-A +A

Belg worden gewichtige redenen tot weigering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 09/10/2014

De wetgever heeft het begrip “gewichtige feiten, eigen aan de persoon” zoals vermeld in art. 15, § 3 Wetboek van Belgische Nationaliteit gedefinieerd in art. 1, § 2, 4° Wetboek van Belgische Nationaliteit:

a) het feit zich te bevinden in een van de gevallen bedoeld in art. 23 of 23/1;

b) het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd;

c) het feit dat de identiteit of hoofdverblijfplaats onmogelijk kan worden gecontroleerd of de identiteit niet kan worden gewaarborgd;

d) het feit dat aan de aanvrager, wegens eender welke vorm van sociale of fiscale fraude, door de rechter een definitieve straf is opgelegd die in kracht van gewijsde is gegaan.

Met betrekking tot deze zaak is art. 23/1, § 1, 3° Wetboek van Belgische Nationaliteit van belang. Art. 23/1, § 1 Wetboek van Belgische Nationaliteit bepaalt dat de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit op vordering van het openbaar ministerie door de rechter kan worden uitgesproken ten aanzien van Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder die Belg was op de dag van hun geboorte en van Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op grond van art. 11, § 1, eerste lid, (...): 3o Wetboek van Belgische Nationaliteit indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen door huwelijk krachtens art. 12bis, § 1, 3°en indien dit huwelijk is nietig verklaard wegens schijnhuwelijk zoals omschreven in art. 146bis BW, onder voorbehoud van de bepalingen van art. 201 en 202 BW.

Volgens art. 2 van het KB van 14 januari 2013 (tot invoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken) vormen een gewichtig feit eigen aan de persoon:

1° elke strafrechtelijke veroordeling voor een effectieve gevangenisstraf die voorkomt in het strafregister, tenzij er eerherstel werd verkregen;

2° elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1o en waarvoor bij het parket een opsporingsonderzoek werd geopend in het jaar voorafgaand aan de verklaring of het verzoek en dat nog hangende is;

3° elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1o en waarvoor een gerechtelijk onderzoek nog hangende is;

4° het feit van zich over te leveren aan enige activiteit die de fundamentele belangen van de Staat bedreigt of kan bedreigen zoals omschreven in art. 7 en 8 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst;

5° het feit, vastgesteld door een rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan, dat de betrokken persoon zijn titel van wettelijk verblijf heeft verkregen door schijnhuwelijk of gedwongen huwelijk of schijnsamenwoning of gedwongen wettelijke samenwoning. Deze opsomming is niet limitatief.

In de rechtsleer is men het erover eens dat de feiten zoals opgesomd in de lijsten hierboven niet limitatief zijn en dat de rechter de feiten vrij kan beoordelen zoals bevestigd in het Verslag aan de Koning bij het KB van 14 januari 2013 (BS 21 januari 2013) waarin wordt vermeld: “(...) In het nieuwe artikel 1, § 2, eerste lid, 4o Wetboek van Belgische Nationaliteit heeft de wetgever zelf een aantal feiten gekwalificeerd als een gewichtig feit eigen aan de persoon. De wetgever heeft hiermee niet op een strikte wijze het aantal gevallen van gewichtige feiten willen omschrijven, maar heeft reeds een bepaalde invulling gegeven van het begrip willen vooropstellen. (...) De lijst bevat een aantal gevallen die op zich een gewichtig feit eigen aan de persoon uitmaken en die eventueel aanleiding zullen kunnen geven tot een negatief advies voor de verkrijgen van de Belgische nationaliteit. (...)”.

In de omzendbrief van 8 maart 2013 wordt met de opsomming (in de wet en het KB van wat onder gewichtige feiten wordt verstaan) als doel omschreven het streven naar eenvormigheid van het begrip “gewichtige feiten eigen aan de persoon” en het waarborgen van de gelijkheid van behandeling van alle kandidaat-Belgen. Het gaat om die feiten die naar de mening van de wetgever onmiskenbaar onder het toepassingsgebied van dat begrip vallen.

De in de wet en het KB opgenomen lijsten zijn gebaseerd op enerzijds de beoordelingscriteria die de Kamer van Volksvertegenwoordigers hanteert voor naturalisatieverzoeken en anderzijds op de praktijk van de procureurs des Konings van het Rijk, die dat begrip aftoetsen aan de moraliteit van de kandidaat-Belg evenals aan zijn respect voor de Belgische wetten en normen die in bepaalde gevallen een beletsel kunnen vormen voor het verwerven van de Belgische nationaliteit.

Een schijnhuwelijk dat effectief geleid heeft tot een gerechtelijke nietigverklaring ervan, maar niet gediend heeft als basis voor het verkrijgen van een verblijfsrecht in België, voldoet strikt gezien niet aan de vereisten van art. 23/1 en art. 15, § 3 Wetboek van Belgische Nationaliteit.

Een jarenlang geleden vergrijp kan gecompenseerd worden met een positieve wending in het leven, een jarenlang foutloos parcours, een gezin in België, integratie, taalkennis, tewerkstelling of economische onafhankelijkheid.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1514
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Y.M.D.

