-A +A

Bepalend criterium voor de vaststelling van het bevoegd paritair comité, is de ondernemingsactiviteit

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidsrechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 16/12/2015
A.R.: 
14/38/A

Luidens artikel 35 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, kan de Koning paritaire comités van werkgevers en werknemers oprichten, hij bepaalt welke persoon, welke bedrijfstak of ondernemingen en welk gebied onder het ressort van elk comité behoort.

Het bepalend criterium voor de vaststelling van het bevoegd paritair comité, is de ondernemingsactiviteit, welke omschreven kan worden als de activiteit die het bestaan van de onderneming rechtvaardigt en die verschilt van "de bedrijfsfunctie", dit is de verschillende deelactiviteiten waarvan de samensmelting leidt tot de uitoefening van de ondernemingsactiviteit. (Cass. 24 december 1990, RW, 1990-91, 1374 en Arbeidshof Antwerpen, 23 oktober 2003, JTI, 2004, p 99 ev)

Het ressort van een paritair comité wordt in beginsel dan ook bepaald door de hoofdactiviteit van de betrokken onderneming, tenzij uit het het oprichtingsbesluit een ander criterium blijkt (Cass. 18 januari 2010 nr. S.08.01SON; Cass. 16 maart 2015, nr. S.13.0088.F),zoals de gewone of normale activiteit van de onderneming (Cass .• 24 december 1990; Cass. AR S.08.0150 N, 18 januari 2010; Cass. 8 juni 2015, nr. S.14.0091.F).

Voor een onderneming die verscheiden activiteiten uitvoert geldt het principe: de bijzaak volgt de hoofdzaak.

Het feit of een onderneming onder een paritair comité ressorteert wordt niet bepaald door haar maatschappelijk doel zoals dat uit de statuten van de vennootschap blijkt, maar door de werkelijke activiteit van de onderneming. nl. deze die door haar personeel wordt verricht. De activiteit van derden, zelfs op kosten van de onderneming, is niet relevant (Cass., 14 februari 1983, R. W., 1983-84, 2104).

De bijzondere karakteristieken van de verhandelde grondstoffen en niet de door de werknemers verrichte werkzaamheden. kunnen bepalend zijn om na te gaan of de betrokken onderneming toen niet onder een ander paritair comité ressorteert. (Cass. 3 juni 2013, nr. S.10.0146.N).

Waar voorheen meer nadruk werd gelegd op de aard en inhoud van de werkzaamheden van de arbeiders, ligt thans tot bepaling van het toepasselijk PC, de nadruk hoofdzakelijk op de grondstoffen en bedrijfsactiviteit van de onderneming.

Artikel 51 van de CAO-wet bepaalt als volgt:
De hiërarchie van de bronnen der verbintenissen in de arbeidsbetrekkingen tussen werkgevers en werknemers is als volgt vastgesteld:

1° de dwingende bepalingen van de wet;

2° de algemeen verbindend verklaarde CAO's in volgende orde:
a) de overeenkomsten gesloten in de Nationale Arbeidsraad;
b) de overeenkomsten gesloten in een paritair comité;
c) de overeenkomsten gesloten in een paritair subcomité;

3· de niet algemeen verbindend verklaarde CAO's, wanneer de werkgever de overeenkomst ondertekend heeft of aangesloten is bij een organisatie die deze overeenkomsten heeft ondertekend, in volgende orde:
a) de overeenkomsten gesloten in de Nationale Arbeidsraad;
b) de overeenkomsten gesloten in een paritair comité;
c) de overeenkomsten gesloten in een paritair subcomité;
d) de overeenkomsten gesloten buiten een paritair orgaan;

4°de geschreven individuele overeenkomst;

5°de niet algemeen verbindend verklaarde CAO, gesloten in een paritair orgaan, wanneer de werkgever, hoewel hij de overeenkomst niet ondertekend heeft of niet aangesloten is bij een organisatie die deze heeft ondertekend, behoort tot het ressort van het paritair orgaan waarin de overeenkomst is gesloten;

6° het arbeidsreglement;

7° de aanvullende bepalingen van de wet;

8°de mondelinge individuele overeenkomst;

9°het gebruik.

Bedrijfsovereenkomsten en classificatie van arbeiders kunnen niet in strijd zijn met een sector CAO binnen een bepaald PC

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
niet gepubliceerd

VONNIS uitgesproken door de Voorzitter van de EERSTE KAMER in openbare terechtzitting van de van de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen op ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND VIJFTIEN.

Inzake:

A.R 14/ 38/ A

1. ACV BOUW - INDUSTRIE & ENERGIE, representatieve werknemersorganisatie aangesloten bij het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV)

2. ALGEMENE CENTRALE van het ABW, representatieve werknemersorganisatie aangesloten bij het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV)

Eisende partijen

tegen:

NV VOPAK TERMINAL EUROTANK, ondernemingsnummer 0419.276.857, met vennootschapszetel te 2030 Antwerpen, industrieweg 16;

Verwerende partij.

VERLEENT DE RECHTBANK HET VOLGENDE VONNIS

Gezien de stukken van het geding, gevoegd bij het dossier van de rechtspleging en nader omschreven en op de inventaris ervan.

Gelet op de Wet van 15 Juni 1935 betreffende het gebruik van de talen in gerechtszaken, gewijzigd door de Wet van 10 oktober 1967, houdende het Gerechtelijk Wetboek.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter openbare terechtzitting van 4 november 2015.

Recht doende op de stukken die zich In het dossier bevinden.

 

I. DE VORDERINGEN van EISERS

Eisende partijen ACV Bouw • Industrie & Energie en De Algemene Centrale van het ABVV vorderen :

A. In hoofdorde :

1.1. Voor recht te verklaren dat VOPAK TERMINAL EUROTANK NV (verder genoemd VOPAK} artikelen 2, §1 en 15 van de sector-CAO van het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel (nr. 117) van 24 oktober 2013 niet naleeft.

1.2. Voor recht te verklaren dat het "bedrijfsakkoord" van 8 april 1998 in strijd is met artikel 2, §1 en artikel 15 van voormelde sectorale CAO.

Dienvolgens,

VOPAK te veroordelen om het "bedrijfsakkoord" van 8 april 1998 niet langer toe te passen vanaf één maand na de betekening van het tussen te komen vonnis in de mate dat het:

(1) operators in categorie A (2) en onderhoudstechnici in categorie B (3a) inschaalt;

(2) operators pas na 108 maanden en onderhoudstechnici pas na 102 maanden laat doorstromen naar categorie E (6);

(3) operators en onderhoudstechnici onmogelijk maakt om in categorie F (7) te geraken;

(4) het loon van brigadiers vastlegt op F + 13,15 BEF

Aldus

VOPAK te veroordelen artikelen 2, §1 en 15 van de geldende sector-CAO van het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel (nr. 117) van 24 oktober 2013 toe te passen vanaf één maand na de betekening van het tussen te komen vonnis, op verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per dag vertraging in de toepassing ervan,

B. In Ondergeschikte orde :

VOPAK te veroordelen tot betaling aan eisers van een progressieve morele schadevergoeding als volgt begroot:

- vanaf dertig dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis tot zestig dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis: 5.000 EUR per dag vertraging in de toepassing van artikel 2, §1 en 15 van voormelde sectorale CAO.

- vanaf zestig dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis tot honderdtwintig na de betekening van het tussen te komen vonnis: 7.500 EUR per dag vertraging in de toepassing van artikel 2, §1 en 15 van voormelde sectorale CAO.

- vanaf honderdtwintig dagen na de betekening van het tussen te komen vonnis: 10.000 EUR per dag vertraging in de toepassing van artikel 2, §1 en 15 van voormelde sectorale CAO.

C. In zuiver Ondergeschikte orde !

Alvorens recht te doen, een gerechtsdeskundige aan te stellen met de volgende opdracht:

-op basis van de nodige door verweerster ter beschikking te stellen gegevens voor de periode januari 2014 tot en met datum van het tussengekomen vonnis (onder andere de brandweerlijsten) de opgeslagen producten bij VOPAK na te gaan en te beschrijven, en met name na te gaan en te beschrijven hoeveel opgeslagen petroleumproducten en ·derivaten enerzijds en hoeveel andere opgeslagen producten er zich bij verweerster bevinden anderzijds;

-te antwoorden op alle nuttige vragen en opmerkingen van partijen;

-aan partijen en de arbeidsrechtbank een voorverslag te bezorgen en aan partijen een redelijke termijn van minstens één maand te geven om hierop de nodige opmerkingen te formule· ren;

-tenslotte zijn definitief advies in een beredeneerd verslag ter griffie neer te leggen binnen de vier maanden na datum van het tussen te komen vonnis.

-verwerende partij te veroordelen om de gerechtsdeskundige te provisioneren.

EN

VOPAK te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegings- en de uitgavenvergoeding, zoals voorzien bij artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, begroot op:

€ 1.320,00 (basisbedrag voor niet In geld waardeerbare vorderingen)

Het te vellen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren niettegenstaande alle verhaal en zonder de mogelijkheid tot borgstelling of kantonnement.

D. In uiterst ondergeschikte orde alvorens recht te doen:

alvorens recht te doen, een gerechtsdeskundige aan te stellen uit stuk 49 van eisers onder de rubriek 5.10 met de volgende opdracht:

-op basis van de nodige door VOPAK ter beschikking te stellen gegevens voor de periode januari 2014 tot en met datum van het tussengekomen vonnis (onder andere de brandweerlijsten) de opgeslagen producten bij verweerster na te gaan en te beschrijven, en met name na te gaan en te beschrijven hoeveel opgeslagen petroleumproducten en -derivaten enerzijds en hoeveel andere opgeslagen producten er zich bij verweerster bevinden anderzijds;

-te antwoorden op alle nuttige vragen en opmerkingen van partijen;

-aan partijen en de arbeidsrechtbank een voorverslag te bezorgen en aan partijen een redelijke termijn van minstens één maand te geven om hierop de nodige opmerkingen te formuleren;

-tenslotte zijn definitief advies In een beredeneerd verslag ter griffie neer te leggen binnen de vier maanden na datum van het tussen te komen vonnis.

