-A +A

Belasting op meerwaarde bij verkoop aandelen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 17/02/2015

Diverse inkomsten:zijn winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.”

Het behoort aan de Belgische Staat om aan te tonen dat een verrichting valt buiten het normaal beheer van een privévermogen 

Om onder het normale beheer van een privévermogen te vallen moet de verrichting betrekking hebben op onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen en moet de verrichting een handeling uitmaken die een goed huisvader gewoonlijk stelt met het oog op de aangroei of het behoud van zijn vermogen. Om als abnormale handeling te worden beschouwd, moet niet worden aangetoond dat er sprake is van veinzing. Men dient wel de concrete omstandigheden in acht te nemen en na te gaan hoe een normale, voorzichtige persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden zou gehandeld hebben.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/19
Pagina: 
1368
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(M.L. / Belgische Staat - Rolnr.: 2013/AR/2757)

1. Voorafgaande feiten en procedure
(…)

2. Bespreking
2.1. Artikel 90, 1° WIB 1992: toepasselijkheid
Volgens X. is dit artikel niet van toepassing, vermits geen winst wordt nagestreefd. Dit artikel is volgens de belastingplichtige ook niet van toepassing omdat geen handelingen werden gesteld die het normale beheer van een privaat vermogen te buiten gaan. De aandelen werden verworven in 1987 en werden verkocht aan een normale waarde. Bovendien was er volgens de belastingplichtige geen speculatief inzicht op het moment van de aankoop van de aandelen in 1987. Artikel 90, 1° WIB 1992 viseert volgens de belastingplichtige niet het belasten van meerwaarden.

De administratie blijft bij haar eerder ingenomen standpunt dat er ter zake wel sprake is van een abnormaal beheer van een privaat vermogen.

Overeenkomstig artikel 90, 1° WIB 1992, zoals van toepassing voor aanslagjaar 2006, zijn diverse inkomsten:

“(onverminderd het bepaalde in 8°, 9° en 10°), winst of baten, hoe ook genaamd, die zelfs occasioneel of toevallig, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie of uit diensten bewezen aan derden, daaronder niet begrepen normale verrichtingen van beheer van een privévermogen bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen.”

Het behoort aan de Belgische Staat om aan te tonen dat een verrichting valt buiten het normaal beheer van een privévermogen (L. Vanheeswijck en L. Kell, “De belastbaarheid van abnormale verrichtingen van beheer”in L. Maes, H. De Cnijf en L. De Broeck, Fiscaal Praktijkboek 2007-2008. Directe belastingen, Mechelen, Kluwer, 2007, (pA7), p. 52 et seq.).

Om onder het normale beheer van een privévermogen te vallen moet de verrichting betrekking hebben op onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen en moet de verrichting een handeling uitmaken die een goed huisvader gewoonlijk stelt met het oog op de aangroei of het behoud van zijn vermogen. Om als abnormale handeling te worden beschouwd, moet niet worden aangetoond dat er sprake is van veinzing. Men dient wel de concrete omstandigheden in acht te nemen en na te gaan hoe een normale, voorzichtige persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden zou gehandeld hebben.

X. had haar aandelen in BVBA Y. bekomen bij de oprichting van deze vennootschap in 1987. Deze aandelen werden 18 jaar later, met name in 2005 ingebracht in BVBA Z., zodat niet kan worden voorgehouden dat ze destijds werden verworven met speculatief inzicht.

Dat deze aandelen 18 jaar later tegen een hogere waarde werden verkocht is het resultaat van het normale beheer hiervan, waarbij de administratie niet aantoont dat hierbij een abnormaal hoge meerwaarde werd gerealiseerd. Dat de overdracht gebeurde aan een abnormaal hoge prijs wordt niet aangetoond. Er is weliswaar geen revisoraal verslag, doch uit het feit dat de prijs een loutere schatting betrof kan niet worden afgeleid dat die te hoog was.

Een aanzienlijke waardestijging van de aandelen is trouwens op zich geen indicatie van abnormaal beheer of speculatie. De grootte van de meerwaarde is volgens de Rulingcommissie zelf geen relevant criterium om uit te maken of het gaat om een normaal beheer van een privaat vermogen. Een goede huisvader die 30 jaar lang werkt aan de uitbouw van zijn onderneming en een aanzienlijke meerwaarde verwezenlijkt bij de verkoop van de aandelen in zijn onderneming kan niet worden onderworpen aan de belasting.

