-A +A

Belang van een VZW

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
vri, 14/11/2014

Wanneer een vereniging, die niet haar persoonlijk belang aanvoert in rechte is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij een collectief belang verdedigt, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt en dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
903
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Arrest nr. 229.163

Vzw Liga voor de Mensenrechten t/ Gemeente Zonhoven

Uittreksel uit het verslag van auditeur J. Neuts

...

7. Over het belang van verzoekster heeft de Raad van State in een recent arrest van 18 maart 2014 (nr. 226.784) als volgt geoordeeld:

“6. Luidens art. 19, eerste lid RvS-Wet kan een annulatieberoep zoals bedoeld in art. 14, § 1 RvS-Wet, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.

“Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).

“7. Een verzoekende partij, ongeacht of zij een natuurlijke persoon dan wel een rechtspersoon is, beschikt over het rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: zij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel uit te spreken nietigverklaring van die rechtshandeling moet haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook.

“Wanneer een vereniging, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij een collectief belang verdedigt, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt en dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

“8. De omstandigheid dat een verzoekende partij een collectief belang verdedigt, doet aldus geen afbreuk aan de vereisten dat zij doet blijken van het hiervoor vermelde rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel. Hieruit volgt dat, wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt en verwijst naar de miskenning van haar maatschappelijk doel, het derhalve niet volstaat dat dit door de bestreden handeling kan worden geraakt, maar moet de verzoekende partij bovendien aantonen dat dit op rechtstreekse wijze geschiedt.

“Het rechtstreekse karakter van het belang houdt in dat een direct causaal verband moet bestaan tussen de bestreden beslissing en het nadeel dat de verzoekende partij lijdt.

“9. Het maatschappelijk doel van de verzoekende partij wordt als volgt bepaald in art. 3 van haar statuten:

“De vereniging heeft tot doel elke onrechtvaardigheid en elke aanslag op de rechten van personen of gemeenschappen te bestrijden.

“Zij verdedigt de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme, waarop de democratische maatschappijen gebaseerd zijn, en die onder meer vervat zijn in de Verklaring van de Rechten van de Mens van 1789, bekrachtigd door de Belgische Grondwet van 1831, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948, de verdragen met betrekking tot de burgerlijke en politieke rechten, evenals de economische, sociale en culturele rechten, en het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 1950.

“De vereniging streeft haar doeleinden na los van elke politieke of confessionele binding.

“De Liga voor de Mensenrechten is een dienst die begeleiding en ondersteuning verleent aan sociaal-culturele organisaties, en meer in het bijzonder rond thema’s als gevangeniswezen, racisme, asielrecht, privacy, kinderrechten en mensenrechten in het algemeen. Ze ondersteunt elk initiatief dat strekt tot de vorming en promotie van rechten en vrijheden”.

“Uit het eerste en tweede lid van deze statutaire bepaling, samen genomen, blijkt dat de verzoekende partij zich met het bestrijden van “elke onrechtvaardigheid en elke aanslag op de rechten van personen of gemeenschappen” een zeer ruim maatschappelijk doel heeft gesteld en dit, zelfs aangenomen dat dit doel beperkt is tot de verdediging van de waarden opgesomd in het tweede lid van deze bepaling – “de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme” – en aldus niet op elke onrechtvaardigheid en elke aanslag op rechten betrekking heeft.

“Het laatste lid voorziet in een specifieker doel, namelijk begeleiding en ondersteuning verlenen in het bijzonder rond bepaalde, statutair opgesomde “bijzondere thema’s”.

“10. Het bestreden besluit stelt geen algemeen verbod in op het consumeren van alcoholische dranken op de openbare weg in de stad Brugge, maar wel een dergelijk lokaal verbod op welomschreven openbare plaatsen en tijdstippen. Het strekt ertoe – luidens de hiervoor weergegeven motivering bij het bestreden besluit – overlast te doen afnemen in uitgaansbuurten van de stad Brugge en dit op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag van 23u tot 8u. In het licht van deze beperkte draagwijdte van het bestreden besluit en los overigens van de vraag of dit consumptieverbod wel degelijk een inbreuk inhoudt op het recht op vrijheid, is de verdediging van “de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme” die de verzoekende partij zich in haar algemeenheid tot doel heeft gesteld, evenwel dermate ruim en algemeen gesteld, dat het in verhouding tot de werkingssfeer van het bestreden besluit niet aannemelijk is gemaakt dat het bestreden besluit op rechtstreekse wijze een nadeel veroorzaakt aan de verzoekende partij dat onderscheiden kan worden van het nadeel dat elke burger kan lijden bij een aantasting van die beginselen.

