-A +A

Belasting op onroerend goed in buitenland dat niet verhuurd is

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 02/06/2015

In principe dient het totale bedrag van de werkelijk ontvangen huurprijs bij verhuring van het buitenlands onroerend goed te worden aangegeven. Voor niet verhuurde buitenlandse onroerende goederen dient de huurwaarde te worden aangegeven. De huurwaarde komt overeen met het dubbel van het bedrag dat dient als basis (kolom 'base d'imposition') om de 'taxe foncière' te berekenen voor wat betreft gebouwde onroerende goederen. Voor niet verhuurde ongebouwde buitenlandse onroerende goederen dient voormeld bedrag ('base d'imposition') vermenigvuldigd te worden met de coëfficiënt 1,25 om tot de huurwaarde te komen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/19
Pagina: 
1381
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(V.R., G.G. / Belgische Staat - Rolnr.: 2010/AR/997)

1. Voorafgaande feiten en procedure
De betwisting betreft een aanslag in de personenbelasting voor aanslagjaar 2005 en meer bepaald de belastbaarheid van het vermoede inkomen uit een onroerend goed, gelegen in Frankrijk.

In het tussenarrest van deze kamer van 3 september 2013 werden de feiten en de voorafgaande procedure uiteengezet en het hof verwijst hiernaar.

Samengevat kan het volgende worden vastgesteld:

In de aangifte voor aanslagjaar 2005 werd melding gemaakt van het “KI” van de woning in Frankrijk, aangekocht op 11 augustus 2004. Aldus werd in de codes 1130 en 2130 telkens een bedrag opgenomen van 391 EUR en werd gemeld dat hierop intussen 286 EUR werd betaald (stuk 47 administratief dossier).

Kort nadien (bij brief van 20 december 2005) werd aan de administratie gemeld dat de proratering van het KI verkeerdelijk niet werd toegepast in de aangifte (5/12) en werd gemeld dat het bedrag in de codes 1130 en 2130 teruggebracht moest worden tot telkens 162,92 EUR (stuk 49 administratief dossier).

De aanvankelijke aanslag, kohierartikel 766577548 werd op 6 juni 2006 gevestigd, zonder toepassing van de proratering. Er volgde een eerste supplementaire aanslag, kohierartikel 767904811 op basis van een akkoord inzake voordelen van alle aard.

In een bericht van wijziging van 1 oktober 2007 werd aangekondigd dat de bruto-huurwaarde van het betrokken onroerend goed zou worden belast en dat deze werd geraamd op 16.414 EUR op jaarbasis. Voor aanslagjaar 2005 zou aldus een bedrag van 5.900 EUR belastbaar zijn, te verdelen over de codes 1130 (2.950 EUR) en 2130 (2.950 EUR). Vermits volgens de administratie niet tijdig werd geantwoord op het bericht van wijziging werd een kennisgeving van aanslag van ambtswege verstuurd.

Ondanks niet-akkoord van de belastingplichtige werd de supplementaire aanslag, kohierartikel 779979312 gevestigd zoals voorgenomen op 18 december 2007.

Hiertegen werd bezwaar aangetekend, dat deels werd ingewilligd bij beslissing van 13 juni 2008. De netto-huurwaarde werd door de fiscale administratie geraamd op 6.409 EUR, hetzij de huurwaarde, bepaald aan de hand van de huurprijzen voor gelijkaardige woningen in het betrokken vakantiepark, verminderd met de in het buitenland betaalde belasting en bovendien rekening houdend met een leegstand van 30%. De netto-huurwaarde bedroeg volgens de administratie aldus 6.409 EUR op jaarbasis, hetzij, geprorateerd voor aanslagjaar 2005 2.403,37 EUR, te verdelen over de codes 1130 en 2130 (telkens 1.201,68 EUR). De belastingverhoging werd verminderd van 50% naar 10%.