-verwerende partij te veroordelen om de gerechtsdeskundige te provisioneren.

ll. IN FEITE

VOPAK TERMINAL EUROTANK NV (verder VOPAK genoemd) is een bedrijf in de Antwerpse haven dat hoofdzakelijk voorziet in tankopslag, zonder dat er enig productieproces aan de grondslag ligt. Het bedrijf voorziet in opslag, bevoorrading en distributie van producten. VOPAK is lid van de Belgische petroleumfederatie (stuk 28)

De opslag betreft hoofdzakelijk petroleum en petroleumderivaten en chemische producten (al dan niet petroleum-derivaten)

Enerzijds is er de bedrijfsovereenkomst betreffende de functieklassificatie van 8 april 1998, toen afgesloten tussen Paktank Chemica! België N.V. (de rechtsvoorganger van VOPAK) en de Syndicale Afvaardiging

Deze bedrijfsovereenkomst werd gedurende jaren en wordt ook thans nog toegepast en luidt als volgt:

"OVEREENKOMST BETREFFENDE FUNCTIE·CLASSIFICA TIE ARBEIDERS

1. OPERATOR OPSLAGTERMINAL

Cat.A

Begint in categorie A

Cat. B

Na 5 maanden in A, doorgroei naar B

Cat. C

Na l5 maanden in B, doorgroei naar C, mits gunstige evaluatie

Cat. 0

Na 12 maanden in C, doorgroei naar D, mits gunstige evaluatie

Cat. D+

Na minstens 27 maanden(1) in D, doorgroei naar D+, mits gunstige evaluatie en nadat betrokkene beschikt overeen A3 opleiding of een gecertifieerde gelijkwaardige opleiding.

Komen eveneens in aanmerking degenen die door de kwaliteit van hun werk, hun inzet en motivatie en hun ervaring bewezen hebben hiermee gelijkgesteld te kunnen worden.

Cat. E: Polyvalente operator

Na minstens 48 maanden In D+, doorgroei naar E, mits betrokkene zich kwalificeert met betrekking tot de gestelde criteria(2) én mits een gunstige evaluatie.

Cat. E+ (+ 10 BEF): Ploegleider

Deze categorie is enkel voorzien voor de functie van ploegleider. Indien een functie van ploegleider vacant is kan een polyvalente operator in aanmerking komen voor de functie van ploegleider mits hij zich kwalificeert én mits een gunstige evaluatie.

De categorie wordt bij de aanstelling op proef voor 6 maanden toegekend, daarna wordt ze definitief.

Cat. F: Meestergast

Deze categorie is voorbehouden voor de meestergast operations (J.)Minimum 2 / maanden anciënniteit in eer D Komt overeen met een totale anciënniteit van minimum 5 jaren in de onderneming

(5=60maanden =5m+ 15m+ /2m+27m)

(2) Criteria : zich kwalificeren als polyvalente operator (catE) inpliceert:

- zelfstandig alle soorten schepen, tankwagens & spoorwagons behandelen, • alle voertuigen (eigen aan cle terminal) kunnen besturen.

-tankmeting en temperatuurregeling zelfstandig kunnen uitvoeren,

- vatenoperaties bedienen van beide vatenvulmachines en laden,

- veiligheid (test)

 

2. ONDERHOUDSTECHNICI

Cat. B

Begint in categorie 8

Cat. C

Na 6 maanden in 8, doorgroei naar C

Cat. D

Na 15 maanden in C, doorgroei naar D, mits gunstige evaluatie

Cat. E

Na 12 maanden in D, doorgroei naar E, mits gunstige evaluatie

Cat. E (E+10BEF)

Na minstens 27 maanden(3) in E, doorgroei naar E-+ mits gunstige evaluatie en nadat betrokkene beschikt over een A2/B2 opleiding of een gecertifieerde gelijkwaardige opleiding.

Komen eveneens in aanmerking degenen die door de kwaliteit van hun werk, hun inzet en motivatie en hun ervaring bewezen hebben hiermee gelijkgesteld te kunnen worden.

Cat. E++ (134 +10 BEF)

Na minstens 4.8 maanden in E+, doorgroei naar E++, mits een gunstige evaluatie.

Cat. F4 (F+ +13,15 BEF): Brigadier

Deze categorie is voorbehouden voor de brigadier technische dienst.

3. OPMERKINGEN

OPLEIDING

De operator die zich in cat. D+ bevindt en die wenst door te groeten naar de functie "Polyvalente Operator richt een schriftelijke aanvraag tot de Operations Manager(ET) of de Terminal Manager (l·EEM).

Na ontvangst van deze schriftelijke aanvraag zal nagegaan worden welke job- aspecten verdere opleiding behoeven teneinde te kunnen voldoen aan de criteria voor de functie "Polyvalente operator".

De operations manager (ET) of de Terminal Manager (HEM) verzorgen de planning van deze opleiding. Zij bepalen tevens of al dan niet aan de vereiste criteria voldaan werd. Bij afwijzing of uitstel motiveren zij hun beslissing ten overstaan van de betrokken operator en desgevraagd ten overstaan van de syndicale afvaardiging.

Teneinde de kwaliteit van de opleiding tot "Polyvalente operator" te kunnen waarborgen kunnen per 6 maanden maximaal 4 operators opgeleid worden binnen Eutotank Terminal, en 2 operators binnen Hemiksem Terminal. Indien er meer aanvragen zijn, zal de hoogste anciënniteit voorrang hebben.

(3) Minimum 27 maanden anciënniteit in eer E komt overeen met een totale anciënnefteit van minimum 5 jaren in de onderneming (5j=60 maanden = {6m+ 15m+ 12m + 27m)

DOORGROEI VANUIT DE VATENPLOEG

Principieel blijven de doorgroei mogelijkheden naar de functie 'Polyvalente operator epen, indien

- de redenen die eertijds bestonden om te transfereren van operations naar de vaten-

[…]

Folio nr .. J~~

CATEGORIEEN

De doorgroei binnen de categorieën zoals hierboven beschreven is afhankelijk van de functie en wordt gelimiteerd tot

- doorgroei van cat. A tot en met cat C voor de functie "MagazijnierH;

doorgroei van cat I\ tot en met D.J. voor de functie "Operator vaten",

. doorgroei van cat. A tot en met D-1 voor de functie "Operator Terminal"; - cat. E voor de functie 'Polyvalente Operator."

Indien een werknemer, nadat hem een bepaalde categorie werd toegekend, terug overgaat naar een functie waarvoor een lagere categorie geldt ,zal het verschil in uurloon afgebouwd worden door het overslaan van CAO- en indexverhogingen. Een toegekende categorie wordt echter definitief verworven vanaf het moment dat betrokkene 5 jaar tewerkgesteld werd in een functie die recht geeft op deze categorie.

CRITERIA "POLYVALENTE OPERATOR

De criteria waaraan men moet voldoen om zich te kwalificeren als polivalente operator (cat E) houden in

- zelfstandig alle soorten schepen, tankwagens & spoorwagons behandelen;

- alle voertuigen (eigen aan de terminal) kunnen besturen;

- tankmeting en temperatuurregeling zelfstandig kunnen uitvoeren;

- vatenoperaties : bedienen van beide vatenvulmachines en laden;

- veiligheid (test).

Deze 5 basiscriteria zullen verder verfijnd en geconcretiseerd worden in een volgende vergadering ..... "

Anderzijds blijkt dat de sector CAO dd 22 januari 2012 van het PC voor de petroleumnijverheid en handel (Nr 117) voorziet in een andere classificatiesysteem. Deze CAO trad voor onbepaalde duur in werking op 18 juni 2007: (gedeeltelijke weergave)

"HOOFDSTUK II

BEROEPENCLASSIFI/CA TIE, VORMING EN EDUCATIEF VERLOF

Afdeling 1. Beroepenclassificatie

Art. 2. § 1. De beroepenclassificatie van de werklieden wordt als volgt bepaald en is steeds geldig voor functies welke bestendig worden uitgevoerd

l Schoonmakers-kantinewerklieden

2, Hulpwerklieden

Worden onder meer in deze categorie ingedeeld:

de werklieden die aan om het even welk werk van laden, lossen, schoonmaken, bewaken, enz., dat geen bijzondere kennis vergt, kunnen worden tewerkgesteld.

3. Geoefende hulpwerklieden

De categorie "geoefende hulp werklieden" wordt onderverdeeld in:

a) Geoefende hulpwerklieden A

de werklieden die zich oefenden in een werk dat aan de exploitatie van petroleuminstallaties eigen is.

Worden onder meer in deze categorie ingedeeld:

l. de werklieden, na één jaar in de categorie 'hulpwerklieden’ gerangschikt te zijn geweest,·

2. de hulpmagazijniers, overslagers, gewone begeleiders, werklieden tewerkgesteld aan het loden en lossen van verpakte goederen, wegers, tellers, gewone pompmannen (vullers), dragers (overbrengen van post en documenten), bevoorraders, wakers, evenals de werklieden tewerkgesteld aan de proef der dichtheid en de verzegeling der vaten.

b) Geoefende hulpwerklieden B

de geoefende werklieden tewerkgesteld in de sector, te weten aan de fabricage, de verzending, inde de laboratoria en in de elektrische centrales.

