-A +A

Bekwaamheid beklaagde om aanwezig te zijn op terechtzitting

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 21/06/2016
A.R.: 
15.0403.N

Artikel 6, 1. EVRM schrijft voor dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvordering eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Artikel 6, 3., c) EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze.

Artikel 14, 3., d) IVBPR bepaalt dat hij die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd bij het bepalen van een tegen hem ingestelde strafvervolging het recht heeft in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze.

3. Uit die bepalingen en uit het algemene rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces volgt dat een beklaagde het recht heeft om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces en te beslissen of hij zichzelf zal verdedigen, al dan niet met bijstand van een raadsman, dan wel zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman. De beklaagde moet zijn strafproces daadwerkelijk kunnen volgen en eraan deelnemen, als hij dat wenst. Hij moet overleg kunnen plegen met zijn raadsman, hem instructies kunnen geven, verklaringen afleggen en tegenspraak kunnen voeren over het bewijsmateriaal.

4. Deze rechten, waarvan de naleving moet worden beoordeeld rekening houdend met de gehele rechtspleging, zijn evenwel niet absoluut. De enkele omstandigheid dat een beklaagde fysisch of psychisch niet in staat zou zijn om een gedeelte van de appelprocedure van een tegen hem regelmatig ingestelde strafvordering bij te wonen, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat het recht op een eerlijk proces zich ertegen verzet dat die rechtspleging spijts die onmogelijkheid verder doorgang vindt, voor zover het recht van verdediging afdoende is gewaarborgd.

Bij die beoordeling kan de rechter de redelijke termijnvereiste mee in overweging nemen.

Het staat aan de rechter te oordelen of rekening houdend met alle concrete elementen van de gehele rechtspleging eisers recht op een eerlijk proces en recht van verdediging voldoende zijn gewaarborgd door zijn vertegenwoordiging op de rechtszitting door zijn raadslieden tijdens de appelprocedure, vanaf de voorgehouden onmogelijkheid om persoonlijk aanwezig te zijn en zijn verdediging te voeren.

Met betrekking tot de (on)bekwaamheid om te zitting als beklaagde te verschijnen mag weerhouden dat:

• elke beklaagde het recht heeft om ofwel verstek te laten ofwel persoonlijk te verschijnen, al dan niet met bijstand van een advocaat, of om zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat;
• het inderdaad zo is dat een beklaagde niet kan worden verplicht om zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat;
• wanneer na meerdere uitstellen op verzoek van de verdediging wegens ziekte van de beklaagde blijkt dat er geen merkbare evolutie in het ziektebeeld van de beklaagde komt, deze ziekte de behandeling van de zaak niet in de weg staat;
• het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser in dergelijke specifieke omstandigheden worden gevrijwaard door zijn recht om zich tijdens de behandeling van de zaak voor het appelgerecht te laten vertegenwoordigen door een of meerdere advocaten die zijn strafrechtelijke verdediging met kennis van zaken kunnen waarnemen;
• er anders over oordelen zou impliceren dat een chronisch zieke beklaagde die zich niet naar de rechtszaal kan begeven en tegen wie de strafvordering op regelmatige wijze werd ingesteld, nooit zou kunnen worden berecht.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/1
Pagina: 
58
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(T.B.M.D. alias T.B. - Rolnr.: P.15.0403.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 januari 2015 (arrest I) en 26 februari 2015 (arrest II).

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Middel in zijn geheel
1. Het middel voert schending aan van artikel 6, 1. en 6, 3., c) EVRM, artikel 14, 1. en 14, 3., d) IVBPR, artikel 185, § 1 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 2 en 440 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging.

Het eerste onderdeel voert aan dat het arrest II ten onrechte oordeelt dat eisers recht op een eerlijk proces niettegenstaande een recent ingetreden voorgehouden onmogelijkheid tot communicatie tussen hem en zijn raadslieden, voldoende is gevrijwaard door zijn vertegenwoordiging door één of meerdere advocaten die zijn strafrechtelijke verdediging met kennis van zaken kunnen waarnemen; de loutere omstandigheid dat eisers raadslieden in het verleden bepaalde proceshandelingen namens hem hebben gesteld, na overleg en met mandaat, laat dit besluit niet toe; het recht op een eerlijk proces vereist dat een beklaagde met betrekking tot elke te stellen proceshandeling de keuze heeft om zichzelf te verdedigen en daartoe persoonlijk aanwezig te zijn, eventueel met bijstand van een raadsman, dan wel zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman, zonder dat hij in enige mate kan worden verplicht zich door een raadsman te laten vertegenwoordigen.

Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest II ten onrechte oordeelt dat het recht op een eerlijk proces van de eiser is gevrijwaard door zijn recht om zich tijdens de behandeling van de zaak voor het hof van beroep te laten vertegenwoordigen door een of meerdere advocaten die zijn strafrechtelijke verdediging met kennis van zaken kunnen waarnemen, indien blijkt dat na meerdere uitstellen van de zaak op verzoek van de verdediging van de eiser wegens ziekte, er geen merkbare verbetering komt in het ziektebeeld van de eiser; de onmogelijkheid van communicatie is slechts recent ingetreden, namelijk op 28 december 2014; in geval van tijdelijke ongeschiktheid dient de rechter de behandeling van de zaak te onderbreken en uit te stellen naar een latere datum; uitzonderlijk is het voortzetten van de behandeling van de zaak toegelaten voor zover de belangen van de beklaagde voldoende worden gevrijwaard, wat in deze zaak niet het geval is.

Het derde onderdeel voert aan dat het arrest II niet kan oordelen dat de afwezigheid van de eiser bij de behandeling van de zaak zijn recht op een eerlijk proces niet miskent; het recht om aanwezig te zijn, kan niet worden ingeperkt indien de rechter moet oordelen over de geestestoestand van de eiser, wat in deze zaak aan de orde was.

2. Artikel 6, 1. EVRM schrijft voor dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvordering eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Artikel 6, 3., c) EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze.

Artikel 14, 3., d) IVBPR bepaalt dat hij die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd bij het bepalen van een tegen hem ingestelde strafvervolging het recht heeft in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze.

3. Uit die bepalingen en uit het algemene rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces volgt dat een beklaagde het recht heeft om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces en te beslissen of hij zichzelf zal verdedigen, al dan niet met bijstand van een raadsman, dan wel zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman. De beklaagde moet zijn strafproces daadwerkelijk kunnen volgen en eraan deelnemen, als hij dat wenst. Hij moet overleg kunnen plegen met zijn raadsman, hem instructies kunnen geven, verklaringen afleggen en tegenspraak kunnen voeren over het bewijsmateriaal.

4. Deze rechten, waarvan de naleving moet worden beoordeeld rekening houdend met de gehele rechtspleging, zijn evenwel niet absoluut. De enkele omstandigheid dat een beklaagde fysisch of psychisch niet in staat zou zijn om een gedeelte van de appelprocedure van een tegen hem regelmatig ingestelde strafvordering bij te wonen, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat het recht op een eerlijk proces zich ertegen verzet dat die rechtspleging spijts die onmogelijkheid verder doorgang vindt, voor zover het recht van verdediging afdoende is gewaarborgd.

Bij die beoordeling kan de rechter de redelijke termijnvereiste mee in overweging nemen.

5. Het staat aan de rechter te oordelen of rekening houdend met alle concrete elementen van de gehele rechtspleging eisers recht op een eerlijk proces en recht van verdediging voldoende zijn gewaarborgd door zijn vertegenwoordiging op de rechtszitting door zijn raadslieden tijdens de appelprocedure, vanaf de voorgehouden onmogelijkheid om persoonlijk aanwezig te zijn en zijn verdediging te voeren.

