-A +A

Bendevorming bestanddelen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 04/03/2014

Bendevorming in de zin van artikel 322 Strafwetboek vereist een vereniging van fysieke personen, georganiseerd met het oog op de uitvoering van het oogmerk van die vereniging, dat bestaat in het plegen van aanslagen op personen of op eigendommen. De organisatie moet een opzettelijk karakter hebben, wat elke toevallige of onvoorziene bijeenkomst uitsluit en zij moet de leden op ondubbelzinnige wijze aan elkaar binden tot een groep die op het geschikte ogenblik kan optreden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/14
Pagina: 
947
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(C.M.K., M.C.K., E.L., F.J.V., E.O. / N.D.L., A.V.)

(Advocaten: Mr. Th. Gillis, Mr. J. Van Driessche en Mr. J. Meese)

I. Rechtspleging voor het Hof
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 2 oktober 2013.

De eisers I voeren geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
(…)

Eerste middel van de eiser III
8. Het middel voert schending aan van artikel 322 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser III ten onrechte schuldig aan de telastlegging C2; om hem schuldig te verklaren als aanstoker, hoofd of bevelvoerder van een bende volstaat het niet om vast te stellen dat er een verdeling van taken was; dat gegeven volstaat niet om te kunnen spreken van een georganiseerde groep van personen die het oogmerk heeft om op personen of eigendommen aanslagen te plegen die misdaden of wanbedrijven zijn.

9. Bendevorming in de zin van artikel 322 Strafwetboek vereist een vereniging van fysieke personen, georganiseerd met het oog op de uitvoering van het oogmerk van die vereniging, dat bestaat in het plegen van aanslagen op personen of op eigendommen. De organisatie moet een opzettelijk karakter hebben, wat elke toevallige of onvoorziene bijeenkomst uitsluit en zij moet de leden op ondubbelzinnige wijze aan elkaar binden tot een groep die op het geschikte ogenblik kan optreden.

10. De appelrechters oordelen dat:

een vereniging strafrechtelijk gezien een feitelijk begrip is, dat het zich verbinden met anderen tot een misdadig opzet omvat, waarbij die samenwerking als een eenheid naar buiten treedt;
de vereniging geen uitgesproken karakter van bestendigheid moet hebben, maar dat het volstaat dat ze een werkelijk bestaan heeft en dat de leden ervan aan elkaar verbonden zijn om te handelen op het geschikte ogenblik;
de essentie van de vereniging het bestaan is van enige organisatie, zoals een verdeling van taken;
de organisatie het moet mogelijk maken om op het gepaste ogenblik de ongeoorloofde bedrijvigheid uit te voeren;
uit de geloofwaardige verklaringen van S.A., S.C. en de zussen S. blijkt dat de eiser III, die stelt dat hij dringend geld nodig had, bij S.A. met het idee afkwam om de Nederlandse drugsorganisatie waarvoor hij werkte 10 kilogram heroïne afhandig te maken;
de eiser III bij A. informeerde of hij de nodige contacten had om deze heroïne te verkopen;
na enkele gesprekken A. besliste mee te stappen in het verhaal en hij op zoek ging naar kopers voor de heroïne;
ook S.C. die voor de organisatie de heroïne naar het Zwitserse Basel diende te vervoeren, in het plan werd betrokken, alsmede de zussen S.;
met N.D. werd afgesproken de schuld voor de verdwijning van de drugs in de schoenen te schuiven van de verweerder 2;
waar ieder zijn rol had bij het uitvoeren van de ripdeal, tevens omvattende het verkopen van de geripte heroïne, bezwaarlijk kan worden gesteld dat zij samen geen vereniging vormden, waarvan de eiser III overduidelijk de aanstoker en de leider was.
Met die redenen, die niet enkel verband houden met de verdeling van taken, verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat er sprake was van een georganiseerde groep zoals vereist voor de toepassing van artikel 322 Strafwetboek.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel van de eiser III
(…)

Tweede onderdeel
13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 71 Strafwetboek: het arrest verwerpt ten onrechte eisers beroep op noodtoestand; de omstandigheid dat de eiser zichzelf in een noodsituatie heeft gebracht, sluit de toepassing van artikel 71 Strafwetboek niet uit.

14. Noodtoestand vormt alleen dan een rechtvaardigingsgrond als de waarde van hetgeen wordt prijsgegeven lager is dan of gelijk is aan de waarde van het goed dat men wil vrijwaren, het te vrijwaren recht of belang een dadelijk en ernstig gevaar loopt, het kwaad alleen door het misdrijf kan worden voorkomen en de betrokkene de noodtoestand niet zelf heeft doen ontstaan.

