-A +A

Belangenneming door schepen bij toekennen stedenbouwkundig attest

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
woe, 13/10/1999

De beklaagde was medeoprichter van de vennootschap NV T. alsook medebestuurder, samen met drie andere bestuurders.

De beklaagde heeft als eerste schepen deelgenomen aan de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarbij aan de NV T. een stedenbouwkundig attest voor het bouwen van flats werd afgeleverd.

De constitutieve elementen van het misdrijf belangenneming zijn in hoofde van de beklaagde verenigd.

Het staat aldus vast dat hij als schepen van de gemeente H. een ambtenaar in de zin van artikel 245 Sw. is zodat hij de vereiste hoedanigheid heeft.

Vervolgens oordeelt het hof dat de beklaagde een belang heeft genomen in een zaak.

Door het feit dat de beklaagde, op het ogenblik van de beslissing nopens de stedenbouwkundige vergunning op 31 juli 2003, aangevraagd door de NV T., nog aandeelhouder was van deze vennootschap voor 375 aandelen - ongeacht of hij nu nog bestuurder was of niet - kon hij een particulier belang in zijnen hoofde bevoordelen.

Door de toekenning van dat stedenbouwkundig attest voor het bouwen van 33 flats op de drie percelen grond aan de NV T. kon de beklaagde een persoonlijk voordeel behalen door het voordeel dat de vennootschap kon behalen.

Door de mogelijkheid van het realiseren van een project met dergelijke omvang zou de waarde van de aandelen van de vennootschap kunnen verhogen alsook het uit te keren dividend.

Het is daarvoor echter zonder belang of hij ook effectief een privaat belang heeft bevoordeeld.
 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2011/20
Pagina: 
1424
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(Gemeente H. / W.C.)

(Advocaten: Mr. M. Van Damme en Mr. J. Engelen loco Mr. J. Hamels)

(…)

Op strafrechtelijk gebied
Het komt gepast voor de feiten van de tenlastelegging sub A en B als volgt te omschrijven in die zin dat het woord “zijn (eigen)” in de zinsnede “zijn (eigen) firma NV T.” vervangen wordt door het woordje “de”.

Door deze heromschrijving worden dezelfde feiten beoogd als deze van de oorspronkelijke tenlastelegging en partijen werden ter zitting van het hof d.d. 8 september 2009 uitgenodigd zich te verdedigen nopens een eventuele herkwalificatie in die zin.

Het tweede feit van de tenlastelegging sub A, zoals heromschreven, meer bepaald de belangenneming door de beklaagde door het feit dat hij als eerste schepen heeft mee beslist over het stedenbouwkundig attest dat aan de firma NV T. betreffende de bouw van seniorenflats werd afgeleverd, is bewezen gebleven na onderzoek van de zaak door het hof.

De beklaagde was medeoprichter van de vennootschap NV T. alsook medebestuurder, samen met drie andere bestuurders.

In de maand mei 2003 werd door de NV T., waarbij de beklaagde optrad voor deze vennootschap, een perceel grond aangekocht aangrenzend aan het gemeentepatrimonium, meer bepaald een perceel waarop een gemeenteschool stond.

De NV T. bereidde daarop een aanvraag voor tot het bekomen van een stedenbouwkundig attest met het oog op het bouwen van 33 residentieflats op drie percelen (één zijnde eigendom van de NV T. en twee zijnde eigendom van de gemeente H. op dat ogenblik).

Het plan werd opgesteld door de heer J.D., zijnde zowel architect als gemeenteraadslid van de gemeente H.

De aanvraag werd afgewerkt op 8 juli 2003.

In het dossier brengt de beklaagde een schrijven voor d.d. 11 juni 2003 waarin hij aan de NV T. zijn ontslag als bestuurder indiende en waarin hij mededeelde dat hij wenste zijn aandelen over te dragen aan de overige aandeelhouders.

Voor het versturen van deze brief werd een bewijs van aangetekend schrijven voorgebracht door de beklaagde gedateerd op 12 juni 2003.

Op 5 maart 2004, dit is na de klacht van de burgerlijke partij bij de politie van L., werd het ontslag in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

De 375 aandelen van de beklaagde werden volgens het aandelenregister op 3 november 2003 aan de drie andere bestuurders overgedragen.

Volgens de beklaagde “om niet”.

De beklaagde heeft op 31 juli 2003 als eerste schepen deelgenomen aan de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente H. waarbij aan de NV T. het bovenvermeld stedenbouwkundig attest voor het bouwen van flats werd afgeleverd.

Vanaf vrijdag 19 december 2003 werd in enkele kranten één van de twee percelen te koop aangeboden.

