-A +A

Belang bij administratief cassatieberoep gegrond op niet-noodzakelijke motieven

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
vri, 05/06/2015
Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/20
Pagina: 
1432
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(A. Van der Linden e.a. / Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen)

I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 5 september 2014, strekt tot de cassatie van het arrest nr. A/2014/0522 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 5 augustus 2014 in de zaak 1213/0371/A/2/0348 “voor zover het eerste opgeworpen middel werd afgewezen als ongegrond”.

II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 29 september 2014.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 december 2014. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor de eerste tot de derde verzoekende partijen en loco advocaat Wim De Cuyper voor de vierde verzoekende partij, juriste Kaat Van Keymeulen, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Dany Cornelis, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in Titel VI, Hoofdstuk II van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten
3. Met een besluit van 20 december 2012 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan K. Janssens een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning “voor de gedeeltelijke sloop, uitbreiding en regularisatie van een zeugenbedrijf”.

4. Het bestreden arrest verklaart het beroep van de consorten Van der Linden tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 20 december 2012 deels onontvankelijk, deels ongegrond (eerste en tweede middel) en deels gegrond (derde middel), vernietigt de vergunningsbeslissing en beveelt de deputatie een nieuwe beslissing te nemen binnen een termijn van 3 maanden.

IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
5. De consorten Van der Linden stellen dat zij “over een voldoende belang bij huidige cassatieprocedure” beschikken. Het bestreden arrest benadeelt hen “door het uitdrukkelijk afwijzen van het eerste middel als ongegrond”. Volgens hen zal de deputatie “die ingevolge de nietigverklaring op grond van het derde middel de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning moet beoordelen”, de stedenbouwkundige vergunning “niet kunnen weigeren op grond van het bezwaar van [de consorten Van der Linden] dat een regularisatievergunning het gezag van gewijsde van [het vonnis] van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg schendt”. De consorten Van der Linden zullen dit middel niet meer kunnen inroepen voor de RvVb in hun beroep tegen een nieuwe stedenbouwkundige vergunning van de deputatie.

K. Janssens zal “het argument gebruiken” in zijn verzet tegen de eis van de consorten Van der Linden “om uitvoering te geven aan het bevolen maar nooit uitgevoerde herstel in de oorspronkelijke staat”. Het gegrond bevinden van het eerste middel van de consorten Van der Linden heeft tot gevolg dat door de deputatie aan K. Janssens “geen regularisatievergunning afgeleverd kan/kon worden zolang hij niet eerst tot afbraak van de wederrechtelijk opgerichte en nog steeds niet verwijderde constructie is overgegaan”. In geval van een vernietigingsarrest van de Raad van State zal de RvVb “de nieuwe vergunning opnieuw moeten vernietigen”.

6. Het enige cassatiemiddel dat de schending aanvoert van artikel 149 Gw., het gezag van gewijsde van het vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Dendermonde van 29 juni 2009, zetelend zoals in kort geding, en het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten, is exclusief gericht tegen het onderdeel van het bestreden arrest dat het eerste middel van de consorten Van Der Linden ongegrond verklaart.

7. Luidens het toentertijd geldende artikel 4.8.2, eerste lid van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : VCRO) (thans art. 4.8.2 VCRO) kan een vergunningsbeslissing worden bestreden met een beroep bij de RvVb. De RvVb heeft het beroep van de consorten Van Der Linden, na het ongegrond verklaren van hun eerste en tweede middel en het gegrond verklaren van hun derde middel, gegrond verklaard. De RvVb heeft dan ook de door de consorten Van der Linden bestreden vergunningsbeslissing overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 4.8.2, tweede lid VCRO (thans art. 35 van het decreet van 4 april 2014 “betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges”) vernietigd.

Tot de noodzakelijke, dragende motieven van deze vernietiging behoren niet de motieven en uitspraak in verband met het ongegrond bevonden eerste en tweede middel.

8. Het enige cassatiemiddel, dat uitsluitend gericht is tegen de afwijzing van het eerste middel, kan niet tot cassatie leiden van de beslissingen van het bestreden arrest om het beroep van de consorten Van der Linden gegrond te verklaren en de bestreden vergunningsbeslissing te vernietigen.

De consorten Van der Linden hebben in die omstandigheden geen belang bij het cassatieberoep.

Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op 800 EUR, ieder voor 1/4.

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 EUR.

 

Noot: 

Boullart, S., « Het (gebrek aan) belang bij een administratief cassatieberoep bij de Raad van State gericht tegen een ander middel dan het middel waarop de Raad voor Vergunningsbetwistingen de vernietiging heeft uitgesproken », R.A.B.G., 2015/20, p. 1435-1439.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 09:42
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 09:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.