“De ruime omvang van het doel dat een vereniging zichzelf stelt, houdt voorts op zich voor haar niet de bevoegdheid in om zonder beperking elke administratieve rechtshandeling te bestrijden die volgens haar strijdt met dat doel. De enkele bewering dat de mogelijkheid tot consumeren van alcohol, zelfs op de openbare weg, “behoort tot de “vrijheid” van het individu” en dat die vrijheid volgens de verzoekende partij disproportioneel wordt ingeperkt door het bestreden besluit, volstaat niet om het belang van de verzoekende partij aan te tonen, tenzij wordt aangenomen – hetgeen niet mag – dat het haar is toegelaten een actio popularis in te dienen.

“Evenmin verleent het enkele gegeven dat het voorwerp van het beroep een reglementair besluit betreft, noch het feit dat de verzoekende partij actief werkzaam is inzake gemeentelijke administratieve sancties, op zich een belang bij het beroep.

“Ten slotte is het gegeven dat de Raad van State in andere zaken op expliciete dan wel impliciete wijze het belang van de verzoekende partij bij andere beroepen heeft erkend, geen pertinent argument, omdat het de Raad van State verboden is in een zaak die aan zijn oordeel is onderworpen, uitspraak te doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. De verzoekende partij zet overigens niet uiteen dat de door haar vermelde zaken qua voorwerp gelijk zijn aan het thans voorliggende beroep.

“Uit wat voorafgaat volgt dat het zeer brede maatschappelijk doel van de verzoekende partij zoals dit blijkt uit het eerste en tweede lid van de hiervoor aangehaalde statutaire bepaling, onvoldoende precies is om op rechtstreekse wijze geraakt te zijn door het bestreden besluit.

“11. Zoals hiervoor reeds vermeld, geeft de verzoekende partij wel blijk van een meer specifiek maatschappelijk doel, daar zij zich tot statutair doel stelt begeleiding en ondersteuning te verlenen aan sociaal-culturele organisaties en “meer in het bijzonder rond thema’s als gevangeniswezen, racisme, asielrecht, privacy, kinderrechten en mensenrechten in het algemeen”.

“De verzoekende partij verduidelijkt evenwel niet op welke wijze het voorwerp van de rechtsstrijd op voldoende geïndividualiseerde en rechtstreekse wijze kan worden ingepast in één of meer van deze “bijzondere thema’s”, noch is zulks voor eenieder dadelijk en onbetwist zichtbaar.

“12. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet getuigt van het rechtens vereiste belang.

“De exceptie is in de aangegeven mate gegrond.”

8. Die opvatting gaat ook voor het thans bestredene op.

Verzoekster vordert weliswaar de nietigverklaring van de beslissing van de gemeenteraad van Zonhoven van 26 maart 2012, maar van de zeven middelen die zij daartegen aanvoert, is alleen het vierde middel (“schending van de scheiding der machten”) gericht tegen het gemeenteraadsbesluit in zijn geheel. In de overige middelen beperkt verzoekster zich tot kritiek op zevenentwintig (27) welbepaalde artikelen of artikelonderdelen. Hieronder volgt daarvan een opsomming:

– art. 1: “Het is gedurende de dag en/of de nacht verboden om het even welk geluid te veroorzaken zonder reden of zonder noodzaak en dat is toe te schrijven aan een gebrek aan vooruitzicht en voorzorg en dat van die aard is dat het de rust van de inwoners in het gedrang kan brengen. Het bewijs van geluidsoverlast kan met alle mogelijke middelen geleverd worden.”

– art. 5: “Zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de burgemeester is het verboden te verhuizen tussen 22 uur en 7 uur.”

– art. 28: “Zonder een voorafgaande schriftelijke toelating van het college van burgemeester en schepenen is het verboden om manifestaties, evenementen en activiteiten op het openbaar domein en vergaderingen in openlucht te organiseren. De aanvraag moet schriftelijk en minstens zes weken voor de geplande datum bij de burgemeester of het college van burgemeester en schepenen ingediend worden.”

– art. 29: “De organisator moet de nodige maatregelen treffen zodat er geen schade berokkend wordt aan personen en/of goederen. De organisator zorgt ervoor dat de veiligheid niet in het gedrang komt. Bij overtreding van dit artikel kan de burgemeester of de officier van gerechtelijke politie de activiteit doen ophouden.”