De termijn verliep op 29 september 2003.

Op de zitting van 23 december 2003 werd in de gemeenteraad beslist de verkoop goed te keuren gekoppeld aan voorwaarden waaronder ook de voorwaarde dat de koper op het terrein en eventueel het naastgelegen terrein een seniorenresidentie zou bouwen.

Bij deze vergadering verliet de beklaagde, samen met de architect, de zaal.

De constitutieve elementen van het misdrijf belangenneming zijn in hoofde van de beklaagde verenigd.

Het staat vast en wordt geenszins betwist door de beklaagde dat hij als schepen van de gemeente H. een ambtenaar in de zin van artikel 245 Sw. is zodat hij de vereiste hoedanigheid heeft.

Vervolgens oordeelt het hof dat de beklaagde een belang heeft genomen in een zaak.

Door het feit dat de beklaagde, op het ogenblik van de beslissing nopens de stedenbouwkundige vergunning op 31 juli 2003, aangevraagd door de NV T., nog aandeelhouder was van deze vennootschap voor 375 aandelen - ongeacht of hij nu nog bestuurder was of niet - kon hij een particulier belang in zijnen hoofde bevoordelen.

Door de toekenning van dat stedenbouwkundig attest voor het bouwen van 33 flats op de drie percelen grond aan de NV T. kon de beklaagde een persoonlijk voordeel behalen door het voordeel dat de vennootschap kon behalen.

Door de mogelijkheid van het realiseren van een project met dergelijke omvang zou de waarde van de aandelen van de vennootschap kunnen verhogen alsook het uit te keren dividend.

Het is daarvoor echter zonder belang of hij ook effectief een privaat belang heeft bevoordeeld.

Derhalve is het feit dat hij nadien zijn aandelen “om niet” aan zijn vroegere medebestuurders overmaakte, wat blijkbaar dan zijn eigen beslissing was, niet relevant.

De beklaagde heeft als schepen het geheel of gedeeltelijk beheer gehad ten tijde van de verrichting waarin hij een belang heeft genomen, meer bepaald het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning aan de NV T. voor het bouwen van flats.

Het is zonder belang dat de beklaagde dit beheer zijnde inzake een beslissingsrecht, deze beslissing uitoefende samen met anderen als lid van het college van burgemeester en schepenen, zijnde een collegiaal orgaan.

Ook het feit dat de beklaagde de vergadering van het college d.d. 23 december 2003, waarop over de voorwaarden van de verkoop van de gemeentegrond beslist werd, verliet, doet hier niet ter zake.

Dit feit is enkel tegenstrijdig te noemen met de vaststelling dat hij op een ogenblik dat hij geen belang meer bleek te hebben in de NV T. wel meende de vergadering te moeten verlaten daar waar hij dit niet deed toen hij wel nog een belang had.

Ten onrechte roept deze beklaagde verschoningsgrond in van artikel 245, 2de lid Sw. nu hij geenszins aantoont dat hij openlijk heeft gehandeld, met andere woorden dat hij op 31 juli 2003 in het schepencollege zijn verbondenheid met de vennootschap NV T. heeft medegedeeld.

Vermits de twee voorwaarden van dit wetsartikel cumulatief aanwezig moeten zijn teneinde te kunnen spreken van “verschoningsgrond” en niet voldaan is aan de eerste voorwaarde dient de tweede, in deze stand van het geding, niet meer onderzocht te worden.

Het moreel element is ook vaststaand in hoofde van de beklaagde nu hij met kennis en wil heeft gehandeld.

Het eerste feit van de tenlastelegging sub A, is na onderzoek van de zaak door het hof niet bewezen gebleven nu de constitutieve elementen voor de belangenneming daar niet verenigd zijn nu niet vaststaat dat de beklaagde door deze handeling een belang genomen heeft zoals bedoeld in artikel 245 Sw.

Ook het feit van de tenlastelegging sub B is niet bewezen na onderzoek van de zaak door het hof nu voor het misdrijf van samenspanning van ambtenaren de pluraliteit van daders één van de bestanddelen van het misdrijf is en in deze nergens uit blijkt dat er meerdere personen betrokken zijn.

De hierna bepaalde straf dient te worden opgelegd aan de beklaagde rekening houdend met de ernst en zwaarwichtigheid van de feiten alsook met de persoonlijkheid van de beklaagde waarvan duidelijk is dat die behept is met gebrek aan respect voor objectiviteit en onkreukbaarheid bij overheidsbeheer.

Deze beklaagde werd eerder niet veroordeeld tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden en de omstandigheden van de zaak laten daarenboven een reclassering van de beklaagde verhopen, in de hierna bepaalde voorwaarden van uitstel der tenuitvoerlegging van de straf.