Er kan hierbij evenmin gesteld worden dat mevrouw X. een tweede keer werd vergoed voor dezelfde goodwill. Tussen de inbreng van de handelszaak in de BVBA Y. (1988) en de verkoop van 371 van de 750 aandelen (2005) zitten vele jaren en de inbreng betreft slechts een deel van het aandelenpakket.

De administratie stelt dat er sprake is van abnormaal beheer, vermits niet voldaan is aan alle voorwaarden die de minister van Financiën had vooropgesteld en waaraan moet worden voldaan opdat het verkopen van de aandelen aan een eigen opgerichte holdingvennootschap niet belastbaar zou zijn. Het hof kan het standpunt van de administratie op dit punt niet volgen. De betrokken ruling betreft immers een standpunt van de administratie dat geen voorwaarden mag toevoegen aan de wet.

Het feit dat gezondigd werd tegen een aantal voorwaarden die de Rulingcommissie in haar standpunt ter zake heeft uiteengezet (zie hierover L. Kell, “Belastbaarheid van interne meerwaarden: de fiscale administratie neemt duidelijk standpunt in”, TFR 2006, nr. 294, p. 43; K. Vandevelde, “Interne meerwaarden: de problematiek doorheen de jaren. Een stand van zaken”, AFT 2012, (p. 12), p. 36) impliceert derhalve niet dat het gaat om een abnormale verrichting. De administratie stelt in dit verband trouwens zelf dat de door haar vermelde criteria niet afzonderlijk maar slechts in combinatie met één of meer andere criteria tot het besluit kunnen leiden dat er al dan niet sprake is van een normaal beheer van privévermogen. De transactie moet steeds in haar geheel bekeken worden.

De belastingplichtige merkt trouwens terecht op dat de BVBA Z. geen “eigen” vennootschap is van X. vermits zij nooit aandeelhouder van deze vennootschap is geweest (stuk 52 administratief dossier) en slechts bijkomend zaakvoerder was. Zij heeft als verkoper aldus nooit de controle uitgeoefend op de kopende vennootschap.

Het feit dat de dochters (…) een waarborg hebben gesteld voor de lening die werd aangegaan ter financiering van de aankoop van de aandelen wijst niet op simulatie. Dat zij zich borg hebben gesteld, wil niet zeggen dat zij de aankoop van de aandelen hebben gefinancierd.

Dat mevrouw X. een zaakvoerdersfunctie bleef waarnemen in de holdingvennootschap doet aan het voorgaande geen afbreuk. Dit kadert daarentegen in de opvolging van mevrouw X. door haar dochters, beiden apotheker, waarbij mevrouw X. een stap opzij zette. Zij was trouwens enkel als bijkomend zaakvoerder in de BVBA Z. actief, naast (…) en (…) haar dochters (stuk 52 administratief dossier).

Door de verkoop van haar aandelen in de BVBA Y. aan BVBA Z., verkreeg deze holdingvennootschap, waarvan alle aandelen in handen waren van de twee dochters (stuk 52 administratief dossier), alle aandelen van BVBA Y. (stuk 51 administratief dossier), wat eveneens kaderde in de opvolgingsproblematiek.

Er is in deze evenmin sprake van een ingewikkelde constructie. De aandelen die X. sinds de jaren '80 had in de apothekersvennootschap werden in 2005 verkocht aan de holdingvennootschap, opgericht door haar dochters.

Gelet op het voorgaande is er in deze geen sprake van een abnormaal beheer van het privévermogen, zodat er geen belasting verschuldigd kan zijn overeenkomstig artikel 90, 1° WIB 1992. De overige argumenten in verband met de beweerde willekeur bij de waardebepaling van de aandelen zijn dan ook niet verder dienstig.

(…)
 

Noot: 

• Renier, P. en Lasat, L., « Elastische interpretatie van de administratie van het begrip “normaal beheer van privévermogen”: de elastiek schiet terug », R.A.B.G., 2015/19, p. 1371-1380

• Vrijders, E., « Meerwaarde integraal belastbaar als divers inkomen wanneer zowel aan- als verkoop abnormale verrichtingen uitmaken », R.A.B.G., 2014/10, p. 665-669

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 10/07/2017 - 20:06
Laatst aangepast op: ma, 10/07/2017 - 20:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.