– art. 30: “Iedereen die zich bevindt op het openbaar of privédomein of in een voor het publiek toegankelijke plaats, waar een vergunde activiteit plaatsvindt, moet zich onmiddellijk schikken naar de verzoeken, richtlijnen of bevelen van de door de organisator aangestelde personen of van politieambtenaren, agenten van politie of gemachtigde ambtenaren.”

– art. 31: “Het is verboden op welke manier dan ook een concert, spektakel, evenement, sportieve bijeenkomst of gelijk welke bijeenkomst, die door de gemeentelijke overheid toegelaten is, te verstoren.”

– art. 32: “De plaatsen die voor welbepaalde spelen of sporten voorbehouden zijn, mogen niet gebruikt worden voor andere spelen of sporten of voor andere doeleinden.”

– art. 33: “De burgemeester moet minstens 48 uur vooraf op de hoogte worden gebracht van openbare vergaderingen die niet in de open lucht plaatsvinden.”

– art. 35, 1o: “Het is alle deelnemers van de activiteit, zoals vermeld in art. 34 [gemaskerd carnaval], verboden: 1. iemand te beledigen en/of te plagen”.

– art. 35, 3o: “Het is alle deelnemers van de activiteit, zoals vermeld in art. 34 [gemaskerd carnaval], verboden: [ ...] 3. een wapen, op wapens gelijkende voorwerpen, behalve die welke duidelijk als nepwapens kunnen geïdentificeerd worden of stokken of voorwerpen te dragen die een gevaar kunnen vormen voor de openbare veiligheid”.

– art. 36: “Het is verboden maskers of vermommingen te dragen die de openbare orde of de goede zeden zouden kunnen storen en/of de openbare bedienaars kunnen beledigen.”

– art. 41: “Zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de burgemeester is het verboden te manifesteren aan privéwoningen van leden van de rechterlijke, wetgevende en uitvoerende macht, met als doel eisen te doen gelden.”

– art. 42: “De persoonlijke afgifte van petities of eisenbundels aan privéwoningen door een beperkte delegatie van maximum vijf personen kan wel worden toegelaten op voorwaarde dat de bestemmeling aanwezig is en erin toestemt ze in ontvangst te nemen.”

– art. 46: “De verkoop van alcoholische dranken via drank- en/of voedselautomaten, opgesteld op het openbaar domein of inrichtingen die voor het publiek toegankelijk zijn en die niet onder permanent toezicht van een natuurlijk persoon staan, is verboden.”

– art. 47: “Het is verboden de orde en de rust te verstoren op recreatieterreinen, in natuurgebieden en in parken door samenscholingen en hierbij de bezoekers en/of omwonenden op enige wijze te hinderen.”

– art. 51: “Het is verboden de speeltoestellen oneigenlijk te gebruiken of te bevuilen.”

– art. 64: “Zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de burgemeester of het college van burgemeester en schepenen is het verboden om werkzaamheden te starten op het openbaar en privédomein van de gemeente, zowel aan de oppervlakte als onder de grond en/of eender welke constructie te plaatsen.”

– art. 69: “Zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de burgemeester of het college van burgemeester en schepenen is het verboden om op het openbaar domein allerlei bouwmaterialen voor bouwwerven te laden en te lossen en hierbij de vlotte doorgang van het verkeer te hinderen.”

– art. 70: “Zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de burgemeester of het college van burgemeester en schepenen is het verboden om open of gesloten containers en/of laadbakken te plaatsen op het openbaar domein.”

– art. 71: “Werkzaamheden die stof of afval op het openbaar domein of de omringende domeinen kunnen verspreiden mogen slechts aangevat worden na het aanbrengen of door gebruikmaking van doeken, schermen, panelen en/of water om de stofverspreiding te verhinderen en zo de overlast tot een minimum te beperken.”

– art. 72: “Het is verboden puin of bouwstoffen op de openbare weg, in riolen en/of waterleidingen te storten.”

– art. 122: “Honden zijn enkel toegelaten op domeinen voor recreatie, speelterreinen, sportvelden, skateterreinen en begraafplaatsen, mits ze aan de leiband gehouden worden en op de wandelpaden blijven. Honden zijn niet toegelaten op publiek toegankelijke plaatsen waar dit verbod duidelijk vermeld wordt. Deze bepaling geldt niet voor blinden, personen met een handicap met een geleidehond of andere personen met een handicap die een attest kunnen voorleggen en politieambtenaren met politiehonden en erkende bewakingsondernemingen met waak-, speur- en verdedigingshonden.”