De vordering in rechte die vervolgens werd ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd bij vonnis van 15 februari 2010 ontoelaatbaar verklaard, omdat de belastingplichtigen volgens de eerste rechter volledig gelijk hadden gekregen op hun bezwaarschrift.

Hiertegen werd hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift van 25 maart 2010.

(…)

Bij tussenarrest van dit hof van 3 september 2013 werd beslist tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie.

Het hof van beroep stelde vast dat de onroerende inkomsten in kwestie in Frankrijk belastbaar waren, vermits het onroerend goed daar gelegen was, doch dat de betrokken inkomsten wel in aanmerking kwamen voor de berekening van de belasting op de in België progressief belastbare inkomsten (art. 155 WIB 1992).

Het hof stelde zich de vraag waarom in Frankrijk gelegen niet verhuurde onroerende goederen niet op hun Franse kadastrale waarde zouden kunnen worden belast en of de belasting van inkomsten uit niet-verhuurde buitenlandse onroerende goederen op een andere basis dan hun lokale kadastraal inkomen geen schending inhield van de vrijheid van verkeer van kapitaal.

Het hof verklaarde het hoger beroep bijgevolg ontvankelijk doch besliste, alvorens nader recht te doen over de gegrondheid ervan om overeenkomstig artikel 234 van het EG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie:

“Verzet artikel 56 EG-Verdrag zich tegen het belasten in een lidstaat van in een andere lidstaat niet-verhuurde onroerende goederen op een andere basis dan hun lokale kadastraal inkomen, inzonderheid in dit geval gesteld dat het lokale kadastraal inkomen op een gelijkaardige manier wordt bepaald als het Belgische kadastraal inkomen van Belgische onroerende goederen?”

De zaak werd verwezen naar de bijzondere rol en de beslissing omtrent de kosten werd aangehouden.

2. Arrest van het Hof van Justitie
Het Hof van Justitie velde een arrest op 11 september 2014 (C-489/13).

Het Hof van Justitie stelde vast dat diende te worden uitgemaakt of artikel 63 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat als die in het hoofdgeding, volgens welke bij de toepassing van een in een dubbelbelastingverdrag vervat progressievoorbehoud voor de bepaling van het op het inkomen toepasselijk belastingtarief de inkomsten van een in een andere lidstaat gelegen niet-verhuurd onroerend goed worden bepaald op de “huurwaarde” ervan, terwijl de inkomsten van een dergelijk goed dat evenwel in eerstbedoelde lidstaat is gelegen, worden bepaald op het “kadastraal inkomen” ervan en dit kadastraal inkomen doorgaans lager is dan de “huurwaarde”.

Het Hof oordeelde dat het de taak is van de verwijzende rechter om na te gaan of het als gevolg van het feit dat het kadastraal inkomen lager is dan de huurwaarde van een onroerend goed mogelijk is dat de belastbare inkomsten van Belgische ingezetenen die eigenaar zijn van een in een andere lidstaat dan België gelegen niet-verhuurd onroerend goed, worden onderworpen aan een hoger belastingtarief dan het tarief dat geldt voor deze inkomsten van deze ingezetenen die een vergelijkbaar goed in België hebben.

Indien dat het geval is, is er volgens het Hof een schending van de door artikel 63 VWEU verboden beperking van het vrij kapitaalverkeer, vermits het verschil in behandeling Belgische ingezetenen kan ontmoedigen om in andere lidstaten dan België investeringen in onroerend goed te doen.

Het Hof oordeelde verder dat er geen rechtvaardigingsgronden zijn voor de beperking van het vrij kapitaalverkeer.

Het Hof van Justitie oordeelde bijgevolg als volgt:

“Artikel 63 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat als die in het hoofdgeding, voor zover zou blijken dat bij de toepassing van een in een dubbelbelastingverdrag vervat progressievoorbehoud een hoger tarief in de inkomstenbelasting van toepassing kan zijn enkel doordat de methode voor vaststelling van de inkomsten van een onroerend goed ertoe leidt dat de inkomsten van in een andere lidstaat gelegen niet-verhuurd onroerend goed worden bepaald op een hoger bedrag dan de inkomsten van een in eerstbedoelde lidstaat gelegen dergelijk goed. Het is de taak van de verwijzende rechter om na te gaan of dat wel degelijk het gevolg is van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling.”