De stukken werden ingezien, in het bijzonder:

– de verklaring tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit overeenkomstig art. 12bis, § 1, 3o Wetboek van Belgische Nationaliteit (zoals gewijzigd door de wet van 4 december 2012), afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Gent op 10 juli 2013;

– het negatief advies, uitgebracht door Claudine Sorgeloose, eerste substituut-procureur des Konings op 5 november 2013.

Het negatief advies van de eerste substituut-procureur des Konings werd gehoord ter terechtzitting van 19 december 2013.

De procureur des Konings verzet zich tegen de inwilliging van de gevraagde nationaliteitsverklaring op grond van gewichtige feiten, eigen aan de persoon van de verzoekster (art. 15, § 3 Wetboek van Belgische Nationaliteit).

De verzoekster vraagt het negatief advies ongegrond te verklaren en haar nationaliteitsverklaring in te willigen.

Beoordeling

1. De verzoekster voldoet aan de wettelijke voorwaarden, vereist door art. 12bis, § 1, 3o Wetboek van Belgische Nationaliteit (zoals gewijzigd door de wet van 4 december 2012, BS 14 december 2012).

De procureur des Konings voert aan dat de verzoekster gewichtige feiten heeft gepleegd in de zin van art. 15, § 3 Wetboek van Belgische Nationaliteit die zich verzetten tegen de inwilliging van haar nationaliteitsverklaring, aangezien haar huwelijk aangegaan op 13 maart 2001 met M.L. nietig werd verklaard bij vonnis van de Burgerlijke Rechtbank te Gent van 24 juni 2004.

2. In haar conclusie neergelegd ter griffie op 12 december 2013 verwijst de verzoekster naar de wettelijke bepalingen van art. 2, 4o Wetboek van Belgische Nationaliteit en het KB van 14 januari 2013 waarin een opsomming en een aanvulling worden gegeven omtrent wat moet worden verstaan onder “gewichtige feiten eigen aan de persoon”. Het aangaan van een schijnhuwelijk zou niet te vinden zijn onder de voornoemde opsommingen en zou evenmin te kwalificeren zijn onder de noemer “activiteiten die de fundamentele belangen van de Staat bedreigen of zouden kunnen bedreigen” en “elke aanwijzing dat een kandidaat-Belg betrokken is in aangelegenheden waarbij de fundamentele waarden en belangen van de Belgische rechtsstaat bedreigd worden” (cf. verslag van de Koning, BS 28 februari 2013).

De procedure tot nietigverklaring heeft betrekking op haar huwelijk met M.L. (gesloten te Maldegem op 13 maart 2001) en de verzoekster heeft geen verblijfsrecht verkregen op basis van dit huwelijk. Inmiddels heeft ze een tweede huwelijk aangegaan en heeft zij een kind met deze tweede echtgenoot. Op basis van dit tweede huwelijk betoogt ze een aanvraag tot vestiging te hebben ingediend waarna ze op 22 november 2004 werd ingeschreven in het bevolkingsregister en in het bezit werd gesteld van een identiteitskaart voor vreemdeling. Voorts merkt ze op dat ze over een blanco strafregister beschikt en alle mogelijke inspanningen levert om zich zoveel als mogelijk in België te integreren. Uit politionele informatie blijkt dat ze een hecht gezin vormt met haar tweede echtgenoot en kind, dat ze Nederlands begrijpt en spreekt, een attest van inburgering behaalde en tewerkgesteld is bij de BVBA C.D. en bij de NV I.

De verzoekster brengt als stavingstukken in het debat: een geboortekaartje van haar zoontje, deelcertificaten Nederlandse taallessen, attest van inburgering, tewerkstellingsattest en loonbrieven bij de BVBA C.D. en bij de NV I.

3. De wetgever heeft het begrip “gewichtige feiten, eigen aan de persoon” zoals vermeld in art. 15, § 3 Wetboek van Belgische Nationaliteit gedefinieerd in art. 1, § 2, 4o Wetboek van Belgische Nationaliteit:

a) het feit zich te bevinden in een van de gevallen bedoeld in art. 23 of 23/1;

b) het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd;

c) het feit dat de identiteit of hoofdverblijfplaats onmogelijk kan worden gecontroleerd of de identiteit niet kan worden gewaarborgd;

d) het feit dat aan de aanvrager, wegens eender welke vorm van sociale of fiscale fraude, door de rechter een definitieve straf is opgelegd die in kracht van gewijsde is gegaan.

Met betrekking tot deze zaak is art. 23/1, § 1, 3o Wetboek van Belgische Nationaliteit van belang. Art. 23/1, § 1 Wetboek van Belgische Nationaliteit bepaalt dat de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit op vordering van het openbaar ministerie door de rechter kan worden uitgesproken ten aanzien van Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder die Belg was op de dag van hun geboorte en van Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op grond van art. 11, § 1, eerste lid, (...): 3o Wetboek van Belgische Nationaliteit indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen door huwelijk krachtens art. 12bis, § 1, 3o en indien dit huwelijk is nietig verklaard wegens schijnhuwelijk zoals omschreven in art. 146bis BW, onder voorbehoud van de bepalingen van art. 201 en 202 BW.

