden opgemerkt dat art. 1022, eerste lid Ger.W. bepaalt dat de rechtsplegingsvergoeding een “forfaitaire tegemoetkoming” is in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De rechtsplegingsvergoeding wordt dus niet opgevat als een vergoeding van de werkelijk gedragen kosten en erelonen, maar als een forfaitair bedrag. Aan de Koning wordt voorts in art. 1022, tweede lid Ger.W. de opdracht gegeven om het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen. Ten slotte sluit art. 1022, zesde lid Ger.W. uit dat voor de tussenkomst van een advocaat een hogere vergoeding zou kunnen worden verkregen, bv. op grond van art. 1382 BW, dan het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. De afwijking van het door de verzoeker aangevoerde zogenaamde beginsel van de integrale vergoeding van de schade vindt dus haar grondslag in art. 1022 Ger.W., niet in het bestreden koninklijk besluit.

De verzoeker voert aan dat de wet strijdig is met hogere normen, in het bijzonder art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM. Eenzelfde grief heeft de verzoeker ook aangevoerd voor het Grondwettelijk Hof. Bij zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 heeft het Hof die grief verworpen, op de volgende gronden:

“Zonder dat dient te worden nagegaan of de bedragen die door het slachtoffer van een fout zijn betaald aan erelonen voor zijn advocaat, “eigendom” zijn in de zin van art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, volstaat het evenwel vast te stellen dat de wetgever, door ervoor te kiezen de verhaalbaarheid te regelen met de techniek van de forfaitaire bedragen, om alle in B.8.3 vermelde motieven, teneinde de wetgeving in overeenstemming te brengen met de vereisten van het eerlijk proces en van het gelijkheidsbeginsel, geen maatregel heeft genomen die zonder verantwoording is. Door overigens erin te voorzien dat de forfaitaire bedragen na raadpleging van de Orden van de balies zullen worden vastgesteld, heeft de wetgever ervoor gezorgd dat die bedragen zouden worden vastgesteld in verhouding tot de door de meeste advocaten gehanteerde erelonen, zodat de eventuele aantasting van het ongestoord genot van de eigendom van de slachtoffers van een fout niet onevenredig zou kunnen worden geacht” (overweging B.9.5).

De Raad van State sluit zich bij die redenen aan.

...

38. In zoverre de schending wordt aangevoerd van het recht van toegang tot de rechter, doordat het in het bestreden besluit gehuldigde criterium van de waarde van de vordering de rechtzoekende kan ontmoedigen om een zaak bij het gerecht aanhangig te maken of minstens om beroep te doen op de bijstand van een advocaat, moet allereerst worden opgemerkt dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 april 2007 blijkt dat de beperking van het bedrag dat aan de in het gelijk gestelde partij kan worden toegekend, ten laste van de in het ongelijk gestelde partij, tot de door de Koning bepaalde forfaitaire bedragen precies gemotiveerd is door de zorg van de wetgever om de toegang tot de rechter van de minst bemiddelde personen te vrijwaren (Parl.St. Senaat 2005-06, nr. 3-1686/1, p. 10; Parl.St. Senaat 2006-07, nr. 3-1686/4, p. 4; Parl. St. Senaat 2006-07, nr. 3-1686/5, p. 15; zie het arrest nr. 182/2008 van het Grondwettelijk Hof van 18 december 2008, overweging B.8.3). De verzoeker maakt niet aannemelijk dat de door de wetgever gekozen formule van de forfaitaire bedragen leidt tot een ander resultaat dan het beoogde.

...
 

Noot: 

• S. Voet, «Rechtsplegingsvergoeding per gerechtelijke band: Where will it all end?»,, Kantteking RW 2010-2011, 888

• Stefaan Voet Rechtsplegingsvergoeding bij een gemengde vorderiing Hof van Cassatie hakt de knoop door, noot onder Cass. 15 januari 2010, RW 2010-2011, 874.

Met toelichting over de verschillende standpunten inzake rechtsplegingsvergoedingen bij meerdere vorderingen gelardeerd met rechtspraak en rechtleer.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/04/2012 - 17:32
Laatst aangepast op: vr, 27/04/2012 - 18:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.