-A +A

Belastbaarheid verbeurdverklaarde sommen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 16/12/2014

Verduisterde/onttrokken gelden kunnen gekwalificeerd worden als een “vrucht” en dus als een “inkomen” van een door de fiscale wet aangeduide bron. Ook verduisterde/onttrokken gelden kunnen beschouwd worden als periodieke vruchten van een activiteit, zoals een dienstbetrekking, zonder dat de strafbare oorsprong ervan de substantie van deze activiteit kan aantasten. Het civielrechtelijke inkomensbegrip maakt immers geen onderscheid tussen geoorloofde en ongeoorloofde activiteiten, noch tussen toegelaten en verboden vruchten.

Elke vrucht die voortkomt uit een activiteit van de belastingplichtige valt onder het civielrechtelijke inkomensbegrip zodra deze vrucht in het vermogen van de belastingplichtige valt. Voor de toepassing van het civielrechtelijke inkomensbegrip volstaat het zonder meer dat de vruchten ingevolge zijn activiteiten bij de belastingplichtige zijn terechtgekomen en dat hij erover kan beschikken.

Uit artikel 31, eerste en tweede lid, 1° en 2° WIB 1992 blijkt dat, opdat een voordeel als bezoldiging belastbaar zou zijn, dit voordeel uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid moet verkregen worden, waarbij een onrechtstreeks oorzakelijk verband volstaat.

De uitdrukking 'ter gelegenheid van' impliceert dat het voordeel geen directe opbrengst van de dienstbetrekking moet zijn; het hoeft niet te gelden als prijs voor de geleverde arbeid. Het volstaat dat de oorsprong van het ontvangen voordeel in het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid ligt, dat de beroepsmatige werkzaamheid de determinerende oorzaak is.

De ruime omschrijving van het begrip bezoldiging treft zonder onderscheid de opbrengsten die hun oorsprong vinden in geoorloofde en ongeoorloofde verrichtingen uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid.

De belastbaarheid van onrechtmatig verkregen inkomsten volgt uit de samenloop van drie fundamentele principes die het ontstaan van de fiscale schuld beheersen: het legaliteitsbeginsel, het realiteitsbeginsel en het principe van de eenjarigheid inzake inkomstenbelastingen.

Het realiteitsbeginsel vereist dat de fiscale wet, voor zover zij zelf geen onderscheid maakt, gelijkelijk moet worden toegepast op geoorloofde en ongeoorloofde verrichtingen:

Wanneer de wet aan een bepaald feit zonder meer fiscale gevolgen vastknoopt, geeft dat feit aanleiding tot belastingheffing, ook wanneer het zou tot stand gekomen zijn in overtreding van een wettelijke bepaling. Aldus begrepen komt het realiteitsbeginsel uiteindelijk neer op een concretisering van het legaliteitsbeginsel. De fiscale wet moet correct worden toegepast op de toestanden waartussen de wet geen onderscheid maakt.

Voor de belastbaarheid van een “bezoldiging” in de zin van artikel 31, tweede lid, 1° WIB 1992, maakt het derhalve geen verschil uit of de voordelen verworven naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid een legale of illegale oorsprong hebben, dan wel verkregen zijn uit een geoorloofde of ongeoorloofde beroepsuitoefening.

Het vereiste (onrechtstreeks) causaal verband tussen de arbeid en de verkregen inkomsten wordt niet verbroken door het enkele feit dat strafbare gedragingen aan de grondslag liggen van voordelen verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid.

Inkomsten voortvloeiend uit strafbare gedragingen, zoals verduistering, passieve corruptie, misbruik van vertrouwen of bedrog, kunnen derhalve niet aan de belastingheffing ontsnappen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/10
Pagina: 
693
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(D.B.K. / Belgische Staat)

(…)

I. DE FEITEN
(…)

II. DE VOORAFGAANDE PROCEDURE
(…)

III. DE VORDERINGEN EN STANDPUNTEN IN HOGER BEROEP
(…)

IV. BEOORDELING
(…)

4.4. Belastbaarheid van de onttrokken gelden
4.4.1. De betwisting betreft de vraag of de door eiser in hoger beroep ten nadele van diverse klanten van het bankfiliaal waar hij werkzaam was onttrokken gelden al dan niet voldoen aan de vereisten van artikel 23, § 1, 4° WIB 1992 om als beroepsinkomen te worden belast en meer bepaald als bezoldigingen in de zin van artikel 31 WIB 1992.

Eiser in hoger beroep stelt dat de kwestieuze sommen op generlei ogenblik op definitieve wijze in zijn patrimonium zijn overgegaan en dat de kwestieuze sommen dan ook niet het karakter van inkomsten hebben laat staan dat ze een beroepsinkomen zouden uitkomen.