Volgens art. 2 van het KB van 14 januari 2013 (tot invoering van de wet van 4 december 2012 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken) vormen een gewichtig feit eigen aan de persoon:

1o elke strafrechtelijke veroordeling voor een effectieve gevangenisstraf die voorkomt in het strafregister, tenzij er eerherstel werd verkregen;

2o elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1o en waarvoor bij het parket een opsporingsonderzoek werd geopend in het jaar voorafgaand aan de verklaring of het verzoek en dat nog hangende is;

3o elk feit dat kan leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in 1o en waarvoor een gerechtelijk onderzoek nog hangende is;

4o het feit van zich over te leveren aan enige activiteit die de fundamentele belangen van de Staat bedreigt of kan bedreigen zoals omschreven in art. 7 en 8 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst;

5o het feit, vastgesteld door een rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan, dat de betrokken persoon zijn titel van wettelijk verblijf heeft verkregen door schijnhuwelijk of gedwongen huwelijk of schijnsamenwoning of gedwongen wettelijke samenwoning. Deze opsomming is niet limitatief.

In de rechtsleer is men het erover eens dat de feiten zoals opgesomd in de lijsten hierboven niet limitatief zijn en dat de rechter de feiten vrij kan beoordelen zoals bevestigd in het Verslag aan de Koning bij het KB van 14 januari 2013 (BS 21 januari 2013) waarin wordt vermeld: “(...) In het nieuwe artikel 1, § 2, eerste lid, 4o Wetboek van Belgische Nationaliteit heeft de wetgever zelf een aantal feiten gekwalificeerd als een gewichtig feit eigen aan de persoon. De wetgever heeft hiermee niet op een strikte wijze het aantal gevallen van gewichtige feiten willen omschrijven, maar heeft reeds een bepaalde invulling gegeven van het begrip willen vooropstellen. (...) De lijst bevat een aantal gevallen die op zich een gewichtig feit eigen aan de persoon uitmaken en die eventueel aanleiding zullen kunnen geven tot een negatief advies voor de verkrijgen van de Belgische nationaliteit. (...)”.

In de omzendbrief van 8 maart 2013 wordt met de opsomming (in de wet en het KB van wat onder gewichtige feiten wordt verstaan) als doel omschreven het streven naar eenvormigheid van het begrip “gewichtige feiten eigen aan de persoon” en het waarborgen van de gelijkheid van behandeling van alle kandidaat-Belgen. Het gaat om die feiten die naar de mening van de wetgever onmiskenbaar onder het toepassingsgebied van dat begrip vallen. De in de wet en het KB opgenomen lijsten zijn gebaseerd op enerzijds de beoordelingscriteria die de Kamer van Volksvertegenwoordigers hanteert voor naturalisatieverzoeken en anderzijds op de praktijk van de procureurs des Konings van het Rijk, die dat begrip aftoetsen aan de moraliteit van de kandidaat-Belg evenals aan zijn respect voor de Belgische wetten en normen die in bepaalde gevallen een beletsel kunnen vormen voor het verwerven van de Belgische nationaliteit.

4. Naar het oordeel van deze rechtbank heeft in deze concrete zaak het schijnhuwelijk dat de verzoekster met M.L. heeft aangegaan (en dat effectief geleid heeft tot een gerechtelijke nietigverklaring ervan) niet gediend als basis voor het verkrijgen van een verblijfsrecht in België. Strikt genomen voldoet dit schijnhuwelijk dan ook niet aan de vereisten van art. 23/1 en art. 15, § 3 Wetboek van Belgische Nationaliteit. Haar huidige verblijfsrechten heeft de verzoekster verkregen op basis van haar tweede huwelijk aangegaan met P.V., met wie ze ook samen een kind heeft.

De vraag is of het aangaan op zich van een eerder schijnhuwelijk – wat een bepaalde ingesteldheid van de verzoekster onderstelt – in dit concrete geval dient te leiden tot een weigering van de toekenning van de Belgische nationaliteit, wat toch een subjectief recht is.

Dat de verzoekster zich van dit fraudemechanisme heeft proberen te bedienen, staat met het vonnis tot nietigverklaring vast. Maar dit schijnhuwelijk dateert van bijna dertien jaar geleden en de rechtbank stelt vast dat de verzoekster de afgelopen jaren een bepaalde wending heeft gegeven aan haar leven die in positieve zin gehonoreerd kan worden: ze heeft inmiddels in België een gezin gesticht en voldoet aan alle andere voorwaarden van integratie en taalkennis. Bovendien is ze ook volkomen economisch onafhankelijk, wat bewezen wordt door de voorgelegde attesten van tewerkstelling.

Op grond van deze elementen is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verzoekster onvoldoende zwaarwegend zijn. Het negatief advies van het openbaar ministerie komt dan ook niet gegrond voor.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 19/05/2015 - 12:58
Laatst aangepast op: vr, 27/05/2016 - 16:33

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.