6. Het arrest II stelt vast dat:

de eiser zich zowel bij de behandeling van de zaak voor de eerste rechter op 7 april 2011 als bij de uitspraak door de eerste rechter op 5 mei 2011, toen er nog geen sprake was van enige ziektetoestand en hij derhalve in staat was ter rechtszitting aanwezig te zijn, liet vertegenwoordigen door zijn toenmalige raadsman en hij derhalve besliste om niet persoonlijk ter rechtszitting aanwezig te zijn;
de behandeling van het verzet van de eiser tegen het verstekarrest wegens zijn ziektetoestand telkens op zijn verzoek en meermaals werd uitgesteld, voor het eerst op de rechtszitting van 22 april 2013 en vervolgens op de rechtszittingen van 30 september 2013 en 24 februari 2014;
de voorgehouden onmogelijkheid van communicatie tussen de eiser en zijn raadslieden slechts recent is ingetreden: zowel mr. De Geest als mr. Van Cauter zijn reeds gedurende meerdere jaren de raadsman van de eiser en zijn in die periode ongetwijfeld in de mogelijkheid geweest om het dossier met de eiser te bespreken en een verdedigingsstrategie te bepalen;
op de rechtszitting van 11 december 2014, waarop de zaak was vastgesteld voor behandeling, door de raadsman van de eiser op geen enkel ogenblik werd gesteld dat hij niet in staat zou zijn om de zaak ten gronde te pleiten wegens de ziekte van de eiser;
in de drie conclusies die namens de eiser op de rechtszitting van 11 december 2014 werden neergelegd, evenmin melding werd gemaakt van een onmogelijkheid om de strafrechtelijke verdediging waar te nemen wegens ziekte van de eiser of wegens communicatieproblemen;
in zijn conclusie II de eiser aan het hof van beroep enkel heeft gevraagd om vóór ieder ander verweer te oordelen over de verjaring van de strafvordering, maar een onmogelijkheid om zich ten gronde te verweren niet ter sprake kwam;
mr. De Geest als raadsman van de eiser zijn tussenkomst reeds heeft gemeld bij schrijven van 27 april 2012 en in opdracht van de eiser meerdere proceshandelingen heeft gesteld zoals het indienen van wrakingsverzoeken en het aantekenen van cassatieberoepen en het behandelen van deze cassatieberoepen;
de tussenkomst van mr. Van Cauter als raadsman van de eiser dateert van 23 oktober 2011 en dat ook mr. Van Cauter sinds zijn tussenkomst meerdere proceshandelingen heeft gesteld in opdracht van de eiser zoals het aantekenen van verzet tegen het verstekarrest en het opstellen en neerleggen van meerdere conclusies in verband met de verjaring en het recht op een eerlijk proces;
het stellen van dergelijke proceshandelingen gespreid over meerdere jaren in hoofde van de beide raadslieden een kennis van het volledige dossier en een overleg met en mandaat van de eiser veronderstelt.
7. Het arrest II oordeelt dat:

elke beklaagde het recht heeft om ofwel verstek te laten ofwel persoonlijk te verschijnen, al dan niet met bijstand van een advocaat, of om zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat;
het inderdaad zo is dat een beklaagde niet kan worden verplicht om zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat;
wanneer na meerdere uitstellen op verzoek van de verdediging wegens ziekte van de beklaagde blijkt dat er geen merkbare evolutie in het ziektebeeld van de beklaagde komt, deze ziekte de behandeling van de zaak niet in de weg staat;
het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser in dergelijke specifieke omstandigheden worden gevrijwaard door zijn recht om zich tijdens de behandeling van de zaak voor het appelgerecht te laten vertegenwoordigen door een of meerdere advocaten die zijn strafrechtelijke verdediging met kennis van zaken kunnen waarnemen;
er anders over oordelen zou impliceren dat een chronisch zieke beklaagde die zich niet naar de rechtszaal kan begeven en tegen wie de strafvordering op regelmatige wijze werd ingesteld, nooit zou kunnen worden berecht.
Met het geheel van die vaststellingen en overwegingen verantwoordt het arrest II naar recht de beslissing dat het recht van verdediging van de eiser is gevrijwaard en zijn recht op een eerlijk proces niet is miskend.

De onderdelen kunnen niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering
8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 318,51 EUR.

Noot: 

Van de Heyning, C., « Het recht op deelname aan de procedure: wanneer ben je (tijdig) ziek genoeg? », R.A.B.G., 2017/1, p. 66-71

Zie ook:

Cass 20/09/2016, R.A.B.G., 2017/1, p. 62-66:

(I. H.W.E.E.
II. R.C.D.
III. en IV. E.A.D.M.
V. J.L.J.V. en Ingenieurskantoor E. BVBA / Regie der Gebouwen - Rolnr.: P.16.0231.N)

(Advocaten: Mr. J. Meese, Mr. L. Van Puyenbroeck, Mr. F. Decroo-Desguin, Mr. Y. Cavit en Mr. F. Thiebaut)

I. Rechtspleging voor het Hof
(…)

II. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser III
(…)