Bovendien werden de onttrokken sommen middels het vonnis van 14 december 2005 integraal verbeurd verklaard en werden de eerder in beslag genomen en vervolgens verbeurd verklaarde goederen en gelden integraal aan de burgerlijke partij toegewezen.

De Belgische Staat handhaaft het standpunt dat de door eiser in hoger beroep onttrokken gelden belastbaar zijn als beroepsinkomen en meer bepaald als bezoldigingen in de zin van artikel 31 WIB 1992.

Het civielrechtelijk inkomensbegrip verzet er zich, volgens de Belgische Staat, niet tegen dat verduisterde gelden worden gekwalificeerd als een “vrucht” en bijgevolg als een “inkomen” van de door de fiscale wet aangeduide bron. Elke vrucht die voortkomt uit de activiteit van de belastingplichtige valt onder het civielrechtelijk inkomensbegrip, zodat deze vrucht in zijn vermogen valt. Voor het civielrechtelijk inkomensbegrip volstaat het dat vruchten ingevolge zijn activiteiten bij de belastingplichtige zijn terechtgekomen en dat hij erover kan beschikken, wat niet betekent dat hij ze definitief moet hebben bekomen. Aangezien vaststond dat de wederrechtelijk onttrokken sommen zich effectief in het vermogen van eiser in hoger beroep bevonden en hij erover kon beschikken, terwijl tevens vaststond dat ze verband hielden met zijn dienstbetrekking, werden deze gelden terecht als inkomsten belast. Het is zonder belang of de wederrechtelijk onttrokken sommen al dan niet “definitief” zijn verworven, zodat evenmin de verbeurdverklaring ervan de belastbaarheid van deze sommen zou aantasten.

4.4.2. De in deze relevante en toepasselijke wetsbepalingen luiden als volgt:

Artikel 23 WIB 1992:

Ҥ 1. Beroepsinkomsten zijn inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortkomen uit werkzaamheden van alle oord, met namen:

(…)

4° bezoldigingen;

(…)”

Artikel 30 WIB 1992:

“Bezoldigingen omvatten, ongeacht de schuldenaar of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend:

bezoldigingen van werknemers,
bezoldigingen van bedrijfsleiders,
bezoldigingen aan meewerkende echtgenoten.”
Artikel 31 WIB 1992:

“Bezoldigingen van werknemers zijn alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever.

Daartoe behoren inzonderheid:

wedden, lonen, commissies, gratificaties, premies, vergoedingen en alle andere soortgelijke beloningen, met inbegrip van fooien en toelagen die, zelfs toevallig, uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid op enige andere wijze worden verkregen dan als terugbetaling van eigen kosten van de werkgever;
voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid;
(…)
(…)
(…)”
4.4.3. Eiser in hoger beroep gaat ervan uit dat teneinde belastbaar te kunnen zijn in de inkomstenbelasting een inkomen moet voorliggen in de civielrechtelijke betekenis van het woord, wat slechts verworven wordt in hoofde van de eigenaar ervan, dat voortvloeit uit een door de fiscale wet genoemde bron en dus dat het Belgische Wetboek van de Inkomstenbelastingen steunt op de bronnentheorie, waarbij slechts de inkomsten uit welomschreven bronnen aan de belasting kunnen onderworpen worden.

In het kader van deze bronnentheorie wordt het begrip inkomen, bij gebrek aan wettelijke definitie, geïnterpreteerd aan de hand van het civielrechtelijke inkomensbegrip, dit is alles wat een zaak periodiek aan vruchten voortbrengt, zonder haar wezen te veranderen of haar substantie aan te tasten.

De noodzakelijke band met een door de fiscale wet aangeduide bron vereist dat door een belastingplichtige behaalde voordelen moeten voortgebracht worden door een onroerend goed, een roerend goed, een kapitaal of een activiteit, in de zin van een regelmatige arbeid of een speculatieve handeling (S. Huysmans, “Het fiscaal regime van ontvangsten uit onverschuldigde betaling en van opbrengsten uit strafbare of andere ongeoorloofde verrichtingen”, TFR 1996, afl. 146, 317; S. Van Crombrugge, “De evolutie van het inkomstenbelastingrecht”, RW 1986-87, 1526 en 1532-1533).