Worden onder meer in deze categorie ingedeeld:

de begeleiders-incasseerders, tankpeilers, mengers van petroleum-producten; de werklieden tewerkgesreld aan het ledigen en het vullen van vaten in petroleuminstellingen.

4. Geschoolde werklieden - 2e categorie

De werklieden die een beroep kennen en onder toezicht werken van de meestergast of van de geschoolde arbeider eerste categorie. Zij werken niet volgens plannen of modellen. Tot deze categorie behoren eveneens de werklieden die een functie uitoefenen waarvoor geen enkele bijzondere vorming nodig is geweest en die na enkele maanden praktijk kan worden beoefend. Worden onder meer in deze categorie ingedeeld:

de volwassen helpers van de geschoolde werklieden der hogere categorieën, de ketelen pipes-still stokers, vorkheftruckbestuurders, kroonmannen, metselaars, schrijnwerkers en schilders (gewoon werk aan gebouwen en pistoolschilderen), de pompmannen in de menginstallatles, de werklieden tewerkgesteld in de productie en/of de raffinage, de laboranten , enz.

5. Tankwagen- of vrachtwagenchauffeur, locotractors en locopulsor-bestuurders, autobestuurders.

6. Geschoofde werklieden - 1ste categorie

De technisch geschoolde werklieden die een beroep hebben aangeleerd en het bewijs leveren het gedurende ten minste vijf jaar te hebben uitgeoefend (periode ingekort tot ten minste drie jaar voor degenen die cursussen van beroeps- of technische scholen hebben gevolgd). Zij moeten individueel kunnen werken volgens plannen en modellen. Worden onder meer in deze categorie Ingedeeld:

de bankwerkers, ketelstokers die zonder toezicht werken, elektriciens, takelaars (riggers), kraanmannen (auto en rups), isoleerders. eerste klasse metselaars. mecaniciens, mecaniciens van dieselmotoren, schrijnwerkers-timmerlieden, monteurs, geschoolde v/legveldwerklieden, schilders, brandweerlieden, pompmannen die zelf de mengelingen kunnen uitvoeren en bekwaam zijn zelf de berekeningen te maken welke die handelingen vereisen, pompmannen-mecaniciens, schavers-boorders, autogeenlassers, draaiersturbine-wachters (elektrische centrale), buizenleggers, instrumentatietechnici,

enz.

7. Meer dan geschoolde werklieden

De werklieden die hun vak grondig kennen en bij' het uitoefenen van hun functies met een verantwoordelijkheid zijn belast.

Worden onder meer in deze categorie ingedeeld:

a) de meer dan geschoolde bankwerkers voor instrumenten, zeer geschoolde lassers die speciale legeringen kunnen lassen en geslaagd zijn in deA. P.I.-testen, evenals alle andere categorieën van geschoolde werklieden met gelijkwaardige functies en verantwoordelijkheid;

b) de werklieden die tenminste twee vakken uitoefenen waarvan sprak» in de categorie Geschoolde werklieden - 1ste categorie", na te zijn geslaagd in de verschillende proeven vereist voor de geschoolde werklieden van 1ste categorie,

§ 2. Procedure voor het onderzoek van gevallen met betrekking tot de classificatie op het vlak van de ondernemingen.

Eventuele vragen aangaande individuele of collectieve problemen op het vlak van het bedrijf met betrekkina tot de classificatie, dienen onder een geschreven vorm en gemotiveerd, door de syndicale delegatie, te worden ingediend bij de directie.

Deze laatste zal ze onderzoeken in het licht van de conventionele classificatie, alsmede van het aan het bedrijf eigen beleid en de conventionele bedrijfsafspraken inzake classificatie.

Op haar verzoek, zal de syndicale delegatie iedere opheldering krijgen met betrekking tot de hiërarchie der werkliedentaken, die in het bedrijf van kracht is,

De directie zal de termijn bepalen waarbinnen een oplossing zal kunnen gevonden worden, zonder de twee maanden te overschrijden,

De oplossing zal goedgekeurd worden in overleg met de syndicale delegatie.

Afdeling 2. Vorming, (geeft een weergave van de vormingsmogelijkheden en modaliteiten) .....

D. LOON VAN DE BRIGADIERS

Art. 15. Het loon van de brigadiers is gelijk aan het geïndexeerd loon van de werklieden van hun ploeg, verhoogd met l0 pct."

Op 26 januari 2012 werd tussen VOPAK en de vakorganisaties een nieuwe bedrijfsovereenkomst afgesloten. Deze voorziet onder artikel 10 het engagement van betrokken partijen om werkgroepen op te starten waarbij onder b. : "de huidige sectorale regelgeving betreffende functieclassificatie zonder verwijl wordt toegepast." Een werkgroep zal in 2012 de uitgewerkte 'CAO looncategorie arbeiders' en de uitgewerkte 'CAO looncategorie bedienden' verder toetsen aan de sectorale regelgeving betreffende de functieclassificatie om dit advies mee te nemen bij de besprekingen CAO 2013- 14. (stuk 3)

Op 7 juni 2012 werd een PV van niet-verzoening opgesteld, na vergadering onder leiding van voorzitter-bemiddelaar S. Rosman. Deze besloot dat het werkgeversvoorstel van 17 /4/12 (niet bijgebracht) niet overeenstemt met de sectorale bepalingen inzake de beroepenklassificatie. (stuk 4-5)

Bij brief van 28 augustus 2013 meldt de directie aan de raadsman van de vakorganisatie dat VOPAK. altijd en per definitie de sectorale functieclassificatie toepast conform het PC 117. "We zullen ons ook in de toekomst strikt houden aan het wettelijk kader" (stuk 5 Vopak) De raadsman van de vakorganisaties antwoordden per brief van 19 november 2013 dat zij gelet op de weigering tot toepassing zouden overgaan tot dagvaarding. (stuk 6 Vopak)

Op 19 mei 2014 meldt de directie van VOPAK aan alle werknemers dat zij zullen overgaan tot interne herstructurering en meldt zij tevens dat de activiteit wordt ondergebracht in hetzelfde comité, namelijk dat van de chemische sector. (stuk 43-44) Op 12 juni 2014 wordt VOPAK gefactureerd voor haar lidmaatschap bij VZW ESSENSCIA {beroepsfederatie van de chemische nijverheid).

 

IlI. ONTVANKELIJKHEID

Als vertegenwoordiger van hun leden, hebben eisende partijen de vereiste hoedanigheid en een rechtmatig belang. De vordering is bij toepassing van artikel 17 Ger. W. toelaatbaar.

De vordering ingediend door een interprofessionele groepering met rechtspersoonlijkheid is toelaatbaar indien, enerzijds, natuurlijke of rechtspersonen die lid zijn van die groepering, bij de vordering een eigen belang hebben en anderzijds datzelfde belang in het algemeen door de interprofessionele of beroepsgroepering krachtens haar statuten behartigd wordt (per analogiam (Cass . 1 februari 1990).)

Bij toepassing van artikel 18 Ger. W. dient het belang een reeds verkregen en dadelijk belang zijn. VOPAK gaat voorbij aan het gegeven dat de rechtsvordering bij toepassing van hetzelfde artikel tevens kan worden toegelaten indien zij; zelfs tot verkrijging van een verklaring naar recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden zoals gesteld in voormeld artikel is voldaan, waar de vordering gestoeld is op al dan niet bedreigde rechten voortkomend uit de beweerde niet naleving van CAO dd 22 januari 2012 binnen PC 117 en dat de vorderingen ook om deze reden toelaatbaar zijn.

Overwegende dat de vorderingen naar termijn en vorm tevens regelmatig zijn ingesteld en dat de ontvankelijkheid ervan voor het overige niet betwist wordt.

De vorderingen zijn ontvankelijk.

IV. BEOORDELING

A. In hoofdorde :

4.1. Wat het toepasselijk Paritair Comité betreft

Volgens VOPAK valt zij als bedrijf niet onder PC 117 (petroleum en petrochemische nijverheid) maar onder PC 116 (chemische nijverheid).

Luidens artikel 35 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, kan de Koning paritaire comités van werkgevers en werknemers oprichten, hij bepaalt welke persoon, welke bedrijfstak of ondernemingen en welk gebied onder het ressort van elk comité behoort.

Het bepalend criterium voor de vaststelling van het bevoegd paritair comité, is de ondernemingsactiviteit, welke omschreven kan worden als de activiteit die het bestaan van de onderneming rechtvaardigt en die verschilt van "de bedrijfsfunctie", dit is de verschillende deelactiviteiten waarvan de samensmelting leidt tot de uitoefening van de ondernemingsactiviteit.

(Cass. 24 december 1990, RW, 1990-91, 1374 en Arbeidshof Antwerpen, 23 oktober 2003, JTI, 2004, p 99 ev)

Het ressort van een paritair comité wordt in beginsel dan ook bepaald door de hoofdactiviteit van de betrokken onderneming, tenzij uit het het oprichtingsbesluit een ander criterium blijkt (Cass. 18 januari 2010 nr. S.08.01SON; Cass. 16 maart 2015, nr. S.13.0088.F),zoals de gewone of normale activiteit van de onderneming (Cass .• 24 december 1990; Cass. AR S.08.0150 N, 18 januari 2010; Cass. 8 juni 2015, nr. S.14.0091.F}.

Voor een onderneming die verscheiden activiteiten uitvoert geldt het principe: de bijzaak volgt de hoofdzaak.

In dit dossier is terzake geen onderzoek gebeurd door de diensten van de sociale inspectie, noch werd de specifieke procedure gevolgd.

Er dient derhalve door de rechtbank te worden nagegaan wat de ondernemingsactiviteit is van VOPAK.