Alle aan de beklaagde opgelegde gerechtskosten werden gemaakt ter opsporing en vervolging van het bewezen gebleven feit.

Op burgerrechtelijk gebied
De vordering van de burgerlijke partij is ontvankelijk op grond van de bepalingen van artikel 271 van de nieuwe gemeentewet.

Gelet op het bewezen karakter van het eerste feit van de tenlastelegging sub A en de hierboven uiteengezette motieven van vrijspraak voor de overige tenlasteleggingen, komt het door de burgerlijke partij voorgestelde getuigenverhoor niet relevant voor.

Inzake wordt een bedrag van 25.000 EUR gevorderd ten titel van materiële schade, doch de burgerlijke partij blijft in gebreke de daadwerkelijke schade te bewijzen die in oorzakelijk verband staat met het bewezen misdrijf.

Voor morele schade wordt eveneens het bedrag van 25.000 EUR gevorderd.

Voor de schending van het vertrouwen van de burgers kan inzake geen schadevergoeding gevorderd worden door de burgerlijke partij nu door een bewoner van de gemeente volgens artikel 271 nieuwe gemeentewet kan worden opgekomen voor “haar” belangen, zijnde deze van de gemeente en niet die van de burgers op zich.

Het kan niet ontkend worden dat door het bewezen misdrijf gepleegd door een eerste schepen afbreuk werd gedaan aan de waardigheid van dat ambt en dat dit de goede naam van een orgaan van de gemeente, meer bepaald het college van burgemeester en schepenen, schaadt.

Door het toekennen van 1 EUR, ex aequo et bono geraamd door het hof, kan aan deze eis tegemoet gekomen worden nu op het herstel van een imago geen exact bedrag staat.

De kosten van 30 EUR, zoals gevorderd door de burgerlijke partij, voor het instellen van hoger beroep tegen het onontvankelijk verklaren van zijn vordering door de raadkamer, kunnnen niet gevorderd worden van de beklaagde maar worden ten laste van de Staat gelegd.

Om deze redenen,

Het hof,

Rechtsprekend na tegenspraak,

(…)

Noot: 

• Riemslagh, J., « Inwoner kan strafklacht indienen door burgerlijke partijstelling namens gemeente, zelfs tegen een gemeentemandataris », R.A.B.G., 2011/20, p. 1430-1432
 

Wetgeving

08/06/1867 Strafwetboek
Strafwetboek van 8 juni 1867

Hoofdstuk III Verduistering, knevelarij en belangenneming gepleegd door personen die een openbaar ambt uitoefenen

Artikel 240

Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van 500 [euro] tot 100.000 [euro] wordt gestraft iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent, die openbare of private gelden, geldswaardige papieren, stukken, effecten, akten, roerende zaken verduistert, welke hij uit kracht of uit hoofde van zijn ambt onder zich heeft.

Artikel 241

Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van 500 [euro] tot 100.000 [euro] wordt gestraft iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent, die akten of titels waarvan hij in die hoedanigheid de bewaarder is, die hem zijn bezorgd of waartoe hij uit hoofde van zijn ambt toegang heeft gehad, kwaadwillig of bedrieglijk vernietigt of wegmaakt.

Artikel 242

Wanneer stukken of gerechtelijke procesakten, ofwel andere papieren, registers, geïnformatiseerde of magnetische dragers, akten of voorwerpen die in archieven, griffies of openbare bewaarplaatsen berusten, of die aan een openbaar bewaarder in die hoedanigheid zijn toevertrouwd, worden ontvreemd of vernietigd, wordt de nalatige bewaarder gestraft met gevangenisstraf van een maand tot zes maanden en met geldboete van 100 [euro] tot 10.000 [euro] of met één van die straffen.

Artikel 243

Iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent, die zich schuldig maakt aan knevelarij, door bevel te geven om rechten, taksen, belastingen, gelden, inkomsten of interesten, lonen of wedden te innen, of door die te vorderen of te ontvangen, wetende dat zij niet verschuldigd zijn of het verschuldigde te boven gaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met geldboete van 100 [euro] tot 50.000 [euro] of met één van die straffen, en hij kan bovendien, overeenkomstig artikel 33, worden veroordeeld tot ontzetting van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen.

De straf is opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en een geldboete van 500 [euro] tot 100.000 [euro], indien de knevelarij met behulp van geweld of van bedreiging is gepleegd.
 