Elk van beide partijen heeft na voormeld arrest van het Hof van Justitie nog geconcludeerd.

3. Vorderingen
(…)

4. Bespreking
4.1. Schending van artikel 63 VWEU?
Partijen zijn het erover eens dat er wel degelijk een met artikel 63 VWEU strijdig onderscheid bestaat, wanneer men de inkomsten uit het in Frankrijk gelegen onroerend goed bepaalt op grond van de werkelijke huurwaarde. De Belgische Staat staakt dan ook haar pogingen om de werkelijke huurwaarde te achterhalen en vertrekt bij haar berekening van de grondslag, zoals die in aanmerking komt voor de berekening van de Franse “taxe d'habitation”. De belastingplichtigen van hun kant vertrekken van de grondslag voor de Franse “taxe foncière”, hetzij de helft van de grondslag voor de “taxe d'habitation”.

4.2. Alternatief?
De meningen lopen evenwel uiteen voor wat betreft de berekeningswijze die verder moet worden toegepast om tot een correcte belastbare grondslag te komen.

4.2.1. De belastingplichtigen
De belastingplichtigen steunen zich hierbij op een interne nota van de FOD Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, gericht aan alle directies, inspecties en taxatiediensten personenbelasting (stuk 16 belastingplichtigen).

De belastingplichtigen vertrekken bijgevolg, voor de vaststelling van de belastbare grondslag van de door de Franse autoriteiten vastgestelde grondslag voor de zogenaamde “taxe foncière” en vermenigvuldigen die met 2, om aldus een bruto-huurwaarde te bekomen van 1.564 EUR.

Vervolgens worden hiervan de buitenlandse belastingen afgetrokken, met name de zogenaamde “taxe foncière” (286 EUR) en de “taxe d'habitation” (319 EUR) zodat de netto-huurwaarde 959 EUR bedraagt.

Gelet op de proratering (5/12), kan hiervan voor aanslagjaar 2005 399,58 EUR in aanmerking genomen worden, te verdelen over de codes 1130 en 2130 (telkens 199,79 EUR).

4.2.2. De Belgische Staat
De Belgische Staat hanteert voor de berekening van de belastbare grondslag het Belgische artikel 7, § 1, 1° WIB 1992.

De Belgische Staat stelt hierbij vast dat de “valeur locative cadastrale” (VLC) een forfaitaire theoretische jaarlijkse brutohuur is met betrekking tot een gebouwd onroerend goed dat verhuurd wordt in normale omstandigheden met als referentieperiode 1970. Om rekening te houden met de muntontwaarding en met de evolutie van de huurprijzen sinds 1970 wordt deze VLC in Frankrijk aangepast met een actualiserings- en revalorisatiecoëfficiënt om te komen tot de “valeur locative brute” (VLB), hetzij de geherwaardeerde VLC. Deze VLB dient als belastbare grondslag voor de berekening van de Franse “taxe foncière” (VLB x 50%) en de “taxe d'habitation”.

Om de buitenlandse inkomsten te bepalen op een vergelijkbare manier als in België, gaat de administratie als volgt tewerk:

De VLB van 1.590 EUR dient volgens de administratie verminderd te worden met een kostenforfait van 40% om te komen tot een nettobedrag.

Het aldus bekomen bedrag wordt aldus overeenkomstig artikel 7, § 1, 1°, tweede streepje WIB 1992 terug verhoogd met 40%.

Vermits het berekeningsprogramma volgens de administratie automatisch een kostenforfait berekent van 40% dient het bekomen bedrag aldus terug gebruteerd te worden met 100/60.

