-A +A

Belgische dwangmaatregel kan in buitenland worden afgedwongen met schending buitenlandse wet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 25/03/2013
A.R.: 
AR nr. C.11.0103.F

Geen enkel algemeen rechtsbeginsel stelt een in het buitenland verblijvende persoon niet zou kunnen gedwongen worden door een dwangmaatregel met extraterritoriale werking, zelfs wanneer deze dwangmaatregel de wetgeving van zijn buitenlandse verblijfplaats schendt.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2012 in de zaak C-170/11 volgt dat een gerecht van een EU-lidstaat een in een andere EU-lidstaat verblijvende partij mag veroordelen om, overeenkomstig zijn nationale wet, een stuk over te leggen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
265
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

R nr. C.11.0103.F

Vennootschap naar Luxemburgs recht F.L.V. t/ G.R. en NV F.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 14 september 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

...

Eerste onderdeel

Enerzijds bestaat er geen algemeen rechtsbeginsel volgens welk geen enkele in het buitenland verblijvende persoon door een dwangmaatregel met extraterritoriale draagwijdte gedwongen mag worden de wetgeving van zijn verblijfplaats te schenden.

Anderzijds verplicht art. 20, tweede lid Wetboek van Internationaal Privaatrecht de Belgische rechter niet toepassing te maken van dwingende bepalingen of bepalingen van openbare orde van het recht van een andere Staat waarmee het geval nauw is verbonden, maar geeft het hem uitsluitend de mogelijkheid er uitwerking aan te verlenen.

Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat art. 111-1 van de Luxemburgse wet “sur le secteur des assurances” van toepassing is krachtens art. 20, tweede lid van dat wetboek en krachtens het voormelde algemeen rechtsbeginsel, faalt naar recht.

Daarenboven wordt de schending van een vreemde wet enkel via de verwijzingsregel bij het Hof aanhangig gemaakt.

Het onderdeel, dat het arrest verwijt art. 111-1 van de Luxemburgse wet van 6 december 1991 te schenden, terwijl de daarin aangevoerde verwijzingsregel die bepaling niet toepasselijk maakt, is niet ontvankelijk.

Het onderdeel, dat gericht is tegen de overtollige reden volgens welke art. 111-1 van de Luxemburgse wet van 6 december 1991 zou indruisen tegen de Belgische internationale openbare orde, is voor het overige niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

Tweede middel

Art. 1, § 1, 3 van de verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken bepaalt dat die verordening van toepassing is in burgerlijke en handelszaken wanneer het gerecht van een lidstaat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van die Staat a) het bevoegde gerecht van een andere lidstaat verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten; of b) verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten.

In het arrest L. van 6 september 2012 (C-170/11) wijst het Hof van Justitie van de Europese Unie erop dat “de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1206/2001, zoals omschreven in [art. 1, § 1] en zoals voortvloeit uit het stelsel van deze verordening, beperkt is tot twee middelen van bewijsverkrijging, te weten, ten eerste, het verrichten van een handeling tot het verkrijgen van bewijs door het aangezochte gerecht overeenkomstig art. 10 tot en met 16 van die verordening na een verzoek van het verzoekende gerecht van een andere lidstaat en, ten tweede, het rechtstreeks verrichten van een dergelijke handeling in een andere lidstaat door het verzoekende gerecht, op de wijze zoals geregeld in art. 17 van die verordening; verordening nr. 1206/2001 bevat daarentegen geen enkele bepaling die regelt of uitsluit dat een gerecht van een lidstaat een in een andere lidstaat woonachtige partij kan oproepen om rechtstreeks voor hem te verschijnen en een getuigenis af te leggen; daaruit volgt dat verordening nr. 1206/2001 in beginsel enkel toepassing vindt in het geval waarin een gerecht van een lidstaat besluit bewijs te verkrijgen volgens één van de twee in deze verordening bepaalde methoden; dat gerecht is er dan toe gehouden de procedures te volgen die betrekking hebben op deze methoden”. Het Hof van Justitie beslist vervolgens dat “verordening nr. 1206/2001, en met name art. 1, eerste lid daarvan, in die zin moet worden uitgelegd dat het bevoegde gerecht van een lidstaat dat een in een andere lidstaat woonachtige partij als getuige wenst te horen, teneinde dat verhoor te verrichten, deze partij mag oproepen voor hem te verschijnen en haar mag horen overeenkomstig het recht van de lidstaat van dat gerecht”.

Uit dat arrest volgt kennelijk dat een gerecht van een lidstaat een in een andere lidstaat verblijvende partij mag veroordelen om hem, overeenkomstig zijn nationale wet, een stuk over te leggen.

Het middel, dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 12/10/2014 - 00:48
Laatst aangepast op: zo, 12/10/2014 - 00:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.