-A +A

Beoordeling van de onmogelijkheid om de hoofdveroordeling te voldoen waaraan de dwangsom is gekoppeld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 12/05/2015
A.R.: 
P.14.0493.N
Er is sprake van een gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen in de zin van artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek indien zich een toestand voordoet waarin de dwangsom haar zin als dwangmiddel, dit wil zeggen als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren, verliest, wat het geval is indien het onredelijk zou zijn om van de veroordeelde meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht (1). (1) Zie: Cass. 30 mei 2002, AR C.99.0298.N, AC 2002, nr. 329

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve
Nr. P.14.0493.N
J C R A V,
eiser tot opheffing, opschorting of vermindering van een dwangsom,
eiser,
tegen
GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR bevoegd voor de provincie Vlaams Brabant, met kantoor te 3000 Leuven, Blijde Inkomst-straat 103-105,
verweerder op de vordering tot opheffing, opschorting of vermindering van een dwangsom,
verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 17 februari 2014.
De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek: het bestreden arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser geen inspannin-gen of zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd om aan de hoofdveroordeling te voldoen; de eiser heeft die onmogelijkheid nochtans aangetoond; het bestreden ar-rest heeft het arrest van 7 maart 2013 op onrechtmatige wijze geïnterpreteerd; het is pas na dit arrest dat de verhouding tussen eensdeels de eiser en anderdeels C S en S D S definitief en duidelijk was; uit het arrest van 7 maart 2013 blijkt immers dat er geen overeenkomst is tot stand gekomen omdat C S heeft nagelaten de op-schortende voorwaarde na te leven; de eiser kon ook na het arrest van 7 maart 2013 de vernietiging vorderen van de overeenkomst van 7 september 2006.

2. Volgens artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te be-palen termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdver-oordeling te voldoen.

Er is sprake van een onmogelijkheid in de zin van deze bepaling indien zich een toestand voordoet waarin de dwangsom haar zin als dwangmiddel, dit wil zeggen als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verze-keren, verliest. Dat is het geval indien het onredelijk zou zijn om van de veroor-deelde meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan hij heeft betracht. De door artikel 1385quinquies, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde onmoge-lijkheid is geen absolute, maar wel een relatieve onmogelijkheid die moet worden afgemeten volgens de maatstaf van wat redelijkerwijze onmogelijk is.

3. De feitenrechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan, de aard en de ge-volgen van een onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroorde-ling te voldoen.

Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden ver-antwoord.

4. Het arrest oordeelt dat:
- de werkplaats van de eiser in overtreding werd opgericht en dat hij daarmee reeds daadwerkelijk werd geconfronteerd in het kader van het strafonderzoek;
- de eiser vervolgens werd vervolgd en veroordeeld wegens het oprichten en het instandhouden van de zonder vergunning gebouwde werkplaats;
- het door de eiser onder opschortende voorwaarden aangekochte onroerend goed reeds door C S op 7 september 2006 was verkocht aan derden, zoals blijkt uit de brief van de notaris aan de toenmalige raadsman van de eiser;
- de eiser nooit de vernietiging heeft gevorderd van die verkoop;
- de eiser rond die datum zeker wist dat hij zijn werkplaats niet kon verleggen naar dit onroerend goed, zodat het in onzekerheid blijven over het feit of de verkoopovereenkomst al dan niet kon worden verleden tot aan de datum van het arrest van het hof van beroep van 7 maart 2013 een drogreden is;
- de door de eiser ingeroepen overmachtssituatie, namelijk het lange tijd beweerdelijk in de onzekerheid verkeren of de verkoopovereenkomst verleden kon worden, aan zichzelf te wijten is;
- de eiser na het achterwege blijven van de nodige homologatie na de door de familieraad verleende machtiging van 28 mei 2001 pas tot dagvaarding van de verkopers is overgegaan op 20 april 2007.

Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser on-voldoende inspanningen of zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd om aan de hoofdveroordeling te voldoen en dat de door hem ingeroepen overmacht geen van zijn wil onafhankelijke situatie betreft die het hem onmogelijk maakte om de hoofdveroordeling na te komen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert "willekeurigheid" van het hof van beroep aan; het oordeel dat het niet onredelijk is dat de eiser meer inspanning en zorgvuldigheid diende te betonen om aan de hoofdveroordeling te voldoen dan hij heeft betracht, wijst op verregaande willekeur; het is strijdig met de vaststelling dat de eiser slechts na het arrest van 7 maart 2013 de zekerheid had dat hij zijn exploitatie niet kon onder-brengen op de van C S en S D S aangekochte percelen; de eiser had na de hoofd-veroordeling de percelen aangekocht en een voorschot betaald, waardoor zijn fi-nanciële middelen waren uitgeput; hij had daarvoor alles gedaan om zijn garage te verplaatsen; hij heeft alles gedaan om zijn situatie te regulariseren, maar werd ge-confronteerd met een overmachtssituatie.

6. Het middel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aange-voerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 67,71 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 21/10/2016 - 12:47
Laatst aangepast op: vr, 21/10/2016 - 12:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.