– art. 140: “De uitbaters van voedingswinkels, alsook de houders van kramen op foren en markten, de verkopers van buiten de inrichting te verbruiken eetwaren en de houders van drank- en/of voedselautomaten, moeten het nodige doen opdat hun klanten de openbare ruimte rond hun handel niet vervuilen. Ze moeten hiervoor degelijke en goed bereikbare vuilnisbakken plaatsen. Zij/hij moet instaan voor het rein houden van deze vuilnisbakken, het ledigen en bergen ervan, alsook voor het reinigen van het terrein rond haar/zijn inrichting. Indien bovenvermelde personen nalaten de openbare ruimte rond hun handel te reinigen, wordt ambtshalve overgegaan tot de reiniging op kosten en risico van bovenvermelde personen.”

– art. 154: “Het is verboden op de rug- en zijleuning van de openbare banken te zitten of de banken te bevuilen.”

– art. 157: “Het is verboden zich op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, waaronder een portaal, foyer, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling en dit te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de ruimte bestemd is.”

– art. 159: “Het is verboden te bedelen of door het tonen van lichaamsgebreken, verwondingen of verminkingen de liefdadigheid van de voorbijgangers of de aanwezigen op te wekken.”

– art. 160: “Het gebruik van alcoholhoudende dranken (gedistilleerde of gegiste dranken al dan niet in gemixte vorm) op de openbare weg of op het openbaar domein, buiten de terrassen en andere toegelaten plaatsen speciaal bestemd voor dit doel, is verboden op de plaatsen die het college van burgemeester en schepenen bepaald heeft.

“Het bezit van geopende recipiënten die alcoholhoudende dranken bevatten wordt gelijkgesteld met het gebruik beoogd in dit artikel.

“Deze plaatsen kunnen ter ondersteuning van dit verbod een aanduiding krijgen via een pictogram.”

9. In de mate dat verzoekster zich, in haar statuten, tot doel stelt “elke onrechtvaardigheid en elke aanslag op de rechten van personen of gemeenschappen te bestrijden” en “de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme” te verdedigen, streeft zij een belang na dat dermate ruim en algemeen is opgevat dat het in wezen samenvalt met het belang dat elke burger bij de aantasting van die beginselen heeft. Met andere woorden, door de absoluut algemene draagwijdte van haar doelstelling, staat het optreden van verzoekster gelijk met de actio popularis, tenminste indien de bestuurshandeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft die even algemeen is als die van de doelstelling waarop verzoekster zich beroept, maar eerder een beperkte, specifieke, welomschreven draagwijdte kent. Nog anders gesteld, er moet een band van evenredigheid bestaan tussen enerzijds het actieterrein van de verzoekende vereniging – zoals die blijkt uit de statuten – en anderzijds de draagwijdte van de bestreden beslissing. Een zo ruim geformuleerd maatschappelijk doel verschaft verzoekster derhalve niet het rechtens vereiste belang om bij de Raad van State op te komen tegen eender welke schending van “de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme”. Vereist is dat de maatregel die wordt bestreden even algemeen is als haar maatschappelijk doel.

Te dezen moet m.i. geoordeeld worden dat de draagwijdte van de bestreden bepalingen van de politieverordening – en bij uitbreiding de hele politieverordening – beperkt van aard is. Dat is niet alleen zo omdat vele van die bepalingen geen absolute of principiële verbodsregels inhouden – vele erin geviseerde handelingen of activiteiten worden niet zonder meer verboden, maar, bijvoorbeeld, afhankelijk gemaakt van het verkrijgen van een voorafgaande schriftelijke toelating van het bestuur of van een andere voorwaarde. Bovendien geldt de bestreden beslissing slechts voor één gemeente, namelijk de gemeente Zonhoven. Verzoekster maakt in dat verband niet aannemelijk – en voor de auditeur-verslaggever is niet evident zichtbaar – welke de onmiddellijke, rechtstreekse impact is van de in de gemeente Zonhoven aangenomen politieverordening op haar maatschappelijk doel, impact die te onderscheiden is van het nadeel dat iedere burger kan lijden bij een aantasting van de eerder genoemde beginselen.