De berekening is volgens de administratie bijgevolg:

(1.590 EUR - (1.590 x 40%)) x 1,4 x 100/60 = 2.226 EUR

Van dit bedrag worden door de administratie geen belastingen in mindering gebracht, zoals dat evenmin gebeurt bij Belgische inkomsten.

Geprorateerd bekomt de Belgische Staat aldus een bedrag van 927,50 EUR voor aanslagjaar 2005, hetzij een bedrag van telkens 463,75 EUR te vermelden in elk van de codes 1130 en 2130.

4.2.3. Beoordeling
Welke berekeningsmethode?
Het hof stelt vast dat er geen wettelijke regeling voorhanden is om de huurwaarde van in het buitenland gelegen onroerende goederen te berekenen.

Het hof stelt vast dat elk van de partijen vertrekt vanuit de forfaitaire grondslag voor de berekening van de Franse “taxe d'habitation” of “taxe foncière”.

De administratie gaat er zonder meer vanuit dat de basis voor de Franse “taxe d'habitation” (hetzij de VLB) te vergelijken is met het Belgische kadastraal inkomen en verricht de berekening vervolgens, zoals die zou gebeuren voor wat betreft in België gelegen niet verhuurde onroerende goederen die gebruikt worden als tweede verblijf.

Het hof stelt evenwel vast dat deze redenering niet opgaat, vermits de basis voor de “taxe d'habitation” een bruto-huurwaarde is, daar waar het kadastraal inkomen een netto-inkomen is (art. 471, § 2 WIB 1992). Geconfronteerd met dit gegeven trekt de administratie weliswaar aanvankelijk een forfait van 40% af van het VLB van 1.590 EUR, doch vervolgens stelt ze dat “het berekeningsprogramma automatisch een kostenforfait berekent van 40%” zodat ze de op grond van artikel 7, § 1, 1°, tweede streepje WIB 1992 verhoogde nettowaarde vervolgens opnieuw bruteert met 100/60. De berekening door de Belgische Staat geeft aldus aanleiding tot een hogere grondslag dan wanneer eenzelfde goed in België gelegen zou zijn.

De berekening van de belastingplichtigen houdt weliswaar geen rekening met het feit dat het in Frankrijk gelegen onroerend goed een tweede verblijf betreft, doch hun berekeningswijze is volledig gesteund op een interne aanschrijving van de administratie zelf, gericht aan alle directies, inspecties en taxatiediensten personenbelastingen. Deze aanschrijving, neergelegd door de belastingplichtigen onder stuk 16, wordt door de administratie op zich niet betwist.

Deze instructie luidt als volgt:

“In principe dient het totale bedrag van de werkelijk ontvangen huurprijs bij verhuring van het buitenlands onroerend goed te worden aangegeven. Voor niet verhuurde buitenlandse onroerende goederen dient de huurwaarde te worden aangegeven. De huurwaarde komt overeen met het dubbel van het bedrag dat dient als basis (kolom 'base d'imposition') om de 'taxe foncière' te berekenen voor wat betreft gebouwde onroerende goederen. Voor niet verhuurde ongebouwde buitenlandse onroerende goederen dient voormeld bedrag ('base d'imposition') vermenigvuldigd te worden met de coëfficiënt 1,25 om tot de huurwaarde te komen.

Op de inlichtingenfiches die ons spontaan werden verstuurd door de Franse administratie met betrekking tot inkomstenjaar 2003 wordt de 'valeur locative foncière actualisée' vermeld, dit is de huurwaarde die gebruikt wordt als basis voor de berekening van de 'taxe d'habitation'. Dit bedrag dient niet meer verdubbeld te worden.

Volgende Franse belastingen mogen van deze onroerende inkomsten worden afgetrokken:

de 'taxe foncière';
de 'taxe d'habitation' VOOR ZOVER deze belasting uiteraard gevestigd is op naam van de eigenaar.
Voorbeeld van aan te geven inkomsten

Basis

Ontvangen huurgelden

Of valeur locative 'taxe foncière' (verdubbeld resp. vermenigvuldigd met 1,25 voor wat betreft de gebouwde resp. ongebouwde o.g.)