Daarbij dient te worden opgemerkt dat:

Een onderneming die het loutere vervoer verzorgt van petroleumproducten of -derivaten kan tot het ressort van de paritaire comités nrs. 117 (Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en ·handel) en 211 (Paritair Comité voor de bedienden uit de petroleumnijverheid en -handel) behoren. (Cass. 1 februari 2010. nr. S.09.0023.N).

Het feit of een onderneming onder een paritair comité ressorteert wordt niet bepaald door haar maatschappelijk doel zoals dat uit de statuten van de vennootschap blijkt, maar door de werkelijke activiteit van de onderneming. nl. deze die door haar personeel wordt verricht. De activiteit van derden, zelfs op kosten van de onderneming, is niet relevant (Cass., 14 februari 1983, R. W., 1983-84, 2104).

De bijzondere karakteristieken van de verhandelde grondstoffen (in dat geval bouwmaterialen) en niet de door de werknemers verrichte werkzaamheden. kunnen bepalend zijn om na te gaan of de betrokken onderneming toen niet onder een ander paritair comité ressorteert. (Cass. 3 juni 2013, nr. S.10.0146.N).

Waar voorheen meer nadruk werd gelegd op de aard en inhoud van de werkzaamheden van de arbeiders, ligt thans tot bepaling van het toepasselijk PC, de nadruk hoofdzakelijk op de grondstoffen en bedrijfsactiviteit van de onderneming.

De bevoegdheidsomschrijving zoals geformuleerd voor PC 117 luidt als volgt:

"Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 maart 1975 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 januari 1987, wordt vervangen als volgt:

« Artikel 1.- § i. Er wordt een paritair comité opgericht, genaamd 'Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en – handel’, dat bevoegd is voor de werknemers die hoofdzakelijk handarbeid verrichten en hun werkgevers, te weten de ondernemingen die, hetzii voor eigen rekening, hetzii voor rekening_ van derden, op het stuk van petroleumproducten en -derivaten (onder andere de samengeperste vloeibaar gemaakte of opgeloste petroleumgassen. alsmede de smeermiddelen en de vetten) een industriële en/of handelsbedrijvigheid uitoefenent. daarin begrepen het behandelen, de raffinage, het opslaan, het laden, het vervoeren en het lossen van deze producten en die voldoen aan één van de voorwaarden van § 2

§ 2. Om tot dit paritair comité te bekoren, moeten de ondernemingen bedoeld in § 1 opslagplaatsen voor petroleumproducten en/of derivaten met een totale inhoudsruimte van minstens 15000 m3 uit welke hoofde ook, bezitten of exploiteren of aan minstens twee van de volgende maatstaven beantwoorden

- de distributie verzekeren van minstens 150 000 ton per jaar petroleumproducten en/of derivaten, stookolie uitgezonderd. Met stookolie worden zowel halfzware, zware alsook extra zware stookolie bedoeld;

- de distributie verzekeren van minstens 200 000 ton per jaar stookolie;

- een vloot van tankwagens gebruiken waarvan de capaciteit (inhoud) 250 m3 bereikt, welke haar eigendom of die van derden is;

de handel van petroleumproducten en/af -derivaten verzekeren door ten minste 25 punten van detail verkoop onder eenzelfde handelsbenaming, eigendom van de betrokken onderneming.

§ 3. In ieder geval zijn uitgesloten van de bevoegdheid van dit paritair comité

1. elke onderneming die vaar haar eigen productie andere dan petroleumproductie, of voor eigen gebruik en met eigen personeel, petroleumproducten en/of -derivaten gebruikt als grondstof, als brandstof of als energiebron;

2. de ondernemingen voor detailverkoop die rechtstreeks aan de verbruikers diverse producten" met inbegrip

van petroleumproducten en/of derivaten verkopen, en die onder volgende paritaire comités ressorteren

- het Paritair Comité voor het garagebedrijf;

- het Paritair Comité voor de handel in voedingswaren;

- het Paritair Comité voor de handel in brandstoffen;

- het Paritair Comité voor de zelfstandige kleinhandel;

- het Paritair Comité voor de bedienden uit de kleinhandel in voedingswaren;

- het Paritair Comité voor de grote kleinhandelszaken;

-het Paritair Comité voor de warenhuizen. “

De bevoegdheidsomschrijving zoals geformuleerd voor PC 116 luidt als volgt

"Paritair Comité voor de scheikundige nijverheid. m Oprichting en wijziging bevoegdheidsgebied

Artikel 1,

bevoegd voor de werknemers die hoofdzakelijk handarbeid verrichten en hun werkgevers, te weten:
met uitzondering van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de apotheken en de tarificatiediensten of onder het Paritair Comité voor de groothandelaars-verdelers in geneesmiddelen,

de ondernemingen die voor eigen rekening of voor rekening van derden zich bezighouden met de productie, de verwerking, de bewerking, de verpakking, de handel en de distributie van scheikundige producten, alsmede met de productie van synthetische producten en de verwerking en bewerking van deze producten wanneer geen aan een andere bedrijfstak eigen techniek of vakkundigheid noodzakelijk is, alsook de studiebureaus die hiermee verband houden.

De volgende bedrijfssectoren worden bij wijze van voorbeeld geacht aan deze definitie te beantwoorden:

- fabricage. verwerking. bewerking. verpakking en opslaan van alle chemische producten, inbegrepen deze bekomen door het vergassen;

- anorganische chemie : elementen, zuren, zouten en basen, anorganische meststoffen, alkaliën en hun derivaten;

- stikstofhoudende meststoffen en producten evenals de ervan afgeleide producten;

- elektrochemie, elektrothermie;

- organische chemie. en petrochemie:

- productie, synthese, biosynthese, cultuur"

 

Uit de termen van de bevoegdheidsomschrijving van PC 116 blijkt dat onder de toepassing valt "de ondernemingen die voor eigen rekening of voor rekening van derden zich bezighouden met de productie, de verwerking, de bewerking, de verpakking, de handel en de distributie van scheikundige producten, alsmede met de productie van synthetische producten en de verwerking en bewerking van deze producten wanneer geen aan een andere bedrijfstak eigen techniek of vakkundigheid noodzakelijk is."

Uit alle elementen van het dossier blijkt dat VOPAK alleen stockage en opslag doet van petroleum, petrochemische producten en chemicaliën.

In casu, blijkt dat VOPAK op geen enkel ogenblik aan enig verwerkingsproces doet, van de door haar opgeslagen producten (dus geen chemische "nijverheid") en dat de scheikundige producten die zij stockeert in aanzienlijk mindere hoeveelheden staan tot de petroleum en petrochemische producten.

Derhalve valt VOPAK niet onder toepassing van PC 116.

Benevens blijkt dat de door VOPAK aangeduide producten : olieproducten, chemicaliën, gasoil en plantaardige oliën betreffen. (stuk 27)

De outprint dd 23 februari 2015 m.b.t. de grondstoffen van VOPAK, (tonnage) toont aan dat minerale oliën nog steeds het hoofdbestanddeel uitmaakt van hun voorraad. Chemicaliën omvatten iets minder dan de helft van hun voorraad (maar deze bevatten ook petrochemische producten). De nadruk op petroleum en ook in belangrijke mate op petrochemische producten blijft dan ook behouden (stuk 65)

PC 117 is van toepassing voor:

De ondernemingen die. hetzii voor eigen rekening, hetzii voor rekening van derden, op het stuk van petroleumproducten en derivaten (onder andere de samengeperste, vloeibaar gemaakte of opgeloste petroleumgassen, alsmede te smeermiddelen en de vetten} een industriële en/of handelsbedriivigheden uitoefenen daarin begrepen het behandelen, de raffinage, het opslaan, het laden, het vervoeren en het lossen van deze producten''

De onderneming die opslag, laden en lossen van deze producten als hoofdactiviteit hebben, in acht genomen de onder §2 vermelde hoeveelheden, vallen onder toepassing van PC 117. Het staat daarbij niet ter discussie dat VOPAK voldeed en voldoet aan de voorwaarden vermeld onder §2 inzake opslagcapaciteit.

Tot staving worden voldoende stavingsstukken voorgebracht waaruit blijkt dat de opslag en logistiek van petroleum en petroleumderivaten, nog steeds de hoofdactiviteit uitmaakt van VOPAK. De brandweerlijsten, bestaan uit chemische benamingen van de opslaggoederen. Het voorgebrachte verslag van Dr. F. Troch bevestigt dat de opgeslagen productgroepen gangbaar via petrochemische weg worden geproduceerd, (stuk 40) m.a.w. het is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat dit allen minstens grotendeels petroleumderivaten betreffen. Op zich is dit verslag eenzijdig, doch tevens blijkt dat het cliënteel hoofdzakelijk olie en chemiebedrijven betreffen (stuk 27 en 37) alsook blijkt uit het omgevingsveiligheidsrapport dat de aardolieproducten en methanol duidelijk de hoofdbestanddelen van de opslaggoederen van VOPAK uitmaken (stuk 38) Gelet op het voorgaande dringt de aanstelling van een deskundige zich dan ook niet op.

VOPAK brengt een overzicht voor van transportbewegingen van petroleumproducten en chemische producten (zonder te specifiëren welke daarvan petroleumderivaten zijn en welke niet), zodat hieruit geen enkele redelijke andersluidende besluitvorming kan tot stand komen.

Waar VOPAK goedgeplaatst is om aan te tonen dat de chemicaliën waarvan in haar stukken en besluiten sprake zijn, geen elementen zijn die voortkomen Uit de voorafgaandelijke bewerking van petroleum en derhalve geen petrochemische producten betreffen, bevestigt haar stilzwijgen (in acht genomen het voormelde) het tegendeel.