Er kan van noodtoestand geen sprake zijn indien de dader, zonder daartoe gedwongen te zijn, zich bewust heeft geplaatst in een toestand die op voorzienbare wijze leidt tot een conflict tussen belangen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

15. De appelrechters die oordelen dat: “De beklaagde die zich door zijn eigen handelen in deze situatie heeft gebracht (hij kon weten dat de organisatie na vaststelling van de verdwijning van 10 kg heroïne het daarbij niet zou laten), kan zich bezwaarlijk beroepen op de rechtvaardigingsgrond noodtoestand' om aan te voeren dat hij niet anders kon dan [de verweerder 2] aanduiden als de chauffeur die de verdwenen drugs vervoerd had.”, verantwoorden hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

(…)

Middel van de eiser IV
22. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 43 bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel van het recht van verdediging: de appelrechters verklaren ten onrechte lastens de eiser IV een bedrag van 350.000 EUR verbeurd als het equivalent bedrag van de vermogensvoordelen; een verbeurdverklaring voor een dergelijk bedrag valt buiten de grenzen van de schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie; het Openbaar Ministerie had immers voor de eerste rechter schriftelijk slechts de bijzondere verbeurdverklaring gevorderd van een bedrag van 266.000 EUR, de eerste rechter verklaarde dit bedrag verbeurd en het Openbaar Ministerie voor het appelgerecht vroeg daarvan de bevestiging; de stelling dat de schriftelijke vordering het bedrag begrenst dat de rechter als vermogensvoordelen kan verbeurd verklaren, beantwoordt aan het doel dat de wetgever met die schriftelijke vordering voor ogen had, namelijk het waarborgen van het recht van verdediging door te vermijden dat een beklaagde wordt geconfronteerd met de verbeurdverklaring van een niet-gevorderd bedrag waarover hij zich niet verdedigd heeft; minstens hadden de appelrechters de eiser IV moeten uitnodigen zich op het vlak van de bijzondere verbeurdverklaring te verdedigen.

23. Artikel 43 bis, eerste en tweede lid Strafwetboek bepaalt:

“De bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, kan door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd.

Indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, raamt de rechter de geldwaarde ervan en heeft de verbeurdverklaring betrekking op een daarmee overeenstemmend bedrag.”

24. De wetgever beoogde met de invoering van de verplichting van een schriftelijke vordering door het Openbaar Ministerie het recht van verdediging beter te waarborgen door te vermijden dat een beklaagde zou worden geconfronteerd met een bijzondere verbeurdverklaring die niet was gevorderd en waarover hij zich niet had verdedigd. De rechter kan niet op eigen initiatief een facultatieve bijzondere verbeurdverklaring uitspreken, maar slechts nadat de beklaagde is verwittigd door middel van een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie.

25. Het met dat doel gewijzigde artikel 43 bis Strafwetboek vereist evenwel niet dat de procureur des Konings in zijn schriftelijke vordering de geldwaarde zou ramen. De wetgever liet het integendeel aan de rechter over die geldwaarde te ramen.

De rechter raamt onaantastbaar de geldwaarde van de niet in het vermogen van de veroordeelde aan te treffen vermogensvoordelen, mits het vermogensvoordelen betreft welke opgeleverd zijn door de in de schriftelijke vordering van de procureur des Konings vermelde telastleggingen en voor zover de rechter die telastleggingen heeft bewezen verklaard.

26. Wanneer de procureur des Konings de bijzondere verbeurdverklaring schriftelijk heeft gevorderd en indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de veroordeelde, is de raming van de geldwaarde altijd in het debat voor de strafrechter.

27. Uit het voorgaande volgt dat, indien de procureur des Konings in zijn schriftelijke vordering de geldwaarde van de vermogensvoordelen heeft geraamd, de rechter de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van de vermogensvoordelen kan uitspreken voor een hoger bedrag dan het in die schriftelijke vordering vermelde bedrag en dat hij in een dergelijk geval niet verplicht is om voorafgaandelijk de beklaagde de gelegenheid te geven daarover verweer te voeren.

Het recht van verdediging is afdoende gewaarborgd doordat de beklaagde ingevolge de schriftelijke vordering van de procureur des Konings weet dat tegen hem een bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van vermogensvoordelen alsook voor welke telastleggingen die kan worden uitgesproken. Hij is aldus in de gelegenheid verweer te voeren over de mogelijkheid van de bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent van vermogensvoordelen en de omvang ervan.

Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

(…)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten op (…)

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 08/07/2017 - 08:41
Laatst aangepast op: zo, 09/07/2017 - 11:56

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.