-A +A

Begroting ereloon van deskundige in PV van verhoor in toepassing van art. 985 Ger. W. levert uitvoerbare titel op

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 18/11/2011
A.R.: 
2002-AR-2735

- Het P.V. van verhoor van de gerechtsdeskundige onder toepassing van artikel 985 Ger.W. en waarbij onderaan dit P.V. de staat van kosten en ereloon werd begroot en waarbij bevel tot tenuitvoerlegging werd verleend tegen een gedingpartij verleent een uitvoerbare titel
- Van dit P.V. kan gebeurlijk een uitgifte worden bekomen om indien nodig een gedwongen tenuitvoerlegging te benaarstigen.
- Het navolgend verzoek van de grechtsdeskundige tot taxatie van zijn ereloon voor dit verhoor is derhalve onontvankelijk
 

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Hof van beroep
te Gent

9b Kamer
________

Terechtzitting
van
18 november 2011
________

2002/AR/2735 - In de zaak van:

B.........R............,
wonende te .................................., destijds ingeschreven in het handelsregister te ..........................

appellant van een vonnis van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 7 oktober 2002,

tegen :

1. D.....V........G..............,
wonende te ................................

2. L........... J.................,
wonende te ..................................
geïntimeerden sub 1 en 2,

3. CARRIERES DU HAINAUT N.V.,
met maatschappelijke zetel te SOIGNIES, Rue de Cognebeau 24, ingeschreven met KBO nr. 0401.155.87, woonstkeuze doende bij haar raadsman hierna vermeld,

geïntimeerde,

4. B.................................. J...........,
wonende te .......................
geïntimeerde,

Mede inzake:

V................. R............,
wonende te ...................................,

deskundige die in persoon verschenen is,

velt het hof het volgend arrest:

1. Het hof heeft de verschenen partijen bij monde van hun raadslieden alsook gerechtsdeskundige V............R.........gehoord in raadkamer en in het Nederlands.

2. Middels tussenarrest van deze kamer van het hof d.d. 19 november 2010 werd, verder recht doende na het tussenarrest van deze kamer van het hof d.d. 22 oktober 2004 (alsdan anders samengesteld), onder toepassing van artikel 985 Ger.W. het verhoor van deskundige V........... R............ bevolen.

Het verhoor greep plaats op 28 januari 2011 en hiervan werd een proces-verbaal opgesteld.

Onder toepassing van artikel 985, lid 5 Ger.W. werd het ereloon en de kosten van de deskundige onmiddellijk begroot onderaan het proces-verbaal waarbij de tenuitvoerlegging ervan werd bevolen lastens de appellant.

 

Op 20 juli 2011 werd door deskundige V.......... R........een verzoek tot taxatie neergelegd ter griffie van het hof alhier gezien de appellant het ereloon en de kosten, die werden begroot op 750,00 euro, exclusief B.T.W., niet voldeed en de appellant ondanks herhaalde aanmaningen en gerechtsdeurwaarderstussenkomst weigerde tot betaling over te gaan.

De partijen en de deskundige werden onder toepassing van artikel 973 §2 Ger.W. en 991 Ger.W. opgeroepen te verschijnen in raadkamer van deze kamer van het hof op de zitting van 21 oktober 2011.

3. Artikel 985, lid 5 Ger.W. bepaalt:

"Het ereloon en de kosten van de deskundige worden door de rechter onmiddellijk begroot onderaan het proces-verbaal met bevel tot tenuitvoerlegging ten laste van de partij of de partijen die hij aanwijst en in de verhouding die hij bepaalt. Deze bedragen zullen in de eindbeslissing als gerechtskosten worden begroot."

Het proces-verbaal van verhoor van de deskundige verleent derhalve voor wat betreft de door de rechter (in casu het hof) onderaan dit proces-verbaal begrote kosten en ereloon van deskundige een uitvoerbare titel.

Door het bevel tot tenuitvoerlegging is deze beslissing immers uitvoerbaar lastens diegene die in het proces-verbaal van verhoor werd aangewezen, zijnde in casu de appellant.

Aldus kan van dit proces-verbaal gebeurlijk een uitgifte worden bekomen om indien nodig een gedwongen tenuitvoerlegging te benaarstigen.

Het verzoek van deskundige V........ R...... tot taxatie van zijn staat van kosten en ereloon is derhalve onontvankelijk gezien het hof hierover reeds heeft beslist en aan hem geen tweede uitvoerbare titel kan worden verleend.