Ten overvloede blijken overeenstemmende elementen en jarenlange toe· passing van de CAO's PC 117 door VOPAK het voorgaande ook in hun naleving te bevestigen.

Blijkens de voorgebracht arbeidsovereenkomsten, blijken de werknemers te zijn ingeschaald conform de functieclassificatie van 1998 binnen PC 117. De arbeidsovereenkomsten bepalen onder artikel 11 of 13 ook dat de arbeidsovereenkomsten vallen onder toepassing van de bepalingen en overeenkomsten van het PC nr 117 (stukken 16 en 17) en VOPAK benadrukte steeds (toch wel kennis hebbend van haar eigen bedrijfsactiviteit) onder toepassing te vallen van PC 117.

De door VOPAK voorgebrachte bedrijfs-CAO met SEA-tank, die blijkbaar volgens VOPAK volledig gelijkaardige activiteiten ontplooit (weze het in petroleum en niet in petrochemie}, valt ook onder toepassing van PC 117 (stuk 31 p 4)

Het gegeven dat VOPAK zich recentelijk heeft aangesloten bij Essenscia, doet hier geen afbreuk aan.

Besluit:

De rechtbank acht het als bewezen dat VOPAK ressorteerde en ressorteert onder de bevoegdheid van PC 117.

III. 2. Wat de toepasselijke regelgeving betreft

Artikel 51 van de CAO-wet bepaalt als volgt:

De hiërarchie van de bronnen der verbintenissen in de arbeidsbetrekkingen tussen werkgevers en werknemers is als volgt vastgesteld:

1° de dwingende bepalingen van de wet;

2° de algemeen verbindend verklaarde CAO's in volgende orde:

a) de overeenkomsten gesloten in de Nationale Arbeidsraad;

b) de overeenkomsten gesloten in een paritair comité;

c) de overeenkomsten gesloten in een paritair subcomité;

3· de niet algemeen verbindend verklaarde CAO's, wanneer de werkgever de overeenkomst ondertekend heeft of aangesloten is bij een organisatie die deze overeenkomsten heeft ondertekend, in volgende orde:

a) de overeenkomsten gesloten in de Nationale Arbeidsraad;

b) de overeenkomsten gesloten in een paritair comité;

c) de overeenkomsten gesloten in een paritair subcomité;

d) de overeenkomsten gesloten buiten een paritair orgaan;

4°de geschreven individuele overeenkomst;

50de niet algemeen verbindend verklaarde CAO, gesloten in een paritair orgaan, wanneer de werkgever, hoewel hij de overeenkomst niet ondertekend heeft of niet aangesloten is bij een organisatie die deze heeft ondertekend, behoort tot het ressort van het paritair orgaan waarin de overeenkomst is gesloten;

6° het arbeidsreglement;

7° de aanvullende bepalingen van de wet;

8°de mondelinge individuele overeenkomst;

9°het gebruik.

Bij toepassing van artikel 19 van de CAO-wet is de CAO dd 22 Januari 2012 bindend.

Bij toepassing van artikel 10,3° van de CAO-wet zijn de bepalingen van een overeenkomst gesloten buiten een paritair orgaan nietig wanneer deze strijdig zijn met een overeenkomst gesloten in een PC.

VOPAK TERMINAL EUROTANK NV dient derhalve de bepalingen van de sector-CAO van het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel (nr. 117) van 24 oktober 2013 na te leven.

Thans blijkt dat door VOPAK nog steeds de functie-classificatie van de bedrijfsovereenkomst van 1998 wordt toegepast.

Er dient te worden nagegaan of de bepalingen van voormelde sector CAO van 2013 binnen PC 117 strijdigheden vertoont met voormelde bedrijfsovereenkomst.

De uitlegging, die de feitenrechter aan een niet algemeen verbindend verklaarde CAO geeft, is in cassatie onaantastbaar, mits zij de bewijskracht van de akte niet miskent (Cass .. 28 december 1987, J. T.T., 1988, 441).

De rechter geeft aan een CAO, rekening houdend met de gemeenschappelijke bedoelingen van de ondertekenaars, een soevereine interpretatie (Cass . 11 maart 2002.).

Daarbij dient te worden vastgesteld dat de functie-classificaties voorzien in de bedrijfs-CAO werkt met tussenfuncties en doorgroeimogelijkheden, zonder dat deze op het eerste zicht noodzakelijkerwijze gekoppeld zijn aan bepaalde voor de rechtbank vast te stellen loonsvoorwaarden of minimumbarema's, minstens zijn deze niet in desbetreffende CAO aangeduid.

Benevens stelt de rechtbank vast dat de terminologie zoals deze gebruikt is In de sector-cao in vele opzichten onduidelijk is.

Eisers stellen dat VOPAK de sector CAO niet nakomt in de mate dat :

(1) operators in categorie A en onderhoudstechnici in categorie B zijn ingeschaald.

De formulering van deze beweerde inbreuk, kan In deze (algemene) termen niet worden gevolgd.

Voor de actuele functie-classificatie dient men te weten of deze operatoren effectief geschoold zijn dan niet en wat hieronder dient te worden begrepen.

De termen van de sector-CAO zijn niet geheel duidelijk, waar deze onder categorie 4 geschoolde werklieden 2° categorie bepalen:

"De werklieden die een beroep kennen en onder toezicht werken van de meestergast of van de geschoolde arbeider 1° categorie. Zij werken niet volgens plannen of modellen.

Tot deze categorie behoren eveneens de werklieden die een functie uitoefenen waarvoor geen enkele bijzondere vorming nodig is geweest en die na enkele maanden praktijk kan worden uitgeoefend."

Waar enerzijds voor deze categorie wordt gesteld dat geen enkele bijzondere vorming nodig is geweest (en derhalve dient te worden besloten dat elke geschoolde arbeider in deze categorie dient te starten) staat zulks evenwel in contrast met de aangehaalde voorbeelden die een bijzondere bekwaamheid vereisen : Worden onder meer in deze categorie ingedeeld:

de volwassen helpers van de geschoolde werklieden der hogere categorieën, de ketel- en pipes-still stokers, vorkheftruckbestuurders, kraanmannen, metselaars, schrijnwerkers en schilders (gewoon werk aan gebouwen en pistoolschilderen), de pompmannen in de menginstallaties, de werklieden tewerkgesteld in de productie en/of de raffinage, de laboranten, enz.

De termen dat deze werknemers 'een beroep moeten kennen' bieden ook geen uitsluitsel, nu uit deze termen niet blijkt dat dit een voor de functie relevant beroep dient te zijn. De logica doet dit veronderstellen, in acht genomen ook de voormelde voorbeelden, doch de tekst nl. 'een beroep' spreekt dit tegen. Sommige van de bij voorbeeld opgesomde beroepen, eisen daarbij een bijzondere vooropleiding, minstens voorkennis (heftruckbestuurder, kraanman, pistoolschilders) andere evenwel niet (schilders, gewoon werk aan gebouwen). Dezelfde tekst stipuleert verder dan weer 'dat geen enkele bijzondere vorming nodig is geweest en dat deze functie na enkele maanden praktijk reeds kan worden beoefend'

De rechtbank besluit, niettegenstaande deze tegenstrijdige bepalingen dat de titel 'geschoold' van voorgaande categorie duidelijk is en derhalve elk geschoold operatoren elk geschoold onderhoudstechnicus dient ingeschaald te worden in categorie 4,2°.

Indien de redenering van VOPAK zou worden gevolgd waar deze stelt dat 'niet geschoold' dient gelijk gesteld te worden met 'het niet kennen van het beroep operator', voegt men een voorwaarde toe die niet in deze tekst is vermeld en vervalt men in een overeenkomst/clausule die onbepaalbaar is, nu de invulling van deze voorwaarde in dit geval geheel aan het eenzijdig oordeel van de werkgever zou worden overgelaten.

Dit impliceert evenwel niet dat alle operatoren (ook de niet geschoolde) noodzakelijkerwijze onder deze categorie dienen te worden ingeschaald. De vordering is deels gegrond in de mate dat VOPAK niet elk geschoolde operator en elk geschoold onderhoudstechnicus inschaalt in categorie 4,2°.

Wat betreft de geschoolde onderhoudstechnici voert VOPAK desbetreffend ook geen betwisting. (besluit p 65)

(2) operators pas na 108 maanden en onderhoudstechnici pas na 102 maanden laat doorstromen naar categorie E;

De sector-CAO voorziet een ander doorstroming of loopbaantraject dan de bedrijfs - CAO die thans nog wordt gehanteerd.

Ook hier blijkt het gebrek aan overeenstemming tussen de bedrijfsovereenkomst enerzijds- en de sector-CAO anderzijds.

Terecht stelt VOPAK dat de functie-classificatie van de sector-CAO een fotografische inschaling is. Alleen indien de werknemer een scholing volgde, of een hogere moeilijkere functie gaat uitoefenen, zal deze volgens de hogere sectorale looncategorie worden vergoed.

De enige beperking die de bedrijfsovereenkomst voorziet is onder D+ en E waar een minimumperiode vereist is. (en deze in de mate dat een gunstige evaluatie vereist is - doch dit gegeven ligt niet ter betwisting voor). Voor de overige overgangen is geen minimumtermijn van tewerkstelling voorzien, aldaar voorziet de bedrijfsovereenkomst voor de werknemer veeleer in het meerdere dan in het mindere.

Slechts voor zoverre een operator, een minimumperiode dient te doorlopen In categorie D+ en E, (in de mate dat deze catalogisering thans nog kan blijven worden gehanteerd) én dat deze hierdoor niet gecatalogeerd/vertoond wordt in de equivalente functie van de sector-CAO conform hun scholing en de aldaar geldende criteria, is de bedrijfs-CAO in strijd met de sector-CAO.