Het hof oordeelt dat het civielrechtelijke inkomensbegrip er zich niet tegen verzet dat verduisterde/onttrokken gelden gekwalificeerd worden als een “vrucht” en dus als een “inkomen” van een door de fiscale wet aangeduide bron. Ook verduisterde/onttrokken gelden kunnen beschouwd worden als periodieke vruchten van een activiteit, zoals een dienstbetrekking, zonder dat de strafbare oorsprong ervan de substantie van deze activiteit kan aantasten. Het civielrechtelijke inkomensbegrip maakt immers geen onderscheid tussen geoorloofde en ongeoorloofde activiteiten, noch tussen toegelaten en verboden vruchten. Elke vrucht die voortkomt uit een activiteit van de belastingplichtige valt onder het civielrechtelijke inkomensbegrip zodra deze vrucht in het vermogen van de belastingplichtige valt. Voor de toepassing van het civielrechtelijke inkomensbegrip volstaat het zonder meer dat de vruchten ingevolge zijn activiteiten bij de belastingplichtige zijn terechtgekomen en dat hij erover kan beschikken (cf. Cass., 21 februari 2003, Arr.Cass. 2003, nr. 125). Eiser in hoger beroep koppelt ten onrechte het civielrechtelijke inkomensbegrip aan de eigendomsvereiste van het Burgerlijk Wetboek.

4.4.4. Uit artikel 31, eerste en tweede lid, 1° en 2° WIB 1992 blijkt dat, opdat een voordeel als bezoldiging belastbaar zou zijn, dit voordeel uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid moet verkregen worden, waarbij een onrechtstreeks oorzakelijk verband volstaat.

“De uitdrukking 'ter gelegenheid van' impliceert dat het voordeel geen directe opbrengst van de dienstbetrekking moet zijn; het hoeft niet te gelden als prijs voor de geleverde arbeid. Het volstaat dat de oorsprong van het ontvangen voordeel in het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid ligt, dat de beroepsmatige werkzaamheid de determinerende oorzaak is.” (S. Huysman, “Het fiscaal regime van ontvangsten uit onverschuldigde betaling en van opbrengsten uit strafbare of andere ongeoorloofde verrichtingen”, TFR, 1996, afl. 146, 323).

De ruime omschrijving van het begrip bezoldiging treft zonder onderscheid de opbrengsten die hun oorsprong vinden in geoorloofde en ongeoorloofde verrichtingen uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid.

Het hof sluit zich aan bij de stelling van auteur S. Huysman dat de belastbaarheid van onrechtmatig verkregen inkomsten volgt uit de samenloop van drie fundamentele principes die het ontstaan van de fiscale schuld beheersen: het legaliteitsbeginsel, het realiteitsbeginsel en het principe van de eenjarigheid inzake inkomstenbelastingen.

Het realiteitsbeginsel vereist dat de fiscale wet, voor zover zij zelf geen onderscheid maakt, gelijkelijk moet worden toegepast op geoorloofde en ongeoorloofde verrichtingen:

“Wanneer de wet aan een bepaald feit zonder meer fiscale gevolgen vastknoopt, geeft dat feit aanleiding tot belastingheffing, ook wanneer het zou tot stand gekomen zijn in overtreding van een wettelijke bepaling. Aldus begrepen komt het realiteitsbeginsel uiteindelijk neer op een concretisering van het legaliteitsbeginsel. De fiscale wet moet correct worden toegepast op de toestanden waartussen de wet geen onderscheid maakt.” (S. Huysman, o.c., 318-319, nr. 8).

Voor de belastbaarheid van een “bezoldiging” in de zin van artikel 31, tweede lid, 1° WIB 1992, maakt het derhalve geen verschil uit of de voordelen verworven naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid een legale of illegale oorsprong hebben, dan wel verkregen zijn uit een geoorloofde of ongeoorloofde beroepsuitoefening (P. Bellen, “Des sommes détournées au préjudice de l'employeur constituent des revenus imposables”, Act.Fisc. 2009, afl. 13, 5).

Het vereiste (onrechtstreeks) causaal verband tussen de arbeid en de verkregen inkomsten wordt niet verbroken door het enkele feit dat strafbare gedragingen aan de grondslag liggen van voordelen verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid.

Inkomsten voortvloeiend uit strafbare gedragingen, zoals verduistering, passieve corruptie, misbruik van vertrouwen of bedrog, kunnen derhalve niet aan de belastingheffing ontsnappen (cf. S. Huysman, o.c., 318, nr. 7).

4.4.5. Het hof oordeelt dat de door eiser in hoger beroep onttrokken gelden zijn verkregen naar aanleiding van de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid bij Record Bank. Een buitenstaander die niet in loondienst was van Record Bank kon niet tot manipulaties overgaan zoals door eiser in hoger beroep werd gedaan. Het zich toe-eigenen van gelden die eigendom waren van klanten van Record Bank was slechts mogelijk ingevolge de arbeidsrelatie tussen eiser in hoger beroep en Record Bank.