Middelen van de eiser I
9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt dat de eiser I in staat is om te worden berecht hoewel hij uitgebreid had aangevoerd dat zijn gezondheidstoestand dat niet toeliet en een deskundigenverslag had neergelegd ter staving daarvan; in die omstandigheden rustte op de appelrechters de verplichting om daadwerkelijk onderzoek te doen naar zijn medische toestand en naar zijn geschiktheid om het dossier te begrijpen en zijn raadsman te instrueren; zo nodig hadden zij een bevel tot medebrenging kunnen uitvaardigen; de appelrechters hebben evenwel ten onrechte gemeend dat zij zich niet van de toestand van de eiser konden vergewissen en dat zij zich moesten beperken tot een onderzoek op basis van de stukken die hij zelf neerlegde; doordat de appelrechters geen bevel tot medebrenging uitvaardigen, de eiser I niet doen verhoren, de door hem ingeroepen deskundige niet horen als getuige of geen gerechtsdeskundige aanstellen, verzuimen zij daadwerkelijk onderzoek te voeren naar eisers medische toestand, schenden zij de vermelde bepaling en miskennen zij de vermelde rechtsbeginselen.

10. In zoverre het middel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de appelrechters of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.

11. Artikel 6, 1. EVRM schrijft voor dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvordering eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

Artikel 6, 3., c) EVRM bepaalt dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht heeft zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze.

12. Uit die bepalingen en uit het algemene rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces volgt dat een beklaagde het recht heeft om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces en te beslissen of hij zichzelf zal verdedigen, al dan niet met bijstand van een raadsman, dan wel zich te laten vertegenwoordigen door een raadsman. De beklaagde moet zijn strafproces daadwerkelijk kunnen volgen en eraan deelnemen, als hij dat wenst. Hij moet overleg kunnen plegen met zijn raadsman, hem instructies kunnen geven, verklaringen afleggen en tegenspraak kunnen voeren over het bewijsmateriaal.

13. De rechter beoordeelt onaantastbaar of een beklaagde fysiek of psychisch al dan niet in staat is om de tegen hem ingestelde strafvordering bij te wonen, die te kunnen volgen en eraan deel te nemen. Hij kan bij die beoordeling rekening houden met alle gegevens van het strafdossier, de stukken die hem door de partijen worden bezorgd, zoals medische verslagen of bevindingen van psychiaters en psychologen, alsook met het gegeven dat de verzoekende beklaagde niet op de rechtszitting aanwezig is om zijn verzoek toe te lichten. De rechter is niet verplicht om in elk geval tegen een niet-verschijnende beklaagde die voorhoudt dat hij niet in staat is om het tegen hem gevoerde strafproces te volgen, een bevel tot medebrenging uit te vaardigen of een deskundigenonderzoek te bevelen of de eigen deskundige van de beklaagde te horen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