4. Onderhavig tussengeschil geeft geen aanleiding tot vereffening van gedingkosten.

 

OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het verzoek van deskundige V......... R........ onontvankelijk;

Verstaat dat er met betrekking tot onderhavig tussengeschil geen
gedingkosten te vereffenen zijn;

 

Noot: 

zie ook: 

Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 2e Kamer – 3 juni 2010, RW 2011-2012, 537

Samenvatting:

De opleiding, de kwalificatie en de specialisatie van de deskundige zijn essentiële renumeratiefactoren waarmee rekening dient gehouden bij de bepaling van zijn staat.

De vraag rijst of de deskundige recht heeft op een vergoeding voor zijn tijdsbesteding en bijkomende kosten. Indien de betwisting ten onrechte is, heeft de deskundige recht op een forfaitaire vergoeding; indien zijn staat werkelijk en terecht wordt betwist, is er evenwel geen enkele reden tot vergoeding.

aanvaard uurloon 97,02 euro
aanvaard uurloon secretariaat: 44, 23 euro
herleide post voor neerlegging en afsluiting expertise: 125 euro
redelijke verplaatsingsvergoeding met inbegrio van de tijd besteed aan de verplaatsing: 1 euro per km.

tekst vonnis:

NV A.R. t/ BV Vennootschap naar Nederlands recht R.S.N.

4. Beoordeling

...

4.2. De staat van de kosten en het ereloon wordt niet langer betaald bij de overlegging van het verslag aan partijen. De betaling ervan dient conform art. 991bis Ger.W. te gebeuren aan de hand van het voorschot dat geconsigneerd is; voor zover dat voorschot of het saldo ervan dat voorhanden is op de griffie of bij de kredietinstelling ontoereikend is om (het saldo van) de staat te voldoen, mag de deskundige slechts een rechtstreekse betaling in ontvangst nemen nadat zijn staat van kosten en ereloon definitief is begroot door de rechter (art. 991bis, laatste lid, Ger.W.).

In principe begroot de deskundige zelf zijn kosten en ereloon; behoudens enkele uitzonderingen bestaan er immers geen wettelijke barema’s voor de kosten en de erelonen.

De bepaling van de staat van kosten en ereloon gebeurt door de rechter; de verbintenis deze te moeten voldoen volgt niet uit enige overeenkomst, maar uit de wet zelf. De beoordeling door de rechter gebeurt niet op grond van een overeenkomst maar (deels) op de criteria die de wet voorschrijft.

De deskundige moet zich daarbij echter aan de bepalingen van art. 990 Ger.W. houden. Dat artikel voorziet in een gedetailleerde staat waarbij afzonderlijk vermeld worden:

– het uurloon;

– de verplaatsingskosten;

– de verblijfkosten;

– de algemene kosten;

– de bedragen die aan derden zijn betaald;

– de verrekening van vrijgegeven bedragen.

De basis voor de begroting wordt volgens art. 991, § 2, derde lid, Ger.W. gevormd door drie elementen:

– de zorgvuldigheid waarmee het werk werd uitgevoerd;

– de nakoming van de vooropgestelde termijnen;

– de kwaliteit van het geleverde werk.

Eiseres beweert niet dat de werkzaamheden of het verslag van de deskundige zou(den) tekortschieten aan één van voornoemde criteria.

De rechter die wordt geadieerd inzake een betwisting omtrent de kosten en erelonen van een gerechtsdeskundige kan zich evenwel ook laten leiden door andere criteria dan die welke worden opgesomd in de wet zelf (Antwerpen 30 januari 2001, P&B 2002, 231).

4.3. Hoewel het geen criterium op zich is, zal de hoedanigheid van de deskundige mee bepalend zijn bij de begroting van de staat. Het is logisch dat de opleiding, de kwalificatie en de specialisatie van de deskundige essentiële renumeratiefactoren vormen.

De deskundige heeft duidelijk uiteengezet en door middel van stukken gestaafd dat zijn graad en diploma gelijkgesteld wordt, met die van industrieel ingenieur (zie ook de voorgelegde beslissing van de Assimilatiecommissie bij het Ministerie van Onderwijs). Deze kwalificaties worden ook door geen van de partijen betwist.

Voorts heeft deze deskundige ter zitting uiteengezet dat hij drie specialisaties heeft, namelijk (1) transformatie van kunststoffen; (2) luchtbehandelingen en (3) niet-verspanende metaalbewerking.