Verder oordeelt het hof dat uit het vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 14 december 2005 blijkt dat eiser in hoger beroep zich de gelden wederrechtelijk toe-eigende, waardoor deze uit het patrimonium van de klanten van Record Bank of van Record Bank verdwenen, om ze nadien zelf een gewenste bestemming te geven. Deze gelden kwamen terecht in het vermogen van eiser in hoger beroep en hij had er het beschikkingsrecht over.

De administratie heeft dan ook terecht de door eiser in hoger beroep verduisterde/onttrokken gelden, die in zijn vermogen waren terecht gekomen, belast als beroepsinkomen en meer bepaald als bezoldigingen.

4.5. Cumulatie belastingheffing en verbeurdverklaring, artikel 1 eerste aanvullend protocol EVRM
4.5.1. Eiser in hoger beroep stelt dat de cumulatie van de reeds uitgesproken verbeurdverklaring met een belasting op de op wederrechtelijke wijze onttrokken en vervolgens verbeurdverklaarde sommen, de toets van elke normale opportuniteits- en/of redelijkheidsbeoordeling niet kan doorstaan en bovendien een schending inhoudt van het in lid 1. van artikel 1 van het eerste protocol bij het Europees verdrag van de rechten van de mens erkende eigendomsrecht.

Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 eerste aanvullend protocol bij het EVRM.

Dit artikel houdt in dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijke of rechtspersoon in overeenstemming dient te zijn met het nationaal recht. Deze rechtsgeldigheid veronderstelt dat het toepasselijk nationaal recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is. De inbreuk dient een legitiem doel in het algemeen belang na te streven. Artikel 1 voormeld brengt ook mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegelaten indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd, wat het bestaan vereist van een redelijke verhouding tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten.

Het voorgaande houdt in dat de aantasting van het eigendomsrecht een basis moet hebben in het nationaal recht, dat dit nationaal recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening moet zijn en dat er procedurele garanties moeten zijn die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die aantasting.

Het hof oordeelt dat in deze de toepasselijke bepalingen voldoende precies, duidelijk en voorzienbaar in de toepassing ervan zijn, dat er afdoende procedurele garanties zijn en dat ook aan de legaliteitsvereiste is voldaan.

Er is geen sprake van een buitenproportionele verstoring van het eigendomsrecht van eiser in hoger beroep als gevolg van een gecombineerd effect van de belasting en de verbeurdverklaring ten voordele van de burgerlijke partij, die niet de Belgische Staat is.

Er is dan ook geen sprake van een schending van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM.

4.5.2. Inkomsten van illegale oorsprong zijn belastbaar, ongeacht de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen. Cumulatie tussen een verbeurdverklaring en een belastingheffing is geoorloofd, ongeacht of de verbeurdverklaring al dan niet voorafgaat aan de taxatie (S. Huyghe, “Verbeurdverklaarde vermogensvoordelen zijn belastbaar” (noot bij Brussel 12 oktober 2000), TFR 2001, afl. 194, 61).

De verbeurdverklaring is een strafsanctie en het voorwerp ervan heeft niet de aard van een belasting. De verbeurdverklaring is van toepassing, ongeacht de mogelijkheid voor het bestuur om tot belastingheffing over te gaan of administratieve sancties op te leggen.

4.6. Beginselen van behoorlijk bestuur
Eiser in hoger beroep stelt dat er sprake is van een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, doordat de Belgische Staat heeft nagelaten om zich tijdig in de strafzaak te manifesteren met het oog op het bekomen van een (al dan niet gedeeltelijke) toewijzing van de uit te spreken verbeurdverklaring.

Het hof stelt vast dat eiser in hoger beroep in het kader van de strafprocedure niet werd vervolgd wegens fiscale misdrijven en dat er dan ook geen reden was voor de Belgische Staat om zich burgerlijke partij te stellen.

4.7. De belastingverhoging
(…)

4.7.3. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de cumulatie van sanctiemethodes mogelijk is maar dat de rechter de wettelijkheid van de sanctie mag onderzoeken, met inbegrip van het respect van de algemene rechtsbeginselen en hij het bestaan van vroegere strafrechtelijke veroordelingen in zijn beoordeling mag betrekken (Cass. 24 februari 2002, (twee arresten), TFR 2002, 763 en 765).