In het licht van het bovenstaande moet m.i. derhalve worden geoordeeld dat het zeer brede maatschappelijk doel van verzoekster zoals dit blijkt uit het eerste en tweede lid van art. 3 van haar statuten, onvoldoende precies is om op rechtstreekse wijze geraakt te zijn door de bestreden beslissing, die zich, wat de draagwijdte betreft, tot het lokale niveau beperkt.

Met dat standpunt is volstrekt verenigbaar het feit dat verzoekster reeds eerder en meermaals bij het Grondwettelijk Hof toegang heeft gevonden. De wetskrachtige normen die zij bij het Hof heeft aangevochten, hebben – vanzelfsprekend – door hun nationaal of deelstatelijk toepassingsgebied een gelding die het louter lokale overstijgt.

Hetzelfde geldt trouwens voor de beroepen bij de Raad van State.

10. In zoverre verzoekster zich dan weer wel een meer specifiek maatschappelijk doel stelt – “[d]e Liga voor de Mensenrechten is een dienst die begeleiding en ondersteuning verleent aan sociaal-culturele organisaties, en meer in het bijzonder rond thema’s als gevangeniswezen, racisme, asielrecht, privacy, kinderrechten en mensenrechten in het algemeen”, verduidelijkt zij niet op welke wijze het voorwerp van de rechtsstrijd hiermee op voldoende geïndividualiseerde en rechtstreekse wijze in verband kan worden gebracht. Dat is evenmin evident zichtbaar voor de auditeur-verslaggever.

11. Alles samengenomen, moet m.i. worden geoordeeld dat verzoekster geen blijk geeft van het rechtens vereiste belang.

De exceptie is m.i. in die mate gegrond.

...

Arrest

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 25 mei 2012, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van Zonhoven van 26 maart 2012 tot wijziging van de politiecodex.

...

IV. Belang

Standpunt van de partijen

4. Volgens de memorie van antwoord doet verzoekster niet van een persoonlijk belang blijken, maar staat haar vordering in casu gelijk met een actio popularis. Bovendien is verzoeksters belang onrechtstreeks omdat in geval van vernietiging de vorige versie van de politiecodex zou herleven die voor haar even grievend is.

5. In de memorie van wederantwoord reageert verzoekster dat de bestreden politiecodex een reeks verbodsbepalingen bevat met betrekking tot gedragingen die volgens de verwerende partij overlast kunnen veroorzaken en dat deze verboden van aard zijn om de grondrechten aan te tasten – “in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering en vereniging, de persoonlijke vrijheid, het gelijkheidsbeginsel, het recht op gelijke behandeling” – gewaarborgd door het EVRM, het Vierde Protocol bij dat verdrag, de Grondwet en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Verzoekster baseert haar beroep op de schending van deze grondrechten. Bijgevolg kan de bestreden beslissing het maatschappelijk doel van de vzw raken.

6. Verzoekster verwijst in de laatste memorie naar “vroegere arresten van de Raad van State” waarin de ontvankelijkheid van verzoekschriften van de vzw Liga voor de Mensenrechten geen probleem vormde.

7. Op haar beurt verwijst de verwerende partij in haar laatste memorie naar het arrest nr. 226.784 van 18 maart 2014, welke “nieuwe rechtspraak” volgens haar prevaleert boven de rechtspraak van voordien.

Beoordeling

8. Zoals het arrest van de algemene vergadering inzake Coomans e.a., nr. 187.998 van 17 november 2008 (randnr. 28.2.3.2) in herinnering brengt, is wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet voor haar eigen belang opkomt voor de Raad van State optreedt, vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang, dat zij een collectief belang verdedigt, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

9. Krachtens art. 3 van haar statuten heeft de Liga voor de Mensenrechten tot doel elke onrechtvaardigheid en elke aanslag op de rechten van personen of gemeenschappen te bestrijden en de beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme, waarop de democratische maatschappijen zijn gebaseerd en die onder meer zijn vervat in de Grondwet en in het EVRM, te verdedigen.

10. Het maatschappelijk doel dat bestaat in de verdediging van specifiek de in de Grondwet en de mensenrechtenverdragen verankerde beginselen van gelijkheid, vrijheid en humanisme, is van voldoende bijzondere aard opdat het collectief belang waarvoor de vzw Liga voor de Mensenrechten opkomt niet geacht kan worden met het algemeen belang samen te vallen. Daar doet niet aan af de vaststelling dat wanneer men de omschrijving zeer letterlijk zou opnemen, de verkeerde indruk kan ontstaan dat de vereniging, op grond van de omschrijving, eender welke rechtshandeling mag aanvechten onder het voorwendsel dat elke rechtshandeling een weerslag heeft op iemands rechten.