Artikel 245

Iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent, die, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen of door schijnhandelingen, enig belang, welk het ook zij, neemt of aanvaardt in de verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarover hij ten tijde van de handeling geheel of ten dele het beheer of het toezicht had, of die, belast met de ordonnancering van de betaling of de vereffening van een zaak, daarin enig belang neemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar, en met geldboete van 100 [euro] tot 50.000 [euro] of met één van die straffen en hij kan bovendien, overeenkomstig artikel 33, worden veroordeeld tot ontzetting van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen.

De voorafgaande bepaling is niet toepasselijk op hem die in de gegeven omstandigheden zijn private belangen door zijn betrekking niet kon bevorderen en openlijk heeft gehandeld.

Rechtsleer:

• F. Van Volsem en D. Van Heuven, “Belangenneming” in Comm.Straf., p. 19-20, nr. 32.

• M. De Swaef, conclusie voor Cass. 22 november 2005, NC 2006, (257), p. 259, nr. 4.

Rechtspraak:

• Cass. 26/10/2011/20, 1428-1430

(…)

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
1. Het middel voert schending aan van artikel 12 Grondwet, artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 28quater en 63 Wetboek van Strafvordering, artikel 2 Gerechtelijk Wetboek en artikel 271 § 1 nieuwe gemeentewet zoals toepasselijk vóór zijn wijziging bij het gemeentedecreet van 15 juli 2005 dat op 1 januari 2007 in werking is getreden: de strafvordering tegen de eiser werd op niet-ontvankelijke wijze in gang gesteld door de burgerlijke partijstelling van de verweerder in zijn hoedanigheid van inwoner van de gemeente; nochtans heeft hijzelf noch persoonlijke noch rechtstreekse schade geleden.

2. Het toepasselijk artikel 271 § 1 nieuwe gemeentewet bepaalde: “Wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt, kunnen een of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken. De gemeente kan ten aanzien van het geding geen dading treffen zonder medewerking van de inwoner of de inwoners die het geding in haar naam hebben gevoerd.”

3. Voor de toepassing van die bepaling moet de inwoner niet doen blijken van een persoonlijk belang. Enkel in hoofde van de gemeente en niet van de betrokken inwoner moet de ontvankelijkheid van de vordering worden onderzocht.

4. Anders dan waarvan het middel uitgaat, bestaat dit vorderingsrecht van voormeld artikel 271 § 1 nieuwe gemeentewet ook voor de strafgerechten, zodat een klacht met burgerlijke partijstelling waardoor de strafvordering op gang wordt gebracht, tot de mogelijkheden behoort.

Het middel faalt naar recht.

(…)

Derde middel
Eerste onderdeel
7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 7.1. EVRM, artikel 15 IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 245 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: het deelnemen aan de beslissing tot aflevering van een stedenbouwkundig attest aan een onderneming waarvan men aandelen bezit, zonder enig opportuniteitsoordeel of zelfs mogelijkheid tot bevoordeling, is geen “nemen of aanvaarden van belang in verrichtingen, aanbestedingen, aannemingen of werken in regie waarover [de eiser] ten tijde van de handelingen het beheer of toezicht had” in de zin van artikel 245 Strafwetboek; minstens staat de gelijkstelling van het stedenbouwkundige attest met een vergunning aan de eiser niet toe te vernemen welke gedraging hem ten laste wordt gelegd en waarom.

8. Het misdrijf van belangenneming, zoals bepaald in artikel 245 Strafwetboek, bestaat erin dat een persoon die een openbaar ambt uitoefent, een handeling stelt of een toestand gedoogt waardoor hij een voordeel kan behalen uit zijn ambt. Het bestraft aldus het vermengen van het algemene belang met het particuliere belang.

9. Het is niet vereist dat die persoon bij het stellen van de handeling over een beoordelingsmarge beschikt noch dat de betrokkene door die handeling rechten verkrijgt.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

10. Uit de bewoordingen van de tenlastlegging en het geheel van de redenen die het arrest vermeldt, blijkt dat niet het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning, maar het verlenen van een stedenbouwkundig attest op 31 juli 2003 het voorwerp uitmaakt van het bewezen verklaarde misdrijf van belangenneming.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

11. Met de redenen die zij vermelden (arrest, p. 5), oordelen de appelrechters dat de eiser door de toekenning van het stedenbouwkundige attest een persoonlijk voordeel kon behalen. Zodoende verantwoorden zij hun beslissing naar recht.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

(…)

Dictum

Het Hof,

(…)

Waar aanwezig waren: E. Forrier, afdelingsvoorzitter als voorzitter; E. Goethals, afdelingsvoorzitter; P. Maffei, L. Van hoogenbemt en F. Van Volsem, raadsheren; in aanwezigheid van M. Timperman, advocaat-generaal.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 05/07/2017 - 13:18
Laatst aangepast op: vr, 15/09/2017 - 06:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.