Ook het Grondwettelijk Hof besliste in een arrest van 18 juni 2008 (arrest nr. 91/2008; M. Maus, “Administratieve sanctie sluit niet noodzakelijk strafsanctie uit”, Fiscoloog 2008, nr. 1125, p. 5) dat de cumulatie van een fiscaal administratieve sanctie en een strafrechtelijke sanctie niet per se verboden is. Het Grondwettelijk Hof gaat bij de beoordeling van het non bis in idem-beginsel na in hoeverre de administratieve en de strafrechtelijke sanctie in soortelijke bewoordingen hetzelfde gedrag bestraffen en of de essentiële bestanddelen van beide inbreuken identiek zijn. Indien dit het geval is, is een cumulatie van een administratieve en een strafrechtelijke sanctie ontoelaatbaar in het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Het non bis in idem-beginsel is opgenomen in artikel 4 van het zevende protocol bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (ondertekend te Straatsburg op 22 november 1984), dat luidt als volgt:

“1. Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.

2. De bepalingen van het voorgaande beletten niet de heropening van de zaak overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de betrokken Staat, indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zouden kunnen beïnvloeden.

3. Afwijking van dit artikel krachtens artikel 15 van het verdrag is niet toegestaan.”

Het Europees Hof van de Rechten van de Mens licht in zijn arrest van 10 februari 2009 inzake Zolotoukhine / Rusland toe dat artikel 4 van het zevende protocol zo moet geïnterpreteerd worden dat het verbiedt een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede inbreuk voor zover aan de oorsprong van die tweede inbreuk feiten liggen die identiek zijn of feiten die “in wezen” dezelfde zijn (in dezelfde zin EHRM 11 december 2012, Asabeijli e.a. / Azerbaidjan; EHRM 20 mei 2014, Häkkä / Finland).

Wat “in wezen” als dezelfde feiten moet worden beschouwd, wordt door het EHRM ruim geïnterpreteerd. In het arrest van 20 mei 2014 (Glantz / Finland, nr. 52, www.echr.coe.int) stelt het EHRM bij het onderzoek van de vraag of het gaat om feiten die in wezen dezelfde zijn, dat het belangrijk is om zich te richten op die feiten die een aantal concrete feitelijke omstandigheden met betrekking tot dezelfde verdachte vormen en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en ruimte en waarvan het bestaan dient te worden aangetoond om tot een veroordeling of tot een strafrechtelijke procedure te leiden (“It was therefore important to focus on those facts which constituted a set of concrete factual circumstances involving the same defendant and inextricably linked together in time and space, the existence of which had to be demonstrated in order to secure a conviction or institute criminal proceedings.”).

In deze werd eiser in hoger beroep door de correctionele rechtbank te Antwerpen veroordeeld wegens valsheid in geschrifte, gebruik ervan, wederrechtelijke toe-eigening van gelden. Hij werd aldus veroordeeld om zich banktegoeden van klanten van de bank te hebben toegeëigend en die gelden voor eigen doeleinden te hebben gebruikt.

Anderzijds wordt hem een belastingverhoging van 50% opgelegd omdat hij geen aangifte heeft gedaan in de personenbelasting van de gelden die hij zich heeft toegeëigend en die te beschouwen zijn als belastbare inkomsten in zijnen hoofde.

Er kan dus gesteld worden dat eiser in hoger beroep zich gelden van klanten heeft toegeëigend die hij voor eigen gebruik heeft aangewend en dit op een wijze die hij uiteraard verborgen hield vermits het om een evident wederrechtelijke gedraging ging. In die omstandigheden maakt het dan ook normaal deel uit van de gedraging van eiser in hoger beroep dat hij van die gelden die hij zich wederrechtelijk had toegeëigend geen aangifte in de personenbelasting zou doen vermits hij hierdoor zijn misdrijven aan het licht zou brengen.

Aldus kan gesteld worden dat de feiten die het voorwerp hebben uitgemaakt van de veroordeling van eiser in hoger beroep door de correctionele rechtbank te Antwerpen en van de thans betwiste belastingverhogingen, in wezen dezelfde feiten zijn en dat zowel het correctioneel vonnis als de betwiste belastingverhogingen hetzelfde geheel van gedragingen van eiser in hoger beroep bestraffen.

De administratie kon dan ook geen belastingverhoging meer opleggen.

4.8. Besluit
De betwiste aanslagen dienen dan ook ontheven te worden in de mate dat een belastingverhoging van 50% wordt opgelegd.

(…)

Noot: 

Soetaert, F. en Vandepitte, C., « Fiscaal regime van verbeurdverklaarde inkomsten », R.A.B.G., 2015/10, p. 700-709

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 09/07/2017 - 11:14
Laatst aangepast op: zo, 09/07/2017 - 11:15

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.