(3) operators en onderhoudstechnici onmogelijk maakt om in categorie 7 te geraken.

Om wel dan niet ingeschaald te worden in categorie 7 van de sector CAO, dient (enkel en alleen) aan de voorwaarden van deze te worden voldaan.

De sector CAO vereist daarbij dat "De werklieden hun vak grondig kennen en bij het uitoefenen van hun functies met een verantwoordelijkheid zijn belast."

Elke werknemer is in zijn functie belast met een verantwoordelijkheid. Uit de volgende termen van de voormelde bepaling onder categorie 7 blijkt evenwel dat het dient te gaan om een bijzondere verantwoordelijkheid eigen aan bijvoorbeeld zeer bijzonder geschoolde werklieden:

" a) de meer dan geschoolde bankwerkers voor instrumenten, zeer geschoolde lassers die speciale legeringen kunnen lassen en geslaagd zijn in de A.P.I.-testen, evenals alle andere categorieën van geschoolde werklieden met gelijkwaardige functies en verantwoordelijkheid;

b) de werklieden die tenminste twee vakken uitoefenen waarvan sprake: In de categorie geschoolde werklieden - 1ste categorie", na te zijn geslaagd in de verschillende proeven vereist voor de geschoolde werklieden van t ste categorie."

Deze bepaling leidt niet tot het besluit dat elke ploegleider of elk polyvalent operator (al dan niet na verloop van bepaalde anciënniteit) onder categorie 7 dienen te worden ingeschaald. Deze inschaling wordt niet bepaald door het verloop van anciënniteit doch door het al dan niet beschikken over bepaalde omschreven kwaliteiten en rneerwaarden en een bijzondere verantwoordelijkheid bij de Uitoefening van de functie.

De vordering is derhalve ongegrond.

(4) het loon van brigadiers vastlegt op F: + 13.15 BEE

De sector CAO voorziet expliciet onder artikel 15 dat "Het loon van de brigadiers is gelijk aan het geïndexeerd loon van de werklieden van hun ploeg, verhoogd met 10 pct."

De termen van deze bepaling zijn niet voor interpretatie vatbaar. VOPAK dient de brigadiers te verlonen aan het geïndexeerd loon van de werklieden van hun ploeg, verhoogd met 10 pct.

VOPAK brengt loonfiches voor waaruit evenwel blijkt dat zij de vereisten van deze bepaling naleven. Dit gegeven wordt thans door eisers ook niet betwist, minstens brengen zij geen bewijs voor van het tegêndeel.

De vordering is derhalve ongegrond.

III. 3. de dwangsom

Eisers vorderen te bevelen dat voormelde sector-CAO dient te worden toegepast door VOPAK onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per dag vertraging in de toepassing ervan)

Bij toepassing van artikel 1385 bis Ger_ W_, is deze vordering onontvankelijk.

De rechtbank is ten overvloede van oordeel dat er hoe dan ook geen voldoende reden is waaruit thans blijkt dat verweerster haar verplichtingen na het tussen te komen vonnis, niet zou nakomen, zodat het niet gepast voorkomt om een dwangsom of een andere uitvoeringsmodaliteit op te leggen.

Niettegenstaande het gegeven dat betreffende de toepassing en naleving van voormelde sector-CAO jarenlange discussie heeft bestaan, acht de rechtbank de mogelijkheid tot sociaal overleg, ook na het tussen te komen vonnis, bij voorrang geschikt tot het bekomen van een verdere structurele oplossing, veeleer dan dat deze dient te worden gezocht in burgerlijke financiële sancties.

De vordering is onontvankelijk.

III. 4. de uitvoerbaarheid bij voorraad

Er is geen voldoende reden of element waaruit thans blijkt dat verweerster haar verplichtingen na tussenkomst van dit vonnis niet zou nakomen, zodat het niet gepast voorkomt de uitvoerbaarheid bij voorraad, die een uitzonderingsmaatregel is, te bevelen_

De vordering is ongegrond.

III.5. rechtsplegingsvergoeding

De rechtbank is van oordeel dat niet tegenstaande op de complexiteit van de zaak, de basisrechtsplegingsvergoeding voor niet begrootbare vordering verschuldigd is en begroot deze op € 1.320.

B. In Ondergeschikte orde :

Nu de vordering in hoofdorde minstens gedeeltelijk werd toegekend, blijkt de vordering in ondergeschikte orde zonder voorwerp te zijn.

In de mate dat deze vordering een accesoire vordering betreft, dient te 1vorden vastgesteld dat slechts een schadevergoeding kan worden gevorderd in de mate dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4 lid 2 CAO Net, m.n. in de mate dat dit in de overeenkomst werd geregeld. De sector CAO voorziet deze mogelijkheid niet.

Benevens blijkt tevens dat door eisers, die hun vordering dienen te staven, op geen enkele wijze schade wordt bewezen die enige progressieve morele schadevergoeding te betalen door VOPAK verantwoordt.

Deze vordering is derhalve ontvankelijk doch ongegrond.

Kosten:

Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding van verwerende partij begroot € 1.500,00, de rechtbank herleid deze naar€ 1.320,00, zijnde het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare vorderingen.

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

Rechtdoende OP TEGENSPRAAK.

Na erover beraadslaagd te hebben,

Alle andersluidende conclusies verwerpende,

Verklaart de vordering tot het bekomen van een dwangsom onontvankelijk.

Verklaart de overige vorderingen van eisers ONTVANKELIJK en in navolgende mate GEGROND:

Zegt voor recht dat VOPAK TERMINAL EUROTANK NV ressorteert onder de bevoegdheid van het paritair comité 117 voor de petroleumnijverheid en - handel.

Zegt voor rectu dat VOPAK TEHMINAL EUROTANK NV de bepalingen van de sector-CAO van het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel (nr. 117) van 24 oktober 2013 dient na te leven vanaf een maand na de betekening van het tussen te komen vonnis, in het bijzonder:

- Dat elk niet-geschoold operator minstens dient te worden ingeschaald in categorie 3a geoefende hulpwerklieden A punt 2, en dat desgevallend (mocht zulks niet het geval zijn) de eraan verbonden arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder de verloning dient te worden nageleefd.

- dat elk geschoold operator en elk geschoofd onderhoudstechnicus dient te worden ingeschaald in categorie 4 geschoolde werklieden, 2° categorie en dat desgevallend (mocht zulks niet het geval zijn) de eraan verbonden arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder de verloning dient te worden nageleefd.

- dat elk operator dient ingeschaald/verloond te worden in de functie van de voormelde sector-CAO en alleen conform de aldaar geldende criteria, zonder dat andere voorwaarden mogen worden vereist.

Wijst het anders- en meergevorderde af als ongegrond.

Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding.

Bepaalt deze kosten aan de zijde van eisers op € 1.320 rechtsplegingsvergoeding en 193,43 dagvaardingskosten en aan de zijde van verwerende partij begroot op € 5.500,00 rechtsplegingsvergoeding doch door de rechtbank herleid tot€ 1.320,00.

 

Noot: 

Raad van State 19/01/2016, RW 2016-2017,747

Samenvatting

De bepaling van art. 36 CAO wet impliceert dat de activiteit van de ondernemingen bepaalt tot welk paritair comité zij behoren: de aard van de overeenkomsten waardoor werkgevers en werknemers zijn gebonden en de wijze van betaling van het loon hebben geen invloed.

De Koning kan niet alleen in iedere tak van de nijverheid, de handel, de landbouw of voor ieder vrij beroep een paritair comité oprichten, maar ook voor gelijk welke activiteit. Bij het bepalen welke personen, welke bedrijfstak of ondernemingen en welk gebied tot het ressort van een paritair comité behoren, beschikt hij aldus over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid.

Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of bepaalde ondernemingen dienen te worden gebracht onder het bevoegdheidsgebied van, te dezen, het paritair comité nr. 127. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

Tekst arrest

Arrest nr. 233.527

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 20 september 2013, strekt tot de nietigverklaring van:

– het KB van 10 juli 2013 “tot wijziging van het KB van 28 maart 1975 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het paritair comité voor de handel in brandstoffen”, zoals gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 22 juli 2013;

...

III. Feiten

3.1. Met een bericht “betreffende een nieuwe regeling van de werkingssfeer van paritaire comités” in het Belgisch Staatsblad van 16 januari 2013 brengt de minister van Werk aan de betrokken organisaties ter kennis dat zij een wijziging overweegt van het bevoegdheidsgebied van de paritaire comités nrs. 117, 127, 211 en 226.

In de nieuwe regeling zou, in substantie, worden bepaald dat de ondernemingen die op het vlak van petroleumproducten en/of -derivaten instaan voor uitsluitend het vervoer voor rekening van derden – waaronder wordt begrepen dat het product van de ene naar de andere laadlocatie wordt vervoerd op aangeven van de opdrachtgever, zonder dat de onderneming ooit enige financiële of commerciële activiteit met betrekking tot dit product uitvoert – uitgesloten worden van het bevoegdheidsgebied van de paritaire comités 117, 211 en 226 en dat die ondernemingen worden ondergebracht in het bevoegdheidsgebied van het paritair comité nr. 127.

3.2. Op 12 februari 2013 dienen vier werkgeversorganisaties, waaronder de eerste drie verzoekende partijen, hun bezwaren en bemerkingen in tegen de voorgestelde wijzigingen.

De minister van Werk beantwoordt die in een brief van 27 mei 2013.

3.3. In het Belgisch Staatsblad van 22 juli 2013 worden onder meer de volgende koninklijke besluiten bekendgemaakt:

– het KB van 10 juli 2013 “tot wijziging van het KB van 28 maart 1975 tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het paritair comité voor de handel in brandstoffen”;

...