14. Het arrest oordeelt dat:

de raadsman van de eiser I uitdrukkelijk heeft verklaard dat zijn cliënt zich niet bevindt in een staat van krankzinnigheid, noch in een ernstige staat van geestesstoornis of van zwakzinnigheid in de zin van artikel 71 Strafwetboek of artikel 1 wet bescherming maatschappij;
de eiser I niet onder voorlopig bewind staat en dus in het gewone rechtsverkeer volkomen handelingsbekwaam is;
uit de stukken die de eiser I heeft neergelegd met betrekking tot zijn fysieke en mentale toestand niet blijkt dat hij niet in staat was of is om op een effectieve wijze deel te nemen aan het proces;
volgens een verslag van de door de eiser I geraadpleegde arts, prof. K.A., psychiater, hij zou lijden aan een “frontaal-syndroom” ingevolge een heelkundige ingreep die hij onderging in 2011, met tot gevolg een verstoord emotioneel maar vooral cognitief functioneren en “een bijzonder grote beperking tot onmogelijkheid tot het begrijpen van zijn juridisch dossier en het begrijpen van de impact van de mogelijke gevolgen”;
die conclusie van dr. A. niet kan worden bijgetreden;
los van de louter algemene theoretische beschouwingen in het verslag, de gerapporteerde symptomen beperkt zijn;
de eiser I gedetailleerd blijkt te hebben verteld over de inval in zijn woning op 31 januari 2001, het openen van zijn kluis, het onderzoek in zijn kantoor te Brussel, het onderzoek door de onderzoeksrechter, zijn confrontatie met zijn geboeide collega's, zijn voorlopige hechtenis gedurende 103 dagen en zijn op secreet stelling, alsook over de medische ingrepen die hij onderging in 2011;
uit de verklaringen van de zoon van de eiser I blijkt dat deze met zijn inmiddels gepensioneerde vader af en toe berekeningen over betonconstructies bespreekt, zijn vader contacten onderhoudt met klanten van zijn zoon en dat hij werken uitvoert aan de woning van een andere zoon waarbij het opvallend is dat desbetreffend enkel opmerkingen worden weergegeven over het vormelijk aspect van deze handelingen, niet over het inhoudelijke aspect;
dr. A. zich eveneens steunt op het neuropsychologisch onderzoek door psycholoog W., zonder dat hiervan een verslag wordt neergelegd;
de weergave in het verslag van dr. A. bijzonder summier is en een wisselend presteren inzake aandacht en concentratie vermeldt, waarbij vooral de nadruk wordt gelegd op het verschil tussen het voormalig pre-morbide presteren van de eiser I, dat zeer hoog wordt ingeschat, en het huidige functioneren dat wordt vergeleken met een dwarsdoorsnede van de bevolking;
het feit dat de eiser I, in tegenstelling tot vroeger, op een minder hoog bovengemiddeld niveau functioneert of zelfs beneden gemiddeld zou functioneren, evenwel niet betekent dat hij geen goed begrip heeft van de aard van het proces of de mogelijke gevolgen ervan niet kan inschatten, noch dat hij niet in staat zou zijn om aan zijn advocaat zijn versie van de feiten uiteen te zetten, de verklaringen aan te duiden waarmee hij het oneens is of de aandacht te vestigen op de feiten die voor zijn verdediging dienen te worden aangebracht;
hetzelfde geldt voor het uitgevoerde beeldvormend onderzoek dat weliswaar een standaarddeviatie aan het licht brengt maar niet toelaat te concluderen tot de afwezigheid van voormelde capaciteiten;
de eiser I er, net zoals tijdens de behandeling van de zaak voor de eerste rechter, vrijwillig voor heeft gekozen zich ter rechtszitting te laten vertegenwoordigen derhalve dat het hof van beroep zelf zich niet van de situatie heeft kunnen vergewissen, zodat enkel de stukken voorliggen die door de eiser I zelf worden neergelegd;
op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat geen van de gerelateerde dysfuncties, afzonderlijk of in hun geheel genomen, toelaten te stellen dat de eiser I niet in staat is om te worden berecht;
de aanstelling van een gerechtelijk deskundige niet noodzakelijk of aangewezen is, daar uit de gerelateerde capaciteiten waarover de eiser I wel nog beschikt, voldoende blijkt dat hij over een voldoende mentaal vermogen beschikt om op een effectieve wijze te participeren aan het proces;
noch de leeftijd van de eiser I, noch de duur van het debat, noch de omvang van het strafdossier nopen tot een andere conclusie;
overigens niets toelaat te veronderstellen dat de eerste rechter of het hof van beroep, mocht de eiser I zich ter zitting hebben aangeboden om er te worden gehoord, geen bijzondere schikkingen zou hebben getroffen teneinde zo nodig tegemoet te komen aan zijn beweerde verminderde capaciteiten;
er bijgevolg evenmin sprake is van een miskenning van de zogenaamde wapengelijkheid in hoofde van de eiser I die minstens sedert de procedure tot regeling van de rechtspleging voor de raadkamer kennis heeft kunnen nemen van de voor hem relevante onderdelen van het strafdossier.
15. Aldus onderzoekt het arrest daadwerkelijk of de eiser I in staat is om te worden berecht en miskent het geenszins eisers recht van verdediging noch zijn recht op een eerlijk proces, maar verantwoordt het naar recht de beslissing dat “geen van de gerelateerde dysfuncties, afzonderlijk of in hun geheel genomen, toelaten te stellen dat de [eiser I] niet in staat is om te worden berecht”.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

(…)

Dictum

Het Hof,

Verleent de eiser I akte van zijn afstand zoals hierboven vermeld.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

(…)

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 17/07/2017 - 13:08
Laatst aangepast op: ma, 17/07/2017 - 13:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.