Ten slotte deelde de deskundige, op verzoek van de rechtbank, mede dat hij tot nog toe reeds een zevental gerechtelijke expertises heeft uitgevoerd.

4.4. Wanneer de rechter die de deskundige heeft aangesteld, geadieerd wordt om de staat van de kosten en het ereloon te begroten, kan hij geen uitspraak doen over de waarde van het deskundigenonderzoek voor de beslechting van het geschil; het komt immers aan de rechter ten gronde toe om bij het onderzoek van het geheel van elementen te oordelen of de inhoud van het verslag nuttig is voor de beslechting van het geschil. Deze rechtbank oordeelt thans als taxatierechter en treedt bijgevolg niet in de beoordeling van de feiten.

Bijkomend element is nog dat in casu, gezien de minnelijke regeling, ook geen daadwerkelijk deskundigenverslag (met voorverslag, opmerkingen en eindverslag) voorligt.

4.5. De deskundige hanteert drie verschillende uurloontarieven.

Voor de expertisewerkzaamheden (zeg maar de intellectuele prestaties) rekent de deskundige een uurtarief aan van 97,02 euro. Hoewel zulks misschien eerder aan de hoge kant is, meent de rechtbank dat dit uurtarief niet als kennelijk onredelijk of abnormaal hoog kan worden betiteld, mede in functie van de hierboven vermelde kwalificaties van de deskundige.

Voor de verplaatsingen (los van de eigenlijke verplaatsingskost, die afzonderlijk wordt aangerekend à rato van 0,61 euro/km) rekent de deskundige een tarief aan van 72,77 euro per uur. De rechtbank is van oordeel dat het uurtarief voor verplaatsingen overdreven begroot is: een reductie naar het uurloon inzake secretariaatskosten (44,23 euro) is billijk, zeker aangezien daarnaast ook nog eens een afzonderlijke verplaatsingskost wordt aangerekend (0,61 euro/km) die ook eerder aan de hoge kant begroot is (vaak wordt door deskundigen bv. enkel een globaal forfait aangerekend van 1,00 euro/km, waarin dan zowel de verplaatsingsduur als de verplaatsingskost begrepen zit).

Het uurloon inzake secretariaatskosten (44,23 euro) is redelijk begroot en behoeft geen enkele correctie.

4.6. Bij nazicht van de staat van kosten en erelonen blijkt dat deze uitermate gedetailleerd is, daar deze niet minder dan dertien bladzijden telt.

Wegens de fundamentele kritiek die geuit wordt, is het nodig om deze staat te onderwerpen aan een gedetailleerd onderzoek.

Voor de posten die niet uitdrukkelijk worden besproken, dient te worden aangenomen dat deze, behoudens andersluidende overweging, kunnen worden toegekend, zoals gevorderd.

...

4.20. Voor de posten “dossier afsluiten” enerzijds en “neerleggen” anderzijds brengt de deskundige 228,39 euro in rekening. Deze posten worden amper toegelicht.

Bij dit alles brengt de rechtbank in herinnering dat er geen sprake is van een deskundigenverslag (met voorverslag, opmerkingen en eindverslag) maar – in essentie – enkel van rapportage van twee vergaderingen, met een afsluitend relaas, gezien de minnelijke regeling.

In acht genomen het proportionaliteitsbeginsel heeft de deskundige ter zake ook rekening te houden met de (beperktere) aard van zijn werkzaamheden.

Ex aequo et bono dient deze post te worden herleid tot 125,00 euro.

4.21. De deskundige heeft ook een bedrag gevorderd van 204,00 euro ter vergoeding van de bijkomende kosten, daar hij werd opgeroepen omdat zijn staat wordt betwist.

De deskundige dient normalerwijze zelf te verschijnen op de taxatiezitting, omdat hij zijn staat, die het voorwerp van betwisting uitmaakt, dient toe te lichten.

De vraag rijst of de deskundige recht heeft op een vergoeding voor zijn tijdsbesteding en bijkomende kosten. Indien de betwisting ten onrechte is, heeft de deskundige recht op een forfaitaire vergoeding; indien zijn staat werkelijk en terecht wordt betwist, zoals in casu, is er evenwel geen enkele reden tot vergoeding (T. Lyssens en L. Naudts, “Kosten en erelonen” in Bestendig Handboek deskundigenonderzoek, Kluwer, III-5-18, nr. 12400).

Deze afzonderlijke vordering wordt dan ook afgewezen.

...

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 17/01/2014 - 22:48
Laatst aangepast op: vr, 17/01/2014 - 22:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.