Het eerste bestreden besluit wijzigt het KB van 28 maart 1975 “tot oprichting en tot vaststelling van de benaming en van de bevoegdheid van het paritair comité voor de handel in brandstoffen”. Dit betreft het paritair comité nr. 127. Het eerste bestreden besluit vervangt art. 1, § 2 en het voegt een § 2/1 in het voornoemde KB van 28 maart 1975 in.

Het bevoegdheidsgebied van het paritair comité nr. 127 is ingevolge het eerste bestreden besluit aldus:

“§ 2. Het paritair comité is bevoegd voor de werknemers die hoofdzakelijk handenarbeid verrichten en hun werkgevers, te weten:

“1. de ondernemingen die één of meerdere van volgende handelsactiviteiten uitoefenen:

a) de verkoop van vaste brandstoffen al dan niet met inbegrip van het laden en/of het lossen, het ten huize afleveren en elke behandeling van deze brandstoffen;

b) het bezitten of het exploiteren van opslagplaatsen voor petroleumproducten en/of -derivaten met een totale inhoudsruimte van minder dan 15 000 m3 uit welke hoofde ook;

c) de verkoop van petroleumproducten en/of -derivaten en niet aan twee van de volgende maatstaven beantwoorden:

– de distributie verzekeren van minstens 150 000 ton petroleumproducten en/of -derivaten per jaar, stookolie uitgezonderd;

– de distributie verzekeren van minstens 200 000 ton stookolie per jaar;

– een vloot van tankwagens gebruiken waarvan de capaciteit (inhoud) 250 m3 bereikt, welke haar eigendom of die van derden is;

– de handel van petroleumproducten en/of -derivaten verzekeren door ten minste 25 punten van detailverkoop onder eenzelfde handelsbenaming, eigendom van de betrokken onderneming.

“2. de ondernemingen die, op het vlak van petroleumproducten en/of -derivaten, instaan voor uitsluitend het vervoer voor rekening van derden waaronder wordt begrepen dat het product van de ene naar de andere laadlocatie wordt vervoerd op aangeven van de opdrachtgever, zonder dat de onderneming ooit enige financiële of commerciële activiteit met betrekking tot dit product uitvoert.

Ҥ 2/1. Onder petroleumproducten en -derivaten worden onder andere begrepen: de samengeperste, vloeibaar gemaakte of opgeloste petroleumgassen, alsmede de smeermiddelen en vetten;

“Onder stookolie wordt begrepen: de halfzware, zware en extra-zware stookolie;

“Onder distributie wordt begrepen: het vervoer voor rekening van derden van de producten met de hiermee onlosmakelijk gekoppelde financiële of commerciële activiteiten zoals, bijvoorbeeld, de orderbehandeling (opname van bestelling en orderbevestiging), de verzendingen gereedmaken, planning van de levering, facturering en andere administratieve formaliteiten, en afhandeling, door de onderneming gedragen en uitgevoerd.

“§ 3. Uitgesloten van de bevoegdheid van dit paritair comité zijn de ondernemingen voor detailverkoop die rechtstreeks aan de verbruikers diverse producten, met inbegrip van petroleumproducten en/of -derivaten verkopen, en die onder volgende paritaire comités ressorteren:

– het Paritair Comité voor het garagebedrijf;

– het Paritair Comité voor de petroleumnijverheid en -handel;

– het Paritair Comité voor de handel in voedingswaren;

– het Paritair Comité voor de zelfstandige kleinhandel;

– het Paritair Comité voor de bedienden uit de kleinhandel in voedingswaren;

– het Paritair Comité voor de grote kleinhandelszaken;

– het Paritair Comité voor de warenhuizen.”

...

Beoordeling

Eerste bestreden besluit

...

VI. Onderzoek van het enig middel

Uiteenzetting van het middel

16. Verzoeker voert de schending aan van art. 35 en 36 van de Cao-wet, van art. 10 en 11 Gw., van het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel, doordat het bestreden besluit paritair comité nr. 127 bevoegd maakt voor ondernemingen die, op het vlak van petroleumproducten en/of -derivaten, instaan voor uitsluitend het vervoer voor rekening van derden, terwijl de loon- en arbeidsvoorwaarden van de getroffen ondernemingen worden onttrokken aan de bevoegdheidssfeer van het paritair comité nr. 140 en hierdoor zonder enige redelijke verantwoording een verschil in behandeling onder onderworpen ondernemingen en hun personeel wordt gecreëerd op het vlak van loon- en arbeidsvoorwaarden.

...

Beoordeling

Schending van art. 35 en 36 van de Cao-Wet

19. Art. 35 en 36 van de Cao-Wet luiden:

“Art. 35. De Koning kan op eigen initiatief of op verzoek van een of meer organisaties paritaire comités van werkgevers en werknemers oprichten. Hij bepaalt welke persoon, welke bedrijfstak of ondernemingen en welk gebied tot het ressort van elk comité behoren.

“Art. 36. Wanneer de minister overweegt de oprichting van een paritair comité of een nieuwe regeling van de werkingssfeer aan de Koning voor te stellen, brengt hij dit ter kennis van de betrokken organisaties door bekendmaking van een bericht in het Belgisch Staatsblad.”

Luidens art. 2, § 1, tweede lid, 4o van deze wet is een bedrijfstak “de groepen van met werkgever gelijkgestelde personen, die buiten het bedrijfsleven een gelijke of verwante activiteit uitoefenen”.

Uit de wetsgeschiedenis van de voornoemde art. 35 en 36 van de Cao-Wet blijkt dat de Raad van State, afdeling wetgeving, in haar advies bij het voorontwerp dat de Cao-Wet is geworden, heeft opgemerkt dat “in werkelijkheid [...] de Koning dus over de ruimst mogelijke vrijheid [beschikt] bij de oprichting van de paritaire comités en het bepalen van hun ressort” (Parl.St. Senaat, 1966-67, nr. 148, p. 121), waarna de afdeling wetgeving een tekst heeft voorgesteld die met een lichte wijziging in het wetsontwerp is overgenomen.

In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet “betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités” (Parl.St. Senaat, 1966-67, nr. 148, p. 43-46) wordt bij de artikelsgewijze bespreking van de bepaling die het artikel 35 van de Cao-Wet zou worden, het volgende uiteengezet:

“[...]

“Krachtens deze tekst kan de Koning niet alleen in iedere tak van de nijverheid, de handel, de landbouw of voor ieder vrij beroep, een paritair comité van werkgevers en werknemers oprichten, maar voor gelijk welke activiteit.

“De bepaling van art. 36 impliceert dat de activiteit van de ondernemingen bepaalt tot welk paritair comité zij behoren: de aard van de overeenkomsten waardoor werkgevers en werknemers zijn gebonden en de wijze van betaling van het loon hebben geen invloed.

[...]

“Het ressorteren van een onderneming onder twee of meer comités is alleen in bijzondere gevallen gerechtvaardigd, wanneer in die ondernemingen verschillende soorten werk zonder de minste onderlinge verwantschap worden verricht in afzonderlijke en van elkaar verwijderde lokalen met personeel dat uitsluitend voor ieder soort werk is aangewezen, of wanneer geldige argumenten kunnen worden aangevoerd, bijvoorbeeld aan de hand van de traditie of van oude gewoonte.

“Of een onderneming behoort tot het ressort van een paritair comité, wordt thans veel gediscussieerd, gezien de terugslag daarvan op het bedrag van de lonen en van de bijdragen die aan het Fonds voor bestaanszekerheid zijn verschuldigd.

“Sedert jaren wordt vastgesteld dat het aantal geschilpunten toeneemt. Bij een individueel geschil, worden zij beslecht door de rechtbanken. In de andere gevallen brengt de administratie na onderzoek haar advies ter kennis van de partijen die dit gewoonlijk als een soort scheidsrechterlijke uitspraak beschouwen.

“Bij deze enquête steunen de inspecteurs doorgaans op het principe “de bijzaak volgt de hoofdzaak” om te bepalen of de onderneming tot een bepaalde bedrijfstak behoort.

“De toepassing van dit principe wordt volkomen gerechtvaardigd door het feit dat in elk comité specifieke collectieve arbeidsovereenkomsten tot stand komen en dat het in de praktijk uiterst moeilijk, ja zelfs onmogelijk is, die verschillende overeenkomsten in eenzelfde onderneming toe te passen. Het beste middel om tot eenheid in de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomsten van paritaire comités te komen, is dan ook zich te houden aan voornoemd principe.

“De activiteit van de onderneming en niet het beroep van de werknemer beslist dus wel degelijk over de toepassing van een in een bepaald paritair comité gesloten collectieve arbeidsovereenkomst. Zo kan een schrijnwerker ressorteren onder het paritair comité voor de textiel.

[...].”

Uit de parlementaire voorbereiding van art. 35 van de Cao-Wet volgt aldus dat de Koning niet alleen in iedere tak van de nijverheid, de handel, de landbouw of voor ieder vrij beroep een paritair comité kan oprichten, maar ook voor gelijk welke activiteit. Bij het bepalen welke personen, welke bedrijfstak of ondernemingen en welk gebied tot het ressort van een paritair comité behoren, beschikt hij aldus over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid.

Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of bepaalde ondernemingen dienen te worden gebracht onder het bevoegdheidsgebied van, te dezen, het paritair comité nr. 127. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

20. Zoals in het verzoekschrift zelf is gepreciseerd, zijn de grieven van de verzoekende partijen gericht op art. 1, § 2, 1 van het bestreden besluit, dat het paritair comité nr. 127 bevoegd maakt voor “de ondernemingen die, op het vlak van petroleumproducten en/of -derivaten, instaan voor uitsluitend het vervoer voor rekening van derden waaronder wordt begrepen dat het product van de ene naar de andere laadlocatie wordt vervoerd op aangeven van de opdrachtgever, zonder dat de onderneming ooit enige financiële of commerciële activiteit met betrekking tot dit product uitvoert.”

Uit de hiervoor weergegeven geconsolideerde versie van het toepassingsgebied van het paritair comité nr. 127 (supra, punt 3.3.) blijkt dat dit op grond van art. 1, § 2, 1, bevoegd is voor de werknemers die hoofdzakelijk handenarbeid verrichten en hun werkgevers en die één of meer van de in littera 1 van die bepaling vermelde handelsactiviteiten uitoefenen. In deze bevoegdheidssfeer zijn aldus eveneens vervat, de ondernemingen die petroleumproducten en/of -derivaten verkopen en niet aan twee van de aldaar bepaalde kwantitatieve maatstaven inzake de distributie van deze producten beantwoorden. Onder distributie wordt begrepen, onder meer het vervoer voor rekening van derden van deze producten met de hiermee onlosmakelijk gekoppelde financiële of commerciële activiteiten.

Door het paritair comité nr. 127 bevoegd te maken voor “de ondernemingen die, op het vlak van petroleumproducten en/of -derivaten, instaan voor uitsluitend het vervoer voor rekening van derden”, blijkt dat de Koning, bij het herzien door het bestreden besluit van het bevoegdheidsgebied van het paritair comité nr. 127, als maatstaf van bedrijvigheid heeft gehanteerd, het uitsluitend vervoeren voor rekening van derden van petroleumproducten en/of -derivaten. Door dergelijke ondernemingen, gelet op de specifieke aard van de vervoerde goederen – te dezen petroleumproducten en/of -derivaten – onder te brengen in het ressort van het voornoemde paritair comité, is de Koning aldus de grenzen van een redelijke uitoefening van zijn ruime beoordelingsvrijheid inzake de bepaling van de bevoegdheid van het paritair comité nr. 127, niet te buiten gegaan.

Wellicht kunnen er, zoals de verzoekende partijen doen, redelijke argumenten worden aangevoerd om ondernemingen die op het vlak van petroleumproducten en/of -derivaten instaan voor het uitsluitend vervoer voor rekening van derden, zoals andere transportondernemingen onder te brengen in de bevoegdheidssfeer van het paritair comité nr. 140 (paritair comité voor het vervoer en de logistiek). De argumenten en feitelijke beschouwingen die de verzoekende partijen ter zake aangeven om te stellen dat te dezen de aard van de vervoerde goederen een onvoldoende maatstaf is ter bepaling van het ressort van een paritair comité, geven aldus weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de kwalificatie van deze transportbedrijvigheid, maar de verzoekende partijen maken hiermee niet aannemelijk dat de Koning bij de beoordeling van deze economische bedrijvigheid, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan.

Schending van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie

21. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet ut dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

De verzoekende partij die de schending opwerpt, moet dit met concrete en precieze gegevens in haar verzoekschrift aantonen.

22. Door het paritair comité nr. 127 bevoegd te maken voor, samengevat, “de ondernemingen die, op het vlak van petroleumproducten en/of -derivaten, instaan voor uitsluitend het vervoer voor rekening van derden”, maakt de Koning een onderscheid tussen enerzijds de categorie van ondernemingen die instaan voor uitsluitend het vervoer van goederen voor rekening van derden van petroleumproducten en/of -derivaten nader bepaald in § 2/1 van het bevoegdheidsgebied van het paritair comité nr. 127 en die daardoor tot het ressort behoren van het laatstgenoemde comité en anderzijds de categorie van ondernemingen die instaan voor uitsluitend het vervoer van andere goederen en die aldus niet tot het ressort van dit paritair comité nr. 127 behoren.

Zoals hierna zal blijken (infra, punt 23), omvat de eerstgenoemde categorie enkel de ondernemingen waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het instaan, op het vlak van petroleumproducten en/of -derivaten, voor uitsluitend het vervoer voor rekening van derden. In de mate derhalve de grief uitgaat van het feit dat ook ondernemingen die, op het vlak van petroleumproducten en/of -derivaten slechts op bijkomstige wijze instaan voor uitsluitend het vervoer voor rekening van derden, faalt die derhalve.

De Raad van State beperkt zijn onderzoek dan ook tot de voormelde situatie van onderscheid in behandeling.

23. Het voormelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk de aard van het product en/of derivaat waarvan het vervoer specifieke eisen stelt.

Voorts is dit onderscheidingscriterium pertinent om het gestelde doel te bereiken. Naar de Raad van State uit de procedurestukken van de verwerende partij en het administratief dossier opmaakt, strekt het criterium ertoe te waarborgen dat – naar wat de verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord – “de bestreden besluiten [...] een doelstelling [bevestigen] die reeds in 1975 aanwezig was en die nog bestaat, nl. te vermijden dat ondernemingen zich zouden onttrekken aan de toepassing van sectorale cao’s die gelden binnen paritair comité nr. 127, door bv. het werk aan derden uit te besteden of door op kunstmatige wijze autonome ondernemingsafdelingen of filialen op te richten”, alsook tot het waarborgen van “het beginsel van gelijke bezoldiging [...] voor werknemers die gelijkaardige prestaties verrichten en [zo] tegelijkertijd op die manier de oneerlijke concurrentie tussen ondernemingen op grond van arbeidsvoorwaarden te vermijden”. Het bestreden besluit sluit zich aldus aan bij de ratio legis voor de bepaling van het ressort van het paritair comité nr. 127, zoals die ook reeds bleek uit de algemene beschouwingen vervat in het ter gelegenheid van de oprichting van dit paritair comité verleende advies van de Nationale Arbeidsraad nr. 454 van 25 juli 1974 “betreffende de bevoegdheidsomschrijving van de paritaire comités nr. 17 voor de petroleumnijverheid en -handel en nr. 27 voor de handel in brandstoffen”.

Zoals de verzoekende partijen aanvoeren, zal de hiervoor als eerste vermelde categorie van ondernemingen, onderworpen worden aan dezelfde regels – waaronder de arbeids- en concurrentievoorwaarden – die gelden voor de brandstoffenhandelaars die voor eigen rekening brandstoffen verhandelen. Dat gevolg staat evenwel in een redelijk verband van evenredigheid tot de voormelde doelstelling van de regelgever, die precies erin bestaat oneerlijke concurrentie tussen deze verwante ondernemingen te vermijden. In tegenstelling tot hoe de verzoekende partijen het zien, is het volgens de Raad van State niet onredelijk om aan te nemen dat ondernemingen die petroleumproducten en/of -derivaten vervoeren voor rekening van derden, een activiteit uitoefenen die nauw verwant is met de andere bedrijfsactiviteiten met betrekking tot deze producten – waaronder bijvoorbeeld ook het transport voor eigen rekening in functie van de ondernemingsactiviteit, zoals de verkoop van petroleumproducten – en die volgens het bestreden besluit eveneens onder de bevoegdheid van het paritair comité nr. 127 vallen. De omstandigheid dat volgens de verzoekende partijen de eisen gesteld aan het transport van petroleumproducten en/of -derivaten niet wezenlijk zouden verschillen van die eisen gesteld aan het vervoer van andere ADR-producten – en die naar de verzoekende partijen aanvoeren, tot de bevoegdheidssfeer van het paritair comité nr. 140 zouden behoren –, doet geen afbreuk aan deze vaststelling, noch aan het met het bestreden besluit beoogde doel. De enkele opmerkingen van de verzoekende partijen dat het hanteren van deze maatstaf zou betekenen dat er grond zou zijn om in alle sectoren en met betrekking tot alle producten de vervoeractiviteit voor rekening van derden binnen de bevoegdheidssfeer te brengen van hetzelfde paritaire comité dat bevoegd is voor andere bedrijfsactiviteiten die betrekking hebben op deze producten, noch het feit dat de Koning slechts zeer uitzonderlijk zou hebben beslist dat transport voor rekening van derden verwant is aan andere activiteiten met betrekking tot de vervoerde of behandelde producten, leiden op zich niet tot een ander besluit.

Het blijkt ten slotte niet dat het bestreden besluit een onevenredige weerslag heeft door deze ondernemingen niet binnen de bevoegdheidssfeer van het paritair comité nr. 140 te brengen. Weliswaar is het aannemelijk dat de ondernemingen die tot het ressort van dit paritair comité behoren, onderworpen worden aan andere arbeids- en concurrentievoorwaarden – door de verzoekende partijen omschreven als voordeliger – maar de verzoekende partijen gaan in hun kritiek ter zake niet uit van het gegeven dat het bevoegde paritair comité wordt bepaald aan de hand van de hoofdactiviteit van de onderneming en dat het verschil in behandeling dus bestaat tussen ondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk instaan voor het vervoer voor rekening van derden van petroleumproducten en/of -derivaten en die welke hiervoor niet of slechts in bijkomstige mate instaan. De enkele vaststelling dat beide categorieën aan andere loon- en concurrentievoorwaarden zijn onderworpen, volstaat derhalve niet om te besluiten dat de uit de in het geding zijnde wijziging van bevoegdheidssfeer voortvloeiende verschillen niet worden geacht binnen redelijke grenzen te blijven.

24. Uit wat voorafgaat volgt dat het in het bestreden besluit gemaakte verschil in behandeling gebaseerd is op een objectief criterium en redelijk is verantwoord.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/12/2015 - 16:57
Laatst aangepast op: di, 14/02/2017 - 14:26

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.