Of valeur locative foncière actualisée (vermeld op de spontane inlichtingenfiche vanuit Frankrijk)

Aftrek van:

Taxe foncière

Taxe d'habitation (als deze gevestigd is op naam van de eigenaar)

Aan te geven inkomsten.”

Het hof stelt derhalve vast dat geen eenvormige methode voorhanden is om de huurwaarde van in het buitenland gelegen onroerende goederen te berekenen. De berekening kan evenmin gebeuren overeenkomstig de artikelen 7 et seq. WIB 1992, vermits de VLB (een bruto-huurwaarde) als uitgangspunt niet vergelijkbaar is met het KI, zoals het in de Belgische wetgeving wordt omschreven.

Verder oordeelt het hof dat de berekeningswijze, zoals die door de administratie wordt toegepast in haar instructie (stuk 16 belastingplichtigen, hierboven geciteerd) niet in strijd is met de wet en leidt tot een berekening van de inkomsten, die vergelijkbaar is met de inkomsten van in België gelegen onroerende goederen. Dat geen rekening gehouden wordt met het feit dat het gaat om een tweede verblijf doet aan de correctheid van deze berekeningswijze geen afbreuk, vermits de verhoging van 40% eigen is aan de in deze niet toepasbare Belgische regeling (art. 7, § 1, 1°, a), tweede streepje WIB 1992). Dat de in het buitenland betaalde belasting mag worden afgetrokken (zie instructie) kan verantwoord worden op grond van het feit dat enkel het netto-inkomen belastbaar is, daar waar de VLB een brutobedrag betreft.

Het hof oordeelt derhalve dat de berekening van het inkomen uit het in Frankrijk gelegen onroerend goed dient te gebeuren overeenkomstig de instructie van de administratie, stuk 16 van de belastingplichtigen.

De berekening concreet.
Het hof stelt vast dat niet betwist wordt dat het betrokken onroerend goed niet verhuurd werd en dat uit stuk 1 van de belastingplichtigen blijkt dat de belastbare basis voor de “taxe foncière”, gevestigd op naam van V.R. en G.G. voor het jaar 2005 782 EUR bedraagt.

De basis voor de bepaling van de inkomsten uit het betrokken onroerend goed bedraagt aldus overeenkomstig de instructie 1.564 EUR, hetzij 2 x 782 EUR.

Uit stuk 1 blijkt eveneens dat de “taxe foncière” in verband met het betrokken onroerend goed voor 2005 319 EUR bedraagt. Dit bedrag mag derhalve van de basis worden afgetrokken.

Uit de stukken blijkt evenwel niet dat er een Franse “taxe d'habitation” gevestigd werd op naam van de belastingplichtigen voor wat 2005 betreft. Stuk 1 betreft enkel het jaar 2006. Deze belasting kan derhalve niet in mindering worden gebracht.

De belastbare grondslag die overeenkomstig artikel 155 WIB 1992 in aanmerking moet worden genomen bedraagt derhalve: 1.564 - 319 EUR = 1.245 EUR voor het volledige jaar 2005. Geprorateerd, rekening houdend met het gedeelte van het jaar dat de belastingplichtigen eigenaar geweest zijn van het betrokken onroerend goed in 2005, dient in de codes 1130 en 2130 derhalve een bedrag van telkens (1.245 x 5/12) : 2 = 259,37 EUR in aanmerking te worden genomen.

(…)
 

Noot: 

Hendrickx, C., « Franse vakantiewoning moet voor belastingheffing gewaardeerd worden op “valeur locative” verminderd met betaalde Franse belastingen », R.A.B.G., 2015/19, p. 1387-1393
01/12/2015

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 21:18
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 21:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.