11. Naar uit het debat ter terechtzitting is gebleken, wordt niet betwist dat verzoekster metterdaad werkzaam is rond het thema “vrijheid versus veiligheid” en dat zij in dit verband ertegen ageert dat steeds meer sociale problemen onder het mom van veiligheid worden aangepakt met maatregelen van controle en repressie die eerder de vrijheid aantasten dan de veiligheid waarborgen.

Die activiteit van verzoekster rond “vrijheid versus veiligheid” laat zich probleemloos inpassen in het collectief belang waarvoor zij overeenkomstig haar maatschappelijk doel mag opkomen.

12. Aldus staaft deze activiteit niet alleen dat verzoekster haar maatschappelijk doel (nog) daadwerkelijk nastreeft, maar ook dat er wel degelijk een voldoende geïndividualiseerd verband bestaat tussen dit doel en de bestreden beslissing.

De bestreden beslissing strekt er immers toe om een opsomming te geven van geboden en verboden die, bovendien, de gemeente zelf mag bestraffen met een gemeentelijke administratieve sanctie om haar meer armslag te geven bij het voeren van haar veiligheidspolitiek. Als zodanig sluit de beslissing nauw aan bij verzoeksters activiteiten en doel om het evenwicht tussen vrijheid en veiligheid te bewaken en is de beslissing, alleszins in beginsel, van die aard dat ze het maatschappelijk doel van verzoekster ongunstig kan raken.

13. Bijgevolg is te dezen voldaan aan de voorwaarden die worden gesteld in voormeld arrest van de algemene vergadering inzake Coomans.

14. Ook in zoverre de verwerende partij meent dat verzoekster zonder belang is omdat bij vernietiging de vorige, opgeheven versie van de politiecodex zou herleven, kan de exceptie niet worden gevolgd.

Ten eerste mist het feitelijke grond dat de vorige versie van de politiecodex voor verzoekster hetzelfde grievende karakter vertoont als de bestreden versie. Niet alleen wordt door het aangevochten besluit het “verouderde” algemene deel van de politiecodex “aangepast”, maar er wordt ook, aldus de verklarende nota ten behoeve van de gemeenteraad, voorzien “in administratieve sancties terwijl de huidige [versie] nog voorziet in politiestraffen”.

Ten tweede faalt de tegenwerping eveneens naar recht. Als de bestreden handeling een reglementair karakter vertoont, zoals hier het geval is, is het vanuit het oogpunt van het belang bij het bestrijden ervan voldoende dat een eventuele vernietiging het uitzicht zou bieden op het nemen van een nieuwe en gunstigere regeling.

15. De exceptie wordt in haar geheel verworpen.

...

Noot: 

Het belang van een rechtspersoon: Rb. Brussel 22 januari 2010, met noot, RW 2010-2011, 1480

Hoewel er geen eensgezindheid bestaat over de definitie van het begrip belang, kan het belang worden gedefinieerd als ieder materieel of moreel – daadwerkelijk, maar niet theoretisch – voordeel dat de eiser kon halen uit de vordering die hij instelde, op het ogenblik waarop hij die vordering aanhangig maakte, zelfs zo de erkenning van het recht, de ontleding of de ernst van de schade slechts komen vast te staan op het ogenblik van de uitspraak van het vonnis (P. Vanlersberghe, «Artikel 17 Ger.W.» in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2002, (1), p. 9, nr. 7).

Het belang moet rechtstreeks en persoonlijk zijn. Om in rechte te kunnen optreden, moet men rechtstreeks en persoonlijk zijn geraakt in zijn eigen belangen.

Het belang van een rechtspersoon is datgene wat zijn bestaan, zijn materiële goederen en morele rechten, inzonderheid zijn vermogen, eer en goede naam raakt (zie o.m.: Cass. 19 september 1996, Arr. Cass. 1996, 775). Het Hof van Cassatie hanteert een strikte opvatting. Het enkele feit dat de rechtspersoon een bepaald doel, ook al is het statutair, nastreeft, doet volgens het Hof van Cassatie het eigen belang, waarvan die persoon moet doen blijken om een rechtsvordering in te stellen, niet ontstaan. De krenking van de individuele belangen van de leden levert evenmin een persoonlijk belang op van de vereniging.
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 08/03/2017 - 12:46
Laatst aangepast op: wo, 08/03/2017 - 12:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.